|
HET LEVEN ALS REIS - ENKELE BESCHOUWINGEN (delen 1 en 2)
(J.B., 1995 en 2013, herhaling) 1.
In dimidio dierum meorum/ vadam ad portas inferni - aldus Isaïas, vers 38. Voor de 'anders-geletterden': In het midden van mijn levensdagen/ zal ik gaan naar de poorten van de onderwereld.
We gaan ons niet verliezen in citaten, maar voor de epigonen die we tot op zekere hoogte toch allemaal zijn, ware het zonde om hier de onsterfelijke Dante te vergeten. De eerste verzen van de eerste zang in het eerste lied van zijn Commedia luiden als volgt: Juist midden op de reistocht van ons leven/ zag ik mij in een donker woud verloren,/ daar ik van 't goede pad was afgeweken.
U zal merken dat deze verzen eigenlijk best als leidmotieven kunnen fungeren. Maar laten we de hele zaak eerst eens in filosofisch perspectief plaatsen.
Want eigenlijk heeft een van de grootste filosofen van de twintigste eeuw - met name Alfred North Whitehead - van 'het Zijn' - U weet, 'het Zijn' waarover filosofen het altijd hebben - Whitehead heeft van dat Zijn eigenlijk een Reizen gemaakt. De titel van zijn groot werk, 'Process and Reality', spreekt voor zich: het bestaan - ook ons bestaan - is in werkelijkheid geen Zijn, maar een Worden: het bestaan is wezenlijk een proces, dat wil zeggen: een onderweg-zijn. Dat wij bestaan, betekent: dat wij onderweg zijn. Elk bestaan, elk leven, is onderweg. Wat stagneert, wat niet meer vooruitgaat, wat niet meer zoekt en wrocht, kan alleen maar... dood zijn.
Nu is de hele realiteit een zaak die ons uiteindelijk boven het hoofd gaat - de filosofen spreken in dit verband van 'het transcendente' - datgene dat groter is dan wat wijzelf zijn, datgene waarvan wij deel uitmaken. Onze weg - fysisch, psychisch, sociaal, economisch, kosmisch zelfs - past in een groter geheel - een geheel, waarvan men zou kunnen zeggen dat het altijd 'op weg' is.
Het onderweg-zijn is een gebeuren dat wij samen én ondergaan, én realiseren, scheppen, waar maken.
Dit brengt vanzelfsprekend met zich mee, dat wij al een heel eind weegs zijn, op het moment dat wij ons ueberhaupt realiseren dat wij effectief onderweg zijn. De weg die we al hebben afgelegd op het ogenblik dat wij gaan beseffen dat we ergens heen gaan, was dus niet alleen maar de onze.
Wij zijn van bij onze geboorte, een weg gegaan die ons door de natuur gegeven werd. En dat geldt vanzelfsprekend niet alleen voor ons allen, individueel, maar ook voor onze soort, dé mens.
Dat geldt ook voor hét leven, voor de kosmos, voor het hele bestaan: behalve datgene wat we zelf creëren, vormt ook al datgene waarvan wij deel uitmaken - de hele lange geschiedenis door - één groot proces. Het is één reusachtig Onderweg-Zijn. Wij waren reeds onderweg, lang voordat wij dat gingen beseffen.
Keren we nu een ogenblik terug naar Dante Alighieri.
Dante was vijfendertig, dus ongeveer halverwege op zijn levensreis, toen hij - zoals wij het zouden uitdrukken - zijn 'andropauze' beleefde. De grote dichter verloor zijn platonische geliefde, Beatrice, heel vroeg, en daarbij kwam nog dat hij uit zijn geboortestad, Firenze, verbannen werd. Wij weten vanzelfsprekend - hoe jammer het ook is - dat het ongeluk vaak de rijkste voedingsbodem van de wijsheid is gebleken. Pas de van zijn geluk verbannen mens, is de grote dichter geworden.
Kortom: zijn ballingschap bracht Dante tot inkeer: over de weg die hij had afgelegd, over de weg die hij nog af te leggen had, over dé Weg die wij allen te gaan hebben.
Het moet nu ook worden gezegd, dat ook de eerste filosofen bannelingen, of breder nog: reizigers, ontheemden, of gastarbeiders waren.
