Een stand van zaken om 15 uur daags na de aanslag in Berlijn (3)

Een stand van zaken om 15 uur daags na de aanslag in Berlijn (3)








Een stand van zaken om 15 uur daags na de aanslag in Berlijn (3)
Een stand van zaken om 15 uur daags na de aanslag in Berlijn (3)








Een stand van zaken om 15 uur daags na de aanslag in Berlijn (2)
Een stand van zaken om 15 uur daags na de aanslag in Berlijn (2)









Een stand van zaken om 15 uur daags na de aanslag in Berlijn (1)
Een stand van zaken om 15 uur daags na de aanslag in Berlijn (1)









"Overbevolking" (J.B., Verhalen 2006-2009)|
Overbevolking De wereld kampt met een overbevolking aan mensen en die wasemen allemaal samen zoveel hitte en gassen uit dat de poolkappen ervan afsmelten, ten gevolge waarvan de ijsberen aldaar verdrinken en binnenkort de zeespiegel met vele meters zal stijgen zodat bijvoorbeeld de Brusselaars niet langer tot in Oostende zullen moeten rijden om pootje te gaan baden, want het strand zal in Brugge liggen of zelfs in Aalst. De teller staat momenteel op een kleine zeven miljard - dat is het zevenvoudige van tweehonderd jaar geleden - en dagelijks komen er zo'n tweehonderdduizend soortgenoten bij. Demografen schuwen de benaming 'overbevolking' niet en zij hebben het ook vaker over een naderende catastrofe. Nochtans geldt tegelijkertijd dat elke dode er een teveel is, en men stelt werkelijk alles in het werk om zelfs het leven van een honderdjarige in comateuze toestand nog één enkele dag te rekken. Dat laatste lijkt een tegenstrijdigheid maar het is er geen, het is slechts een paradox - een schijnbare tegenstelling. Zij die er een echte tegenstelling in zien, ontbreken iets in hun hoofd of in hun hart, zoveel is duidelijk, en we kennen nog het voorbeeld uit de Tweede Wereldoorlog van de uitroeiingskampen - want dat was pas een catastrofe. Nochtans blijven er blijkbaar mensen geboren worden bij wie het ontbreekt aan die elementaire morele zin die ons door de band weerhoudt van moord en genocide, en het gebeurt zelfs dat zij openlijk hun mening gaan verdedigen. Daartoe brengen ze dan het liefste cijfers te berde: kille getallen, zoals het getal zeven miljard, dat aanduidt dat de wereld van mensen overbevolkt is, en dan suggereren zij heel eenvoudig dat het kleiner maken van dat getal een goede zaak is in alle opzichten; het bestrijdt immers de catastrofen die ingevolge het grote getal onvermijdelijk onze aardbol zullen aandoen. Logica en logica is twee. Ooit hoorde ik een niet onbekende professor van op zijn preekgestoelte in de universiteit debiteren dat het verschaffen van voedsel aan arme Afrikanen slechts kan zorgen voor een verveelvoudiging van hun aantal, en dat het daarom beter ware indien men bij het horen van de noodkreten, gewoon de andere kant opkeek. Dat ware beter, zegde hij, want dat zou het aantal noodlijdenden flink reduceren, binnen de perken houden en misschien wel uitroeien. Ook de uitroeiingskampen van Adolf Hitler hadden de edele bedoeling om allerlei ziekten, ongemakken en andere onvolmaaktheden die alvast tot dan toe bij het leven hoorden, uit te roeien. Er is inderdaad iets zéér grondig mis met mensen die zo denken. Zij pleiten dan ook voor achteruitgang in plaats van voor vooruitgang, want is het niet zo dat het toenemende aantal van onze zieken en bejaarden gelijke tred houdt met de grote vorderingen van de medische wetenschap? Worden de afstanden niet groter naarmate de mogelijkheden toenemen om ze te overbruggen? Wordt het analfabetisme niet een ernstiger kwaal in de mate dat meer mensen kunnen lezen en schrijven? En tenslotte: zouden er niet veel minder mensen sterven indien er ook veel minder werden geboren? Niet zo heel lang geleden kwam ik door toeval in een hospitaal terecht en wie daar ooit gelegen heeft, die weet ook dat daar de dagen en de nachten zo lang kunnen zijn dat het wel lijkt alsof de tijd stilstaat. Gelukkig deelde ik de kamer met een uiterst onderhoudende figuur, een wetenschapper zo te horen, die ik er aanvankelijk van verdacht dat hij daar met geen andere bedoeling kon zijn dan om een flink stuk van zijn tong te laten snijden, want hij hield met ratelen maar niet op. Edoch, toen de tijd begon te wegen zoals hij dat in hospitalen kan doen, bleek dit ongemak alras in een grote zegen te verkeren en eigenlijk moet ik zeggen dat mijn verblijf in de kliniek in feite veel te kort was, want zeer waarschijnlijk heb ik slechts een fractie van het ganse - bizarre én boeiende - verhaal gehoord. - Over de uitroeiingskampen van Hitler hebt ge zeer zeker al gehoord, zo begon mijn kamergenoot, nadat ik hem alleen maar teneinde de stilte te breken had gezegd dat ik mij in een rolbed in dat enorme gebouw net voelde zoals iemand die naar de gaskamer moet - een bijzonder ongelukkige uitspraak, zo realiseerde ik mij helaas te laat. - Jazeker, over de shoa had ik al gehoord... - En is het u nooit opgevallen, zo ging hij door, dat de mensen die daar werkzaam waren, in die kampen, helemaal geen moeite bleken te hebben met het uitvoeren van hun dagelijks werk? - Daar heb ik ooit wel eens bij stilgestaan, zo moest ik bekennen, maar wij waren er niet bij, en het zal wel geen sinecure wezen om zich de concrete situatie voor de geest te halen zoals ze werkelijk was. Ja, soms betrap ik mezelf er op dat ik ergens dacht dat er in die tijd nog geen kleuren waren... alleen omdat wij er slechts beelden in zwart-wit van hebben... - Tja, zegde hij, daar zegt ge wat: het menselijke inlevingsvermogen is relatief groot maar tegelijk bijzonder beperkt. En men kan er ook alle kanten mee uit, zo stelde hij me voor een raadsel. - Alle kanten? - zo drong ik aan. En toen was het dat hij over die paradox begon, die mij niet onbekend was: volgens de professor die ik net citeerde, getuigde het bieden van voedselhulp aan arme Afrikanen van een tekort aan empathie, aangezien het gevolg daarvan een toename van het aantal hongerlijders was, terwijl ik altijd had gedacht en overigens nog steeds blijf denken dat het niet betaamt om mensen die om brood bedelen, een steen te geven. Men doodt toch geen mensen die de middelbare leeftijd achter de rug hebben om hen de lasten van de oude dag te besparen? Men kan een hond afmaken, of een paard, omdat het afziet terwijl geen beterschap in het verschiet is en het ook niet langer dienstig zijn kan; maar een mens? Is het dan sinds de rage van de diervriendelijkheid dat men dat ook met mensen doen mag - hen afmaken van zodra ze lijden? - Het gaat niet om de eerste betrokkene alleen, verklaarde hij toen ineens: als iemand met een terminale kanker in een bed aan allerlei snoeren vast hangt, dan heeft de vraag of hij of zij in leven dient te worden gehouden, ook op vele anderen betrekking: hier wordt immers tevens beslist over het leven van mensen die duizenden kilometer hier vandaan verblijven, en zelfs over dat van mensen die nog helemaal niet geboren zijn. Om het heel cru te stellen: Gij weet toch ook wel dat voor de prijs van één enkele euro een Afrikaans kind een volle dag kan leven en desnoods een ganse week? Een honderdjarige in coma die een week lang in dit hospitaal aan allerlei darmpjes hangt, kost algauw het duizendvoudige of nog veel meer. Het Afrikaanse kind hoeft enkel de periode van de misoogst te overbruggen; de comapatiënt daarentegen heeft geen enkel vooruitzicht meer, hij zal nooit meer beseffen dat hij leeft, of dat hij daarmee ophoudt. Ik gaf de man gelijk en ik geloof ook nog steeds dat hij gelijk heeft, maar toen trok hij zijn redenering door, en dat zinde mij op den duur niet meer, ofschoon hij heel consequent leek te redeneren. Naarmate zijn 'toespraak' - zo zal ik het maar noemen ofschoon ik zijn enige toehoorder was - zich voltrok, leek het alsof de werkelijkheid zelf van gedaante veranderde. Het was zonder meer huiveringwekkend en nog steeds weet ik niet wat ik er uiteindelijk moet van denken. Was hij een geleerde, zoals hij zelf beweerde, die door de slag van zijn ongeval zijn tong voorbij praatte zonder dat hij zich daarvan ten volle bewust was? Voorwaar, als hij zo doorging en dit zou ontdekt worden, dan ging er beslist een stuk van af! - Er zijn teveel mensen, zegde hij, en hij zegde dat met een zekere berusting, want er was niets aan te doen: mensen hebben seks, ze trouwen of ze doen dat niet; vrouwen willen kinderen, kopen kinderen, voeden die op... En er is ook nog voedsel genoeg voor iedereen, voegde hij daar aan toe: er zijn nog geen tekorten, wat men er ook van zegt; er wordt nog steeds veel meer voedsel vernietigd dan er tekorten zijn... - Men laat het zijn gang gaan? Vroeg ik. En toen liet hij me schrikken: - Ja, dat is wat gij denkt, trouwens samen met vele, vele anderen. - Wat bedoelt gij? Drong ik aan. - Zijt gij dan zo naïef om te geloven dat ge alles aan de weet komt van hetgeen gebeurt? Kom nu! Ik wist allang dat burgers voor de aap gehouden worden, en ik wist dat samen met vele van mijn medeburgers: in principe kan elkeen die niet loopt te slapen, vaststellen dat bijvoorbeeld ten tijde van de ramp in Tsjernobyl, amper een kwart eeuw geleden, alle Belgen werden belogen door de minister, die dacht dat ze met haar leugens de kalmte handhaafde onder de bevolking. De weerman deed op het einde van zijn leven nog snel de bekentenis dat zijn weerbericht, met daarin de boodschap dat een radio-actieve wolk tot in Schotland de schapen van hun poten deed vallen, op commando van onze politici geschrapt werd en vervangen door een onschuldig praatje voor de vaak. Ik wist ook dat het ganse Zuid-Amerikaanse continent decennia lang onvruchtbaar werd gemaakt middels additieven in de dagelijkse voeding welke mensen kopen in supermarkten. Ik had ook weet van de gevangenenkampen in het Rusland van de Sovjets, en van censuur en oorlogspropaganda zowat alom ter wereld. Maar van wat mijn toevallige kamergenoot mij nu kwam te vertellen, had ik nog nooit gehoord; ik had daarover zelfs niet durven dromen. - Er zijn gewoon veel te veel mensen, zegde hij, en dus moet daar hoe dan ook een deel van dood. Een niet gemakkelijk te nemen besluit voor bewindslieden, maar er is nu eenmaal geen enkel alternatief. Of gelooft gij dan dat men mensen er kan toe brengen om zich te beheersen, zeg maar om hun schone dagen in slotkloosters te gaan slijten, mannen en vrouwen onderling gescheiden? Of om zich onvruchtbaar te laten maken, al weze het op kosten van de staat? - Daar valt niet mee te lachen, vriend! Zo berispte hij me nu ineens: ten tijde van de tweede wereldoorlog gebeurde dit. Ik kan u documenten tonen uit die tijd: brieven met voorstellen aan de Führer en aan zijn trawanten; brieven van grote geleerden, doktoren, mensen die de eed van Hypocrates hadden afgelegd. Kent gij trouwens niet die brief van Albert Einstein aan de Amerikaanse president, waarin hij die informeert over die krachtige bom die hij had uitgevonden, en die men niet nagelaten heeft te droppen op Hiroshima en op Nagasaki ofschoon de strijd toen al beslecht leek? Welnu, in precies dezelfde stijl schreven Duitse geleerden brieven aan hún Führer, waarin ze methoden voorstelden om de overtollige bevolking van Duitsland op een zachte manier, of althans geheel ongemerkt, uit te roeien. De gaskamers waren één van die voorstellen, maar er waren ook de bestralingsstoelen, hebt gij daarvan ooit gehoord? - Het staat gedetailleerd beschreven in die documenten, mijn allerbeste vriend: de te ontmannen burger wordt geïnviteerd voor een gesprek met een overheidsbeambte, die hem een plaats aanwijst waar hij kan gaan zitten om een aantal formulieren in te vullen. Het karweitje kost zo'n twintig minuten tijd en gedurende die poos worden de genitaliën van onze niets vermoedende burger van onderuit bestraald met röntgenstralen, een dosis die zijn leven spaart doch die hem voorgoed onvruchtbaar maken zal. Een techniek die weliswaar tijdrovend was en weinig efficiënt, maar in die zin waren er dan ook talloze voorstellen, uitvindingen en experimenten. U kunt het raden: proeven in het belang van de ganse natie! Ik kon het al raden waar hij op aan stuurde: vandaag gaat het er niet anders aan toe dan in die tijd, en de meesten onder ons weten ook niet dat het gebeurt, zoals ze het ook toen niet wisten. En hier te lande gaat het er net zo aan toe als elders: bestaat er trouwens één goede reden waarom men zou geloven dat pakweg Chinezen kwaadaardiger wezens zouden zijn dan Belgen? Alleen willen de mensen het niet weten, zij willen immers bedrogen worden. - Uiteraard plukt men de mensen niet van de straat, ging hij tenslotte door; men zegt niet: meneer X of Y, kom maar mee, zoals elke derde voorbijganger die wij hier toevallig tellen... Kom dus maar mee, want één derde van alle mensen moet geliquideerd worden in het algemeen belang, maak zelf maar de proef op de som, dan zult ge zien dat als we helemaal niks ondernemen, wij ons straks in verschillende lagen zullen moeten opstellen om allemaal op de aarde te kunnen staan... Neen, uiteraard doet men dat niet! - En wat doet men dan wél? Zo vroeg ik hem, want het kon toch helemaal geen makkie zijn om een methode te verzinnen teneinde een derde van alle burgers ongemerkt om zeep te kunnen helpen... Hij lachte een hele tijd aan een stuk door, zijn lachen werd tenslotte een zuchten, en ik moest hem als het ware herinneren aan mijn vraag want hij leek ver weg te zijn met zijn gedachten. - Ach, zei hij: de mens is een kuddedier! Een écht kuddedier, bedoel ik! Ongelooflijk hoe mak... - Vertel het me dan! Zo drong ik aan, al ongeduldig. - Ach, herhaalde hij: het is zo simpel en tegelijk zo eng... Wat doet gij als ze u zeggen, van hogerhand uiteraard, dat ge eens per jaar onder de scanner moet... bijvoorbeeld voor het opsporen van testikelkanker, of prostaat? Dat doet ge dan toch, niet? Ge twijfelt er toch zeker niet aan dat het voor uw eigen bestwil is dat men u dat vraagt? En zoudt ge achterdochtig worden als ge tenslotte niet verplicht wordt om u door te laten lichten? Neen toch? Ha, men zou het werkelijk nooit geloven, nietwaar! Over al te grote leugens denkt men immers direct dat ze onmogelijk zijn! - En dan? Zo drong ik weer aan, terwijl hij nog spraakzaam was, want het was mij nu ineens een zaak van grote haast geworden, het was immers niet zeker dat hij praatziek zou blijven totdat hij mij alles had verteld, en nu wilde ik het ook wel weten, nu was mijn nieuwsgierigheid gewekt en ook mijn bezorgdheid uiteraard. - Als ge opgeroepen wordt, dan gaat ge onder de scanner, zo ging hij door, en als men u hebben wil, dan heeft men u! - Wees wat duidelijker, berispte ik hem. - Als men u hebben wil, zei hij, dan vertelt men u dat gij kanker hebt, zo simpel is het. Of gaat gij twijfelen aan de diagnose? - Ik kan altijd een tweede mening vragen elders, antwoordde ik snel, ervan overtuigd dat hij zomaar wat bazelde. - Tja, dat kunt gij inderdaad doen, zei hij. Maar als gij te horen krijgt dat ge kanker hebt, dan is uw doodvonnis wel allang getekend! Of denkt gij misschien dat men u gaat doodvonnissen zonder dat gij in de ganse sector, en dat is internationaal, mijn beste, geregistreerd staat als ter dood veroordeeld? Zo dom kan men toch niet zijn, nietwaar? - Maar bedoelt gij dan echt... dat gij gelooft dat één van elke drie mensen vermoord wordt!? - Geloven doe ik helemaal niets, zei hij kordaat: ik zeg slechts wat ik wéét, mijn vriend. En wat ik weet, is dat één op de drie wordt uitgekozen om ter dood te worden veroordeeld. Eén op de drie krijgt te horen dat hij of zij kanker heeft, en ondanks het grote ongeloof op dat moment, gaat reeds na enkele dagen, soms zijn dat slechts minuten, tot de laatste man geloven dat het ook waar is wat de dokters zeggen. - Vervolgens krijgen de kankerpatiënten te horen - afhankelijk van het soort kanker waaraan ze zogezegd lijden - dat zij nog een zekere kans hebben op genezing. Soms is dat een kans van vijftig of zelfs van negentig percent, soms een waterkansje van niet veel meer dan nul ten honderd. Genezen kan dan mits een welbepaalde therapie, en dat is dan meestal chemo of bestraling. - Bij chemo laat men uw bloedvaten rechtstreeks vollopen met celdodend vergif, bij bestraling straalt men de cellen kapot, wat eigenlijk op precies hetzelfde neerkomt. Bij sommige mensen plant men zelfs een stukje radio-actieve materie onderhuids in. Men sterft dan dezelfde dood als de slachtoffers van de rampen in Hiroshima, Nagasaki of Tsjernobyl. Of men gaat ten onder aan vergiftiging of verstikking, terwijl men eigenlijk gelooft dat men geneesmiddelen krijgt toegediend... - Dat kunt ge niet menen! Zo maakte ik me tenslotte kwaad. - Waarom zijt ge hier? Vroeg hij ineens. - Dat zijn uw zaken niet, antwoordde ik. - Kanker? Ik weet niet hoe hij het aan de weet gekomen was. Ik was opgenomen na een hersenscan die een tumor in beeld had gebracht, welke bestraald moest worden, want anders had ik helemaal geen genezingskansen meer. Door de tumor hallucineerde ik en kreeg ik welhaast dagelijks te kampen met verschrikkelijke angsten en met allerlei waandenkbeelden. Zo ging ik onder meer geloven dat de gestelde diagnose vals was, en slechts een voorwendsel van het 'sanhedrin' of hoe men het ook noemen wil, om mij net zo lang te kunnen bestralen totdat ik onder de zoden lag. Is de overbevolking immers niet het probleem bij uitstek vandaag de dag? J.B., 6 september 2009 (J.B., Verhalen 2006-2009) |
