Van Togenbirger in twee woorden. Een beknopt interview
|
Van Togenbirger in twee woorden. Een beknopt interview Omsk Van Togenbirger, men zou het niet zeggen maar u bent intussen hoogbejaard zoals men dat zegt? OVT: Zo zegt men dat inderdaad, het einde komt in zicht. Het is zeer zeker een ongenuanceerde vraag maar zou ik u mogen vragen tot welke conclusies u gekomen bent inzake uw wereldbeeld, in zoverre men tot conclusies kan komen uiteraard, want meningen veranderen en het is niet ondenkbaar dat ze nog verder zouden veranderen indien u, om maar iets te zeggen, nog eens zo oud werd als u heden bent? OVT: Wat betreft uw laatste vraag, geloof ik niet dat mijn mening nog sterk zou veranderen indien ik nog veel ouder werd dan ik nu ben. Ook niet als er ineens een wezen zou nederdalen uit de hemel dat beweert de schepper van hemel en aarde te zijn? OVT: Dan zou ik onmiddellijk denken aan een illusie, hetzij ingevolge een mentale ziekte, hetzij door technologische trucs! U vindt mijn vraag ook niet misplaatst? OVT: Neen hoor. Om te beginnen is mijn mening helemaal niet zo belangrijk maar anderzijds zou het wel vervelend zijn om op het laatste nippertje nog in de mot te moeten krijgen dat men in het wilde weg gaat speculeren... Niemand kan het fijn vinden dat men hem of haar belijdenissen in de mond gaat leggen die niet de zijne of de hare zijn. Komt u dan tot een eenduidige slotsom? OVT: Mijn slotsom is tweevoudig en kan in twee woorden worden uitgedrukt, al doet men op die wijze de waarheid sowieso geweld aan. Er zijn twee punten en ze zijn niet zonder morele implicaties, maar dan wel morele implicaties voor het eigen leven... dat bijna ten einde is, want dat is paradoxaal genoeg een grandioos euvel, nietwaar? U bedoelt dat men pas tot een definitieve moraal kan komen als het leven er op zit? OVT: Eenmaal een vakman zijn stiel begint te kennen, wordt hij te oud om die nog uit te oefenen, ja, en dat geldt voor iedereen. Twee punten, zegt u? OVT: Het eerste laat zich samenvatten in een erkenning van de bevindingen van het historisch onderzoek omtrent de Abrahamitische godsdiensten, de openbaringsgodsdiensten: ik geloof te begrijpen dat de betrokken religies weliswaar reuzen zijn maar dan wel reuzen op lemen voeten. En dat wil zeggen? OVT : Dat de feiten ontbreken: alles berust op fantasie, inbeelding en dus waanzin. Vergeeflijk weliswaar maar niet langer vergeeflijk in het licht van de genoemde bevindingen waarvan iedereen kennis kan nemen. Traagheid gecombineerd met onwetendheid maken dat de religieuze wereldbeelden vooralsnog bestaan. Ook is er de immoraliteit die met die religies samenhangt, maar dat is hier nu niet aan de orde. En de overige godsdiensten? OVT: Fantasie! Meestal met bijbedoelingen, bijvoorbeeld in het geval van het Hindoeïsme, dat het kastensysteem ondersteunt. Ik beweer niet dat profeten allerhande geen ware dingen hebben gezegd, volkswijsheden bijvoorbeeld, maar dat maakt niet uit. Dan bent u een verlichte geest? OVT: Helemaal niet en dat is mijn tweede punt. Leg eens uit! OVT: Het belang van de rede bestaat er volgens mij in dat zij gedegen kritiek mogelijk maakt op onder meer de genoemde godsdiensten. Het zou oneerlijk zijn om historici die hebben aangetoond dat de feiten waar religies naar verwijzen, luchtspiegelingen zijn, over het hoofd te zien. Fair play vereist dat men zich daarbij neerlegt, punt. Maar er is een maar? OVT: Waar de rede zich in de plaats gaat stellen van het geloof, maak zij zichzelf tot profeet en vervalt zij alras in een gelijkaardige waanzin. Wat bedoelt u daarmee? OVT: De werkelijkheid heeft geen redelijke structuur, als ik het zo mag uitdrukken. Met de rede kan men wel graven tot op een zekere diepte maar daaronder zitten nog lagen die onkenbaar zullen blijven. U bedoelt dat het mysterie blijft? OVT: Het zou zelfs vloeken met de rede als men aannam dat de werkelijkheid rationeel uitlegbaar was. De stelling dat hetgeen wij niet kunnen begrijpen, ook niet kan bestaan, is gewoon onnozel. En de wetenschappelijkheid dan? OVT: Wetenschappen beschrijven, hun verklaringen zijn louter beschrijvingen, ze verklaren niet ten gronde en een grondige verklaring is bovendien principieel onmogelijk. Waarom dan? OVT: Het gekende is een klein deeltje van het Zijn maar sommigen willen het Zijn met hun kennis insluiten en dat zet alles op zijn kop: dat is een muizenval, zoals het solipsisme. De Verlichting zegt u derhalve niets? OVT: De rede laat ons toe om aan te tonen dat iets niet zus of zo kan zijn. Maar waar zij dan verder het laken naar zich toe trekt, krijgt men een potsierlijkheid vanjewelste. U hebt beslist gehoord over de Verlichte geesten van de Franse Revolutie met hun nieuwe kalender en hun nieuwe heiligen? Moeten wij de wetenschappen dan achter ons laten? OVT: Beslist niet. Maar waar zij systemen worden, dreigen zij te veranderen in leugenfabrieken. Systemen vertonen niet bepaald de neiging om hun fouten te erkennen of om toe te geven dat zij werken met waarschijnlijkheden en allerminst met waarheid. Zij schermen met feiten maar men kan nooit beschikken over alle feiten en dat maakt de feiten waarover wij wel geloven te beschikken, irrelevant. Is dat zo? OVT: Nieuwe feiten, ontdekkingen, kunnen een wereldbeeld op zijn kop zetten. Het snijdt geen hout om zich te gaan verschuilen achter het geloof dat men het met de rede uiteindelijk wel zal klaarspelen. Geef ons nog wat tijd, zo zegt men, maar dat argument houdt helemaal geen steek, het heeft alleen vat op fans. Ook wie zweren bij de Verlichting, zijn fans of dus gelovigen. En wat zijn de morele implicaties van uw wereldbeeld? OVT: Wie tot de genoemde slotsom menen te moeten komen, behouden een verwondering met betrekking tot het leven. En wat houdt die verwondering dan in? OVT: Dat is niet langer uitdrukbaar omdat verwonderd zijn een toestand is waarin men gaat verkeren, zoals bijvoorbeeld de verliefdheid. En daar houdt het op? OVT: Ik zou zeggen, daar begint het eindelijk. (J.B., 2 juni 2026) |