Wij weten dat aan de basis van onze Westerse beschaving de Griekse cultuur ligt. Maar eigenlijk waren het niet de Grieken zelf die de sophia, de wijsheid, stichtten: de eerste filosofen waren sofisten, inwijkelingen afkomstig van Ionië, Klein-Azië, mensen die hun kennis als enige koopwaar aan de man trachtten te brengen.
Mensen ook die, precies omdat ze van elders kwamen, niet verblind werden door de waas van vanzelfsprekendheden die ons allen begoochelt. Zij brachten een ander perspectief, zij deden dingen zien die wij niet meer zagen. Zij waren - ook letterlijk - op weg: weg van thuis, weg van het vanzelfsprekende en van het 'gewone'.
Wij staan er eigenlijk niet bij stil, maar eigenlijk is niéts 'gewoon'.
Dat niéts gewoon is, ontdekken we meestal pas wanneer we gehinderd worden in onze gewone gang van zaken. En wie van ons verkeert, vroeg of laat, niet een keer in dat geval?
Wij zijn onvolmaakte wezens, ons leven verloopt niet - nooit - vlekkeloos, soms zijn wij de weg bijster, en willen wij plots 'wég' van de plaats waar we ons dan bevinden: wij willen dan uit het slop geraken, wij creëren een 'opstand', wij gaan opstaan en we gaan 'wég'.
We gaan op zoek naar onze oorsprong, naar het begin van onze weg. Wij vragen ons af waar onze weg ons heen leidt. Wij willen niet verstarren, en daarom willen wij opstaan, en ergens heen gaan.
De commedia van Dante schildert een reis die als het ware een allegorie vormt op onze levensreis zelf. Welnu, ongetwijfeld is het zo, dat wij onze eigen levensreis beter kunnen leren begrijpen... wanneer wij ons die op een allegorische of metaforische manier kunnen bewust worden... door het maken van een kleine reis, of een pelgrimage.
Laten we ons eens bezinnen over deze manier van reizen, over dit... pelgrimschap, dit op weg zijn, en over de zin ervan.
We zouden ons eerst de volgende, eenvoudige vraag kunnen stellen: 'Wat is reizen?'
Wanneer wij om het even welke onderneming starten, tasten wij eigenlijk in het duister naar de uiteindelijke afloop ervan.
We bouwen een huis, of we vatten een studie aan, of we willen een voordracht bijwonen - het is om het even: telkens kunnen we ons voorbereiden op wat we van plan zijn te doen - we verzamelen informatie, we doen prospecties, we verzekeren ons om eventuele risico's uit te schakelen - maar tenslotte kunnen we nooit volkomen anticiperen op wat komen gaat.
Stel dat we een perfect plan hebben voor een huis: we halen de beste architect in huis, en we informeren ons bij de meest ervaren adviseurs. Met gesofisticeerde computerprogramma's kunnen we, bij wijze van spreken, al door de kamers wandelen, nog voor de eerste steen van het huis gelegd is.
De bouw neemt een aanvang, en na enkele maanden trekken wij er in. En wat blijkt? We vergaten de kelder. Of we komen plotseling tot de ontdekking dat we de kamers een nog veel leukere bestemming kunnen geven dan deze waarvoor ze aanvankelijk bedoeld waren. De buren vallen mee of tegen. Onvoorziene lawaaihinder in gevolge plots aangevangen wegwerkzaamheden zullen ons jarenlang tergen. Of we bevinden ons onverhoopt in een oase van rust en stilte. Of iemand wordt ziek en de trap moet herbouwd worden.
Kortom: telkens wij iets ondernemen, hoe omzichtig we ook te werk gaan - er blijft steeds de factor van het onverwachte, het onbepaalde, het niet-voorspelbare. En die dingen kunnen zowel gelukkig als ongelukkig uitvallen.
Welnu, indien wij ons niet op voorhand kunnen neerleggen bij de realiteit van het onvoorziene, dan zullen we ook niet en nooit in staat zijn om keuzen en beslissingen te maken.
Dat geldt voor het bouwen van een huis, voor het aangaan van een studie of een werk, en ook en vooral geldt dit voor het hele leven zelf.
Morgen doen wij aan eugenetica, en zullen wij misschien mensen 'op bestelling' maken. Maar niets of niemand zal verhinderen dat alles toch anders zal blijven verlopen dan wij hadden verwacht, of gepland.