De vaalt onder de radar (vervolg 3)
De vaalt onder de radar (vervolg 2)|
De vaalt onder de radar (vervolg 2) De Romeinse godin Venus - Aphrodite bij de Hellenen - is de godin van de liefde naar wie de tweede planeet van ons zonnestelsel wordt genoemd en die verkeerdelijk een ster genoemd wordt, meer bepaald de Morgenster (die overigens dezelfde is als de Avondster) of de Lichtbrenger - Lucifer - die zowel naar de duivel (de opstandige Rede) verwijst als (in het Exsulset van de Rooms-katholieke ritus) naar Jezus, de Messias. In de vierendertigste zang van het Inferno van Dante's Comoedia bevindt Lucifer zich, onttrokken aan alle licht en warmte, in het centrum van een meer van ijs, in het binnenste van de aarde waar hij, als de personificatie van het kwaad, vreet als een worm aan het hart van de wereld: "il reo verme che fora il mondo", of: “de boze worm die de aarde perforeert.”) Ook in de Helleense onderwereld, verpersoonlijkt in de god Hades, heerst de duisternis of de nacht waarin, dan weer in de Christelijke mythologie, als een dief, de dood komt. Het donker is de afwezigheid van licht waaronder ook het licht van de kennis valt: het is de onwetendheid, die paradoxaal genoeg met de paradijselijke onschuld van de eerste mensen wordt geïdentificeerd. En de realiteit van die inconsistentie creëert een onbestaanbare wereld die echter de onze is. Het is het bestaan dat het licht heeft afgewezen en dat daarom alleen nog een tranendal kan zijn. Het aan de openbaarheid ontsnappende is het verborgene waarin het kwaad geschiedt, het is hetgeen onder de radar blijft, geheel ongezien, terwijl het er toch is en daarom ook wordt het gevoeld, en in de eerste plaats door zijn slachtoffers uiteraard. De wet die het recht moet handhaven, verbiedt het in allerlei bewoordingen om medemensen onrecht aan te doen maar haar kracht kan nimmer groter zijn dan het vermogen van haar controle en omdat zij niet kan zien waar duisternis heerst, ontsnapt het boze aan het oog en lijden slachtoffers in stilte. Daders hoeven zich niet te verbergen zolang het kwaad dat zij berokkenen niet aan hen kan worden toegeschreven omdat het ongezien gebeurt, wat betekent: omdat het onder de radar blijft. En daar de bozen de radar besturen, hebben zij vrij spel, ook in dat deel van de wereld waar de zon schijnt en waar alles zichtbaar is voor alle ogen. Van het kwaad dat zich onder de radar verschuilt, weten behalve de boosdoeners zelf, alleen hun slachtoffers af, die eronder lijden; alle anderen verkeren daaromtrent in het ongewisse en bovendien prefereren zij die onwetendheid boven de kennis van de waarheid om niets hoeven te doen want kennis van onrecht schept verantwoordelijkheid daarover en roept op tot ongemakkelijke actie. De joodse filosofe Hannah Arendt had via haar zich met het nazisme compromitterende leermeester die de grote wijsgeer Martin Heidegger was, kennis van de plannen van Hitler om de joden uit te roeien en aldus bevond zij zich in de bijzonder ongemakkelijke positie van degenen die het onheil zien aankomen terwijl zij de middelen missen om het te voorkomen, met uitzondering van hun profetische stem die hen sowieso in levensgevaar brengt. De Duitse medici aan wie de nazi's alom propagandafilms vertoonden met plannen voor de 'gezondmaking van het volk', zoals zij hun genocide heetten, terwijl in de couloirs van de cinemazalen hun lijfwachten met het geweer in de aanslag patrouilleerden, zwegen uit doodsangst en zij deden dat zonder een enkele uitzondering - één uitzondering zal er wellicht geweest zijn maar niemand kan eraan twijfelen dat die gewis even snel als vakkundig werd 'geneutraliseerd'. De moord op Karel Van Noppen maakt dat de held geen navolging zal krijgen omdat zijn lot voorspelbaar gewis wordt gedeeld door al wie geen gehoor wensen te bieden aan de macht van het geld en hetzelfde geldt met betrekking tot alle andere helden die men daarom kan tellen op de vingers van twee handen en van wie wij ons Patrice Lumumba herinneren, Aleksej Navalny en nog enkele anderen maar talrijk kunnen wie excelleren nimmer zijn. Deze enkele voorbeelden uit een eindeloze reeks illustreren dat de radar - en dat is een verklikker - de verklikkers zelf zal sparen in hun jacht op de prooien welke zondebokken zijn in de betekenis die René Girard aan een wreedaardige maar alom ingeburgerde praktijk heeft gegeven: de onschuldige die tot demon verklaard wordt en dan opgeofferd om aldus wars van zijn eigen wil zijn moordenaars van hun angsten en frustraties te bevrijden. Onder de radar situeren zich wandaden die hun gelijke niet kennen maar alleen de daders zelf en hun slachtoffers zijn daarvan direct getuige, ofschoon op grond van de gang van zaken in de wereld, principieel iedereen wel kan vermoeden wat er aan de gang is in den duik - edoch, angst en gemakzucht doen de massa zwijgen. Het lijkt dan alsof de massa helemaal niet handelt maar de betekenis van zwijgen voor de getuigen van een genocide is medeplichtigheid aan moord, zoals schuldig verzuim ook heet. Wie kunnen vermoeden wat zich afspeelt onder de radar, zwijgen en dat zwijgen neemt vele vormen aan, waaronder het liegen. In zijn 1984 laat George Orwell zien hoe Big Brother mensen in zijn macht heeft als hij hen leugens kan laten belijden - een activiteit welke aan iedereen bekend is die ooit in de greep van een godsdienst was. Wie zich onbekwaam weten om de waarheid te spreken of om hem ook maar te denken, zijn in handen van een vreemde macht, zij zijn onvrij en derhalve onbetrouwbaar, laf en asociaal, ook al doen zij met de massa mee alles wat van hen verlangd wordt - maar uitgerekend om die reden. Religies verlangen van hun belijders dat zij de deviezen uit hun heilige geschriften onderschrijven of beamen en zo bijvoorbeeld menen katholieken dat zij homo's moeten veroordelen en conversietherapieën aanprijzen. Dat geloof is uiteraard strijdig met de rede die ervoor zorgt dat het kwaad dat door die waanzin wordt veroorzaakt, strafbaar wordt gesteld teneinde de wrede praktijken in te kunnen dijken en om die reden liegen de gelovigen als hen gevraagd naar hun mening over mensen die deel uitmaken van de 'queue' zoals de LGBTQ+-groep nu wordt afgekort. Voorstanders van conversietherapieën telt ons land niet meer sinds het wettelijk verbod op de verminkingen die erdoor worden verkapt en hetzelfde geldt voor Nederland waar het verbod geldt sinds een goede maand. Maar dat betekent enkel dat men zich niet meer uitspreekt tegen homo's, het betekent niet dat men zijn mening heeft gewijzigd: meningen in strijd met de wet hoort men niet langer maar ze zijn er nog, ze zitten onder de radar. En men kan vermoeden dat de wangedachten die zich onder de radar schuilhouden, gelijke pas houden met het wettelijk verbod dat op de uitvoering ervan rust. Ook kan men op grond van de geschiedenis voorspellen dat bij het verslappen van de handhaving der wet, het openbarsten van de donkere kelder onder de radar, niets minder dan een burgeroorlog zal uitlokken met ongeziene moordpartijen. En die kentering komt er zonder twijfel, het is alleen een kwestie van tijd. (Wordt vervolgd) (J.B., 24 juli 2026) |
Nosferatu (video) - Een korte meditatie bij 'Nosferatu' van Werner Herzog e.a.
Nosferatu (video)
Een korte meditatie bij 'Nosferatu' van Werner Herzog e.a.
Een korte meditatie bij 'Nosferatu' van Werner Herzog e.a.
De vaalt onder de radar (vervolg 1)|
De vaalt onder de radar (vervolg 1) De hedendaagse logica en de taalanalyse benadrukken het contextgebonden karakter van de waarheid: een redenering kan louter 'wiskundig' gezien perfect kloppen maar geabstraheerd van de feiten herinnert zij aan het relevantieprobleem dat René Descartes beangstigde: wiskundige waarheden zijn dermate waar dat ze ook gelden in de droom maar uitgerekend om die reden, namelijk dat zij helemaal geen onderscheid blijken te maken tussen de werkelijkheid en de droom, verliezen ze elke relevantie; zij staan met andere woorden niet in betrekking tot de werkelijkheid, ze zijn alleen waar in hun eigenste ivoren torentje, hun 'spel', en op de keper beschouwd hebben ze geen enkel nut en kunnen ze alleen maar misleiden of dus, paradoxaal genoeg: liegen. De stelling dat de retorica wezenlijk de leugenaarskunst is, vindt in deze paradox zijn fundamenten. Het hoeft geen betoog dat de zogenaamde parlementaire democratie om die reden een bijzonder misleidende bedoening is: dat zij de macht geeft aan het volk (demos), waaronder moet verstaan worden de meerderheid, is een gekend pijnpunt maar dat zij parlementair is, wat wil zeggen dat een consensus tot stand komt door bespreking (parler), zet kennelijk ook de scherpste critici op het verkeerde been. De (parlementaire) discussie wordt immers niet beslecht door de geldigheid van de aangevoerde argumenten te beoordelen volgens wetenschappelijke, wiskundige maatstaven maar godbetert door stemming, wat wil zeggen dat niet het beste argument het haalt maar wel het 'sterkste' in de zin van datgene wat gesteund wordt door de meerderheid. De besluitvorming lijkt dan gebaseerd op redelijk overleg maar in feite veegt zij alle te berde gebrachte argumenten onder de mat door uiteindelijk de beslissingen afhankelijk te maken van de wil van de meerderheid, wat inhoudt dat hier niet de rede of de menselijkheid triomfeert maar wel het recht van de sterkste, de wet van de jungle. Dat de beschreven politieke handelwijze is doorgedrongen in de wetenschappelijk geachte wereld van de universiteiten, is een ware malaise. Gekend doch helaas kennelijk veeleer begeerd dan geschuwd is de financiering van het wetenschappelijk onderzoek, en wel door allerminst op waarheid doch op winst gerichte firma's. Dit kwaad kent een wel bijzonder frappante exponent in de coïncidentie van de betrokken firma met de wetenschapper en zo bestaat het dat een universiteitsprofessor de staat verzoekt om de subsidiëring van een naar diens inzicht wetenschappelijk ware theorie, in casu het darwinisme, naar zijn zeggen: om die bij het grote publiek te kunnen promoten. Voor de slechte verstaander: wie beweren ervan overtuigd te zijn dat aan het darwinisme evenmin te tornen valt als aan de stelling van Pythagoras terwijl zij die overtuiging kracht willen bijzetten met geld, spreken zichzelf tegen daar zij zodoende de ontoereikendheid van hun argumenten erkennen. Politici, die vaak geen kaas gegeten hebben van logica en van taalanalyse, zijn door de band opportunisten die bij gebrek aan beter met contexten gaan schuiven teneinde op die manier hun gelijk binnen te halen. Zij zorgen er wel voor dat het publiek zich blind staart op de argumenten die zij aanbrengen maar wat dan aan de aandacht onttrokken blijft, is de selectiviteit waarmee demagogen of manipulatoren opereren: zij creëren aldus geheel willekeurig de context voor hun betogen. De idee dat de feiten zijn wat ze zijn, is essentialistisch en derhalve bijzonder misleidend: feiten zitten in een context ingebed en waar zij anders worden belicht, verandert hun hele uitzicht mee. Contexten (die de waarheid mee bepalen) hebben veelal te maken met wiskundig gezien onredelijke zaken maar de onredelijkheid bij uitstek situeert zich in het goochelen met contexten. De lezer denkt hier uiteraard spontaan aan de naam van de Amerikaanse zoekmachine 'Google' van het Californische bedrijf van de multimiljardairs Lattry Page en Sergey Brin en snapt meteen waarom de E.U. (die van het genoemde bedrijf tot heden driewerf een miljardenboete inde) nu dringend werk meent te moeten maken van een eigen, onafhankelijke ChatGPT. Het mondiale geldspel of dus de corruptie neutraliseert het redelijke en daarmee ook al het menselijke maar haar werkzaamheden, per definitie misdaden, blijven onder de radar omdat zij de radar eigenhandig stuurt. Terwijl de rede haar kracht aan de openbaarheid ontleent want aan de voor principieel iedereen toegankelijke rechtspraak, bevindt zich alles wat met de rede in strijd is, in de duisternis waar de jungle lustig zijn gangetje blijft gaan. Niet de waarheid deelt daar de lakens uit, niet de argumenten, doch het met drogredenen en leugens verkapte spel van beestachtige instincten. Criminelen hebben de rader in handen: met gigantische constructies van leugens houden zij de misdaden uit het licht en uit het zicht, wat de bijzonder bedrieglijke indruk geeft dat die er helemaal niet zijn. Maar men herinnert zich de situatie in het Duitsland voorafgaand aan de Tweede Wereldoorlog waar de moorddadige nazi-beweging onder de radar bleef met de ongeremde liquidatie van haar opponenten totdat Hitler aan de macht kwam en de realiteit achter de cognitieve dissonantietheorie van Léon Festinger ervoor zorgde dat de demon door het volk allerminst verafschuwd werd maar daarentegen onmiddellijk verafgood, hetgeen een zoveelste illustratie vormde van een waarheid uit oeroude sprookjes, waaronder het Arabische verhaal Aladin en de wonderlamp uit الف ليلة وليلة of de Vertellingen van Duizend-en-één-nacht, dat evenals nog een andere vertelling uit die bundel handelt over het onomkeerbare ontsnappen van 'de geest (van het Arabische 'djinn', via het woord 'genie') uit de fles', wat ook de titel is van een sprookje van de gebroeders Grimm en wat in de westerse natuurkunde een bekende variant heeft in de zogenaamde Tweede wet van de thermodynamica of de Wet van de entropie, de vervalwet, welke samenhangt met de onomkeerbaarheid van de tijd of met de verschrikking van het noodlot. Dat bestaat er nu meer bepaald in dat de Golem over de mensen heerst, met andere woorden dat het belangrijkste verhaal op het huidige wereldtoneel, de tragedie van de middeldoelomkering is: wij blijken gedegradeerd tot gebruiksvoorwerp van onze gebruiksvoorwerpen. (Wordt vervolgd)(J.B., 23 juli 2026) |
Nosferatu (J.B., Verhalen 2006-2009)|
Nosferatu Er is een oud houten schip dat over bijna rimpelloos water, stilletjes klokkend, in melkdichte mist, tussen koude stellingen, een verlaten haven welhaast ongezien naar binnen schuift. Het zwalpt, botst tegen de kade aan, draait vanzelf zijwaarts, botst opnieuw, leunt tegen de oever, schommelt, raakt vast in 't slijk. Daar duiken uit de buik van 't schip dat eerst verlaten leek, rappe ratten op, naarstig snuffelen zij zich een weg naar de rand van hun container, zij hebben land geroken, in lange, grijze colonnen gaan zij aan wal. Het land slaapt nog, de mensen hebben geen zorgen en hun dromen zijn quasi ondoorzichtig zoals de nevelen van deze ochtend die een vreselijk tijdperk inluidt. Nog in de stille morgen wordt het schip ontdekt, wordt de dode schipper die kennelijk zichzelf aan 't stuurwiel knevelde, losgemaakt, wordt het ruim doorzocht, wordt het logboek ingekeken, wordt ontdekt dat de ganse bemanning omkwam ingevolge de zogenaamde zwarte dood. Nosferatu, zo hebben zij hem genoemd, is hen voor geweest, hij is al ontscheept, hij heeft het continent reeds ingenomen en hij heerst zoals alleen de dood kan heersen. Stultiferi navis, de boten der krankzinnigen, want in de middeleeuwen werden de gekken op een schip geplaatst en dan helemaal zee-inwaarts gejaagd, zogezegd naar het beloofde land maar eigenlijk om nooit meer weer te keren. Ergens worden schepen weldoordacht van duistere ladingen voorzien en 't land van golven ingestuurd, met de vaste overtuiging dat ze zullen stranden waar ze dat ook moeten doen, zoals oude paarden die vanzelf naar huis gaan wijl hun boer al op zijn karre slaapt, alsof elk van deze boten zijn lot kende en beminde, zoals men zijn bezit bemint. Naarstig worden zij geladen, deze schepen die schijnbaar hun baan al kennen sinds het begin der tijden; maar wij weten wel beter want het zijn hun banen die hen dragen, het zijn de stromingen die de schepen brengen waar ze stranden moeten, precies zoals ook de scholen vis in de zee en de zwermen vogels in de hoge luchten op hun eigen stromen drijven en aldus belanden waar die wegen van water en van lucht hen als vanzelf afleveren en waar zij thuis horen. De ganse ruimte en de tijd: zij liggen vast en alles is sinds het begin in orde, het draait zoals een speeldoos, noot na noot wordt het programma afgewerkt, het draaiboek en het drama, want alles komt uiteindelijk goed daar alles rust vindt in de dood voor immer. Lang heeft het grote continent aldaar gelegen, wachtend op haar meester als een bruid, aanzwellend van levend bloed, dag na dag en jaar na jaar, de eeuwen gleden weg, totdat de tijden kwamen die steeds