De gevechten in de regio van Saint Mihiel 14-18
Saint Mihiel staat vooral bekend als vaderstad van beeldhouwer Ligier Richier (Saint Mihiel 1500-Geneve 1567). Zijn Vierge en pamoison (de Bezwijmde H. Maagd) in de aan Sint-Michiel opgedragen abdijkerk dateert uit 1531 doch zijn meest beroemd werk is het Sepulcre (of Heilig Graf), dat hij zelf niet heeft kunnen plaatsen want als protestant moest hij zich in ballingschap begeven. Dit werk is in de Sint-Stevenskerk ondergebracht. Deze beeldende kunstenaar was een waar genie. Hij was in staat het universele van een tijd aan te voelen en uit te beelden, aan al zijn scheppingen een intens leven en innige ontroering mee te geven. Zijn werk gaat het kader van de Renaissance in Lotharingen te boven en stelt de vraag van de eeuwige bestemming van de mens.
Saint Mihiel bezit een grote rijkdom aan bouwwerken uit de Renaissance en de klassieke periode. De stad heeft ook de belangrijke bibliotheek van de Benedictijnen van de Sint-Michiels-abdij. Het fonds is ter plaatse gebleven en wordt in een fraaie zaal op de eerste verdieping van het klooster bewaard. De collecties omvatten onder andere: handschriften met miniaturen, incunabelen en het eerste in de Hertogdommen (namelijk in Longeville devant Bar, in 1502) gedrukte boek.
De sector Saint Mihiel in augustus en september 1914, de gevechten om de Maasovergangen.
De nederlaag die de Fransen in de Frans – Duitse oorlog van 1870-1871 lijden heeft tot gevolg dat Frankrijk noordoost Lotharingen met de geheel Franstalige stad Metz, met Diedenhofen, evenals de Elzas met uitzondering van de vesting Belfort, moet overdragen aan Pruisen (Duitsland). Deze gebieden vormen samen de oostelijke Franse departementen Bas Rhin, Haut Rhin en Moselle. Deze gebieden hebben een oppervlakte van ruim 14 500 vierkante kilometer en tellen anderhalf miljoen inwoners, de meerderheid is Duitstalig.
Het inlijven van deze Franse gebieden maakt een revanche onvermijdbaar en vormt de kiem voor een toekomstig conflict. De bevolking accepteert de Duitse nationaliteit niet. Dat blijkt uit het feit dat tussen 1875 en 1895 een derde van de inwoners de ingelijfde gebieden verlaat en naar Frankrijk terugkeert. Velen ontrekken zich aan de Duitse dienstplicht. Alleen al tussen 1871 en 1874 zijn dit er meer dan honderdduizend, daarvan sporen de Duitsers ruim 27 000 man op. Van dit aantal is de helft lichamelijk ongeschikt om tot militair te worden opgeleid.
De nederlaag van de Franse troepen in de oorlog van 1870-1871 heeft het vertrouwen van de Franse bevolking in het leger en zijn bevelhebbers ondermijnd. De nieuwe Franse premier en bovendien minister van Oorlog De Fraycinet reorganiseert het leger en stelt de eerste volwaardige generale staf aan. Hij beseft dat het leger in deze opbouwfase niet offensief tegen een sterke Duitse tegenstander kan optreden.
De Franse Generale Staf beperkt zich dan ook in eerste instantie tot het opstellen van een defensief plan, het genaamde Plan 1.
In dit plan regelt men de defensieve verdediging van de oostgrens. Deze is door het verlies van de versterkingen in o.a. de regio Metz nu praktisch onbeschermd. De beroemde vestingbouwer, generaal Séré de Rivières, krijgt de opdracht om deze zeer kwetsbare grens te versterken. Dit gebeurt door het bouwen van forten en andere versterkingen nabij Verdun, Toul, Epinal en Belfort.
Nadat deze forten in 1887 grotendeels voltooid zijn worden er nieuwe plannen opgesteld maar nu is het hoofddoel de herovering van de verloren gebieden.