De reis, als metafoor van het leven, bevat al deze kenmerken op de meest pregnante manier. Wij leven niet om te reizen, maar wij reizen om te leren... leven.
Want net zoals het leven, houdt elke reis in dat men een weg volgt. De weg is voor de reiziger zelf onbekend, maar het feit dat er een weg is, betekent vanzelfsprekend dat anderen in het verleden het traject al hebben afgelegd.
Dat de weg werd aangelegd, betekent ook dat hij ergens heen leidt, want niemand haalt het in z'n hoofd om zomaar een weg te bouwen: elke weg heeft een doel.
Wij kunnen, door allen dezelfde weg te gaan, dit doel tot het onze maken, maar tegelijk blijft het een persoonlijk doel: we komen dan aan op dezelfde plaats, maar we bereiken elk een andere bestemming.
De Vlaming en de Moslim-migrant bereiken, via dezelfde weg, dezelfde plaats - bij voorbeeld de heilige stad Mekka. Maar hun bestemming is verschillend: de Vlaming komt aan in zijn vakantie-oord, of, wanneer hij als journalist vertrekt, op zijn werkterrein, en de Moslim komt aan bij zijn God. De ene is op zakenreis, de andere reist als pelgrim.
Zelfs wanneer alles er aan de buitenkant gelijkaardig uitziet, is elke reis die wij ondernemen, aan de binnenkant, een hoogst persoonlijke weg, met eigen bedoelingen, verwachtingen en betekenissen.
We kunnen met verschillende bedoelingen reizen, maar wanneer we ons willen bezinnen over het leven, dan moeten wij reizen zoals wij leven. En daarbij is het dan onze bestemming om het leven beter te begrijpen.
En dit soort van reizen mag wel heel bijzonder heten, want, anders uitgedrukt, is onze reisbestemming deze: de bestemming van het leven te achterhalen.
Nu kunnen wij de bestemming, de zin van het leven, ongetwijfeld terugvinden in de reis. Maar dan moeten we ook de moeite doen om na te denken over de betekenis van het 'op weg zijn'.
En, om te beginnen, houdt elke tocht in, dat wij ergens weggaan.
Wie reist, laat het vertrouwde achter zich, zoals men het verleden achter zich laat: hij neemt afscheid - van een plaats, maar ook van alle mensen en gebeurtenissen die aan deze plaats verbonden zijn.
Hij neemt ook afscheid van zichzelf, als verbondene met die vertrouwde omgeving.
Hij bevrijdt zich van zijn verleden, terwijl hij het toch onoverkomelijk met zich mee zal blijven dragen - in zijn herinneringen, maar ook in zijn verwachtingen en in zijn wensen, wanneer hij zal terugdenken aan, of terugkeren naar die plaats.
Hij bevrijdt zich van bepaalde banden en verplichtingen, maar ook verliest hij tegelijk verworven zekerheden en geborgenheden.
Hij ruilt het oude voor het nieuwe in: het bekende voor het onbekende, het geplande voor het ongeplande, het verleden voor de toekomst.
Eigenlijk verbreekt hij voor een stuk de continuïteit van zijn bestaan: hij slaat een bres in zijn dagen, hij schept zelf een kloof, hij gaat plotseling een door anderen niet verwachte richting uit, en hij laat vallen wat hij heeft, blijkbaar om iets anders te verwerven - iets waarnaar hij zozeer verlangt dat hij er alles, voorlopig, voor achter laat.
De reiziger kan een doel hebben, en zijn doel kenbaar maken, en, bijvoorbeeld, zeggen: 'Ik ga naar Santiago de Compostella'. Maar zijn eigenlijke bestemming blijft voor alle anderen, die deze plaats nochtans goed kunnen situeren, één groot raadsel.
'Tout choix est une sacrifice', schreef de Franse filosoof Henri Bergson.
Welnu, de bestemming van de weg moet dit offer zeker waard zijn.
En ongetwijfeld is dit het geval waar wij de bestemming van het leven zelf voor ogen hebben.
Nu heeft niet iedereen een pelgrimage nodig, want niet iedereen is de weg - van het leven - bijster. Of beter: niet iedereen beseft het, de weg bijster te zijn.
De echte bedevaarder zal daarom nooit pogingen ondernemen om anderen met zich mee te trekken: als de bestemming, in de vorm van de verwachting, niet reeds in het hart ligt van bij het vertrek, dan heeft het geen enkele zin om op reis te gaan.