zullen blijven wederkeren. De tijd van de geboorte was nu lang voorbij, en die van de groei en daarna die van de overmoed, tenslotte deze van de ondergang. Al die tijden, zij waren voorbij, en in deze ochtend van stille waters en van mist kwam met het oude schip dat deze stroming bracht, de tijd aan wal van Nosferatu, zoals ook de tijd komt van de made als de vruchten rotten in de o, zo schone herfst der dichters. Hij wachtte totdat 't gehoorzaam schip tegen de kade leunde en zette dan voet aan wal zonder ook maar een ogenblik te aarzelen, alsof hij dit al duizend keren had gedaan. De melkwitte mist deed zijn zwarte mantel grijs uitslaan en leek zijn gestalte uit elkaar te halen in ontelbare delen: kleine, grijze en haastige vlekken die gelijk in een wirwar dooreen wriemelden. De vage vlekken zochten orde, zij vormden een colonne en kregen poten, kropen snuffelend voort, elk gevolgd door een lange, grijze staart en een muziek voortbrengend van zo hoge tonen dat zij de oren doof maakten van al wie het tafereel van te dichtbij wilde aanschouwen. Het gebeurde allemaal in een zeer verlaten verte, want de haven lag die ochtend in de verte, het zwakke ochtendlicht waaruit de nacht voortijdig weggewassen was door melkachtige nevels, bedroog het oog verraderlijk van elkeen die wilde zien wat eigenlijk niet voor mensenogen is bestemd tenzij ze slapen, dromen en niet weten of wat op hun netvlies speelt, afkomstig is van buiten uit het licht der wereld of van binnen uit de nachten van de ziel. Die verten leken reeds na luttele minuten, of waren het slechts seconden, op te lossen in de spiegelingen van het water: het schip leek wel gezonken nu, gezien geen spoor meer achterbleef van 't statige visioen, maar toen het licht hoog in de luchten klom, wist ieder die ontwaakte dat deze dag heel anders was, dat hij gekomen was en dat hij met stille hand, zoals het een dief past in de nacht, het land voorgoed had ingenomen. En is zij niet zacht, de hand van de dood, die de furie van de hoop verjaagt, die 't gek en overspannen doen van dove blinde meuten tot bedaren brengt, die kermissen verstillen doet en die alleen het zachte wenen duldt en het geknars van tanden? Heelt zij niet de in vuurwerk en in wild lawaai ontaarde steden van kille graniet die ooit vruchtbare akkers waren? Brengt zij niet weer tot rust die uit zichzelf gebarsten zijn en die hun oorsprong en hun moeder zijn vergeten, die zich helden, ja, goden wanen wegens een of andere beurs vol met gestolen goud? Dapper zwijgen doen zij allen als de dood voorbijtrekt, deze anders zo luidruchtige lieden, en hun gebrul verstomt, onder de aarde verbergen zij hun lijf zoals onooglijke dieren dat doen als in de verten donderslagen de aarde doen beven, als was er een golem in aantocht. Het is Nosferatu wiens gestalte opdoemt aan de kim, een nerveus gefluister vermengt zich met de dunne winden en nauwelijks stijgt iets daarvan ten hemel. Nosferatu spreekt tussen zijn tanden, zijn stem klinkt kalm alsof hij ons de eeuwige rust kon schenken en op de keper liegt hij niet eens als hij zijn wijsheid voorlegt aan wie leven willen, hij scandeert: elk levend wezen is in zijn voortbestaan afhankelijk van ander leven omdat elkeen nu eenmaal eten moet. Wij eten elkaars vlees en ook drinken wij elkanders bloed en op die wijze nemen wij andermans levenskracht tot ons, leven wij voort, planten wij ons voort en leren wij aan onze kinderen hoe zij slechts met het bloed van anderen verder kunnen gaan. Goddelijk zijn al wie hun vlees en bloed offeren opdat anderen zouden kunnen voortbestaan, en zij verenigen zich in de Kristus die hen voordoet hoe dat allemaal moet, daar Hij de Tegenvampier is, de Anti-Nosferatu, terwijl ikzelf, die gij zo gaarne 'Nosferatu' noemt - zo loopt zijn betoog ten einde - toch niemand anders zijn kan dan de Anti-Krist?! En antwoordt gij mij nu eens in alle eerlijkheid: passen zij niet perfect samen zoals het water en het land, de dag en de nacht, de ouders en hun kroost, ja, zoals man en vrouw: enerzijds diegenen die het bloed van anderen op mysterieuze wijze drinken en, anderzijds, zij die zich in een misschien nog groter sacrament, offeren aan die gulzige slokken? Hij ging, zijn gestalte verzwond tegen de donkere onweerswolken, nog eenmaal zette de bliksem zelf Nosferatu in lichter laaie en dan was en bleef hij zoek; alleen in de verten hoorde men nog zijn stappen daveren en wapperde zoals een enorme donderwolk tegen de onweershemel, de nachtzwarte cape. Hij liet een land achter, vol van zijn sporen, jammerklachten stegen uit de wakke grond ten hemel en er was geknars van tanden en gekrijs en ook was er een gesmoord gehuil te horen. (J.B., Verhalen 2006-2009) |
De vaalt onder de radar|
De vaalt onder de radar Iemand zadelde mij ooit op met het cryptische gezegde dat de mensen die wij tegenkomen op straat, eigenlijk het topje van een ijsberg vormen. De puzzel loste zich pas op toen die persoon haar zin verduidelijkte met een tweede: “We zien er allemaal alleen het schoonste van.” Neem nu de buur die vol pit heel even binnenwipt om in een mum van tijd het laatste nieuws kond te doen en dan als een hazewind weer te verdwijnen: men zou er moedeloos van worden, zo sprak mijn tante: ofschoon al jaren met pensioen, weten die lui met hun energie geen blijf, ze springen rond alsof ze nog drie maal zeven zijn en blijken van alles op de hoogte; als je hen mag geloven, stammen ze van prinsen af en zijn hun kinderen toplui teweeg in regeringskringen; hun haast verklapt dat ze overal worden verwacht en moeten woekeren met hun tijd; nog niet bekomen van de jetlag, moeten ze morgen alweer speechen op een of andere conferentie in het buitenland. Inderdaad, dat is het topje maar de ijsberg onttrekt zich heel sluw aan het gezicht: het ogenblik dat Megafrivolia je op een schijnbaar toevallig bezoekje vergast, wordt voorafgegaan door urenlange horizontaliteit, een volle kan zwarte koffie en een handvol pijnstillers. Dan volgt nog de opsmuk van ruim dertig minuten met als toetje enkele lagen poeders en pommades om de rimpels weg te steken, een lading Parijse parfums voor onder de oksels, een flaconnetje tegen halitosis, wat kleursel en stijfsel voor de nieuw gecoiffeerde bles en de installatie van de 'eettafel' zoals een tandprothese wel eens wordt genoemd. Uiteraard is er dan ook nog de verkleedpartij met het modieuze jasje en het nagelnieuwe schoeisel dat voor de vitrine urenlang in twijfel werd aanschouwd met een hoofd als een op hol geslagen rekenmachine maar die uitrusting kan nimmer falen om de buur de ogen uit te steken en de moed in de schoenen te doen zakken, want dat is wat wordt beoogd om het Franse spreekwoord andermaal te staven: “Mal de voisin réconforte et même guérit.” Niet overdrijven met uw beschrijvingen, zo hoort men de een, de ander berispen maar het is een feit dat de mens een wolf is voor zijn medemens en nog meer waarheid schuilt in de wetenschap dat op de beschreven wijze ontmoedigde buren, jammerlijke slachtoffers van hun eigen veralgemeningen zijn: zij gaan geloven, want dat was de bedoeling, dat de energieke indringers 24/7 functioneren zoals in buurvrouws vertoning van luttele minuten. Ja, de mensen die wij op straat tegenkomen, zijn maar het topje van een ijsberg, we zien hen in de korte tijdspanne in de openbaarheid dat zij opgetut zijn en te been maar achter de hoge gevels van de huizen figureren zij in een heel andere cinema: zij slijten de vele uren, dagen, jaren van een allerminst koninklijk bestaan met wroeten, wassen, plassen, kermen en ook consultaties bij een resem medische experten, voor elk denkbaar orgaan wel een, om dan eens op zijn paasbest voor de dag te kunnen komen en de buur een hak te zetten. Nu overdrijf je toch een beetje! - zo hoort men andermaal hoe de een, de ander de les spelt maar er is wel iets van aan, openbare vertoningen zijn het wat leugenachtige topje van een minder fraaie ijsberg, zij zijn een toneel vol verkleedpartijen met uit het hoofd geleerde en door specialisten opgestelde frasen en ze zijn ook bedoeld om het publiek op het verkeerde been te zetten, wetende dat het veralgemenen is, wat mensen doen: zij denken dat wat zij zien, de ijsberg zelf is maar het gaat slechts om het topje. De ijsberg zelf, het echte toneel, telt alleen kreupelen in geïmproviseerde lompen, wiens uitspraken pas rijmen en stafrijmen als het doorwinterde vloeken zijn. En ten derde male hoort men de vermaning en nu heel luid: maar je overdrijft! Akkoord, men overdrijft. Maar wie dat niet doen, vallen ten prooi aan een veralgemening die de moed in elk paar schoenen zakken doet. Want op straat komen, is niet zomaar de deur uitgaan, tenzij men jong is maar heel lang duurt dat ook niet want alras komen de kwalen en het is geen sinecure om die weg te blijven steken. En dat moet men ook doen omdat men zijn medeburgers hoort te vrezen: zwakheden niet aan het oog onttrokken, lokken lui met bedoelingen die niet altijd even zuiver zijn, denk maar aan pickpockets die alleen maar portefeuilles zien, gsm's en geruisloos open te ritsen zakken. En erger nog dan dat zijn smaad en spot. Geen haast en spoed want aan het betreden van de openbare weg gaan heel wat voorbereidingen vooraf en wat wij zien verschijnen, is een fractie van een veel omvangrijker gebeuren. Dat geldt voor bijvoorbeeld een artiest die zijn nummer van welgeteld vijftien minuten opvoert in een circus met een publiek van... deze dagen mag men blij zijn met vijftien man. Voordat hij het inkomgeld opstrijkt, heeft hij niet alleen vele uren moeten oefenen maar hoefde hij ook eerst nog grootgebracht te worden, ja, men kan het hier zelfs hebben over de groei van de bevruchte eicel in de baarmoeder, de dracht van negen zorgzame maanden, de noeste arbeid van de vader die moet zorgen voor de spijs, het onderdak, de kleding, de kindertijd welke voor het kind altijd een eeuwigheid lijkt van diep verwenste dressuur op schoolbanken in afstandelijke instituten waar hij een nummer is zoals elk ander. Zijn geluk culmineert in de vijftien minuten voor evenveel volk en in dat licht is het loon dat hij des avonds als hij de boel heeft opgekuist, mag tellen, een detail, al herinnert het hem telkenmale aan de bijna-overbodigheid van zijn bestaan. De mensen in de straten maar ook de straten zelf zijn alleen maar het topje van de ijsberg: ooit waren hier niets dan moerassen, moeizame irrigatie legde beetje bij beetje enkele plekken droog zodat men kon wandelen over de dijken en vele eeuwen, ja, millennia duurde het vooraleer er was wat wij nu zien. En dan moet men het nog hebben over wat onder de straten ligt, geheel verborgen: een infrastructuur waarvan de complexiteit doet duizelen. En evenzeer onttrokken aan het oog doch noodzakelijk aanwezig zijn de instrumenten die rondcirkelen in de ruimte en die onze communicatie mogelijk maken. De mensen, de straten, de staten, de wetten, de wetenschappen, de economie en de techniek en dat dit alles zo kan blijven draaien, dat elk te onderhouden en vervangbaar onderdeel zijn plekje heeft, dat allen eerst klaargestoomd moeten worden voor hun optreden van vijftien minuten, en dat dit alles zich herhaalt, vermenigvuldigt en op de koop toe steeds omvangrijker wordt, energieker en ook slimmer, en in de pas blijft lopen als een uurwerk... Een Zwitsers uurwerk weliswaar want precisie vereist aandacht en attentie vergt veel zuurstof en dus reine lucht die men alleen inademt als men resideert in de bossen en de weiden aan de voet der Alpen. Maar onder het vertoon van de gigantische wereldklok rust wat men met steeds meer moeite tracht te onttrekken aan het oog, een vaalt: een kerkhof als het ware voor de mensen en de dieren, als zij niet op het bord belanden, alsook voor de instrumenten die immers verslijten, het afval van de onnoemelijke maaksels en de restanten der producten van een vrije markt in vrije val. Want dat geheel gaat gisten na verloop van tijd, de plek die het kreeg toegewezen, geraakt vol en kan niet meer worden bezet door iets dat toonbaar is en mooi. Er komt een eind in zicht, voorspeld maar alsnog onverwacht zoals dat immer met ongevallen het geval is. (J.B., 22 juli 2026)
|
Het 'bijna-leven' (J.B., Verhalen 2006-2009)|
Het 'bijna-leven' Men hoort het wel eens vaker zeggen van mensen die van die bizarre speculaties maken: indien er na dit leven - na de dood dus - nog een leven zou zijn, dan zou het voor hen die zich aldaar bevinden, uiterst moeilijk zijn om zich te realiseren dat ze eigenlijk al dood zijn. Wie zich bewust is, wie kent en weet, die veronderstelt ook spontaan dat hij bestaat. "Je pense, donc je suis", zo zegde het de grote Franse filosoof, René Descartes: "Cogito, ergo sum", of: "Ik denk, en dus besta ik". Descartes zei echter niét: "Je pense, donc je vis", of: "Cogito, ergo vivo", of: "Ik denk, en dus leef ik ook". Bestaan is namelijk iets heel anders dan leven. Sommigen zeggen dat men eerst moet leven om te kunnen bestaan: volgens hen is er buiten het leven geen bestaan mogelijk. 'Dood-zijn' is volgens hen dus: helemaal niet meer zijn. Wie dood is, is eigenlijk niet dood, omdat er in de dood geen sprake meer is van een 'zijn' of een 'bestaan'. Bepaalde Oude Grieken deelden deze gedachte, en zegden daarom ook dat wij de dood nooit kunnen ontmoeten. Immers: "Zolang ik er ben, is mijn dood er niet, en van zodra mijn dood er is, ben ik er niet meer." Zonder het leven, is er geen bestaan, zo zeggen zij, en zonder het leven is er ook geen denken, geen bewustzijn, geen besef mogelijk. Gelovigen denken daar heel anders over. Wie gelooft, weet dat het bestaan niet ophoudt met de dood: een met het bestaan gelijktijdig leven is geen voorwaarde voor dat bestaan en voor het bewustzijn van dat bestaan, al moet iemand wel eerst geleefd hebben - dat wel zeggen: geboren zijn, of tenminste: ontvangen zijn - teneinde te kunnen bestaan. Het leven is voor de gelovige wel een noodzakelijke voorwaarde voor althans het menselijk bestaan, maar dat leven zelf hoeft zich niet voort te zetten opdat het bestaan zelf werkelijk zou kunnen blijven. Voor de gelovige is het leven als het ware de vonk die het vuur van het bestaan in gang zet. Edoch, eenmaal brandende, heeft het vuur de vonk niet langer nodig: het onderhoudt zichzelf, het kan niet meer uitdoven of geblust worden. In termen ontleend aan de natuurkunde, lijkt het wel alsof hier een wet gelijkend op de wet van de traagheid werkzaam is: eenmaal een bepaalde kracht heeft ingewerkt op een stilstaand voorwerp, zodat het in beweging komt, hoeven er verder geen krachten meer op dat lichaam in te werken opdat het in beweging zou blijven. Het leven nu, zou dan vergelijkbaar zijn met die kracht die de beweging schept, maar als die kracht van het toneel verdwijnt, blijft de beweging zelf bestaan. Zo ook lijkt het er heel sterk op dat, voor de gelovige, het leven 'slechts' die kracht is die iemand tot bestaan brengt: het bestaan zelf kan, eenmaal het feitelijk is, niet meer zomaar in het niets verdwijnen. Wij kunnen ons beslist een beter beeld vormen van hoe zoiets, dat op het eerste gezicht absurd lijkt, niettemin mogelijk en zelfs noodzakelijk is, wanneer wij het terrein van de natuurkunde verlaten, en ons licht opsteken in vakgebieden die meer te maken hebben met de geest en het bewustzijn zelf. Zo bijvoorbeeld zou het volgende ons die specifieke 'onomkeerbaarheid' - want daarover gaat het eigenlijk - duidelijker kunnen maken. Stel eens dat wij niet weten of een ons welbekende persoon hetzij nog leeft, hetzij al dood is. En stel vervolgens dat iemand op wie wij ons kunnen vertrouwen, ons komt vertellen dat deze persoon zopas gestorven is. Welnu, dan is niet alleen de dood van die persoon definitief of onomkeerbaar, maar evenzeer is dat het geval met onze kennis van dit feit. Wij hoeven het (in dit geval droeve) nieuws slechts één keer te horen opdat wij het 'voor altijd' zouden weten. De bode hoeft ons de volgende dag niet opnieuw te komen zeggen dat de persoon in kwestie is overleden, net zoals die persoon de volgende dag niet opnieuw hoeft te sterven teneinde dood te kunnen blijven: beide gebeurtenissen zijn onomkeerbaar: zowel het feit als onze kennis van dat feit. In de beide gevallen is er een soort van 'geheugen' werkzaam dat ons verbiedt om de gang van zaken nog om te keren. Het mag nu duidelijk wezen: het 'binnentreden' (of het naar binnen 'geworpen worden') in het bestaan heeft die onomkeerbaarheid met het sterven, maar bijvoorbeeld ook met de kennis, gemeenschappelijk: het zijn gebeurtenissen die even onomkeerbaar zijn als de tijd zelf, omdat zij zich niet binnen de tijd bevinden. En laten we hier nu ons eerste zinnetje herhalen: indien er na dit leven - na de dood dus - nog een leven zou zijn, dan zou het voor hen die zich aldaar bevinden uiterst moeilijk zijn om zich te realiseren dat ze eigenlijk al dood zijn. Maar u kunt het zelf al zien waar deze niet