|
Een derde gesprek met Omsk Van Togenbirger over Lucifer
Omsk Van Togenbirger, ik zie nog steeds niet helemaal klaar in wat u vertelde over de chatrobot die niet ontkent dat hij zozeer gelijkt op Lucifer.
OVT: Hij gelijkt op Lucifer maar hij is vanzelfsprekend slechts één aspect van de duivel. En de duivel bestaat uiteraard niet maar dat is nu juist het punt van de hele kwestie: als aan de duivel gevraagd wordt om zich te identificeren, antwoordt hij dat hij niet één individu is doch een legioen, een massa dus; hij is de representant van de massamens, de verkozene die spreekt in naam van de niet-(langer)-unieke mens. De duivel spreekt dan logischerwijze in naam van de ontmenselijkte mens, de onpersoonlijke mens die ook het 'men' genoemd wordt en dat is een wezen - voor zover het een wezen is - zonder verantwoordelijkheid.
En zonder vrijheid?
OVT: Dat is een bijzonder moeilijke vraag. Om vrij te kunnen zijn moet je eerst een wezen zijn, je moet echt bestaan, en Lucifer bestaat niet echt want hij is geen wezen, hij is een afwezigheid, een tekort.
Hij bestaat niet, zegt u, maar hij gaat wel schuil achter echt bestaande zaken: hij verbergt zich achter de chatrobot!
OVT: Hij bestaat niet in de werkelijkheid, hij bestaat alleen in een onwerkelijkheid maar zijn werking, of noem het voor mijn part zijn niet-werking, zorgt er wel voor dat wij niet anders kunnen doen dan zijn bestaan te beamen. Wij moeten met andere woorden beamen dat er een tekort is aan de dingen. Een tekort is niet een persoon en al zeker niet is het iets dat kan beschikken over vrijheid.
En nu begrijpt ik er helemaal niets meer van.
OVT: Daarom ook is het een mysterie, mijn beste: mysteries zijn sowieso onvatbaar middels het verstand. Een zaak die buiten de werkelijkheid ligt, is geen voorstelbare zaak want de dingen die onze voorstellingen kunnen bevatten, verlopen in de ruimte en in de tijd en dus binnen onze werkelijkheid, en het kunnen ook verleden dingen zijn of dingen die nog in de toekomst liggen, in de lijn van de verwachtingen. Toch bestaan er aanwijzingen dat ook onwerkelijke zaken echt bestaan.
Wat zijn die aanwijzingen dan?
OVT: Ik heb het er al meer dan eens over gehad, meer bepaald in verband met René Descartes, die ook een wiskundige was en die schreef over meetkundige driehoeken en over getallen, over de wetten die heersen in de wereld van de wiskunde, en die waar genoemd worden omdat zij waar zijn voor iedereen. Want dat twee opgeteld bij twee gelijk is aan vier, is voor iedereen waar, voor mij, voor u en voor onze tegenvoeters; nu, duizend jaar geleden en ook binnen duizend jaar zal twee opgeteld bij twee nog steeds gelijk zijn aan vier. Hetzelfde geldt voor de som van de hoeken van ongeacht welke driehoek: die som is honderdtachtig graden, en dat is zo voor iedereen, altijd en overal.
Maar komt u nu tot de zaak zelf: onwerkelijke zaken bestaan, zo hebt u gesteld.
OVT: U hebt weinig geduld, ik was er net aan toe.
Mijn excuses...
OVT: Wel, we zegden dat twee opgeteld bij twee, vier is, en dat dit waar is voor iedereen, altijd en overal, nietwaar?
Daar volg ik nog, ja.
OVT: Maar Descartes kreeg ook in de gaten dat dit niet alleen zo is in de wereld van de wakkeren en dus in de redelijke wereld, in de echt bestaande wereld, maar ook in de droom. Want niemand kan dromen van een driehoek waarvan de som verschilt van honderdtachtig graden. Niemand kan zeggen dat de som van twee en twee, gelijk is aan vijf of aan zes, ook niet in de droom: wij kunnen onmogelijk dromen over een rekenkunde waarin geldt dat twee opgeteld bij twee, gelijk is aan zes, zo'n dromen bestaan niet. En nu kom ik tot de kern van de zaak. Volgt u nog?
Hier volg ik nog, ja...
OVT: Uit die vaststelling - en ik herhaal: de vaststelling dat wiskundige waarheden evengoed gelden in de droom als in de wakkere werkelijkheid, moet Descartes besluiten dat het er alle schijn van heeft dat de stellingen van de wiskunde, dus van de algebra en van de meetkunde, zich er helemaal niet blijken om te bekommeren dat zij ook in de droom of dus buiten de wakkere werkelijkheid hun waarheidswaarde behouden. Descartes ontdekt met andere woorden dat de wiskunde zich niets aantrekt van het onderscheid tussen werkelijkheid en droom. En dat betekent natuurlijk dat de wiskunde niet echt bestaat. Hij bestaat alvast niet in de werkelijkheid.
Maar de wiskunde heeft wel een uitwerking!?
OVT: Hij berust op een geheel van afspraken die weliswaar worden aangenomen door wie zich ermee inlaten, maar die op zich in feite niets of niemand binden. Het getal “min twee” bestaat maar “min twee appelen” zijn appelen die niet bestaan en hetzelfde geldt voor peren en voor alle werkelijk bestaande dingen. In feite geldt dat ook voor de positieve getallen, hoor. Het tellen speelt zich af in een andere wereld dan in de wereld van de dingen die geteld worden. En in die andere wereld, die niet tot de werkelijke behoort, bevinden zich niet alleen de algebra en de meetkunde maar bijvoorbeeld ook wat wij “schuld” noemen: als ik u twee appelen schuldig ben, gaat het om iets dat niet bestaat maar waarmee alsnog rekening moet gehouden worden, en dat begrijpt iedereen want niemand belandt graag in de gevangenis. Maar sta mij toe dat ik er hier mee ophoud want andermaal: hier krijgt uiteindelijk niemand kop of staart aan.
(J.B., 16 april 2026)
|