Het 'bijna-leven' (J.B., Verhalen 2006-2009)
|
Het 'bijna-leven' Men hoort het wel eens vaker zeggen van mensen die van die bizarre speculaties maken: indien er na dit leven - na de dood dus - nog een leven zou zijn, dan zou het voor hen die zich aldaar bevinden, uiterst moeilijk zijn om zich te realiseren dat ze eigenlijk al dood zijn. Wie zich bewust is, wie kent en weet, die veronderstelt ook spontaan dat hij bestaat. "Je pense, donc je suis", zo zegde het de grote Franse filosoof, René Descartes: "Cogito, ergo sum", of: "Ik denk, en dus besta ik". Descartes zei echter niét: "Je pense, donc je vis", of: "Cogito, ergo vivo", of: "Ik denk, en dus leef ik ook". Bestaan is namelijk iets heel anders dan leven. Sommigen zeggen dat men eerst moet leven om te kunnen bestaan: volgens hen is er buiten het leven geen bestaan mogelijk. 'Dood-zijn' is volgens hen dus: helemaal niet meer zijn. Wie dood is, is eigenlijk niet dood, omdat er in de dood geen sprake meer is van een 'zijn' of een 'bestaan'. Bepaalde Oude Grieken deelden deze gedachte, en zegden daarom ook dat wij de dood nooit kunnen ontmoeten. Immers: "Zolang ik er ben, is mijn dood er niet, en van zodra mijn dood er is, ben ik er niet meer." Zonder het leven, is er geen bestaan, zo zeggen zij, en zonder het leven is er ook geen denken, geen bewustzijn, geen besef mogelijk. Gelovigen denken daar heel anders over. Wie gelooft, weet dat het bestaan niet ophoudt met de dood: een met het bestaan gelijktijdig leven is geen voorwaarde voor dat bestaan en voor het bewustzijn van dat bestaan, al moet iemand wel eerst geleefd hebben - dat wel zeggen: geboren zijn, of tenminste: ontvangen zijn - teneinde te kunnen bestaan. Het leven is voor de gelovige wel een noodzakelijke voorwaarde voor althans het menselijk bestaan, maar dat leven zelf hoeft zich niet voort te zetten opdat het bestaan zelf werkelijk zou kunnen blijven. Voor de gelovige is het leven als het ware de vonk die het vuur van het bestaan in gang zet. Edoch, eenmaal brandende, heeft het vuur de vonk niet langer nodig: het onderhoudt zichzelf, het kan niet meer uitdoven of geblust worden. In termen ontleend aan de natuurkunde, lijkt het wel alsof hier een wet gelijkend op de wet van de traagheid werkzaam is: eenmaal een bepaalde kracht heeft ingewerkt op een stilstaand voorwerp, zodat het in beweging komt, hoeven er verder geen krachten meer op dat lichaam in te werken opdat het in beweging zou blijven. Het leven nu, zou dan vergelijkbaar zijn met die kracht die de beweging schept, maar als die kracht van het toneel verdwijnt, blijft de beweging zelf bestaan. Zo ook lijkt het er heel sterk op dat, voor de gelovige, het leven 'slechts' die kracht is die iemand tot bestaan brengt: het bestaan zelf kan, eenmaal het feitelijk is, niet meer zomaar in het niets verdwijnen. Wij kunnen ons beslist een beter beeld vormen van hoe zoiets, dat op het eerste gezicht absurd lijkt, niettemin mogelijk en zelfs noodzakelijk is, wanneer wij het terrein van de natuurkunde verlaten, en ons licht opsteken in vakgebieden die meer te maken hebben met de geest en het bewustzijn zelf. Zo bijvoorbeeld zou het volgende ons die specifieke 'onomkeerbaarheid' - want daarover gaat het eigenlijk - duidelijker kunnen maken. Stel eens dat wij niet weten of een ons welbekende persoon hetzij nog leeft, hetzij al dood is. En stel vervolgens dat iemand op wie wij ons kunnen vertrouwen, ons komt vertellen dat deze persoon zopas gestorven is. Welnu, dan is niet alleen de dood van die persoon definitief of onomkeerbaar, maar evenzeer is dat het geval met onze kennis van dit feit. Wij hoeven het (in dit geval droeve) nieuws slechts één keer te horen opdat wij het 'voor altijd' zouden weten. De bode hoeft ons de volgende dag niet opnieuw te komen zeggen dat de persoon in kwestie is overleden, net zoals die persoon de volgende dag niet opnieuw hoeft te sterven teneinde dood te kunnen blijven: beide gebeurtenissen zijn onomkeerbaar: zowel het feit als onze kennis van dat feit. In de beide gevallen is er een soort van 'geheugen' werkzaam dat ons verbiedt om de gang van zaken nog om te keren. Het mag nu duidelijk wezen: het 'binnentreden' (of het naar binnen 'geworpen worden') in het bestaan heeft die onomkeerbaarheid met het sterven, maar bijvoorbeeld ook met de kennis, gemeenschappelijk: het zijn gebeurtenissen die even onomkeerbaar zijn als de tijd zelf, omdat zij zich niet binnen de tijd bevinden. En laten we hier nu ons eerste zinnetje herhalen: indien er na dit leven - na de dood dus - nog een leven zou zijn, dan zou het voor hen die zich aldaar bevinden uiterst moeilijk zijn om zich te realiseren dat ze eigenlijk al dood zijn. Maar u kunt het zelf al zien waar deze niet ongevaarlijke gedachte ons heen brengt: ze geldt namelijk vanzelfsprekend niet alleen voor diegenen die overleden zijn; evenzeer is ze van toepassing