ongevaarlijke gedachte ons heen brengt: ze geldt namelijk vanzelfsprekend niet alleen voor diegenen die overleden zijn; evenzeer is ze van toepassing op al diegenen die in de mening verkeren dat zij leven, of nog leven. Hoe immers kon men zich ervan vergewissen dat het leven dat men gelooft te leiden, écht was, als het voor hetzelfde geld mogelijk ware dat men in feite al dood was, terwijl men er moeite mee had om zich dit te realiseren? Uit de komedies alom herinneren wij ons de clowns die zichzelf een kaakslag toedienen met het edele doel om zodoende een poging te ondernemen om deze knagende twijfels naar het land van de sprookjes te verwijzen, en tenslotte zekerheid te verwerven over de authenticiteit van het actuele bestaan. Het experiment in kwestie is lovenswaardig, aangezien er naast onze eigen lijfelijke pijn geen authentieker criterium denkbaar is om de waarachtigheid van de zaken des levens te gaan meten. Alleen kan hier de vraag rijzen of een simpele kaakslag in deze dan toch heel ernstige kwestie wel kan volstaan als 'bewijs'. Om slechts één voorbeeldje te geven, herinner ik mij nu toevallig dat ik mezelf ooit een kaakslag toediende gedurende een nachtelijke droom. Ik ben daar helemaal niet van wakker geworden, zoals ik niet zonder binnenpret moest vaststellen toen ik mij daags nadien de droom herinnerde: de reden waarom de kaakslag mij niet wakker had gemaakt, lag in het simpele feit dat ik ook deze kaakslag zelf bleek gedroomd te hebben. De vraag die vermeend levenden zich zouden kunnen stellen omtrent de echtheid van hun bestaan, is dus niet zo bizar als ze op het eerste gezicht wel kon lijken. Heel terecht kan een gelovige zich afvragen of hij eigenlijk niet allang dood is, terwijl hij er slechts moeite mee heeft om dit tot zijn besef door te laten dringen. Het is denkbaar dat wij geloven dat wij ons in de waaktoestand bevinden, terwijl we ons daarin vergissen, zoals trouwens alle dromenden doen wanneer zij dromen. Slechts weinigen dromen terwijl zij ook beseffen dat zij dromen: al dromende wanen wij ons wakker, en indien we niet in deze waan zouden verkeren, dan zouden we ook meteen ophouden met dromen, en terstond ontwaken. Edoch...even denkbaar is het voor sommigen dat er mensen zijn - of beter: dat wij mensen zijn - die slechts geloven te leven, terwijl wij in feite allang met leven opgehouden hebben, en alleen nog (slechts) 'bestaan'. Ik zal de laatste zijn om anderen aan te moedigen om in dit soort van labyrinten veel tijd te investeren of, erger nog: om er in verloren te lopen. Maar tegelijk moet worden opgemerkt dat de grootste geesten die het mensdom ooit heeft voortbracht, eigenlijk alle dagen (en vaak ook alle nachten) van hun ook maar eenmalige leven hebben gevuld met niets anders dan met dergelijke overdenkingen. En dat pleit dan weer voor het aan de dag leggen van enige voorzichtigheid bij mogelijke, al te naïeve veroordelingen van heel ernstige speculaties terzake. Maar laten wij er tenslotte de statistiek nog eens bij halen, en dan kunnen wij de beschreven, aanvankelijk zeer bizar aandoende veronderstelling in nog een ander licht plaatsen. Theoretisch gezien is het namelijk niet alleen mogelijk dat wij in feite allang dood zijn, terwijl we onterecht denken dat we nog leven, maar statistisch gezien is het zelfs bijzonder waarschijnlijk dat dit inderdaad het geval is. En waarom dan? Heel eenvoudig omdat ook de overgang van leven naar dood, als die er dus is, ongetwijfeld onomkeerbaar zal zijn. Mensen die leven, kunnen sterven. Als ze nadien denken dat ze niettemin nog leven, dan kunnen ze ook denken dat ze opnieuw gaan sterven, en ook geloven dat ze effectief opnieuw sterven. Vervolgens, voor de tweede keer dood zijnde, kunnen zij geloven dat zij niettemin nog leven, en dat ze dus sterfelijk zijn en sterven. En deze geschiedenis - waarvan ik de tragiek niet met een tekeningetje hoef te illustreren - herhaalt zich vanzelfsprekend principieel eindeloos. Ons rest, gelukkig nog, één grote hoop. U hebt het beslist zelf al geraden, beste lezer, dewelke. Of wij nu leven, ofwel allang dood zijn - in de ik weet niet hoeveelste graad - één ding is zeker: ongeacht het feit of wij leven of dood zijn, is het onmiskenbaar zo, dat wij de allereerste keer in deze cyclus écht zullen hebben moeten bestaan. Want ware dit niet het geval, dan konden wij nu noch dood zijn, noch levend. Bovendien is het zo, dat het wezenlijk geen enkel verschil uitmaakt of het bestaan dat wij leiden, hetzij echt is, hetzij gedroomd - dit in de veronderstelling dat wij hoe dan ook niet bij machte zijn om dit te achterhalen. En er zit zelfs een bijzonder hoopgevend kantje aan de hele kwestie, en ongetwijfeld zult u ook dit al in de gaten hebben gehad: met enige welwillendheid, gekruid met wat optimisme, hebben wij hier alle troeven in handen om te geloven dat er op die manier aan ons 'bestaan' (- net zoals Descartes zeg ik niet 'leven', maar wel 'bestaan') eigenlijk nooit een einde komt! (J.B., Verhalen 2006-2009) |
Agressieve exclusie, genaamd 'conversietherapie'|
Agressieve exclusie, genaamd 'conversietherapie' Homo's (uit te breiden naar ook andere LGTBQIA+-personen) hebben evenmin als hetero's problemen met hun seksualiteit zoals ook zwarten en blanken geen problemen hebben met hun huidskleur maar in gemeenschappen waar zij een minderheid vormen, worden zij door sommigen wel als problematisch beschouwd, wat betekent dat niet de seksuele geaardheid of de huidskleur problematisch zijn maar wel het behoren tot een specifieke minderheid. Minderheden staan zwakker dan meerderheden en waar de brute wet van de jungle vrij spel heeft, is repressie van de zwakkeren dan ook troef. In menselijke samenlevingen waar voldoende ruimte bestaat voor de inbreng van de rede, worden mensen niet uitgesloten als zij tot een minderheid behoren, daar dit geen redelijke grond voor uitsluiting is maar een drogreden: waar uitsluiting van minderheden gebeurt, is dit een manifestatie van het recht van de sterkste of dus een teken van onmenselijkheid. Bovendien heeft het respect voor minderheden de samenleving geen windeieren gelegd omdat, zoals Spinoza het uitdrukte, het goede even voortreffelijk als zeldzaam is, wat onder meer betekent dat de besten sowieso in de minderheid zijn, en dit ingevolge de eenvoudige wiskundige realiteit van de Gausscurve. De uitsluiting van minderheden kan onmogelijk volgen uit beslissingen genomen op grond van redelijk overleg en moet derhalve zijn oorsprong vinden in een gebrek aan redelijkheid. Dat gebrek treedt dan uiteraard op waar zekere machten de aanwending van de rede in de weg staan. En op de eerste plaats komen hier de godsdiensten in aanmerking, samen met allerlei ideologieën met redelijk onverdedigbare grondslagen, zoals racisme, nationalisme en machocultuur. Mensen kunnen niet in rassen worden onderverdeeld, naties bestaan bij de gratie van de erkenning van fictieve grenzen en mannelijkheid is geen synoniem voor menselijkheid. De uitsluiting van mensen kan gebeuren op verschillende manieren: de meest voor de hand liggende bestaat in het weren van mensen uit een bepaald territorium maar exclusie is er evenzeer waar aan mensen de toegang verhinderd wordt tot het gemeenschapsleven en dan kunnen zij weliswaar nog steeds het fysieke territorium van anderen betreden maar zij worden uitgesloten van minder zichtbare, sociale speelvelden, onder meer omdat hen die informatie onthouden wordt die noodzakelijk is voor het goede functioneren binnen de bewuste groepen of omdat zij er feitelijk weggepest worden. Een bijzonder agressieve vorm van exclusie toepasselijk met betrekking tot homo's is nu de conversietherapie. Een conversietherapie is een behandeling waarbij gepoogd wordt om van homo's, hetero's te maken; het is een ingreep die de seksuele oriëntatie van mensen tracht te wijzigen. Van belang is nu dat die wijziging er vrijwel nooit komt op vraag van de betrokkene zelf, die immers geen probleem heeft met zijn of haar seksuele oriëntatie, maar wel op aandringen van derden, die de onredelijke wens koesteren dat mensen uit zekere minderheden er niet zouden zijn. Deze buitenstaanders, per definitie sociopaten want mensen met een schromelijk gebrek aan empathie, vinden dat zekere minderheden horen te verdwijnen: als ze hen niet kunnen wegjagen, willen ze hen doden en als ook dat niet mogelijk blijkt, streven zij ernaar om in die mensen datgene te doden dat maakt dat zij tot die minderheid behoren. In dat geval doen zij het de door hen weg gewenste mensen aan, hun vermogen tot seksueel genot (middels verminking) te vernietigen. Onverdraagzaam is een veel te zwakke term om uit te drukken dat men bepaalde anderen uit 'zijn' wereld wil weren maar dat 'ongeduld' is wijd verbreid, vooral bij primitieven en de praktijk van de clitoridectomie die in een religieuze context wordt geplaatst welke de voortgang ervan moet garanderen, is daarvan een voorbeeld. De 'ingreep' is uiteraard een uitvinding van mannen en wordt op vrouwen toegepast. Ze is een verminking van dat gedeelte van de vrouwelijke geslachtsorganen die lust opleveren door de (medisch onnodige) verwijdering van (een deel van) de clitoris en zij wordt verplicht door mannen die vinden dat alleen zij het recht hebben op seksueel genot. Enkele eeuwen geleden vonden heel wat medici dat de clitoris een abnormaliteit is die bij de geboorte maar best kon weggesneden worden en tot in de negentiende eeuw gebeurde hetzelfde om masturbatie onmogelijk te maken. Masturbatie is een natuurlijke praktijk die in heel wat religies en andere van rede verstoken mensbeelden nog altijd hardnekkig wordt beschouwd als zondig of ziekmakend. Verwant aan clitoridectomie is de praktijk van de gouden lotussen, verwijzend naar de voetinbinding bij vrouwen (in China) die resulteert in misvorming en in kreupelheid, een middeleeuwse praktijk die pas een eeuw geleden een halt werd toegeroepen. Voetinbinding moest verhinderen dat vrouwen wegliepen en vreemd gingen en het gaf hen dan een air van maagdelijkheid die mannen seksueel aantrekkelijk vonden. Castratie bij mannen werd indertijd dikwijls bedoeld om de sopraanstem van knapen te bewaren (wat werkt indien toegepast voor de puberteit) maar ook tot omstreeks de zeventiger jaren van de vorige eeuw werd castratie in den duik toegepast op homo's. De praktijk wordt voltrokken middels een chirurgische ingreep maar kan ook chemisch gebeuren en (binnen de kloostermuren) in feite ook psychologisch. Conversietherapieën (misleidend door wie ze voltrekken 'homogenezing' genoemd) gebeurt door zogenaamde 'correctieve verkrachting', chirurgische ingrepen ter hoogte van zekere zenuwen of de hersenen, psychologische technieken en andere methoden van conditionering met medicamenten of elektroshocks, met aversietherapie en zo meer. Edoch, conversietherapieën 'genezen' niet, ze brengen alleen veel psychische en fysieke schade en werken suïcide in de hand. Wie alsnog zelf hun heil zoeken in conversietherapie, doen dat meestal vanuit de angst voor uitstoting (door familie). Conversietherapie wordt steeds vaker strafbaar gesteld omdat daar waar zij niet wordt verboden, (meestal jonge) mensen de speelbal zijn van andermans frustraties, domheden en agressie. (J.B., 21 juli 2026) |
Het kind (J.B., Verhalen 2006-2009)
Het kindHet was een smal huisje – een onooglijk deurtje en een smal venster aan de stoep – gelegen in een vrijwel onbereikbaar deel van de stad – onbereikbaar, waarmee wil gezegd zijn dat dit stadsgedeelte eigenlijk een enclave was, zoals er vandaag wel meer ontstaan. Snelwegen, lussen, stadsringen en andere gevaarlijke en lawaaierige verkeerslinten die men moeilijk nog ‘straten’ kan noemen, houden immers helemaal geen rekening met het feit dat zij bestaande landerijen en woonwijken gewoon voorgoed aan flarden rijten. Toen in de zestiger jaren de E-wegen – toentertijd ‘autostrades’ geheten – werden aangelegd, konden de boeren op hun kop gaan staan: er bleek geen verhaal mogelijk tegen de onbarmhartige inplantingen van deze hoogstnoodzakelijk geachte ‘levensaders’, ‘bypasses’ of ‘overbruggingen’ die hun landerijen aan flarden zaagden: de miserie van de verkavelingen begon, ook de getroffen families werden immers aan stukken gereten, en nog steeds wachten zij – of dan toch diegenen onder hen die nog in leven zijn – op enige vorm van ‘vergoeding’, alsof het ook maar mogelijk was om zulk onheil te vergoeden. Sinds die tijd is het alleen maar van kwaad naar erger gegaan. Het is werkelijk de pest dat het nooit meer stil is, nooit meer veilig, donker, geborgen of gewoon rustig, en dit de klok rond. Dat wij niet meer kunnen ademen, is blijkbaar bijzaak geworden, en er zijn er zelfs die durven te beweren dat de uitlaatgassen van auto’s gezond zijn want vaatverwijdend werken. Over al die dingen zal hier niets gezegd worden, alleen moet het verschijnsel van de steeds in aantal toenemende ‘enclaves’ aan het licht worden gebracht, en dit met het oog op het situeren van dat huisje in de stad, dat het huisje van mijn jongste zuster was: Anita-Francinesca van Togenbirger-de Waelekens. ‘Onbereikbaar’ is veel gezegd, want volstrekt onbereikbaar was het huisje vanzelfsprekend niet. Wel moest men zowat zijn leven op het spel zetten om daar te geraken. Men moest er heen via de ring, die daar een gevaarlijke bocht beschrijft, en waarop vanuit alle windstreken autowegen aansluiten, die er eindeloze slierten van immer toeterende en veel te snel rijdende wagens op uitspuwen. Vooral de aanblik van het oorverdovende vrachtvervoer is er afschrikwekkend, en niet zelden kan men daar de zwarte legerwagens op hoge wielen op de parkingstrook zien staan. Het zijn speciale voertuigen van even speciale diensten – voertuigen die nog afschrikwekkender ogen dan de welbekende lijkwagens. Zij worden bemand door vaklui die worden ingezet – en wij geven gevoelige lezers hier de kans om maar meteen naar de volgende zin te gaan – vaklui die worden ingezet om, letterlijk, de voetgangers, de fietsers of de uit hun wagen geslingerde automobilisten, die onder de wielen van zo’n tientonner terecht kwamen, van de weg te pellen, en dan de weg grondig te reinigen met speciale producten welke de rode kleur van bloed neutraliseren. Ja, deze zwarte terreinwagens van het leger, voorzien van een groot wit kruis, worden daar met de regelmaat van de klok gesignaleerd. De vele mensen die daar ter plekke dus de dood vinden, vaak nog heel jong, zijn woonachtig in alle delen van het land, en dat is dan ook de enige reden waarom die afschuwelijke slachtingen zich zomaar kunnen blijven voltrekken: wie het in zijn kring heeft meegemaakt, schuwt de plaats voor de rest van zijn leven, zodat geen van allen die daar dagelijks passeren, beseft dat het ook hem of haar of een van de zijnen of de haren kan overkomen: morgen, of zelfs reeds vandaag. Temidden van dergelijke bloeddorstige ‘levensaders’, zoals onze verkeersministers ze zo verdomd verbloemend blijven noemen, liggen wijken – eigenlijk dus alleen maar stukjes van gewezen wijken – met daarin nog enkele straten en huizen. Het zijn buurten met eerder bouwvallig aandoende huizen waarvan de gevels zo zwart zijn als roet – huizen waarvan de bewoners vanzelfsprekend lijden aan afschuwelijke longaandoeningen en dientengevolge ook vroegtijdig overlijden. En ook deze mistoestanden is een lang leven beschoren, weerom ‘dankzij’ het feit dat de mensen met hun naaste buren niet meer praten, zodat het kruisje binnen elk huisje door zijn respectievelijke bewoners wordt meegenomen in het graf. Als mensen in zo’n buurt – een ‘enclave’ dus – al niet geboren zijn, doch er ‘uit vrije wil’ gaan wonen, dan doen ze dat, enerzijds, omdat ze niet anders kunnen: wie kapitaalkrachtig is, weet wel andere wijken te vinden om zich te settelen. Anderzijds bestaat er ook een algemene, toenemende en zelfs absoluut wordende ‘blindheid’ voor het lamentabel karakter van dergelijke woonomgevingen: heel wat mensen hebben zich er blijkbaar allang bij neergelegd dat zij dagelijks het lawaai, de stank, het gevaar en de vele andere onlusten van de huidige ‘samenleving’ maar moeten verduren, en die hel – want dat is het – wordt op de een of andere manier totaal uit het bewustzijn verdrongen. Mensen die in dergelijke enclaves van de morgen tot de avond moeten roepen ten einde elkaar te kunnen verstaan, en die er, op enkele vierkante meters beton, jonge kinderen moeten grootbrengen en opvoeden, en wiens nachttafeltjes bezaaid zijn met blinddoekjes en met oordopjes, kijken welhaast met evenveel medelijden op TV naar de paria’s die op palen of in sloepen de riolen van Rio, Shangaï of Bombeï bevolken, als hun stadsgenoten uit de villawijken dat doen: zij beseffen het gewoon niet meer hoe erg ze er aan toe zijn, en het heeft er alle schijn van dat ze zich volstrekt identificeren met de ‘rijke westerlingen’ zoals de TV hen dat onafgebroken gebiedt te doen – de TV die zij blindelings geloven, want die, zoals geen van hun verwanten dat nog doen, hen dagelijks ‘persoonlijk’ een goede morgen, een goede avond en een goede nacht toewenst. Het huisje van mijn jongste zus, Anita-Francinesca, bevond zich dus in een dergelijke buurt, en wanneer aan het verhaal van de omstandigheden hier zo uitgebreid aandacht wordt geschonken, dan gebeurt zulks alleen maar om wat duidelijkheid te scheppen in het feit dat nauwelijks iemand van de hele familie ooit nog een bezoekje aan haar bracht. Er werd wel eens gevraagd: “Hoe zou het nog met onze Anita gaan?”, maar het antwoord klonk dan altijd zo vreselijk voorspelbaar: “Och, ik heb haar al lange tijd niet meer gezien!” Er werden wel eens aanstalten gemaakt om Anita een bezoek te brengen of om haar uit te nodigen maar, eigenlijk zonder dat dit tot het besef doordrong, was daar dat vreselijke obstakel van die verhitte snelwegen, dat alle plannen in die zin telkens weer smoorde in de kiem. Hoe vaak ben ik niet naar bed gegaan met het plan om mijn zusje de volgende dag te gaan bezoeken! Maar ik kon gewoon de slaap niet vatten als ik er begon aan te denken langs welke weg haar te bereiken. Er moest een makkelijke weg zijn, een kalme weg, ja, die moest er beslist zijn – zo dacht ik telkens, en zo dachten wij beslist elk op onze beurt, op de vooravond van zo’n gepland bezoek. Maar ’s ochtends bij het ontwaken had de droomarbeid er voor gezorgd dat deze plannen onze geest geheel spoorloos hadden verlaten: er was immers helemaal geen weg te bedenken om daar op een menselijke wijze te geraken, gewoonweg omdat die buurt nu eenmaal volledig ingesloten was. En zo kwam het ook dat wij – moge de hemel ons genadig zijn! – vergaten dat zij nog een kindje had! Het bedje stond altijd temidden van de woonkamer – zo herinner ik me nog van de laatste keer, intussen vele jaren geleden. Het was een bedje uit vezelplaat gezaagd, en onze Anita had me toen gevraagd of ik het eens wilde schilderen, in het wit. Ik antwoordde haar dat verfdampen beslist rampzalig voor een baby zijn, en dat die verf dan toch altijd blijft rieken. Ze had mijn argument gedwee beaamd, en ik veronderstel dat het bedje is gebleven zoals het was: een rechthoekige bak – eigenlijk veel te groot – uit vezelplaat gezaagd, zoals ik zei, en met kepernagels tot een geheel aan elkaar getimmerd. Wie ooit zo’n constructie heeft gefabriceerd, zal weten dat zij nogal gammel is en mettertijd nog gammeler wordt: de nagels houden de platen weliswaar samen, maar het geheel optillen of verplaatsen is volstrekt onbegonnen werk. Vezelplaten zijn zwaar en hun onderlinge verbinding door middel van nagels is niet sterk: het tillen aan het ene uiteinde van het bed kon algauw resulteren in het in elkaar klappen van het andere eind. Het bed was ook nog hoog, en dus diep: om het kind eruit te halen, moest men zich over de bedrand neigen – voorzichtig, zodat men er niet op leunde – en dan het kind vastnemen en het optillen, wat een zware belasting gaf op het onderste deel van de rug. Toen ik die keer op bezoek was, vroeg Anita zich zelfs luidop af of ze dit wel zou kunnen blijven doen als het kind nog groeide, want zelf had zij geen al te sterke rug overgehouden aan een carrière van twintig jaren in de spinnerij die inmiddels ter ziele was gegaan. Omdat ook zij nu van een uitkering leefde, had ze die rug eigenlijk flink verwaarloosd. Bij die gelegenheid was het dat ik haar beloofd heb haar een bed – een echt bed – cadeau te zullen doen. Maar toen ik mij deze belofte – veel later – ook herinnerde, en tot mijn afgrijzen moest vaststellen dat ik mijn woord gegeten had, bedacht ik, mijzelf verschonend, dat zij wellicht allang zelf een ander bed had aangeschaft. En hoe had ik trouwens zo’n bed daarheen kunnen krijgen – ik, die geen auto bezit, en die bovendien geen verstand heb van kinderartikelen. Het bed stond dus middenin de woonkamer, en wellicht is het daar al die tijd ook blijven staan. Met ‘al die tijd’ bedoel ik: de tijd, de jaren eigenlijk, dat het kind dus groter moet zijn geworden. Het waren jaren dat Anita geheel uit onze gedachten was, en niet alleen zij kwam niet meer in onze gedachten op: God moge het ons vergeven, maar ook aan haar kind heeft blijkbaar niemand van ons ooit nog gedacht. De lezer zal ons nu blameren – ik verwachtte niet anders – voor deze onmenselijke houding, en terecht. Wij verdienen alle blaam, en zelfs de straffen van de hel zullen de schuldgevoelens niet verhelen, die veel erger zijn dan het vuur van alle duivels. Maar ik wil toch de verzachtende omstandigheden niet onaangeroerd laten, want in werkelijkheid dachten wij van elkaar dat er, nu en dan, wel eens iemand van ons een bezoekje bracht aan onze Anita, of dat zij zelf al eens bij de ene of de andere op de koffie ging. Dat dit ook gebeurde, werd weliswaar nooit bevestigd, doch het wegblijven van zulke stavingen schreven wij dan weer, elk voor zich, toe aan het feit dat wij tenslotte weinig spraakzame mensen zijn. Alleen… dat het kind helemaal niet meer ter sprake kwam, zal ook ik mezelf nooit kunnen vergeven. Ik had, voor mijn part althans, de vage indruk dat er met het kind iets mis was, en dat het misschien beter was om er niet over te praten, of althans, om het initiatief daartoe aan anderen over te laten. Maar blijkbaar dachten zij daar op de een of andere manier, elk voor zich, eender over. Bovendien bezaten slechts enkelen van ons een auto, en die hadden het dan weer zo druk dat ze zelfs voor de eigen kroost geen tijd meer over hadden. En diegenen onder ons die wel tijd hadden, waren ofwel ziek, ofwel ontbrak het hen aan de meest elementaire middelen. Er waren nog andere en meer gecompliceerde omstandigheden, maar daarover kan ik het hier niet hebben. Hoe dan ook bleken er jaren voorbij te glijden alsof het slechts dagen waren, totdat een vreemde wending van het lot ons nog een keertje samen bracht, ergens aan een rijk gevulde tafel. Pas op dat ogenblik kwam het kind weer in mijn gedachten, en ik wist met de grootste zekerheid dat dit ook voor alle anderen gold. Zo wachtten daar blijkbaar allen het ogenblik af waarop Anita-Francinesca gegeten had, en vervolgens werd gewacht op diegene die de vraag zou stellen, want Anita was aanwezig zonder het kind, en zij had er nog helemaal niets over gezegd. Maar het bleef stil daarover, de gesprekken waren vrijwel inhoudsloos, geen tongen kwamen los, de spanning werd alleen maar opgedreven. De lezer kan zich weliswaar afvragen hoe zulks dan mogelijk is onder familieleden, doch hij dient te bedenken dat de verborgen wetten die het sociale verkeer regelen, enorm complex zijn, en soms is ook daar sprake van opstoppingen, nieuwe verkeersaders, lussen, overbruggingen en wat al niet meer. Het lawaai neemt toe, en de stank en de dreiging; de rust en de vrede moeten eraan geloven; de ene is een autostrade van woorden die enkel nog handelen over zijn ‘zaak’ en er is gewoon geen kans om er iets tussenin te brengen; de andere staat aan de kant op een oversteekplaats, klaar om een vraag te stellen, maar het geroep is oorverdovend en de kans om de oversteek te wagen en er een woord tussenin te brengen, is gevaarlijk of zelfs onbestaande. Wie geen snel voertuig ter beschikking heeft, staat terzijde en gaapt de voorbijrazende tientonners aan; hij vreest de zwarte terreinwagens van het leger die alom opduiken om hen die het waagden om over te steken, van de weg af te pellen, en dan de bloedsporen met ontkleurders te bewerken. En zo kwam het dat wij weer uit elkaar gingen zonder dat het kind ter sprake was gekomen. Geen van ons wist of het nog in dat bedje van vezelplaat lag, middenin die woonkamer. Misschien was het al flink gegroeid, kon het al goed lopen, spreken en aardige vragen stellen? Geen van ons die het wist! Misschien ook was het kind ziek geweest en kreeg het een longaandoening waarvan het maar moeilijk genas, en moest het nu dagelijks zichzelf met een beademingspompje behelpen? Wie zal het zeggen! Misschien gebeurde er iets op de ring, die daar een gevaarlijke bocht beschrijft, en waarop vanuit alle windstreken autowegen aansluiten, die er eindeloze slierten van immer toeterende en veel te snel rijdende wagens op uitspuwen? En misschien verzweeg onze Anita het voor iedereen omdat zij zelf niet in staat was het te verwerken, van die zwarte terreinwagens? Ieder van ons had er het raden naar, en meer zelfs: niemand van ons bleek er met ook maar een ander ooit over te spreken. En zo zijn wij dus uit elkaar gegaan, alsof wij vreemden waren voor elkaar. Ik ben huiswaarts gegaan, zoals allen huiswaarts gingen na dat maal. De kans bestaat dat wij elkaar nu nooit meer zullen zien want, meer nog dan het onmenselijk verkeer dat ons voor elkander steeds onbereikbaarder maakt, wordt nu ook het menselijk verkeer in de war gestuurd door opstoppingen allerhande. En sinds ons afscheid denk ik haast onafgebroken aan dat kind, en weet ik met zekerheid dat ieder van ons aan niets anders meer denken kan, dan aan het kind dat, zoals wij nu ongetwijfeld allen wel zijn gaan beseffen, in de ellende van het verkeer is achtergebleven. (J.B., Verhalen 2006-2009) |
De 'klimaatramp' en de discussie|
De 'klimaatramp' en de discussie 'De wereld' was het erover eens dat zekere maatregelen tegenover corona moesten genomen worden en dus werden die ook genomen. Dikwijls desastreuze maatregelen, zoals gebleken is, maar ook bijna zeven jaar later blijft men volharden in de leugens van destijds. En nu de waarheid deze leugens achterhaald heeft en dreigt ze aan het licht te brengen, wordt het hele gebeuren met man en macht naar de achtergrond gestouwd, wat uiteraard geschiedt door al de aandacht die ze naar zich toe trok, af te leiden naar een nieuwe, alle tijd en krachten verslindende 'ramp': de vermeende klimaatverandering. Het rijtje van de rampen is intussen aardig lang maar weinig daarvan is uiteindelijk overeind gebleven en zo zag men Malthus met zijn overbevolkingscrisis al tijdens diens leven in de prullenbak belanden, al blijft zijn misantrope stichting aanhangers rekruteren. 'De wereld' die het over zovele zaken eens is, blijkt vaak veel gelijkenis te vertonen met de sekte van de Getuigen van jehova: voorspellingen die nooit uitkomen, overtuigen kennelijk slechts weinigen om het geloof in de betrokken profeten op te geven, integendeel: men neemt er telkens vrede mee dat de leugenaars hun verzinsels wat bijwerken en zij krijgen steeds weer carte blanche. Dat geen enkel van álle voorspelde rampenscenario's zich ooit voltrokken heeft, valt nochtans makkelijk te bewijzen: de wereld is nog altijd niet vergaan. Maar we moeten genuanceerd zijn want niets is altijd helemaal waar of helemaal gefantaseerd en van andersdenkenden kan men alleen maar leren. Toch zijn er waarheden waaraan niet te tornen valt, gewoon omdat ze zich boven de feiten verheffen en dat zijn in de eerste plaats de wiskundige waarheden. De vrees van Descartes dat deze hun vermeende immuniteit ontlenen aan het feit dat ze niet met de werkelijkheid in betrekking staan, is terecht maar tegelijk is het ook waar dat het gepraat dat alleen maar kan uitmonden in telkenmale een consensus, evenzeer niets anders dan puur fantasie kan zijn. Tot de wiskundige waarheden behoren die van de logica, al is de omgekeerde stelling ook verdedigbaar. En wat leren ons de logici over de gang van zaken?1 We beperken ons hier tot een enkel punt, wat volstaat om onze stelling hard te maken: dit soort van discussies zijn zinledig. In het artikel Politici met een sigaret in hun oor. Drogredenen en oneerlijke discussiemethoden in de context van klimaat en corona vertelt emeritus-hoogleraar Logica en Taalanalyse Harrie de Swart hoe men een loopje neemt met 'waarheid', onder meer door 'feiten' van hun contexten te abstraheren.2 Echter, zijn critici wijzen hem erop dat hier de pot de ketel verwijt dat hij zwart ziet want ook de Swart zou zich bezondigen aan het weglaten van een niet onbelangrijke context, met name in het verwijt dat de organisatie die aan de professor het podium verschaft (Clintel), gefinancierd wordt door een industrie die haar voordeel doet met zijn beweringen.3 Paradoxaal genoeg kan de logica niet ondersteunen dat de gevolgen van zekere daden, tevens deze daden veroorzaakt hebben om de eenvoudige redenen dat (onuitgesproken) intenties objectief onkenbaar zijn. Door te wijzen op het belang van de context, begeeft de wiskundige zich op glad ijs omdat hij daar uittreedt uit zijn ivoren toren waar hij het gelijk sowieso aan zijn kant heeft. Op die manier verliest de aangewende logica haar relevantie en blijkt de discussie een toneel dat slechts kan functioneren om het achterliggende machtsspel te verkappen dat uiteindelijk de waarheid fabrikeert. Jammer genoeg, maar het gaat er vooralsnog niet anders aan toe. (J.B., 20 juli 2026) 2H. de Swart: “Stel: een man staat met zijn auto zonder benzine en vraagt mij naar een benzinepomp. Waarop ik antwoord: hier om de hoek is een benzinepomp [wat inderdaad het geval is]. Maar ik zeg er niet bij dat de pomp gesloten is. In zo’n geval heb ik de waarheid gesproken, maar tegelijkertijd heb ik de man in kwestie toch misleid, omdat ik voor hem relevante informatie heb achtergehouden! Ik heb weliswaar de waarheid gesproken, maar door de man geen optimale informatie te geven heb ik hem toch op het verkeerde been gezet en zelfs bedrogen.” 3“Selon Follow The Money et De Volkskrant, la fondation Clintel est financée par l'industrie fossile. (...)” (Cf.: https://fr.wikipedia.org/wiki/Climate_Intelligence_Foundation )
|
De tuinen (J.B., Verhalen 2006-2009)
|
De tuinen
“Wel!? Zijt ge daar alweer!?” Omsk wist niet goed wat te zeggen. Het was al de tweede keer die nacht, en ook gisterennacht was hij daar geweest, misschien wel al zeven keer die week. Daar stond hij dan, in die… mist. Eigenlijk was het geen mist, want het voelde niet koud aan of niet nat; het had alleen het witte, het half-doorzichtige van mist. Maar met mist kon je het wel het beste vergelijken. De man tegenover hem – hij keek eigenlijk op hem neer, want hij stond wat hoger dan Omsk – werd nu eens door het mistgordijn omhuld, en dan weer was hij helemaal klaar te zien. Die man kon er blijkbaar niet om lachen, al maakte hij zich ook niet kwaad. Het kwam hem veeleer voor alsof hij er flink mee verveeld zat, en dat gaf hij ook aan Omsk te kennen: “Ge doet mij weer lopen, beste vriend! En dat telkenmale voor niets! Ge blijft daar staan en ge komt niet verder? Gisteren zijt ge hier tot op de tweede onderste trede van de trap geklommen, en dan hebt ge rechtsomkeert gemaakt; en nu staat ge daar weer te drentelen… op welke trede staat ge nu, ik heb mijn bril hier niet… Vertel het eens!” Omsk keek naar beneden, zag zijn eigen beeld weerspiegelen in het witte marmer dat met rode adertjes doorspekt was, alsof er bloed doorheen pompte, en hij moest zich concentreren om de treden te kunnen tellen, want daaronder duizelde het allemaal op de een of andere manier weg: “Op de derde trede, meneer”, zei hij, en er was nog angst te bespeuren in zijn schuchtere stemmetje, als gevolg van de blik in de diepten. “Zo… en hebt gij hoogtevrees misschien?”, merkte de man dan ook op. “Eigenlijk niet, mijnheer…”, antwoordde Omsk. “En waarom komt ge dan niet verder?” “Het is weer beginnen kloppen, mijnheer…”, zo excuseerde Omsk zich. “Zo… Ja, dat zeg je telkenmale, is het niet? Wat vervelend voor mij!”, riep de oude man uit, en hij wierp een blik in het gesternte, en keek dan weer op Omsk neer: “Ge begrijpt toch dat ik een oude man ben; gij doet mij telkens lopen voor niemendal!” “Mijn verontschuldigingen, meneer, ik kan het echt niet helpen…”, klonk nu het dunne stemmetje van onze vriend. De man zuchtte diep, zoals iemand zucht die ten einde raad is: “Ik sta hier al duizenden jaren, aan deze poort…”, en met een armzwaai wees hij naar de dikke, witte wolken achter zijn rug, waarmee zijn eveneens sneeuwwitte kleed zich wel leek te vermengen: “Ik heb wel meer van die twijfelgevallen, weet u: lui die niet goed weten wat ze willen, en die eerst aankloppen en dan terugkeren…weer aankloppen, weer teruggaan… Maar de tweede of de derde keer komen ze dan toch binnen. Gij daarentegen… hoe is de naam weer, zegt u?” “Omsk, meneer” “Juist, ja… Gij zijt mij hier al tientallen keren komen storen, nietwaar? Ik zit net naar een interessant programma te kijken, ontspannen met een glaasje erbij, en… had ik het niet kunnen denken! Daar zijt gij dan weer!” “Nogmaals mijn excuses, meneer, maar ik kan het echt niet helpen…” “Ja, dat weet ik wel: het is weer beginnen kloppen, nietwaar… We zouden er iets moeten op vinden, hé? Nu, wat zijt ge van plan? Blijft ge daar staan of gaat ge terug?” “Ik denk dat ik maar beter terugga, meneer”. “Natuurlijk, natuurlijk… dat is het beste…” “Het klopt nu weer zoals normaal, meneer, ik denk dat ik dus beter terugga”, herhaalde Omsk.