De gevechten in augustus - september 1914
Aan Franse zijde beginnen de vijandelijkheden met de uitvoering van het optimistische gedeelte van Plan XVII, de opmars in Elzas-Lotharingen. Na een eerste inval op 7 augustus wordt Altkirch, in het zuiden van de Elzas gelegen, als eerste stad na 1871 herovert. Op 8 augustus word Mulhouse weer voor één dag Frans bezit, op 14 augustus begint de Slag om Lotharingen. Behalve de aanval in het zuiden, door het Leger van de Elzas onder generaal Pau, is het hoofdoffensief geconcentreerd ten zuidoosten van Metz. Het Eerste Leger (generaal Dubail) en het Tweede leger (generaal de Castelnau) rukken op in de richting van Sarrebourg. Gezien de Duitsers volgens plan terugtrekken verloopt de opmars aanvankelijk vlot. De toppen en passen in de Vogezen worden door de Fransen bezet en Sarrebourg valt op 18 augustus in hun handen.
Ondertussen is Mulhouse ook weer Frans geworden. De vreugde is echter van korte duur. Het Duitse Zesde Leger onder kroonprins Rupprecht van Beieren en het Zevende Leger, geleid door generaal von Heeringen zetten de tegenaanval in. Zij drijven de Franse legers terug. De Fransen lijden tijdens deze dagen zware verliezen. Tussen 20 en 23 augustus sneuvelen 40.000 Franse militairen, waarvan op de 22ste maar liefst 27000 ( dat zijn de hoogste verliezen op één dag van het Franse leger gedurende WOI).
Door de Duitse successen in Lotharingen geraakt de Oberste Heeresleitung in een euforische stemming. von Moltke geeft beide legers opdracht om het offensief voort te zetten, dit om de verdedigingswerken bij Nancy te veroveren. De niet langer defensief opererende linkervleugel zal zo kunnen bijdragen tot een reusachtige herhaling van de slag bij Cannae. De gehele vijandelijke strijdmacht zal omsingeld worden in een gelijktijdige tangbeweging vanuit het oosten en het westen. Daartoe moet de zwakkere linkervleugel worden versterkt. Het Zesde en het Zevende Leger krijgen daarom reserves toegewezen die bestemd zijn voor de legers op de rechtervleugel. Doordat er legereenheden achtergebleven zijn voor de belegering van Antwerpen en Maubeuge en dat er twee legerkorpsen worden weggehaald voor de strijd in Oost-Pruisen, blijven er op de rechtervleugel van de oorspronkelijke zestien legerkorpsen nog elf over. De legendarische laatste woorden van Von Schlieffen: 'Macht mir nur den Rechten stark' zijn blijkbaar vergeten. Op het hoogtepunt van de nu volgende slag zullen er op de linkervleugel zelfs meer Duitse troepen strijden dan aan de rechterkant!
Gelijktijdig met de grote confrontatie aan de Marne wordt ook in het noordoosten slag geleverd (4-13 september). Ditmaal opereert het Zesde Leger samen met het Vijfde Leger onder leiding van kroonprins Wilhelm. Deze probeert via de Argonne vanuit het noordwesten Verdun in te sluiten, dit terwijl de Beierse kroonprins Rupprecht tegenover Nancy aanvalt. Het leger van de Beierse kroonprins slaagt er echter niet in om de verbinding met de andere Duitse strijdmacht tot stand te brengen. Men blijft steken voor fort Troyon, dat weliswaar tot zwijgen is gebracht, maar dat niet kan worden ingenomen (9 september). Op 10 september ontruimen de Duitsers het tijdens de aanval bezette Pont-à-Mousson weer. Gedurende de nu volgende dagen proberen beide partijen zich langs het westelijke front te hergroeperen en zich aan te passen aan de nieuw ontstane situatie.
