De vaalt onder de radar
|
De vaalt onder de radar Iemand zadelde mij ooit op met het cryptische gezegde dat de mensen die wij tegenkomen op straat, eigenlijk het topje van een ijsberg vormen. De puzzel loste zich pas op toen die persoon haar zin verduidelijkte met een tweede: “We zien er allemaal alleen het schoonste van.” Neem nu de buur die vol pit heel even binnenwipt om in een mum van tijd het laatste nieuws kond te doen en dan als een hazewind weer te verdwijnen: men zou er moedeloos van worden, zo sprak mijn tante: ofschoon al jaren met pensioen, weten die lui met hun energie geen blijf, ze springen rond alsof ze nog drie maal zeven zijn en blijken van alles op de hoogte; als je hen mag geloven, stammen ze van prinsen af en zijn hun kinderen toplui teweeg in regeringskringen; hun haast verklapt dat ze overal worden verwacht en moeten woekeren met hun tijd; nog niet bekomen van de jetlag, moeten ze morgen alweer speechen op een of andere conferentie in het buitenland. Inderdaad, dat is het topje maar de ijsberg onttrekt zich heel sluw aan het gezicht: het ogenblik dat Megafrivolia je op een schijnbaar toevallig bezoekje vergast, wordt voorafgegaan door urenlange horizontaliteit, een volle kan zwarte koffie en een handvol pijnstillers. Dan volgt nog de opsmuk van ruim dertig minuten met als toetje enkele lagen poeders en pommades om de rimpels weg te steken, een lading Parijse parfums voor onder de oksels, een flaconnetje tegen halitosis, wat kleursel en stijfsel voor de nieuw gecoiffeerde bles en de installatie van de 'eettafel' zoals een tandprothese wel eens wordt genoemd. Uiteraard is er dan ook nog de verkleedpartij met het modieuze jasje en het nagelnieuwe schoeisel dat voor de vitrine urenlang in twijfel werd aanschouwd met een hoofd als een op hol geslagen rekenmachine maar die uitrusting kan nimmer falen om de buur de ogen uit te steken en de moed in de schoenen te doen zakken, want dat is wat wordt beoogd om het Franse spreekwoord andermaal te staven: “Mal de voisin réconforte et même guérit.” Niet overdrijven met uw beschrijvingen, zo hoort men de een, de ander berispen maar het is een feit dat de mens een wolf is voor zijn medemens en nog meer waarheid schuilt in de wetenschap dat op de beschreven wijze ontmoedigde buren, jammerlijke slachtoffers van hun eigen veralgemeningen zijn: zij gaan geloven, want dat was de bedoeling, dat de energieke indringers 24/7 functioneren zoals in buurvrouws vertoning van luttele minuten. Ja, de mensen die wij op straat tegenkomen, zijn maar het topje van een ijsberg, we zien hen in de korte tijdspanne in de openbaarheid dat zij opgetut zijn en te been maar achter de hoge gevels van de huizen figureren zij in een heel andere cinema: zij slijten de vele uren, dagen, jaren van een allerminst koninklijk bestaan met wroeten, wassen, plassen, kermen en ook consultaties bij een resem medische experten, voor elk denkbaar orgaan wel een, om dan eens op zijn paasbest voor de dag te kunnen komen en de buur een hak te zetten. Nu overdrijf je toch een beetje! - zo hoort men andermaal hoe de een, de ander de les spelt maar er is wel iets van aan, openbare vertoningen zijn het wat leugenachtige topje van een minder fraaie ijsberg, zij zijn een toneel vol verkleedpartijen met uit het hoofd geleerde en door specialisten opgestelde frasen en ze zijn ook bedoeld om het publiek op het verkeerde been te zetten, wetende dat het veralgemenen is, wat mensen doen: zij denken dat wat zij zien, de ijsberg zelf is maar het gaat slechts om het topje. De ijsberg zelf, het echte toneel, telt alleen kreupelen in geïmproviseerde lompen, wiens uitspraken pas rijmen en stafrijmen als het doorwinterde vloeken zijn. En ten derde male hoort men de vermaning