Het witte heerschap had het smekerige in zijn stem gehoord en in zijn daarop volgende optreden kon Omsk niets anders dan een weinig leedvermaak bespeuren: de heer keek hem heel aandachtig aan, boog zich warempel voorover om hem nog beter te kunnen zien, en beval: “Kom eens een paar trapjes hoger! Zodat ik weet waar ik aan toe ben! Ge ziet lijkbleek, maar uw ogen kan ik zo niet zien… jaja, ik heb het tegen u: twee trapjes maar”, drong hij aan. Nu was de pret in zijn stem echt goed te horen. Omsk had er de grootste moeite mee om zijn rechter voet op te heffen en die op de volgende trede neer te plaatsen. Dit manoever ging gepaard met alweer een heftige steek in zijn hartstreek, waarna hij deze spier gedurende wel drie opeenvolgende seconden voelde fibrilleren. Dan volgden enkele uiterst onaangename want krampachtige trekkingen welke gepaard gingen met een licht verstikkingsgevoel, zodat Omsk eventjes naar adem moest happen en duizelig werd. Teneinde niet naar beneden te donderen, restte hem geen andere keuze dan zijn voet terug te trekken, zodat hij nu weer met de beide voeten op de tweede trede stond. En omdat hij tijdens deze zichtbaar stuntelige bewegingen als het ware bijna zijn evenwicht verloor, vond hij er dan ook een reden in om maar meteen nog een trapje lager te gaan postvatten. Zijn hart leek hem hiervoor uitvoerig te bedanken met een hele reeks heel regelmatige slagen, en hij kwam zowaar weer op adem. “Maar zó… kan ik helemaal niets zien!”, repliceerde de man in het wit, die zich nu weer oprichtte, kennelijk met grote moeite, de handen tegen het onderste deel van zijn lange, dunne rug gesteund. Hij kermde eens, haast onhoorbaar, leek dan door een nieuwe, dichte wolk omgeven te worden, en Omsk voelde zich nu terugzakken uit de mist en zeeg met een zo grote snelheid dat hij er kriebels van kreeg in de buikstreek, achterwaarts doorheen het firmament. Hij passeerde nu weer de weelderige tuinen waar hij telkenmale doorheen moest als zijn hart het dreigde te begeven, en hij kwam in een zeer vreemde extase, omdat ze aantrekkelijk en afschrikwekkend was tegelijk.
De tuinen… ze vertoonden patronen van een geheel onaardse regelmaat, niet te beschrijven, en ook niet voorstelbaar voor mensen in wakkere toestand. Nooit was er een schilder geweest, en er zou er ook nooit een geboren worden, die deze kleurenpracht vermocht af te beelden. De belangstelling van Omsk voor de tuinen was bijzonder groot, maar tegelijk ook durfde hij er niet te lang of te aandachtig naar kijken, omdat hij wist dat dit niet ‘ongevaarlijk’ was. Regelmaat, ja, dat woord was hier van toepassing, maar deze term was lang niet krachtig genoeg om het betreffende spektakel weer te geven: hier toonde zich een patroon met een regelmaat van vormen en lijnen die mensen zich niet kunnen voorstellen. Een evenwicht van gestalten en van kleuren die het hele spectrum bestrijken, maar ook die delen van het spectrum die door mensenogen normaal nooit kunnen worden gezien: ultraviolet, infrarood…
Ach, dat zijn slechts woorden, wist Omsk: hier zijn geen woorden voor, dit zijn niet langer kleuren en vormen, geluiden of muziek: dit is wat àchter alle kleuren, àchter alle schilderijen, symfonieën, gedichten en noem maar op, verborgen zit. De tuinen zijn werkelijk de bronnen waaruit wij onze schamele patronen putten, het zijn de klankkasten, neen, de genen van de schoonheid zelf. Was dit dan wat men het ‘Aards Paradijs’ noemde? Omsk viel met een schok terug op zijn hoofdkussen. Hij zweette hevig, ademde ongemakkelijk, kon het gevoel van verstikking dat hem alweer de hele nacht in zijn greep had, niet van zich afwerpen. Zijn hart pompte, maar hield dan met pompen op, alsof het niet in staat was om te reageren op de volgende, zich opdringerig aandienende prikkel. Het koolzuurgehalte in zijn bloed steeg, gaf een krachtige impuls aan de Nervus Plexus Vagus of hoe heette dat zenuwcentrum in de nek ook weer, dat ons dwingt om naar adem te happen als wij het benauwd krijgen? Hij hapte naar adem, doch het baatte hem niet; hij hapte andermaal, en nogmaals, werd beklemd door een plotselinge doodsangst, maar vooraleer die hem tot enige handeling kon aanzetten, voelde hij zich weer wegduizelen, en voor zijn ogen ontplooiden zich in al hun symfonische pracht opnieuw… de tuinen!
Dit is echt, zo zag Omsk nu heel duidelijk: deze tuinen zijn onvervalst, en hun onbeschrijflijke pracht getuigt van hun echtheid: noch ikzelf, noch enig ander mens had ooit kunnen bedenken wat zich nu voor mijn ogen afspeelt. Hij verzette zich niet langer tegen de taferelen die in steeds toenemende mate zijn hele gezichtsveld vulden. Hij liet de muziek naar binnen stromen en verwelkomde het water uit de brede, klare stromen in de diepe, donkergroene dalen die in een bloemenweelde aan zijn voeten lagen. Hij voelde zich opstijgen boven dit alles, dat zich met zo’n nadrukkelijke pracht in zijn geest prentte, dat hij niet anders doen kon dan geloven dat iemand dit speciaal voor hem had voorbereid, zoals men ook speciaal voor iemand een gedicht kan schrijven of een lied, dat men hem of haar te zijner tijd ten gehore mag brengen. En hij steeg op, hoog boven dit alles, en dreef dan weg, ergens terzijde, en een plotse wind stak op, hagel kletterde neer tegen de ruiten…
Omsk zag dat het al klaar geworden was. Zijn toestand was lichtjes beter. Hij moest nog wat slapen, want hij was nog te vermoeid, zo kon hij de dag niet door. Hij trachtte rustig te ademen, aan niets te denken, de slaap te vatten. En hij realiseerde zich dat hij zich telkenmale als hij de ogen sloot, en nu opnieuw, begaf op dat terrein dat wij het gebied van de allergrootste onzekerheid plegen te noemen, het ‘kantje-boord’, het randje tussen het eenmalige leven en de volstrekte dood. (J.B., Verhalen 2006-2009) |
Het boek (J.B., Verhalen 2006-2009)-
|
Het boek
De tocht, het was een tocht - maar ik moet zeggen dat ik er maar tussen liep, het was immers allemaal zo snel gebeurd, ongepland eigenlijk, en niemand had er naar gevraagd, het was ook donker en er was een lichte paniek ontstaan, er waren er die nog niet eens gegeten hadden, we hadden ook helemaal geen mondvoorraad bij voor onderweg, geen drinken, niets was voorzien, helemaal niets… De vrouw die naast me liep, had een kind op de arm, ik schat anderhalf jaar oud, het zag helemaal wit, en zij jammerde natuurlijk - zij was misschien vijfenzestig, en kon dus niet de moeder zijn, wellicht was zij de grootmoeder, ze had ook iets aan een van haar voeten of haar knie, ik weet het niet, ze mankte, en achter haar aan dan nog twee kinderen, schreiend ook, een van hen hield haar rok in de handjes geklemd, een meisje van misschien vier - het andere, een jongetje van hooguit zes jaar oud, keek alleen maar de hele tijd verbaasd rond zich heen naar al die anderen, want ze waren er allemaal net zo aan toe. Er mocht niet geslenterd worden, af en toe hoorde men die stemmen roepen en maakten de aldus roependen gebaren, met de arm, met een stok of met iets dat geleek op een geweer, maar dat kon ik niet zien, het was nu eenmaal donker geworden, plotseling, en een felle wind was komen opzetten, een koude wind ook, die door de kleren heen blies en elkeen rillingen bezorgde. Ze maakten gebaren dat we moesten opschieten, dat er niet te dralen viel nu, en wie niet meer mee kon, werd gewoon voorbijgelopen, liep achterstand op, net zoals in een loopwedstrijd, maar een loopwedstrijd was dit niet, helaas niet, en opgeven, aan de kant gaan zitten of teruggaan kon hier vanzelfsprekend niet. Een deel van ons liep op de weg, of op wat er restte van wat eens een weg geweest moest zijn, een ander deel, het grootste deel, waadde door weide, struikgewas, grachten en geboomte, want alles was te smal geworden nu, alle paden, wegen en pleinen. Straten waren er zo goed als niet meer: er moest haast worden gemaakt, vooruit worden gegaan, er mocht niet geslenterd worden en bochten maken hoorde er niet meer bij, het was rechtdoor of sterven, daar had het alle schijn van. Een deel van ‘ons’, zeg ik, alsof wij samen hoorden, maar wij hoorden helemaal niet samen: zo te zien was dit een massa enkelingen, geen had uitstaans met een ander, maar dit vreemde lot dwong ons nu om samen weg te trekken. Wegtrekken was het wat wij deden, zoveel was nu wel duidelijk - of we ergens heen trokken, weet ik niet en ik dacht ook van niet: wij verwijderden ons alleen maar - of wij trachtten dat althans te doen - wij verwijderden ons zo spoedig mogelijk, wij maakten ons uit de voeten, of wij deden alvast een poging daartoe, een wanhopige poging zo te zien, want het was lopen met de moed der wanhoop, welke men voelen kon, elk voor zich in zijn buik en in zijn knieën, en welke men ook zien kon in de gang van alle anderen. Geheel onverwacht was het begonnen, ik vergat zelfs wat ik aan het doen was toen zij plotseling riepen dat wij moesten lopen, weglopen, en ik had enkelen echt zien rennen, en wat verderop vielen zij ter aarde, buiten adem, angstig, badend in het zweet terwijl nochtans de koude winden uit het noorden ons nijdig in het gezicht bliezen en er een mist opstak, hij kwam als uit de grond, een kille mist die opdook uit de moerassen van de zwarte aarde. In mijn rechterhand klemde ik iets vast, zo stevig dat ik krampen voelde in mijn vingers, en ik liet het niet los, alsof ik mij er aan vasthield, leek het wel, ik had geen tijd om het te bekijken, geen aandacht ook, want het leek nu wel dat de geringste verstrooiing fataal kon zijn, maar ik dacht dat het een boek was dat ik bij me had, en terwijl ik aandachtig om me heen keek, hijgend ook, en rillend, trachtte ik flarden van mijn gedachten samen te brengen, en geloofde ik me te herinneren dat ik aan het lezen was op het moment dat dit begon, al wist ik dat niet zeker, en wat ik dan wel las, was allang de verste van mijn gedachten. Er moest immers haast gemaakt worden nu, geen moment van dralen, laat staan verpozen, was aan ook maar iemand nog gepermitteerd. Op een boogscheut van mij vandaan zag ik een man in een hoestbui verwikkeld strompelen en tenslotte nederduiken met het hoofd recht in de grond en daar bleef hij ook liggen, werd vertrappeld in het donker en vergeten. En een kind aan mijn linkerzijde schreide luid, ik zag dat het moederziel alleen was, deed een poging om het, lopend, naderbij te komen en vast te grijpen bij de hand, met mijn nog vrije linkerhand. Maar een tak had ik in de hand, die door mijn vel sneed, en het kind verdween in de nevelen als een geest, zonder ook maar een spoor achter te laten. Er was nu een kar heel dicht genaderd achter mij, ik hoorde het rammelen van de grote, ijzeren wielen op de kasseien van de weg die ons nu verder loodste door het donker, en de kar werd getrokken door vier paarden, als ik goed geteld heb, en ik hoorde hun zware hoeven tegen de stenen kloppen, luider steeds en kouder ook. De kar haalde ons in, de paarden briesten, ernstig in de verten kijkend - al stelden die verten niets anders voor dan een zwarte muur die opschoof, mee met ons, zodat wij wel ter plaatse leken te lopen, niet vooruit kwamen en alleen maar werden ingehaald. De kar kwam op mijn hoogte, schodderde gevaarlijk dicht langs mijn zij; ik zag de grote wielen met de harde gietijzeren velgen die twee koppen boven de mijne uit kwamen, en toen ik eventjes snel opkeek, viel mijn blik op haar berijders, in de hoogte. Hun silhouetten staken zwart af tegen een bijna zwarte hemel zonder sterren, en men kon de bewegingen zien die ook zij maakten, in de lucht - zij sloegen wild in de lucht, met stokken, zo leek het mij, en zij riepen luid, ik kon hen goed horen doorheen het gieren van de wind, maar ik kon hun roepen niet verstaan. In de weg die nu een zandweg was geworden, lieten zij diepe sporen achter die ons het lopen nog meer bemoeilijkten, en ik zag hoe mensen struikelden, neervielen in de verse, diepe grachten die de wielen groeven, en bedolven werden, en levend begraven. Maar geen van allen sloeg nog acht op deze ongelukkigen, het was elk voor zich nu, elkeen klampte zich met de moed der wanhoop aan zijn eigen leven vast - ook al wist men goed dat het niet helpen zou, uiteindelijk, want ’s mensen kracht is eindig, en als het lichaam moe wordt, de benen de romp niet langer dragen kunnen, de armen loodzwaar gaan wegen en de onderkin niet langer op de schedel aansluit, maar de mond wild open en dicht gaat slaan zodat de tong gaat bloeden door het klappen van de tanden, weet men dat het einde heel nabij is, dat men zal ter aarde vallen, zijn gedachten zal verliezen, en alleen nog zien zal hoe men daar ligt, geheel ontspannen tenslotte, en alles loslatend wat men tot dan toe een leven lang met zorg heeft vastgehouden. Ik klemde nog steeds mijn boek vast - als het een boek was tenminste, wat ik meedroeg - of beter: een van mijn handen omklemde het boek, want de hand leek een eigen bestaan te leiden nu, los van de rest van het lichaam dat mij al rennend vooralsnog verder droeg en dat het weldra zou begeven. Ik hield mijn ogen wijd opengesperd om tenminste nog iets te kunnen zien, maar niet wijd genoeg, daar het niet langer baat om te kijken als er geen licht meer is. Het ging door me heen: dat wij denken dat we zien - we gaan er prat op dat we zien - maar in feite zijn het niet onze ogen, het zijn gekregen ogen, en op hun beurt krijgen zij het licht naar binnen gegoten: wij hebben daar geen enkel aandeel aan, en dat beseffen wij slechts heel op ‘t einde, plotseling, als wij ons de ogen uit de kop kijken omdat ons leven er van afhangt, doch vergeefs kijken we dan, want er is geen licht meer dat ons nog gegeven wordt. Meteen realiseerde ik me ook hoe erg ik er aan toe was; immers: als het einde echt nabij komt en het lichaam op bezwijken staat, zoekt de geest afleiding in het maken van dergelijke bedenkingen: die gedachten, hoe overvol van waarheid ze ook mogen zijn, zijn uiteindelijk niets anders dan de verbloemde aankondiging van een nakend en fataal bewustzijnsverlies: het start met dergelijke overdenkingen, en geleidelijk, geheel onopgemerkt doch sneller dan men denken zou, gaan ze over in dromen - en wie droomt, is niet langer wakker. Het is een paradox: wij geloven dat wij ons redden kunnen door ons aan gedachten vast te klampen, alsof de voortzetting ervan ons de continuïteit van ons bewustzijn garandeerde, maar wezenlijk is het net andersom, en dienen wij het denken te schuwen als de dood zelf, die zich met gedachten en met de droom omringt teneinde ongemerkt zoals een roofdier naar zijn prooi toe te kunnen sluipen om er dan op te springen - één ogenblik, een enkele beet die feilloos de levensader openlegt en, met het bloed, het leven wegzuigt uit het lichaam. En wie kon ooit denken dat het leven dan zo broos was, dat het gewoon weggezogen worden kon, zoals water door een rietje. Het water was er plots, en het omarmde ons, ombolsterde ons, omgaf ons ten allen kante, sloot ons in, benam ons van de adem, wij ademden nu water, onze longen gingen wild te keer, een korte wijle nog, een al verloren strijd, ons bloed dat zich met het water mengde. Planken, schroot, diepvriezers, auto’s, daken, bomen - het wriemelde rond ons heen, en armen werden uitgerukt, hoofden afgeslagen, karkassen dreven, zelf schroot geworden, mee in de wilde vloed - het was nu een kwestie van nog luttele seconden vooraleer het nekschot kwam, want dit einde zou niet anders aanvoelen. En nog net had ik de tijd, zo geloofde ik toch, om nog de diepe, tergende en uiteindelijk dodelijke heimwee te kunnen voelen, bij het weggerukt worden van alles wat ik zonder het ooit ook maar een ogenblik goed beseft te hebben, zozeer had bemind. Niet het onheil geeft een mens de genadeslag: het is de liefde.