Gelijktijdig neemt aan Duitse zijde generaal von Falkenhayn het opperbevel over van de gebroken von Moltke. De nieuwe bevelhebber is van mening dat de meeste kansen op een Duitse overwinning aan het westelijke front liggen. Het Zesde Leger vertrekt per trein naar het westen om daar deel te nemen aan 'De race naar de zee'. In het noordoosten wordt er een nieuwe strijdmacht geformeerd onder generaal von Strantz. Deze blijft voortaan onder het oppercommando van het Vijfde Leger van kroonprins Wilhelm.
Aan Franse zijde meent generaal Joffre dat er in de noordoostelijke regio geen nieuwe Duitse aanval te verwachten is. Daarom wordt een deel van het Tweede Leger met generaal de Castelnau aan het hoofd, verplaatst naar een bedreigde frontsector aan de Oise. Dit optimisme is echter niet gerechtvaardigd. Op 20 september worden de Fransen verrast! De Duitsers pogen om de Côtes Lorraines en de sperforten langs de Maas in handen te krijgen.
De Duitsers boeken aanvankelijk snelle successen. De Côtes worden in een stormloop over een lengte van 20 kilometer genomen en op 24 september word Saint-Mihiel veroverd. De Maas is overschreden. Een dag later valt ook het nabijgelegen fort Camp des Romains in Duitse handen. De poging van het Vijfde Legerkorps om de forten Troyon en Liouville te nemen, strandt op fel Frans verzet. De Duitsers geraken in moeilijkheden! Ze geraken in de penarie door de zware verliezen op het slagveld en door de troepenverplaatsingen naar elders. Bovendien versterken de Fransen hun bedreigde posities aanzienlijk, zodat zij kunnen tegenaanvallen. Dit leidt tot het indeuken van de uitstulping in het front dat door het Duitse offensief is ontstaan, maar meer ook niet. Aangezien tot september 1918 geen grote verandering in deze situatie optreedt, wordt de saillant van Saint-Mihiel een begrip. Vanaf het najaar 1914 wordt ook in Noordoost-Frankrijk de loopgravenoorlog de manier van oorlog voeren.
De gevechten in de periode september - november 1914
Nadat de Duitse opmars in september 1914 na de slag aan de Marne is vastgelopen en de hierop volgende Duitse terugtocht tot aan de Aisne is voltooid, begint er een stellingenoorlog. Beide tegenpartijen proberen door verwoede aanvallen veranderingen in de frontlijn te brengen.
Ten oosten van Verdun in de Woëvre-vlakte zoekt het Franse 3e Leger,onder bevel van generaal Sarrail,naar mogelijkheden om met een groot offensief het vastgelopen front weer in beweging te krijgen. Het Duitse 5e Leger,onder bevel van Kroonprins Wilhelm, wil dit ook uitproberen. De Woëvre-vlakte, die grotendeels uit leemgrond bestaat, is door de aanhoudende regen in de tweede en derde week van september vrijwel onbegaanbaar geworden. Het verplaatsen van zwaar materieel wordt een hele karwei. Toch slagen de Duitsers er in om langzaam op te rukken. Generaal Sarrail is verontrust en dat om twee redenen. De natte leembodem belemmert eveneens de bewegingen van zijn troepen. En tussen St. Mihiel en Chauvoncourt kunnen er geen noodbruggen over de sterk gezwollen Maas worden geslagen. Die bruggen zijn een vereiste voor het snel opvoeren van versterkingen.
Generaal Sarrails troepen bezetten een sleutelpositie in het Franse front. Wanneer de Duitsers er in slagen om in de vestinggordel langs de oostoever van de Maas een bres te slaan, dan kunnen zij door hier de rivier over te steken de aanvoerroutes en spoorlijnen naar Verdun blokkeren. Indien dat lukt dan zal deze vesting van zijn toevoer worden afgesneden.