De pelgrim reist per definitie alleen - hij vertrekt althans alleen. Wanneer hij voor een kortere of langere tijd kompanen zal krijgen, zullen die onverwacht, misschien onverhoopt, maar zeer zeker ongepland zijn.
Over de bestemming die zij tegemoet gaan, kan hij leren, door het samen onderweg zijn, en hierdoor kan ook licht op zijn eigen bestemming worden geworpen.
Bekijken we nu eens onze pelgrim. Ik bedoel: vragen we ons eens af, wat iemand tot pelgrim maakt.
En het is hier belangrijk om twee manieren van 'reizen' te onderscheiden.
Want er zijn mensen die 'ergens willen zijn', en er zijn anderen die willen 'wegvluchten' van de situatie in dewelke ze zich bevinden.
De eersten, zij die een doel voor ogen hebben, zullen dit doel beschouwen als kostbaar genoeg om er de inspanningen en de tijd aan te spenderen.
Bij de laatst genoemden, zij die alleen maar willen wegvluchten, stelt zich het probleem van het offer niet: zij hebben immers niets te verliezen, en ze zijn er van overtuigd dat het alleen maar beter kan worden wanneer zij hun pakken achterlaten.
De eerst genoemden streven een hoogstaand doel na, de laatst genoemden zijn eigenlijk vluchtelingen, of ballingen.
Het is duidelijk dat wij het hier niet over de vluchtelingen zullen hebben. Maar tegelijk moet gezegd worden, dat wij in wezen allemaal voor een stuk ballingen zijn.
Milton's Paradise Lost of Vondel's Adam in ballingschap: het is doorheen de hele geschiedenis van de literatuur, maar ook elders, een constant gegeven.
Wanneer Noord-Afrikanen, haast zonder middelen, het leven riskeren in een vermetele overtocht naar het beloofde land van Europa, dan is het uiteindelijk niets anders dan die drang naar het Verloren Paradijs, die hen daartoe de - vaak bovenmenselijke - kracht geeft.
Weliswaar werden de meesten van hen misleid door sterke maar leugenachtige verhalen, zodat ze meestal reeds na een kortstondig verblijf geen andere verzuchting meer koesteren dan zo gauw mogelijk terug te keren naar de plaats van herkomst - als dit tenminste nog mogelijk is.
Deze dikwijls zieltergende tragedies zijn ons maar al te goed bekend. Dat mensen toch steeds weer bereid blijken zich in dergelijke roekeloze avonturen te storten, kan ons alleen maar van de ernst van hun armoedige situatie overtuigen.
Met andere woorden: vluchten is geen hoogstaand doel, maar toch moet het gezegd worden: hoe erger het met ons gesteld is, des te meer zijn wij bereid - of voorbereid - om te vertrekken.
En hoe is het met ons gesteld? - en ik doel hier niet op onze materiële verzuchtingen, ik doel hier niet op zaken zoals onze carrière, zelfs niet op onze gezondheid: ik bedoel hier enkel en alleen onze condition humaine in vraag te stellen.
Meteen kunnen wij het antwoord distilleren uit de lading die aan de uitdrukking - condition humaine - zelf haar diepe betekenis heeft gegeven: met de mens is het, welhaast per definitie, niet te best gesteld.
Van nature zijn wij, mensen, onafgewerkte dieren. Wij dragen geen pels, onze 'jongen' kunnen niet overleven als wij hen niet vele jaren lang met zorg ommantelen, onze soort zou weldra uitsterven indien wij ons niet met techniek inlieten, en indien de duizenden problemen van de wetenschap niet de onze waren.
Maar ook als mens, zijn wij onaf, en voelen wij - althans in momenten waarop wij tot eerlijkheid met onszelf gedwongen worden - in het diepste van onze ziel, een vage ontevredenheid, een verre heimwee, en een pijn als van een groot verlies.
Ook voelen wij, haast voortdurend, dat wij onze bestemming nog niet hebben bereikt: we willen vooruitgang, verandering, vernieuwing, en wij hopen daarbij telkens een stapje dichter te zullen komen bij datgene waarvan we ons leven lang dromen, terwijl we het toch niet exact kunnen benoemen.
Citeren we nogmaals Dante, de verzen 124 tot 126 uit het tiende gezang van het Purgatorium: Non v' accorgete voi, che noi siam vermi,/ nati a formar l' angelica farfalla,/ che vola alla quistizia senza schermi?
