Zuster Olympia (J.B., Verhalen 2006-2009)
Zuster OlympiaNooit werd een naam op een eerbiedigere wijze uitgesproken dan de naam van zuster Olympia. Zij was quasi onzichtbaar – zuster Olympia – zoals de vrouwen uit het Oosten in hun burka’s onzichtbaar zijn, want haar enorme gestalte was gehuld in een zwart habijt waarvan wij allen de betoverende geur kenden: alle kinderen van het dorp, maar ook hun ouders, en de ouders van hun ouders, en ook nog de ouders van deze laatsten. Zuster Olympia moet tenminste honderdvijftig zijn geweest, anders valt het niet te verklaren dat onze grootouders bij haar nog op de banken zaten. “Zit jij bij zuster Olympia op school?!”, zegden ze dan met een voorzichtige verrukking, en op de toon waarmee iemand met bewondering vraagt: “studeer jij aan het Massachusetts Institute of Technology?!” De paradox was dat zuster Olympia feitelijk onzichtbaar was terwijl niemand op de hele wereld meer aanwezig was of dichter bij dan zij. Op school was zij het centrum van de speelplaats en, zoals grachten omheen het centrum kringelen van Amsterdam, zoals concentrische cirkels de hel van Dante omgeven, zoals de ringen van een halo de volle maan hullen in een lauwerkrans en haar aldus voorzien van een ornaat waarvan zelfs de zon niet dromen kan, zo omkringelden de kinderen de hele speeltijd lang de wondere zuster Olympia. “Kijk, dat heb ik van zuster Olympia gekregen!”, zo zegden de kinderen aan hun moeders, toen zij thuis kwamen van school. En zij staken elk hun handje uit, spreidden de kleine vingertjes open, en in de handpalm verscheen… een hagelwit klontje suiker! “Ik heb uw namen geschreven in de palm van mijn hand.” Op de palm van haar hart droeg zij een kruisje, zuster Olympia. Alle kinderen kenden het kruisje, en ook hun ouders kenden het, en de ouders van hun ouders, en de ouders van deze laatsten. Allen kenden zij het kruisje van zuster Olympia omdat zij daar, in het midden van de speelplaats, altijd voorover gebogen stond te praten met de kinderen, en dan bengelde het kruisje als een pendel tussen de kinderen en zijzelf, zoals een uitgelaten hondje dat ongedurig heen en weer huppelt tussen mensen die elkaar na lange tijden weerzien. Zo bengelde het kruisje tussen het donkerzachte gewaad van de zuster en de vele kinderhandjes, waarvan er soms eentje een wang van de zuster heel eventjes betastte om te voelen of zij wel echt was, en dan kneep de mollige hand van zuster Olympia in de wang van de deugniet, als wilde zij daarmee zeggen: “En waarom zou ik niet echt zijn!? Ik ben even echt als jij, mijn kleine kapoen!” Toen zuster Olympia nog een kapoen was, was er honger in de wereld. Het kroostrijke doch arme gezin waarvan zij kortstondig deel uitmaakte, moest enkele van haar kinderen afstaan om den brode. De kleine Olympia, die toen nog anders heette – maar niemand heeft ooit geweten hoe dan wel – en die toen ook nog haar moedertaal sprak, moest ook haar moeder zelf verlaten, en zij weende vele nachten lang: dagen, weken, maanden, weende zij haar nieuwe bedje met gevouwen handjes helemaal met kindertranen nat. Als men heel dicht bij de zuster was, betoverd door de wondere geur van haar zwarte habijt, en met het pendelende kruisje tussenin, kon men het hulpeloze kind nog ruiken dat smeekte om terug naar huis te mogen, of tenminste één keer nog haar moeder te zien. Het oude kind, Olympia, non van een magistraal volume – een volume dat, zoals de nacht die omheen alle sterren van het firmament grijpt, heel ver nog buiten het geurige laken van haar donkere habijt de wereld vulde en vervulde – zij verlangde nog elke dag naar moeder die zij nooit meer had teruggezien; zij hoopte nog om ooit bij haar thuis te komen – warempel, zij geloofde: “Eens komt moeder mij hier halen, en dan hoef ik nooit meer weg!” God kan immers in geen geval zo onbarmhartig zijn dat hij het dit kleine meisje – dit kind wiens lichaam maar niet ophield met groeien – niet om ‘volwassen’ te worden, doch om het gat van het tekort te kunnen vullen – God kon niet zo onbarmhartig zijn dat hij dit smekende kind gewoon achterliet. Bij de grot was zuster Olympia vaak – vier andere zusters hielpen haar op de knieën te gaan zitten en, als zij met bidden