en nu heel luid: maar je overdrijft! Akkoord, men overdrijft. Maar wie dat niet doen, vallen ten prooi aan een veralgemening die de moed in elk paar schoenen zakken doet. Want op straat komen, is niet zomaar de deur uitgaan, tenzij men jong is maar heel lang duurt dat ook niet want alras komen de kwalen en het is geen sinecure om die weg te blijven steken. En dat moet men ook doen omdat men zijn medeburgers hoort te vrezen: zwakheden niet aan het oog onttrokken, lokken lui met bedoelingen die niet altijd even zuiver zijn, denk maar aan pickpockets die alleen maar portefeuilles zien, gsm's en geruisloos open te ritsen zakken. En erger nog dan dat zijn smaad en spot. Geen haast en spoed want aan het betreden van de openbare weg gaan heel wat voorbereidingen vooraf en wat wij zien verschijnen, is een fractie van een veel omvangrijker gebeuren. Dat geldt voor bijvoorbeeld een artiest die zijn nummer van welgeteld vijftien minuten opvoert in een circus met een publiek van... deze dagen mag men blij zijn met vijftien man. Voordat hij het inkomgeld opstrijkt, heeft hij niet alleen vele uren moeten oefenen maar hoefde hij ook eerst nog grootgebracht te worden, ja, men kan het hier zelfs hebben over de groei van de bevruchte eicel in de baarmoeder, de dracht van negen zorgzame maanden, de noeste arbeid van de vader die moet zorgen voor de spijs, het onderdak, de kleding, de kindertijd welke voor het kind altijd een eeuwigheid lijkt van diep verwenste dressuur op schoolbanken in afstandelijke instituten waar hij een nummer is zoals elk ander. Zijn geluk culmineert in de vijftien minuten voor evenveel volk en in dat licht is het loon dat hij des avonds als hij de boel heeft opgekuist, mag tellen, een detail, al herinnert het hem telkenmale aan de bijna-overbodigheid van zijn bestaan. De mensen in de straten maar ook de straten zelf zijn alleen maar het topje van de ijsberg: ooit waren hier niets dan moerassen, moeizame irrigatie legde beetje bij beetje enkele plekken droog zodat men kon wandelen over de dijken en vele eeuwen, ja, millennia duurde het vooraleer er was wat wij nu zien. En dan moet men het nog hebben over wat onder de straten ligt, geheel verborgen: een infrastructuur waarvan de complexiteit doet duizelen. En evenzeer onttrokken aan het oog doch noodzakelijk aanwezig zijn de instrumenten die rondcirkelen in de ruimte en die onze communicatie mogelijk maken. De mensen, de straten, de staten, de wetten, de wetenschappen, de economie en de techniek en dat dit alles zo kan blijven draaien, dat elk te onderhouden en vervangbaar onderdeel zijn plekje heeft, dat allen eerst klaargestoomd moeten worden voor hun optreden van vijftien minuten, en dat dit alles zich herhaalt, vermenigvuldigt en op de koop toe steeds omvangrijker wordt, energieker en ook slimmer, en in de pas blijft lopen als een uurwerk... Een Zwitsers uurwerk weliswaar want precisie vereist aandacht en attentie vergt veel zuurstof en dus reine lucht die men alleen inademt als men resideert in de bossen en de weiden aan de voet der Alpen. Maar onder het vertoon van de gigantische wereldklok rust wat men met steeds meer moeite tracht te onttrekken aan het oog, een vaalt: een kerkhof als het ware voor de mensen en de dieren, als zij niet op het bord belanden, alsook voor de instrumenten die immers verslijten, het afval van de onnoemelijke maaksels en de restanten der producten van een vrije markt in vrije val. Want dat geheel gaat gisten na verloop van tijd, de plek die het kreeg toegewezen, geraakt vol en kan niet meer worden bezet door iets dat toonbaar is en mooi. Er komt een eind in zicht, voorspeld maar alsnog onverwacht zoals dat immer met ongevallen het geval is. (J.B., 22 juli 2026)
|


















