De Meester (J.B., Verhalen 2006-2009)
De MeesterAardedonker was het: geen maan, geen sterren, geen lichtje in de verte, niets dan duisternis en tasten met de voeten door de ritselende bladeren op de grond – de bladeren die ook zongen nu, alom, in het ongrijpbare zwart. Het zingen van de bladeren – alleen dat vulde de nacht, en het was een gedruis als van talloze vliegtuigen die, heel hoog in het firmament, op de plaats waar de sterren hoorden te zitten, in colonnes zonder begin of einde, over de donkere wereld heen joegen. Ook de wind was er: een aanhoudende verplaatsing van de luchten die als gedreven warme stromen, onverhoeds doorheen het landschap sneden dat zich in die warme duisternis verborg – stromen, die de bladeren in hun warmte, die bijna een hitte werd, als ’t ware sprok maakten en ze met een lichte tik van hun takken afbraken en meevoerden door het onzichtbare landschap, dat nu wel helemaal gevuld leek met een zwarte, etherische en tegelijk lucide pap. Het sprok worden van de bladeren en het tikkend geluid dat werd voortgebracht wanneer ze van hun takken afbraken, en wanneer ze door de warme luchtstromen werden meegevoerd over velden, doorheen struiken, over daken en langs verzonken paden – dat geluid vermenigvuldigde zich zoveel keren als er bladeren waren, en dat bracht het bijzondere gedruis voort dat nu oorverdovend werd, en dat deed denken aan eindeloze colonnes zware bommenwerpers, heel hoog in het firmament – zoals gezegd: daar waar de sterren hoorden te zitten. De zwarte wind speelde door mijn haren, misschien zaten er vleermuizen in – wie zal het zeggen? – of waren het gewoon de dunne, dorre bladeren die langs me heen vlogen, mijn wangen aanraakten met hun lichte prikkelingen, niet zwegen, zongen - ja: het was niet louter een gedruis als van verre, hoge, motoren dat ik nu hoorde, of een neuriën: veeleer was het een gefluister, een luid gefluister, een gefluister als van mensen die wel luidop spreken willen doch die het niet kunnen omdat hun stem dienst weigert uit angst gehoord te zullen worden. Een gefluister als van tientallen, van honderden, ja, van duizenden stemmen, vulde de warme nachtwinden, en het was een aanhoudend gefluister dat steeds driester werd en waarin langzaam doch zeker een motief gestalte kreeg, zoals dat het geval is in een symfonisch werk voor meerdere, grote koren – een werk dat met de deur in huis valt en dat aanvankelijk chaotisch aandoet, maar uit welker chaos zich, zoals een beeld uit kleiaarde, langzaamaan een lied verheft. Onverstaanbaar zijn de woorden eerst: ze zijn nog louter klank, zij het bij tijden al een ietsje meer woord dan klank, en ze vangen de aandacht omdat men weten wil wat ze onmiskenbaar zeggen zullen, daar men kan vermoeden dat wat ze te zeggen hebben, niet onbelangrijk is. Geheel geheim is wat nu gezegd wil worden: het stamt uit een wereld die wij nooit eerder betraden, maar tegelijk is duidelijk dat het om geheimen gaat die zich niet langer verbergen kunnen omdat er nu, heel onverwacht, dingen op het spel staan die van een hogere orde zijn. Maar het gefluister – dit gedruis – kon niet dat van mensen zijn, tenminste niet dat van mensen in levenden lijve zoals men ze op de Bühne in gelijnde colonnes ziet staan, met open kelen, beheerst de partituur volgend en de magische bewegingen van een dirigent die met getrek en geduw aan onzichtbare, stroperige elastieken die van zijn vingertoppen tot de lippen van de zangers reikhalzen, het tempo naar zijn hand tracht te zetten. Het gefluister was te ijl om dat van levenden te kunnen zijn: de stemmen die nu weerklonken, zongen heel duidelijk vanuit een andere dan deze wereld, en er was niet de geringste twijfel aan dat ze dit doen konden omdat nu de hele toestand waarin deze nacht verzeild leek, zich op de een of andere manier precies daartoe leende. Ik hield de armen een weinig voor me uit, als ‘t ware tastend in de winden, terwijl ik voortschreed over een onzeker pad dat ik nooit voordien had verkend, maar dat ik gaan moest – er was geen ontkomen aan. Er is immers geen ontkomen aan dat een mens, ook al is het middernacht, ook al is hij moederziel alleen, ook al moet hij opstaan uit een diepe slaap, en ook al drijft op dat onzalige moment de wereld weg in een onbestemdheid die in zich de kiemen draagt van dingen die niets goeds voorspellen – er is geen ontkomen aan dat een mens moet opstaan en op pad moet wanneer hij uit de droom gehaald werd door een luide schreeuw. Het gedruis