(J.B., Verhalen 2006-2009) |
De legitimering van het recht van de sterkste - Over de oorsprong van verrechtsing|
De legitimering van het recht van de sterkste Over de oorsprong van verrechtsing Een recreatiedomein ontzegt de toegang aan allochtonen omdat blijkt dat zij een leeuwenaandeel hebben inzake problemen van openbare orde en derhalve ook van te garanderen veiligheid.1 Discriminatoir, zo zegt de wet maar hoe moet de probleemoplossing er dan wél uitzien? Om te beginnen bestaan er geen goede kortetermijnoplossingen voor problemen vergelijkbaar met dit voorbeeld, waarmee tevens gezegd is dat de fabrikanten van de lange termijn, die politici zijn, en derhalve, paradoxaal genoeg, kortetermijndenkers, hun verantwoordelijkheid niet in de schoenen moeten schuiven van onderdanen van wie verwacht wordt dat ze op staande voet bijvoorbeeld het kind van gisteren heropvoeden in de volwassene van vandaag of dat ze de vrijheid respecteren van wie anderen muilkorven en bedreigen. Immers, ook voor de geviseerde executeuren van door nitwits bereide wetten geldt dat de verwachting om het onmogelijke te realiseren, dermate frustreert dat zij elke draagkracht breekt en onafwendbaar resulteert in een falen waarvoor de blinde massa sowieso iemand wil zien hangen, in de waan aldus het probleem te hebben opgelost. Omdat desalniettemin kortetermijnmaatregelen worden verwacht voor zaken die uitsluitend gevoelig kunnen zijn voor behandelingen op de lange termijn, zijn zondebokken onvermijdelijk en overeenkomstig de pikorde worden zij zoals altijd gerekruteerd uit de laagste echelons terwijl de eigenlijke daders aan de dodendans gezwind ontsnappen. Een bekend voorbeeld: wanneer het een feit is dat de helft der gevangen onterecht veroordeeld zijn, is dat omdat men stopt met zoeken naar de dader eenmaal ongeacht wie bij de kraag werd gevat en om geen andere reden worden ook hier plichtsgetrouwe lieden opgezadeld met een jarenlang door anderen opgebouwde schuldenlast. Een van de kwalijke gevolgen van de beschreven gang van zaken is wel dat het allerlaagste echelon niet dat is van degenen die onafwendbaar discriminatoire maatregelen moeten nemen: de laagste in rang zijn immers degenen, meestal kinderen, die worden opgezadeld met een straf voor daden die er vanwege hun opvoeding of een gebrek daaraan, al heel vroeg onherroepelijk ingebakken zitten. Enkel en alleen omdat zij de minst weerbare personen van onze samenleving vertegenwoordigen, krijgen zij uiteindelijk bovenop de discriminatie waaraan zij al onderhevig zijn, tevens de rekening gepresenteerd voor de gevolgen van die discriminatie, zodat ook hier, geheel verkapt, alle daders ontkomen en hun slachtoffers twee keer worden gestraft. En uiteraard neemt ook daar dan de frustratie toe en dat wordt een vicieuze cirkel. Maar de verrechtsing kan op grond hiervan wel loepzuiver worden gedefinieerd als het uitvaardigen van maatregelen tegen slachtoffers van wantoestanden, tegelijk met de bescherming van de misdadigers en dat is met andere woorden de legitimering van het recht van de sterkste. (J.B., 18 juli 2026) 1https://www.nieuwsblad.be/regio/oost-vlaanderen/regio-gent/wetteren/alleen-nog-oost-vlaamse-zwemmers-en-continu-politiepatrouilles-na-bijna-verdrinking-in-zwembad-in-wetteren-stewards-kregen-doodsbedreigingen/158871532.html
|
Verbloemingen (J.B., Verhalen 2006-2009)
Verbloemingen'Eufemisme', zo klinkt het meer geleerde woord voor 'verbloeming', en iets verbloemen doe je wanneer je het een beetje fraaier omschrijft of voorstelt dan het in feite is: je plaatst het als het ware tussen de bloemen, en dan ziet het er warempel ook veel beter uit. Er is niets mis met verbloemingen, tenminste als zij niet bedoeld zijn als bedrog, maar veeleer dienen om onszelf en anderen te behoeden voor de abrupte waarheid die wel eens nodeloos shockerend kon zijn. Zo acht men zichzelf of iemand van de zijnen veeleer een werkzoekende dan een werkloze, men verkiest te zeggen 'onverstandig' waar men bedoelt 'stompzinnig' en wanneer ergens de kakkerlakken kermissen en de kamers met rattenkeutels liggen bezaaid, dan zegt men liever dat men op die plaats niet bepaald van de vloer kan eten. Het begint eigenlijk al van bij de geboorte, welke een bijzonder pijnlijke, bloederige en gevaarlijke belevenis is, zowel voor moeder als voor kind als voor alle andere betrokkenen, want aan baren is er niks gezonds of moois. Men spreekt niet over weeën, pijn, angst, bloed, navelstrengen en moederkoeken, het infectiegevaar waarbij moeder en kind soms het leven laten en wat al niet meer aan mistoestanden en aan kwalen: men zegt dat een nieuwe telg het levenslicht gezien heeft en de beschrijvingen van het geluk dat nu alle betrokkenen te beurt valt, lijken wel onbegrensd. Allerlei versnaperingen luisteren het feestgebeuren op, gaande van zoete suikerbollen tot dineetjes met Champagne, en ook heuse gedichten in veelkleurendruk geïllustreerd en talloze andere, schattige cadeautjes. Een kind dat geboren wordt, is helaas niet aan de wereld waar het in terecht komt, aangepast, en dat vormt eigenlijk een volgend, groot probleem, dat in feite de tijd en de krachten van alle betrokkenen gedurende de rest van hun bestaan naar zich toe trekt en uitput. Voor de voeding en de opvoeding van elkeen moet levenslang worden gezorgd, en ook die termen zijn verbloemingen want eten is duur en naar het schijnt ook zelden gezond, en vaak vormt reeds het naar binnen werken van het dagelijkse rantsoen een probleem apart: men heeft geen trek omdat men ziek is, men kampt met etterende ontstekingen op de lippen, de tong, de amandelen, de huig, het verhemelte, het tandvlees, de tanden, de slokdarm, de maag en ga zo maar door. Edoch, wij spreken liever niet over al die kwaaltjes en pijntjes en we hebben ook geen aparte woorden om deze waaier van kwellingen te beschrijven, we houden het bij dat ene, domme woord: pijn. Al het kwaad wordt met dat ene woord beschreven, en vaak wordt ook dat nog eens verbloemd en zegt men niet dat iets pijnlijk is, maar dat het niet prettig aanvoelt of dat er gewis aangenamere dingen bestaan. Daarentegen hebben we wel een quasi eindeloze lijst van benamingen voor een even eindeloos assortiment van specialisten, geneesmiddelen en therapieën. Het volstaat dat men eens een rondgang maakt in een kliniek om zich ervan te vergewissen dat tegen elke kwaal wel een kruid is gewassen, want in hoeveel partikels het menselijk lichaam ook wordt opgedeeld: voor elk mogelijk gebrek aan élk van die partikels bestaan speciale zorgen en een gamma aan passende medicijnen. In een nieuwsuitzending op televisie worden beelden getoond van uitgemergelde mensen ergens in een heel ver land (en wat denkt u van de benaming 'ontwikkelingsland'?) waar men van hieruit wel eens op vakantie pleegt te gaan. Magere mensen die in een voor ons onverstaanbaar taaltje brabbelen, mensen gekleed in lompen en ook mensen die er alles behalve bedreigend uitzien maar die zelf wel bedreigd worden: door de honger, door de kou en ook nog door clusterbommen en kogels. Zij troepen om de TV-reporters heen - echte reuzen naast die levende lijken. Een van de reporters houdt iemand een microfoon onder de neus en vertaalt wat die jammerende massa uitroept: "Voedsel, beste kijkers, dat is het waar de mensen hier om vragen, want de voorraden raken uitgeput en de aanvoer wordt bemoeilijkt door de strubbelingen van de opstandelingen die de wegen blokkeren in het binnenland." Aan het slot van de reportage zegt de journalist zijn naam en geeft hij 't woord aan zijn eveneens bij de naam genoemde collega in de studio. Maar van de namen van de geïnterviewden in dat verre land wordt niet gerept, alsof zij er helemaal geen namen droegen, alsof zij geen mensen waren - zij vormen immers geen bedreiging en het volstaat warempel hen te voederen opdat zij rustig zouden zijn. In de daarop volgende show zetten gigantische, fluorescerende getallen op een podium vol vedetten onze ongeremde vrijgevigheid in de verf en ook zet zich nog een rijtje politiekers in de bloemen, zwaaiend met cheques van duizend euro en aldus alle miserie in één klap verbloemend met iets dat zichzelf verschuilt onder de benaming 'generositeit'. In een dagdroom gelijkend op deze welke destijds Godfried Bomans' Erik - uit diens Erik of het kleine insectenboek - te beurt moet zijn gevallen, viel mijn oog bij het milieuvriendelijke wegkieperen van de resten van een rijkelijk middagmaal achter in de tuin, op een klein zwart torretje dat centraal op de mesthoop klaarblijkelijk volop zat te genieten van de zon. Op een zwart, dor blad was het gezeten, drijvend op een kuip vol stront, maar met het hoofd geheven alsof het voor een grootse, edelmoedige beslissing stond. Het richtte ineens het woord tot mij, en sprak: "Hey daar, Mik-Mak, of hoe je ook heet: kom maar niet te dichtbij, want alles wat je hier ziet, dat is van mij, als je dàt maar weet: de drek, incluis de scheet die je net hebt horen bulderen alsof Thor zelf zich een gat in de luchten beet!" Ik keek beter toe en schrok van de messcherpe schilden op het pantser van dit minuscule schepsel Gods dat niettemin ijdeler bleek dan iemand van onze eigen soort kon dromen. Een pekzwart pannendak bezaaid met vreemde antennes: daarmee leek het ding wel overdekt te zijn, al mocht ik gewis niet zeggen 'ding' en diende men het schepsel aan te spreken met mijnheer, mevrouw, of misschien wel Hare Hoogheid, Monseigneur. "Zeg maar Jaap", zo kwam het torretje eensklaps mijn verbijstering tegemoet en het trok zowaar zijn das wat losser, ging languit in zijn bureaustoel achterover liggen en hield mij een kistje gevuld met Havanna's voor: "Ikzelf ben gestopt, maar geneer u niet, ze zijn vers overgevlogen uit Cuba, betere vind je niet!" En toen ging Monseigneur zowaar aan het dichten: "Ein voller Becher Weins zur rechten Zeit ist mehr wert, als alle Reiche dieser Erde! Dunkel ist das Leben, ist der Tot!" - aldus citeerde hij zangerig de grote Li-Tai-Po en hij graaide naast zich in de zwarte plas en schepte mij er zodoende een kroes van vol die ik door al die tralala nu bezwaarlijk nog weigeren kon, en zo zette ik tenslotte een beker gevuld met aal aan mijn lippen en sprak ik plichtsmatig van de pracht en praal waaraan ik niet kon tippen. En zo vergaat het menigeen die alsmaar wil verbloemen, want hij verbloemt zijn eigen ondergang: hij gaat de dood zelfs roemen, en 't eeuwig leven waarbij vergeleken - volgens hem - 't armtierige bestaan in dit weeë tranendal rustig naar de maan mag gaan. (J.B., Verhalen 2006-2009) https://www.boekenbestellen.nl/boek/het-eeuwige-vuur-en-andere-verhalen-geillustreerd/10812 |
Misbruik van zwakheid|
Misbruik van zwakheid Eenmaal naar binnen gesijpeld in een cultuur is de wet van de jungle of het recht van de sterkste de legitimatie van het onrecht of dus een toestand die verwerpelijker is dan de wetteloosheid waarin wilde dieren leven. Het vergelijkbaar worden van een zogenaamde beschaving met de jungle herinnert spontaan aan Heart of Darkness, de iconische roman van de Pools-Britse schrijver Joseph Conrad uit 1899. Zonder namen te noemen maar bijzonder herkenbaar behandelt het boek de genocide van Leopold II in de Congo. In zijn dienst werkt een zekere meneer Kurtz, de verpersoonlijking van de wreedheid die hiervoor echter rijkelijk wordt beloond. Bij uitstek in het kolonialisme situeert zich de jungle in het hart van de beschaving die om die reden zwart is als de nacht. Het recht van de sterkste is in wezen het misbruik van andermans zwakheid, wat betekent dat het gebrek aan weerbaarheid van de ander wordt aangewend als een wapen tegen hem of haar, wat in het licht van elke vorm van beschaving uiteraard een exponent is van de lafheid. De macho die zijn meerwaarde etaleert door al dan niet vermeende tekorten van anderen tentoon te stellen en belachelijk te maken is meer dan ooit aan de orde van de dag in de huidige internationale politiek en wel het eerst op die plek die zichzelf durft uit te roepen tot het hart van de wereld, in militair en economisch opzicht maar godbetert ook moreel. Er is geen onschuld in de pronkzucht van wie leven in batimenten die rusten op witmarmeren pilaren: ijdelheid en pralerij kunnen alleen maar repressie, vervolging en moord verkappen. Evenmin is er heldhaftigheid in het neerslaan van een ander met door hemzelf aangereikte wapens, waartoe immer zijn zwakten behoren. Het nog verder verzwakken van de zwakkeren is zoals het intrappen van open deuren: men doet dan wat iedereen kan, men eist aandacht op voor stunten die er helemaal geen zijn en zodoende creëert men een publiek dat men maar meteen berooft van zijn tijd. Heldhaftigheid en sterkte zijn pas te ontwaren waar men erin slaagt een zwakke sterk te maken en zwaktes in troeven te veranderen, zoals ouders voor hun kinderen doen, vogels voor hun eieren en insecten voor hun broedsels. Waarmee meteen gezegd is dat wie andermans zwakheden uitbaten, niet eens de benaming van beesten verdienen. (J.B., 17 juli 2026)
|
Ellende (J.B., Verhalen 2006-2009)
|
Ellende
Vsevolod Mikhailovich Garshin's vader was militair en pleegde zelfmoord in het bijzijn van zijn zoon, die toen zeven jaar oud was. Garshin zelf was pacifist maar ging niettemin vechten aan het front, kwam zwaar gewond terug en schreef later dan een twintigtal schitterende kortverhalen. Op zijn drieëndertigste pleegde hij op zijn beurt zelfmoord door van de vijfde verdieping van een trappenhal naar beneden te springen. Ernest Hemingway, de auteur van het prachtverhaal De oude man en de zee, pleegde zelfmoord met zijn eigen jachtgeweer. Er wordt gezegd dat hij in zijn familie de vijfde in het rijtje was om dat te doen. De beroemde Virginia Woolf vulde naar verluidt haar jaszakken met stenen op en sprong daarna in een rivier. En als men op Google naar artiestenlevens hengelt, kan men nog urenlang op deze wijze doorgaan.
Een lugubere onderneming, kan men zeggen, maar wie op de een of andere manier in het land van de ellende terecht komt, kan uitgerekend daarin veel troost vinden. Wonden genezen vanzelfsprekend niet in gevolge de bezichtiging van nog grotere wonden, maar niettemin blijven de Fransen zeggen: "Mal de voisin réconforte et même guérit." Want het ergste aan ellende is misschien wel dat men zich daarmee alleen waant. Ontegensprekelijk zijn slechts weinigen bereid om in de ellende van anderen te gaan delen, en daarom sluit elkeen er zijn ogen voor. Maar de struisvogelpolitiek die zegt dat ellende niet bestaat, houdt het precies zo lang vol totdat de ellende aan de eigen deur klopt. Op dat moment is men wel gedwongen om van strategie te veranderen en in plaats van de ogen ervoor te sluiten, gaat men de ellende nu opzoeken om met zijn ellende niet langer alleen te zijn. Het is uiteraard een gemene truc als men andermans miserie opzoekt - niet om te proberen hen daarvan te bevrijden, doch om ze te baat te nemen. Maar sommigen houden vol dat dit werkt.