op al diegenen die in de mening verkeren dat zij leven, of nog leven. Hoe immers kon men zich ervan vergewissen dat het leven dat men gelooft te leiden, écht was, als het voor hetzelfde geld mogelijk ware dat men in feite al dood was, terwijl men er moeite mee had om zich dit te realiseren? Uit de komedies alom herinneren wij ons de clowns die zichzelf een kaakslag toedienen met het edele doel om zodoende een poging te ondernemen om deze knagende twijfels naar het land van de sprookjes te verwijzen, en tenslotte zekerheid te verwerven over de authenticiteit van het actuele bestaan. Het experiment in kwestie is lovenswaardig, aangezien er naast onze eigen lijfelijke pijn geen authentieker criterium denkbaar is om de waarachtigheid van de zaken des levens te gaan meten. Alleen kan hier de vraag rijzen of een simpele kaakslag in deze dan toch heel ernstige kwestie wel kan volstaan als 'bewijs'. Om slechts één voorbeeldje te geven, herinner ik mij nu toevallig dat ik mezelf ooit een kaakslag toediende gedurende een nachtelijke droom. Ik ben daar helemaal niet van wakker geworden, zoals ik niet zonder binnenpret moest vaststellen toen ik mij daags nadien de droom herinnerde: de reden waarom de kaakslag mij niet wakker had gemaakt, lag in het simpele feit dat ik ook deze kaakslag zelf bleek gedroomd te hebben. De vraag die vermeend levenden zich zouden kunnen stellen omtrent de echtheid van hun bestaan, is dus niet zo bizar als ze op het eerste gezicht wel kon lijken. Heel terecht kan een gelovige zich afvragen of hij eigenlijk niet allang dood is, terwijl hij er slechts moeite mee heeft om dit tot zijn besef door te laten dringen. Het is denkbaar dat wij geloven dat wij ons in de waaktoestand bevinden, terwijl we ons daarin vergissen, zoals trouwens alle dromenden doen wanneer zij dromen. Slechts weinigen dromen terwijl zij ook beseffen dat zij dromen: al dromende wanen wij ons wakker, en indien we niet in deze waan zouden verkeren, dan zouden we ook meteen ophouden met dromen, en terstond ontwaken. Edoch...even denkbaar is het voor sommigen dat er mensen zijn - of beter: dat wij mensen zijn - die slechts geloven te leven, terwijl wij in feite allang met leven opgehouden hebben, en alleen nog (slechts) 'bestaan'. Ik zal de laatste zijn om anderen aan te moedigen om in dit soort van labyrinten veel tijd te investeren of, erger nog: om er in verloren te lopen. Maar tegelijk moet worden opgemerkt dat de grootste geesten die het mensdom ooit heeft voortbracht, eigenlijk alle dagen (en vaak ook alle nachten) van hun ook maar eenmalige leven hebben gevuld met niets anders dan met dergelijke overdenkingen. En dat pleit dan weer voor het aan de dag leggen van enige voorzichtigheid bij mogelijke, al te naïeve veroordelingen van heel ernstige speculaties terzake. Maar laten wij er tenslotte de statistiek nog eens bij halen, en dan kunnen wij de beschreven, aanvankelijk zeer bizar aandoende veronderstelling in nog een ander licht plaatsen. Theoretisch gezien is het namelijk niet alleen mogelijk dat wij in feite allang dood zijn, terwijl we onterecht denken dat we nog leven, maar statistisch gezien is het zelfs bijzonder waarschijnlijk dat dit inderdaad het geval is. En waarom dan? Heel eenvoudig omdat ook de overgang van leven naar dood, als die er dus is, ongetwijfeld onomkeerbaar zal zijn. Mensen die leven, kunnen sterven. Als ze nadien denken dat ze niettemin nog leven, dan kunnen ze ook denken dat ze opnieuw gaan sterven, en ook geloven dat ze effectief opnieuw sterven. Vervolgens, voor de tweede keer dood zijnde, kunnen zij geloven dat zij niettemin nog leven, en dat ze dus sterfelijk zijn en sterven. En deze geschiedenis - waarvan ik de tragiek niet met een tekeningetje hoef te illustreren - herhaalt zich vanzelfsprekend principieel eindeloos. Ons rest, gelukkig nog, één grote hoop. U hebt het beslist zelf al geraden, beste lezer, dewelke. Of wij nu leven, ofwel allang dood zijn - in de ik weet niet hoeveelste graad - één ding is zeker: ongeacht het feit of wij leven of dood zijn, is het onmiskenbaar zo, dat wij de allereerste keer in deze cyclus écht zullen hebben moeten bestaan. Want ware dit niet het geval, dan konden wij nu noch dood zijn, noch levend. Bovendien is het zo, dat het wezenlijk geen enkel verschil uitmaakt of het bestaan dat wij leiden, hetzij echt is, hetzij gedroomd - dit in de veronderstelling dat wij hoe dan ook niet bij machte zijn om dit te achterhalen. En er zit zelfs een bijzonder hoopgevend kantje aan de hele kwestie, en ongetwijfeld zult u ook dit al in de gaten hebben gehad: met enige welwillendheid, gekruid met wat optimisme, hebben wij hier alle troeven in handen om te geloven dat er op die manier aan ons 'bestaan' (- net zoals Descartes zeg ik niet 'leven', maar wel 'bestaan') eigenlijk nooit een einde komt! (J.B., Verhalen 2006-2009) |


