In vertaling: Beseft ge niet, dat wij de rups gelijken,/ waaruit de hemelvlinder zich ontwikkelt,/ die onverhuld ten oordeel op moet stijgen?
Wij kùnnen, om het met andere woorden te zeggen, onmogelijk berusten in de situatie waarin wij verkeren, omdat het ons lot is om naar het hogere te streven: de mens heeft een roeping, hij moét hogerop, hij is gedoemd om, keer na keer, het verworvene en het vertrouwde gedag te zeggen, nieuwe horizonten te verkennen, risico's te nemen, het onbekende recht in de ogen te kijken, en het te overwinnen, om zo hogerop te gaan. dat is de enige weg die ons kan vrijwaren voor een troosteloze ondergang. De mens is aan een eeuwige verpopping onderhevig. En het is precies dank zij dit 'juk', dank zij zijn heimwee en zijn troosteloze zoeken, dat hij zich 'mens' kan noemen. De mens, de nooit gearriveerde, de altijd op weg zijnde, de reiziger bij uitstek.
(J.B., 1995)
2.
We kennen allen het verhaal van het doel en de weg erheen, maar als inderdaad niet het doel het belangrijkste is, doch de weg erheen, dan perverteert het kapitalisme de vooruitgang omdat het tijd identificeert met geld terwijl het mikt op snelheid of tijdwinst.
Indien het maar mogelijk was dan zou de kapitalist ervoor zorgen dat men in helemaal géén tijd van punt A naar punt B kon reizen. Het zou dan volstaan om in B te willen zijn om daar ook effectief te arriveren. Wie dacht aan B, was al in B aanwezig. Het onderscheid tussen de wens en het feit ware onbestaande, het verschil tussen werkelijkheid en droom opgeheven. De vraag luidt echter of er dan überhaupt nog iets zou (kunnen) zijn.
In zijn Jeder für Sich und Gott gegen alle uit 1974 laat de Duitse cineast Werner Herzog, de vondeling Kaspar Hauser enkele van zijn visioenen vertellen nadat hij werd bevrijd uit de kelder waarin hij zijn hele kindertijd heeft doorgebracht. In een van die visioenen ziet de zonderling een lange karavaan van mensen die over de wereld trekken, maar de karavaan heeft kop noch staart, de mensen blijken helemaal nergens heen te gaan. (1)
In dezelfde zeventiger jaren publiceerde de prestigieuze Club Van Rome, een boek over de grenzen aan de groei, dat herinnert aan de legendarische toren van Babel: de toren groeit totdat hij op een dag niet verder groeien kan omdat het materiaal dat aangevoerd wordt voor de verdere bouw, voor de onderhoudswerkzaamheden onderweg wordt opgebruikt.
Onze communicatiemiddelen worden complexer, onze taal differentieert en op den duur verstaan we elkaar niet meer en loopt alles in het honderd. De instrumenten die ons leven makkelijker moeten maken, bemoeilijken het. Tuigen die ons moeten helpen om tijd te winnen, nemen ons hele leven in beslag. Scholen maken ons afhankelijk en dom. De tegendoelmatigheid uit de Griekse tragedies blijkt ook onze vloek; de weg is een modderpoel en aan de einder verzwinden onze doelstellingen in een dichte mist.
De mensheid verlangt naar vrijheid én naar veiligheid; de vrijheid schept met ongeremde droom het doel maar de veiligheid verspert de weg erheen daar deze ligt bezaaid met wolfijzers en schietgeweren. De vrijen gaan op weg en de voorzichtigen blijven bij de pakken zitten omdat zij geloven sowieso hetzelfde lot te delen: worden zij niet allen buit gemaakt door de dood? Zij die op weg willen naar hun doel, wensen alleen niet te beseffen dat wat gebeuren moet, hoe dan ook gebeuren zal; zij verkeren in de waan dat zij hun toekomst kiezen.