Achter de oostelijke Maasoever in de lijn Buzy - Saint Mihiel bevind zich de legerafdeling Von Strantz. Deze maakt deel uit van het 5e Leger van de Duitse Kroonprins. Dit leger is in eerste instantie samengesteld uit (van noord naar zuid):
· Het Ve Legerkorps (V Lk) met onder bevel de 33e Reserve Divisie (33 Res Div) als algemene reserve en de Landwehr Divisie (Landw Div) von Waldow. Deze troepen zijn tussen 20 en 25 september tot de lijn Buzy - Combres - St Rémy - Seuzey - Lamorville opgerukt.
· Het Beierse IIIe Lk, met later onder bevel de Beierse Elite Div, die enige weken later tot de lijn Senonville - St Mihiel - Apremont gaan oprukken.
· De 10e Infanterie Divisie (10 InfDiv) en de Garde Elite Divisie in de lijn Laheyville - Regniéville - Pont-à-Mousson
· Ten slotte de Beierse Cavalerie Divisie (Cav Div) ten zuidwesten van Chambley. Ze moeten verkenningen in het gebied van de Côtes Lorraines uitvoeren.
Begin september beveelt de Kroonprins om de sperforten die de Maashoogten en de overgangen over de Maas tussen Verdun en Saint Mihiel domineren, uit te schakelen. Dat wordt een opdracht voor de infanterie die zal ondersteund worden door sterke artillerie-eenheden. Sperforten zijn bolwerken die belangrijke opmarswegen voor vijandelijke troepen, met de hulp van hun artillerie en hun infanteriebezetting, moeten blokkeren.
Generaal von Strantz krijgt de taak om de sperforten in te nemen, allereerst die van:
· Troyon; Ligt ca. 10 km ten noorden van St. Mihiel op de oostelijke oever van de Maas.
· Les Paroches; Bevindt zich enige kilometers ten noorden van de stad op de westoever van de Maas.
· Camp des Romains; Ligt ca. 1 km ten zuiden van de stad.
Vervolgens moet hij met zijn troepen, tussen Toul en Verdun, een doorbraak afdwingen. Hij moet de Maas oversteken plus de bevoorradingslijnen vanuit het zuiden naar Verdun afsnijden.
Op 20 september beginnen de Duitse aanvallen op de oostelijke hellingen van de Côtes Lorraines. Ze willen deze strategisch belangrijke heuvelrug veroveren om zo de Maas te kunnen oversteken.
De aanvallers krijgen extra artillerie-eenheden ter beschikking dit zijn:
· De1ste Afdeling 155mm houwitsers van het Beierse 3e Vestingartillerie Regiment.
· De 2e Afdeling-155mm houwitsers van het Beierse 2e Reserve Vestingartillerie Regiment.
· De 2e en 3e Afdeling 21cm houwitsers van het 18e Vestingartillerie Regiment
· Twee batterijen 10cm kanonnen van het 8ste Reserve Vestingartillerie Regiment.
· Een afdeling 155mm houwitsers van het 2e Reserve Vestingartillerie Regiment,
· Drie 28cm houwitsers en twee 30.5cm houwitsers van de Oostenrijkse 2e Zware Houwitserbatterij.
De slecht verharde wegen naar de nieuwe voorwaarts gelegen stellingen voor deze artillerie zijn door de aanhoudende regen vrijwel onbegaanbaar. Het kost ruim 24 uur voor de nieuwe stellingen ingenomen zijn.
Tengevolge de massale Franse beschietingen en hun hardnekkige tegenstand vorderen de Duitsers niet snel en worden vele dorpjes totaal vernield.
Voor Sarrail komt dit offensief niet onverwacht. Dit omdat een aanval op Verdun door het XIIIe en XVIe Lk van het Duitse 5e Leger vanuit de lijn Varennes-Montfaucon is vastgelopen. En omdat Franse patrouilles op 16 september tussen Etain en Thiaucourt al gevechtscontact hebben gehad met sterke Duitse voorposten. Hij ziet in dat het zwaartepunt van de vijandelijke aanval naar de rechter Maasoever is verlegd. Daarom tracht hij het Franse 8eLk te versterken. Het 8ste LK bevindt zich tussen de forten op deze Maasoever en het is opgerukt tot de rand van de Woëvre-vlakte.