zwol aan, zoals het geroffel van een donder aanzwelt in de verten, lang nog vooraleer van een onweer iets anders te bespeuren valt dan het zich plotseling verplaatsen van de luchtlagen die her en der takken meevoeren, en vele andere dingen die los zijn komen te zitten. De stemmen tekenden zich steeds duidelijker af in deze stilaan oorverdovend geworden vracht van – onmiskenbaar – gezangen. Voorzichtig verplaatste ik mijn voeten door het dorre lover, ik tastte in de nachtelijke novemberwinden, keek in het zwart met niettemin gespannen aandacht, en ik hoorde toe of in het wassende gedruis van duizenden ‘bijna-stemmen’, die ene noodroep uit de verte niet opnieuw viel te ontwaren. De lange jas die ik bij het naar buiten vluchten inderhaast had aangetrokken, sloeg als een dol wapperende vlag tegen mijn lendenen: het was een los en hol geluid dat me in zekere zin bewust maakte van mijzelf, die zich dan toch in alle spoed geheel verloren had in die onbestemde schreeuw, en het ontspande mij een beetje, en schonk me het zelfvertrouwen terug, alsook de rust die nodig is om snel beslissingen te kunnen nemen wanneer het onverwachte plotseling daar is. En ineens meende ik ook duidelijk de woorden te verstaan die de stemmen zongen, en die zich, ritmisch, als ’t ware om de haverklap, herhaalden: “Splijt het hout en Ik ben er! Splijt het hout en Ik ben er!” Ja, dat zongen ze, er was geen twijfel mogelijk: dat waren welbepaald de woorden die ze, zoals het repetitieve zwaaien van een helse dans, herhaaldelijk door de nachthemel joegen. Ik hield halt, sloot ondanks de algehele duisternis de ogen teneinde mij nog beter op het geluid van het gedruis te kunnen concentreren, en ik herkende inderdaad geheel onmiskenbaar telkens weer diezelfde woorden, heel duidelijk gearticuleerd, maar waarvan verder enige zinnige betekenis mij totaal ontging. Toen ik opnieuw de ogen opende, was de nacht nog altijd aardedonker, maar ik vergiste mij niet toen ik, hoog aan de zwarte hemelen, plotseling een helle lichtflits zag: het was geen bliksemschicht; de flits was korter van duur dan het licht van de bliksem, en tevens verlichtte hij de aarde niet, wat bliksemschichten daarentegen wel doen. Deze flits deed eerder denken aan het heldere licht dat men soms in het eigen hoofd ontwaren kan, als men verkeert in een toestand die het midden houdt tussen de waaktoestand en de slaap. Men ziet dan een lichtflits terwijl men nochtans de ogen gesloten houdt – een licht dat duizend keer helderder is nog dan dat van de zon – als het ware een zon die onder het schedeldak schijnt, en die één keer oplicht, soms enkele keren relatief kort opeenvolgend, om vervolgens een bijzonder spoor na te laten dat lange tijd nadien de slaap nog vervult met een warmte die niet met woorden te beschrijven is. Zo’n licht zag ik toen, maar dan met de ogen open, en aan de hemel van de nacht. Het was bovendien een licht dat zich ook hierin nog onderscheidde van het zonlicht, doordat het heel duidelijk afgetekende stralen had – raderen eigenlijk – die als de spaken van een reusachtig kristal de kosmos zelf leken te dragen. En toen het innemende spektakel zich daarop herhaalde, meende ik tevens te begrijpen dat het dit lichtende wiel zelf was, dat het nu ontzaglijk geworden gedruis voortbracht. De wind was nu dermate hevig geworden dat het mij niet eens had verwonderd indien ik er door werd opgetild en meegevoerd. Edoch, ik bleef ter plekke staan, en er was alleen het luide klappen van mijn jas tegen mijn lijf dat bijna pijnlijk aanvoelde nu. Met de beide armen klemde ik de jas tegen mij aan – ik was intussen ietwat voorover gebogen gaan staan om me te beschermen voor het ontij – en ik wilde net rechtsomkeert maken, toen de schreeuw zich, luid en duidelijk, herhaalde. Ik hief de blik, keek geheel ontwapend in de grenzeloze nachthemel waar de noodkreet vandaan kwam, hoorde nu de gezangen verstommen en het gedruis verdwijnen. De winden gingen liggen, de warmte trok uit de luchten weg en in geen tijd stond ik daar in een vrieskou. De bladeren kraakten onder mijn voeten, toen ik mij op de weg terug begaf. Ik betrad mijn woonst met een gevoel van diepe verslagenheid, want ik geloofde het nu wel heel goed te hebben begrepen. De kreet die mij gewekt had, was onmiskenbaar de schreeuw van een man van wie ons allen wel de woorden bereiken, doch niet of slechts heel zelden het hartverscheurende geluid van zijn eeuwig met de dood vechtende roep. (J.B., Verhalen 2006-2009) |