Als het leven een reis is dan leidt hij naar de dood, zoveel is zeker en geen mens die dapper genoeg is om de feiten onder ogen te zien, zal dit ontkennen. Toch geven wij allen een eigen betekenis aan het einde van onze weg en dat doen we heel terecht, alleen al omdat er geen einde is zonder weg, zodat het steeds gaat over het specifieke einde van een specifieke weg. Het einde van een plezierreis is daar waar het plezier ophoudt - het is een triestig einde; het einde van een lijdensweg is daar waar geen leed meer is - het is een verlossing. De dood kan eruit zien als een dief die het genot wegsteelt of als een zalf die alle wonden heelt. Elk eindpunt wordt bepaald door de weg die daaraan voorafgaat en omdat wijzelf het zijn die een weg kiezen, kiezen we ook een eigen eindpunt.
Het begrip vooruitgang zelf - het vooruitgaan - bevat reeds het op weg zijn, maar tevens duidt vooruitgang op een toename of een vermeerdering, een groei van al datgene wat de toekomst tegemoet gaat. Dat wij vooruitgaan betekent dat wij winst boeken, het wil zeggen dat wij klimmen, van niveau veranderen, carrière maken, hogerop geraken. En zo begint een honderd jaar oud lied als volgt:
Heidewitsjka! Vooruit geef gas! Dat oude getreuzel komt niet meer van pas!
Het gaat hier om de letterlijke vooruitgang die geboekt wordt door de uitvinding van de auto, die zal toelaten dat wij ons sneller verplaatsen. Sneller, hoger, sterker, zo scanderen de Olympische atleten het in hun vurige vlaggen. Want er moet tijd gewonnen worden, tijd is immers geld, of is het veeleer andersom? Onze levenstijd is beperkt, gewis heeft elk van ons een eigen dood welke geduldig op hem wacht, de tijd tikt weg en niemand kan hem stoppen; daarom ook zoeken wij soelaas in het opdrijven van de snelheid waarmee wij door het leven gaan of razen. Ergens spiegelen wij onszelf voor dat als onze snelheid maar hoog genoeg is, de dood ons niet zal inhalen. Maar Achilles haalt de schildpad in, wat Zeno ons ook wil laten geloven. Een hogere snelheid laat ons toe om in dezelfde tijd een grotere afstand af te leggen, maar de tijd blijft uiteraard dezelfde, er komt geen fractie van een seconde bij. Het is bovendien zo dat grote snelheden onze aandacht zozeer opslorpen, dat wij als het ware helemaal onttrokken worden aan de weg en aan de plaatsen waaraan wij nog slechts voorbijrazen, terwijl zij ooit, in veel tragere tijden, rustpauzen boden en lafenis, verhalen en histories, geheimen en beloften. Vandaag lijken alle plaatsen eender, zij zijn verworden tot louter punten op de rechte lijn waartoe onze reis herleid werd. En inderhaast hebben wij helemaal niets gewonnen, integendeel vergooien we aldus het weinige dat wij ooit bezaten of ervoeren. En naast die hypersnelle verplaatsingen spenderen wij ons hele leven aan de fabricatie van de supersnelle tuigen en aan het bijeenschrapen van energie en andere middelen om ze te laten werken. Winst boeken wij niet bij die hele onderneming, zeer in tegendeel: rust verkeert in haast en drukte, ons bestaan verwordt tot dat van een robot die sowieso geen tijdsbesef meer heeft.
De weg is belangrijker dan het doel en zeg nu zelf wat uw voorkeur geniet: een langzame uitstap met paard en kar via veldwegels tussen bloemen en bossen met een picknick her en der, een schuilplaats als een onweer losbarst, een fazant of een haas op een geïmproviseerde barbecue en spannende verhalen na de zonsondergang bij een kampvuur na een frisse duik in een of andere wal - ofwel een reis per supersonische raket waarin men stokstijf neerligt, niet bewegen kan, een zuurstofmasker op de snuit en instrumentenborden die doen duizelen.
Weliswaar geraakt men met de raket véél verder dan met de houten kar, misschien wel honderdduizend keren verder, misschien belandt men met die tuigen op de maan, op Mars of in een ander zonnestelsel, terwijl de kar ons zelfs niet van de aarde kan verheffen, geen stroom kan oversteken en bij ontij wachten moet. Maar andermaal: indien het inderdaad zo is dat het doel er niet toe doet en dat het om de weg gaat die erheen leidt, zou men dan kiezen voor een leven in de gevangenis van een astronautenpak en in de hoogspanning van aandacht en gevaar terwijl daar altijd nog het aards paradijs te wachten ligt van bij 't begin der tijden om ontdekt te worden?
(J.B., 31 augustus 2013)
|