De Duitse troepen rukken echter sneller op. Nog vóór deze Franse versterkingen de Maas oversteken drijven troepen van het Ve Duitse en het IIIe Beierse Lk de Fransen terug tot op de Maashoogten.
Al eerder, op 9 september, is de Franse verdediging op de oostelijke oever van de Maas tussen Les Paroches en St. Mihiel bedreigd door Duitse voorhoede-eenheden die Chaillon bereikten. Vanaf deze plaats begint een in westelijke richting verlopende laagte door de hoge heuvelrug langs de Maas in de richting van deze rivier. Wanneer de Duitsers hierdoor oprukken in de richting van de plaatsen Banoncourt en St. Mihiel, beiden gelegen tussen de sperforten Troyon en Camp des Romains, dan bestaat het gevaar dat zij op deze plaats de Maas gaan oversteken. Dat zou het Franse 3e Leger in de rug zal bedreigen.
Een kleine Duitse patrouille, waarbij enige pioniers zijn ingedeeld, kunnen in de nacht van 9 september de Maas over zwemmen en de hierlangs lopende spoorlijn St. Mihiel - Verdun op één plaats opblazen, daarna keren ze ongezien weer naar hun eenheid terug.
Direct gaat Sarrail de troepen op de Maashoogten met nieuwe eenheden en met talrijke batterijen veldartillerie versterkken. Hij verwacht immers een nieuwe Duitse inspanning om de rivier over te steken. Dit wordt zekerheid op 20 september. De Duitse artillerie beschiet het tactisch belangrijke knooppunt Hattonchâtel. De beschieting wordt gevolgd door een aanval uitgevooerd met drie legerkorpsen. Het Ve Lk valt aan op de rechtervleugel, het Beierse IIIe Lk in het midden en het XIVe Lk op de linkervleugel.
De Franse troepen bevinden zich op de kam van de heuvelrug en controleren de vijandelijke bewegingen vanuit de regio Hattonchâtel. Geheel onverwachts vallen de Duitsers aan vanuit de bossen bij Harville, Beney en Thiaucourt, ze rukken op naar de lijn Fresnes - Wadonville - Hattonchâtel - Heu-dicourt - Essey - Limey.
Het Ve Lk slaagt er in om de Franse troepen, tussen 20 en 25 september, op de rechtervleugel via Wadonville en St. Maurice terug te dringen tot de lijn Les Eparges - St. Rémy. De voorhoedes van enkele Duitse eenheden geraken via de zeer steile helling aan de oostzijde van de Côtes Lorraines op de heuvelrug. Zij overschrijden de beroemde Tranchée de Calonne en bereiken het hooggelegen dorp Vaux-les-Palameix van waaruit ze het Fort de Troyon kunnen zien liggen en gadeslaan. Hier brengen de Franse troepen met de hulp van over de Maas aangevoerde versterkingen en met de nodige krachtige artilleriesteun de vijandelijke opmars op 25 september tot staan.
Het Beierse Ve Lk rukt vanuit Haumont en St. Benoit op naar Hattonchâtel en naar de weg van Heudicourt naar St. Mihiel. Bij deze opmars worden de dorpen Hattonville, Vigneulles en Hattonchâtel veroverd net als Heudicourt en Woin- ville. Hierdoor worden de Franse troepen teruggedrukt tot de weg Apremont - Loupmont – Xivray. Hier gaan ze zich ter verdediging organiseren en worden ondersteund door de kanonnen vanonder meer de forten Liouville en Gironville.
Het Duitse XIVe Lk op de linkerflank is op 20 september uit de omgeving van Thiaucourt en Essay in zuidelijke richting opgerukt. Het Lk loopt vast op de taaie tegenstand van de Fransen langs de weg D 958 vanaf het dorp Flirey via Limey naar Pont-à-Mousson.