klaar was, kwamen zij terug om haar weer te been te krijgen. En toen zij bad, met gevouwen handen, keek zij hoopvol op naar Onze-Lieve-Vrouw, die nu haar moeder was. En de kinderen deden de zuster na, en gingen knielen bij de grot, rondom de zuster. Maar zij keken niet naar het beeld uit kalk dat daar te bidden stond: zij keken naar de knielende moeder, zij voelden in haar plaats de pijn aan haar geschramde leden onder het gewicht van het grote lichaam, en zij voelden zeer zeker ook een stukje van de pijn in haar even grote hart. Dicht bij de zuster gingen de kinderen dan staan, en zij streelden het habijt – deels om er zo de betoverende geur uit los te maken, maar deels ook om het kind in haar te troosten, dat nu een moedertje van kalk, niet groter dan een pop, aanbidden moest. Maar dit beeld, hoewel uit kalk gegoten, verbeeldde meer dan wat wij, kinderen, zagen. Net zoals de zuster zelf die, naar de wijsheid van het Oosten, begraven werd onder een nachtelijke mantel om, uitgerekend op die wijze, ons meer dan wie ook alom en altijddurend nabij te kunnen zijn – net zo verborg zich in het beeld de moeder die geen kind zou achterlaten, en die nimmer stierf. “Ik ben de Onbevlekte Ontvangenis.” Voorzichtig stapvoets schuifelde zij door de gang. De echo van het schuiven van haar zwarte schoentjes over de koude vloer in de lange, holle gangen van het klooster. Wij hadden plaatsgenomen op rieten stoelen in de wachtkamer – vader, moeder, wijzelf en onze kinderen. Op deze zondagmiddag waren wij naar het rusthuis getogen omdat wij ook onze kinderen nog eens aan de wondere zuster wilden laten zien. Stil was het daar, en ook de kleinsten durfden niets luidop te zeggen, zij fluisterden en vroegen ongedurig waar “zuster Olympia” dan wel bleef. Maar zij moest de honderdvijftig lang voorbij zijn nu, en haar gang was net zoals die van een slak – een zwarte reuzenslak die bijna geruisloos schoof over de granieten tegels doorheen de spelonken van deze wonderbare kerker. Drie rijen rieten stoelen stonden daar – plaats voor ruim twintig bezoekers – en bij de deur stond ook een ministoeltje waarop ons jongste dochtertje haar poppemie had kunnen te wachten zetten indien zij die maar had meegenomen – edoch, zij wilde een flinke indruk maken op de zuster, en had daarom de poppen thuis gelaten. En toen wij tenslotte stapjes hoorden naderen, heel dichtbij, verscheen zij in de opening van de deur. Een onooglijk nonnetje, als een kleine, zwarte spin met een groot kruis, vastgegroeid op de borst; voorover gebogen, de neus tegen de knieën, niet half zo groot als onze jongste spruit, terzijde gestaan door twee zorgzame zusters, kroop de wachtkamer naar binnen, zonk traagzaam op dat klein stoeltje neer, en lachte! Wie zal het verklaren: in een oogwenk werd zij na de handdrukken en de eerste vreugdekreten aan ons zicht onttrokken, wijl al onze kinderen haar bestormden met ongedurige verhalen en met vragen, en de zuster keek nu en dan breed lachend onder haar zwarte kap vandaan en tussen de kinderen door in onze richting, met goedkeurende blikken. Druk als zij het hadden met gedichtjes, versjes en vertelsels, handjes geven en het betasten van het zwarte habijt van dit wonderbare wezen, vergaten wij haast waar en wie wij waren, en leek het blijde weerzien onzeggenlijk veel meer dan dat van oude dorpsgenoten die een non op rust bezoeken. Een bundel zon viel plotseling door de brandglasramen van de hoge, smalle venster op het zustertje neer en, in geen tellen, stond zij in een Onze-Lieve-Vrouweblauwe gloed en, zoals de zon zelf, ging zij nu aan het stralen. “Llama que consume y no da pena.” De hele weg terug nog, en de dag en de nacht die daarop volgde, en ook de volgende dagen, weken, maanden en jaren, waren helemaal met de wondere aanwezigheid van zuster Olympia vervuld. Onze ouders baadden in een gloed van voor gewone ogen onzichtbaar licht; onze kinderen, niettemin zij nog zelden praatten over haar, bleven zichtbaar met de zuster in gesprek; en iets van het vuur “dat het hart verteert zonder te pijnen” is met ons allen meegetogen naar het huis dat wij, na al die levensjaren en die eeuwen van de wereld, allen samen nu bewonen. (J.B., Verhalen 2006-2009)
|