Aan de essentie van ellende valt vanzelfsprekend helemaal niets te verhelpen, want ellende is per definitie een toestand waar geen kruid tegen gewassen is. Ik weet niet of het etymologisch hout snijdt, maar het lijkt wel zo te zijn dat het woord 'ellende' de woorden in zich heeft van 'el' of 'elle' - een oude lengtemaat waarbij de elleboog, of beter de ellepijp, diende als meetinstrument - en 'ende', wat 'einde' betekent. Ellende is dan een nare toestand waarvan het einde ellen ver is en nog lang niet in zicht komt: er komt géén einde aan ellende. Hierin onderscheidt ellende zich dan ook van bijvoorbeeld verdriet, dat door de tijd geheeld wordt omdat verdriet geen echte bron heeft. Ellende heeft wel een echte bron, in dat opzicht vergelijkbaar met een waterbron die haar specie ook gestaag blìjft voortbrengen.
Een sterfgeval brengt verdriet, maar het sterven zelf sleept niet aan: de dood komt en gaat en mettertijd slijt het verdriet en gaat men enigszins in het verlies berusten, ook al kost dat vaak vele jaren van geduld. Maar wie bijvoorbeeld door onvoorzichtigheid het ongeluk of de dood van een ander veroorzaakt heeft, die kent ellende omdat - én zolang als - de bron van het ongeluk waarmee hij dan immers zelf samenvalt, blijft bestaan. Ellende verdwijnt niet tenzij met de dood van de ellendige zelf die daarom perfect met zijn ellende samenvalt, en dan moet hij bovendien nog hopen dat de dood in staat zal zijn om af te breken wat het leven deed voortduren. Wie immers durft te beweren dat onze geest niet verder blijft bestaan, al was het maar om de lasten die erop rusten te blijven torsen? Want hoe dan ook moet ìemand ze toch torsen. Mevrouw Vermeulen slikte zopas haar tand in - een prothese, een voorlopige prothese eigenlijk. Of beter: zij gelooft dat ze haar prothese ingeslikt heeft, want na haar ontbijt heeft zij in haar spiegel het zwarte vakje van de ontbrekende tand aanschouwd, ze heeft eraan gevoeld en ze heeft inderdaad de beruchte leegte op dat plekje kunnen vaststellen. Onwillekeurig deed het haar denken aan een rijhuis, onverwacht gesloopt: men staat des morgens op, men haalt een brood om de hoek en men ziet plotseling dat daar wat verderop een huis ontbreekt. Is het daadwerkelijk gesloopt of is het ingevallen? Was er dan niet een lichte aardbeving vannacht? Lag het huis al langer plat en werd het alleen niet opgemerkt? Behalve misschien vanwege haar prijs, heeft de prothese met het huis helemaal niets gemeen, maar de prijs volstaat voor het spontaan tot stand komen van de vergelijking in de geest van mevrouw Vermeulen. Verder valt er met het steengruis van de sloop niets meer aan te vangen terwijl daarentegen de tand nog heel moet zijn en dus recuperabel. Mevrouw Vermeulen heeft dan ook haar bed al helemaal afgestroopt, zij heeft verwoed gezocht tussen de lakens en ook onder het bed, in de tapijten en in de vacht van de schapenvellen. Vervolgens heeft zij grote inspanningen gedaan in een poging om zich te herinneren wat ze precies heeft waargenomen in de tijdspanne tussen het wakker worden en het ontbijten. Heeft zij in de spiegel gekeken? Waarschijnlijk wel. Heeft zij daarbij haar gebit bekeken en de nu ontbrekende tand gezien? Maar dat herinnert ze zich helemaal niet! Als men opstaat, dan doet men alles routineus, en dat is zeker het geval als men al wat jaren heeft; hoe dan kon men in die omstandigheden gedetailleerde waarnemingen doen? Neen, zij had die tand zeker nog in, anders was het haar beslist opgevallen. Het ongeluk moet zich voltrokken hebben tijdens het ontbijt. Ik eet immers brood van meel met daarin allerlei brokjes, zo realiseert zich mevrouw Vermeulen nu: zonnebloempitten, maanzaadjes en dies meer. Op die zaadjes kauw ik niet, en zo is de prothese erin geslaagd om zich onopgemerkt een weg te banen, prompt doorheen het keelgat. En zij herinnert zich nu een voorval met haar moeder, een gebeurtenis van vele jaren geleden. De moeder van mevrouw Vermeulen moet toen ongeveer haar huidige leeftijd hebben gehad, en dat wil zeggen tachtig jaar. In die tijd kregen de mensen nog slechte tanden ten gevolge van minuscule kiezeltjes die in het meel belandden tijdens het malen van het graan met reusachtige molenstenen. Het tandglazuur verging alras en het gebit rotte weg. De malaise was algemeen en de staat zette een campagne op touw: alom ten lande deden grote tandartsen-autobussen de gemeenten aan, en elkeen liet er al zijn tanden trekken, in de hoop na enkele weken te kunnen pronken met een jeugdig ogend gebit. Een vals gebit weliswaar, dat soms minder goed paste in de mond en dat soms niet aan het gehemelte wilde blijven plakken. Zodat het gebit eigenlijk slechts werd gedragen voor de duur van eens een avondje uit. En het was na zo'n avondje - haar wekelijkse kaarting in de bejaardenclub - dat de moeder van mevrouw Vermeulen een trappist was misvallen. In die tijd immers konden op de bodem van het flesje van het nog artisanaal gebrouwen bier van hoge gisting dat door de huisdokter zelf werd aanbevolen tegen allerlei ouderdomskwaaltjes, nog aardig wat slakken zitten. Het was dus na haar thuiskomst van zo'n kaarting dat zij zich in zeven haasten naar het toilet begeven moest, alwaar zij zich moest neerleggen bij een kotspartij waarbij het half verteerd trappistenbier op zijn terugreis naar buiten vergezeld werd van een nog nagelnieuw en peperduur gebit. Een nog haastige grabbelreflex schoot helaas net wat tekort om het kleinood te redden van een gewisse val in een wel bijzonder onherbergzame diepte. Men dient immers te weten dat de toiletten uit die tijd nog enigszins verschilden van onze moderne WC-potten. Om te beginnen bevond het toilet zich toen buiten in een hokje op de koer, en dat was niet zonder reden: het toilet was immers gebouwd bovenop de beerput in de tuin. Van sifons was nog lang geen sprake en de uitwerpselen, de kots of eender wat dat in het toilet gedeponeerd werd, belandde rechtstreeks - en dat wil zeggen: in vrije val - in de beerput daaronder. Met pijn in het hart herinnert zich mevrouw Vermeulen hoe haar moeder die nacht grotendeels moet hebben doorgebracht in volstrekte eenzaamheid in het 'vertrek', zoals het WC-hokje werd genoemd. Niet omdat ze al die tijd onpasselijk zou zijn geweest of dronken, want toen zij haar fortuin de dieperik zag ingaan, was ze rap nuchter, al tastten haar handen nog een tijdlang en wanhopig achter haar lippen in de lege holte van de mond, wellicht vooralsnog in de schriele hoop dat dit verlies een droom moest zijn geweest. Met een lange stok dan maar, aan het uiteinde waarvan een reusachtige, smeedijzeren lepel vast hing - een tuig dat 'beerloeder' heet en dat werd gebruikt om te 'beren', wat wil zeggen: 'aal scheppen' - poorde zij nog urenlang in de put en inspecteerde ze bij het ophalen telkenmale nauwkeurig de inhoud van de lepel, in de hoop daarin haar fortuin aan te zullen treffen. Met behulp van haar kleinzoon die haar nochtans plechtig had beloofd het voorval te zullen verzwijgen, werd het gebit tenslotte opgevist. De moeder van mevrouw Vermeulen was blij omdat het niet één barst vertoonde; zij schrobde het schoon met zeep en ging er de week nadien alweer mee kaarten alsof er geen vuiltje aan de lucht was. Mevrouw Vermeulen is haar prothese kwijt maar, het voorval van weleer met haar goede moeder indachtig, weet zij het alras te relativeren en zij besluit dat het niet meer is dan een heel klein ongelukje. Wat haar moeder mee moest maken daarentegen, had een ietwat tragischer karakter. Vele eenzame uren in de nacht, gebogen over een stinkende beerput, had zij ervoor over om te voorkomen dat men over haar gezegd zou hebben dat zij wellicht een glas teveel gedronken had, dat zij gulzig was geweest, onvoorzichtig, dronken of zelfs spilzuchtig - uitgerekend zij, die zich in de ellendige oorlogsjaren letterlijk het eten uit de mond spaarde om haar kleine kinderen nog iets toe te kunnen stoppen, met het gevolg dat zij bij de bevrijding nog amper veertig kilogram woog. Maar dat alles had niét kunnen voorkomen dat haar jongste meisje kroep kreeg en prompt stierf, geen zeven jaar oud was zij, en met man en macht hebben ze moeder toen in bedwang moeten houden daar zij steeds herhaalde dat haar dochtertje nog veel te klein was om te worden begraven en dat zij beter nog een poos in haar bedje bleef. Niettemin God weet dat zij geheel onschuldig was, hebben de zelfverwijten de jonge moeder een lange tijd ergens op de grens gebracht tussen, enerzijds, de heldere werkelijkheid en, anderzijds, een land van alleen maar duisternis en mist. En zij is - uiteindelijk - uit de mist teruggekeerd, maar mét een ellende die nog onverminderd daar was op haar sterfbed, en die misschien nog voortduurt in het graf - wie zal het zeggen? De moeder van mevrouw Vermeulen is niet van de vijfde verdieping van een trappenhall naar beneden gesprongen. Zij heeft zichzelf ook niet neergeschoten met een tweeloop en ze is niet, de jaszakken gevuld met zware stenen, in een rivier gesprongen. Zij zag van dit alles af omdat zij meende te weten dat ook de dood een mens niet kan ontheffen van zijn schulden, aangezien hij op het einde van de tijden verwacht wordt bij het oordeel, als de laatste bazuin zal schallen, de zerken open zullen worden gegooid en de doden, zoals immers beloofd werd, zullen verrijzen. De moeder van mevrouw Vermeulen heeft de gedachte aan de dood nimmer kunnen vereenzelvigen met een of andere vorm van bevrijding: sterven was voor haar een straf, net zoals lijden, en dood-zijn was een voorlopige toestand in afwachting van een eeuwig leven, hetzij in de hemel, hetzij in het eeuwige vuur. Niemand heeft haar ooit af kunnen brengen van de verschrikkelijke overtuiging dat zij schuld had aan de kroep van haar klein dochtertje, want als niet zij de schuldige was, wie dan wel? En zo leefde zij sindsdien een leven van ellende, en stierf zij tevens een ellendige dood, zonder een andere uitkomst dan het eeuwige vuur van een nog ellendiger hel. Mevrouw Vermeulen overdenkt al deze dingen in de tandartsenstoel en de dokter aan wie zij het verhaal van haar ingeslikte prothese heeft verteld, glimlacht er nog om terwijl hij aandachtig bezig is met het boren van een gaatje in haar kaaksbeen voor de inplanting van een nieuwe tand. Het zijn, alles samen, een viertal operaties en met de opbrengst van die klus zal zijn zak geld alweer wat zwaarder wegen. "De armen zeggen wel dat ge uw fortuin niet mee kunt nemen in uw graf", zo zegde hem zijn moeder altijd toen hij nog studeerde, "maar dat is een troost zoals een andere." Hij bleef maar aan die woorden denken, en hij herinnerde ze zich nu weer, alsof zij hem had willen duidelijk maken dat de armen het bij het verkeerde eind hebben, en dat men zijn rijkdom wél kan meenemen over de grenzen van dit leven heen - alleen was hij misschien nog steeds niet rijp genoeg om de wijsheid van wat zij hem had toevertrouwd, helemaal te kunnen bevatten. "Men moet een mens zijn troost niet ontnemen", zegde zij, "en bijna niets kan een mens meer troost bieden dan een gaaf gebit, ook al is het vals". En was het dan geen diepe wijsheid als zij daar liet op volgen: "Of een gebit echt is of vals, doet immers niet ter zake, want wie verkiest geen vals gebit dat bijten kan boven een echt dat alleen maar pijn doet? En zo kunt gij de armen twee keer troosten: eenmaal met een vals gebit en andermaal met de overtuiging dat men zijn fortuin niet meeneemt in zijn graf". In een afgrond of in het water springen of zichzelf door het hoofd schieten zijn niet de aangewezen manieren om zich te ontdoen van "het leven dat we allen moeten doorstaan", zoals een wijs dramaturg het ergens verwoordt, met een klemtoon op dat 'moeten'. Waarschijnlijk is het zo dat iederéén zonder uitzondering zich van het genoemde "moeten" wil ontdoen en, verder, dat de vlucht in de droom daartoe wellicht de meest gelukkige weg is. Een mens kan immers veel missen, maar neem hem zijn dromen af en hij wil niet meer leven! Ja, deze gedachte is niet nieuw meer in haar eigen hoofd en zonder enige twijfel heeft ze al in vele andere hoofden rondgewaard want het is een ware gedachte: een leven zonder droom stelt blijkbaar helemaal niks meer voor en blijkt niet eens de moeite om geleefd te worden - het is daarentegen een foltering! Een gedachte die nog lang niet is uitgeput... Bedenk eens hoe diep zij is, en wat voor consequenties zij dan heeft, want houdt zij niet in dat een haast toevallig bijverschijnsel van de vele werkingen van een levend organisme, de enige bestaansreden van dat organisme vormt? Minder nog dan een schaduw zijn onze dromen vergeleken bij ons leven - zo onecht, zoals iedereen zal beamen - maar welk wezen vindt zijn bestaansreden dan in het bestaan van zijn eigen schaduw? "Ik leef, maar dat heeft geen enkel belang, geen enkele zin. Mijn enige en echte levensdoel is de productie van een eigen schaduw! Een schaduw is volstrekt immaterieel, zegt gij? Het is inderdaad waar dat ge hem niet kunt oppakken, opvouwen en in een doosje stoppen. Maar of hij daarom onbestaand is, durf ik niet te zeggen. Meer zelfs: als ik geen schaduw meer heb, dan vind ik dat ik er beter ook zelf niet meer ben!" - Wie heeft ooit een weldenkend mens zo'n woorden horen spreken?! En toch blijken zij de waarheid te bevatten en niets dan de waarheid! Dromen immers zijn nog onwerkelijker dan schaduwen. Ellende is daarom uiteindelijk alleen daar, waar de dromen hebben opgehouden. Omdat ze verbannen worden, of om welke reden dan ook. Het leven dient daarom met dromen te worden volgesponnen. Dromen, ze zijn inderdaad zoals spinrag. In hun fijne webbenweefsel dat lang niet meer van stof is, blijven niettemin soms dikke en voedzame vliegen haken die zich dan uit de dromen niet meer ontwarren kunnen en die aldus zichzelf inspinnen en zoals poppen worden. In tegenstelling tot de dromen waarin zij zich op hun beurt ingenesteld hebben, zijn zij wél van vlees en stof, en aldus voedzaam voor al wie zich zo'n webben dromen. Eigenlijk zijn het allerminst vliegen die in onze dromen blijven haken: het zijn daarentegen vaartuigen van een bijzonder kunstige makelij, die uit een veraf gelegen wereld geconcentreerd voedsel aanbrengen, vele keren krachtiger nog dan biefstuk is of vis. En met de kracht die zij beloven, moet men weer nieuwe dromen spinnen, en nooit mag men ophouden met het spinnen aan de dromen: het moet de allereerste wet zijn van het leven, dat men dromen weven moet, want alleen zij geven soelaas tegen de ellende. Dromen zijn gelijk stegen waarin men wandelen kan, ver weg van de harde snelwegen. Dromen zijn kaartenhuisjes, in een handomdraai staan ze daar, en zij maken geen slachtoffers als de aarde beeft en als dan alles wat uit beton is, doodt al wat er onder zit. Dromen zijn gelijk een vals gebit waarmee men niettemin bijten kan, of ze zijn gelijk een spreuk die ondanks alle armoede troost kan brengen. De oude man en de zee is een droom die aan eenieder die dat wenst, voor de duur van een paar uren onderdak verschaft en beschutting tegen de ellende. Elk kortverhaal van Garshin is een droom en daarom ook een zeer kostbaar geschenk, alleen kon hijzelf blijkbaar niet snel genoeg dromen, zich niet diep genoeg inwikkelen in het kluwen van zijn woorden, zich er niet terdege in verliezen, omdat teveel ellende gauw weer ontbond wat hij nog zo vernuftig en snel samenstelde. Virginia Woolf trachtte zich in de golven in te spinnen, in hun beweging, in de cadans van hun slag, in hun muziek en tenslotte in de zware koelte van het water en, geholpen door jaszakken vol stenen, slaagde zij ook in haar opzet en zodoende was ook voor haar de gelukkigste weg - die van de droom - niet weggelegd; ook in haar geval haalde een ontbindende ellende de nochtans vernuftige spinsels van vele kunstige dromen in, en zag zij zich genoopt om een verterend vuur met heel andere middelen dan met de droom te doven. Wij weten dat er met de ellende van de wereld iets gaande is dat zich ergens zal laten verwoorden in een wet, vergelijkbaar met de wet van de entropie. Ergens weten we ondanks alles dat de ellende slechts kan toenemen en dat haar toename de eigenlijke reden is voor de explosie van de droom, welke wij geheel verbloemd voor werkelijkheid houden, zodat we spreken van de wetenschap, van de explosie van de cortex, of van de vooruitgang in het algemeen. Wij weten wel dat deze dingen slechts dromen zijn die voorthollen zoals een meute, op de voet gevolgd door een lavastroom, ontsnappend uit een uitbarstende vulkaan. Wij weten het en wij trachten dit weten met een niet willen weten ongedaan te maken, in de blinde hoop dat, uiteindelijk, het willen het zal winnen van het weten. (J.B., Verhalen 2006-2009)
Jan Bauwens, "Het eeuwige vuur en andere verhalen", Serskamp 2014, 676 pp., geïllustreerd: https://www.boekenbestellen.nl/boek/het-eeuwige-vuur-en-andere-verhalen-geillustreerd/10812 |