Naar de inhoud

Tisallemaiet

Deze blog beoogt een duplicaat en/of een voortzetting van de blog Tisallemaiet (https://www.bloggen.be/tisallemaiet) - © J. Bauwens, Serskamp
akke.beakke.be
Deze blog beoogt een duplicaat en/of een voortzetting van de blog Tisallemaiet (https://www.bloggen.be/tisallemaiet ) - © J. Bauwens, Serskamp

De innerlijke mens en de pens

 

De innerlijke mens en de pens

Op de keper beschouwd moeten al wie om welke reden dan ook naar de marge van de samenleving worden gewerkt, wel heel veel missen maar anderzijds blijven zij wel gespaard van de vracht aan illusies waaronder wie er warmpjes geloven in te zitten, helemaal bedolven worden. Het comfort erbij te horen is weliswaar allerminst illusoir omdat het te maken heeft met zelfbehoud, ontwikkelingskansen, welvaart en geluk maar er zit ook een vals gevoel aan vast dat menigeen op het verkeerde been zet en dat heeft alles te maken met het voorwaardelijkheidskarakter van dit deelgenootschap.

Als je een westerling bent met een witte huidskleur en in een witte buurt woont zonder allerlei verstoringen, als je gezond bent en je hebt een job en ook wat geluk met het gezin, als je autootje afbetaald geraakt en je vakantie en je wordt niet aangevallen enzoverder enzovoort, valt je alras een samenhorigheidsgevoel te beurt. Samenhorigheid met meer bepaald alle anderen die eveneens op de hier opgesomde troeven kunnen bogen want het gevoel tot een gemeenschap te behoren omvat tevens de kennis van het feit dat elke gemeenschap grenzen heeft en dat men er binnen en niet buiten valt omdat men voldoet aan zekere voorwaarden die men lang niet altijd te kiezen heeft. Wie er warmpjes in zaten doch door het noodlot werden verrast, kunnen over de genoemde voorwaardelijkheid getuigenis afleggen: het volstaat dat men, zoals vandaag zovelen, zijn job verliest, dat men ernstig ziek wordt of dat men zoals iedereen die dat geluk heeft, gewoon oud wordt, om te kunnen ondervinden dat het been waarop men rust, inderdaad het verkeerde is.

Als men niet langer voldoet aan de voorwaarden die toegang geven tot de voorrechten die het gevoel van erbij te horen, teweeg brengen, kan men niet langer ontkennen hoe dit 'erbij horen' geen vanzelfsprekendheid is, geen natuurlijke toestand en ook geen recht: het is een constructie met een bijzonder voorwaardelijk en tijdelijk karakter, tevens grotendeels bepaald door de lotto van het leven. Het is weliswaar niet zo dat geld gelukkig maakt maar een tekort aan middelen kan er wel voor zorgen dat men zich ongelukkig voelt omdat men niet samen hoort met de groep die het wat beter heeft: men moet dan inzien dat het samenhorigheidsgevoel dat men tot dan toe voor een immaterieel goed hield, louter koopwaar was, precies zoals het immateriële gevoel van eigenwaarde dat het bezit van een materiële sportauto begeleidt. Geestelijken, over wie men denken zou dat zij verstervingen doen en ontberingen lijden, eten prompt hun buikje rond met een grapje waarmee echter helemaal niet te lachen valt, namelijk dat ook de innerlijke mens versterkt moet worden: zij kennen het verband tussen de geest en de maag, om nog te zwijgen over het verband tussen de geest en de drank.

Die laatst genoemde samenhorigheid mochten we al bespreken in IJzeren logica met Omsk Van Togenbirger1 en het betreft hier het verband tussen de plicht van elke priester om dagelijks de heilige mis te vieren, waarvan de consumptie van een soeplepel alcohol deel uitmaakt, met de duizelingwekkende, door de clerus bedachte theologie van de katholieke kerk. Elke verslavingsdeskundige zal immers beamen dat wie dagelijks een slok van de genoemde harddrug tot zich nemen, een gigantische kans hebben om daarvan afhankelijk te worden met als gevolg een almaar toenemende behoefte aan het hallucinogene goedje dat de kerkdienaar eerst geestrijk maakt en hem het hemelrijk openbaart om hem in het navenante delirium tremens een oponthoud te verzekeren in de hel.

Het samenhorigheidsgevoel is koopwaar, het is een comfort waarvoor men aardig moet betalen en wie het geld missen, missen ook dat comfort. Maar het is even illusoir als een sportauto of een overmaat aan drank want er is geen andere band met degenen met wie men samen hoort te horen dan deze die steunt op een vergelijkbaar bezit. Het gevoel heeft uitsluitend te maken met de kuddegeest en derhalve met de slavernij die daaraan eigen is, zoals ook de afhankelijkheid van alcohol, van opium of, om de cirkel rond te maken, van opium voor het volk.

(J.B., 2 augustus 2026)

 

“I've got you under my skin”

 

“I've got you under my skin”

We willen dat de eetwaren die wij in de supermarkt kopen, goed verpakt zijn, dat geeft ons immers het gevoel dat er niets bij kan dat ze zou kunnen besmetten, met legionella bijvoorbeeld, of gewoon met het stof van de vloer. Waar we echter niet aan denken, is dat binnen de hermetische verpakking waarvan we de inhoud naar binnen spelen, zowat alles al aanwezig is om ons ziek te maken of zelfs te doden. Het gif komt het lichaam samen met het voedsel naar binnen zoals de desinformatie meereist met de informatie, zoals allerlei ongewenste plagen ons aandoen samen met de winst die goedkope werkkrachten opleveren of simpelweg zoals de keerzijde de medaille begeleidt. Na allerlei moeizame inspanningen om gezonder te eten en vergif te weren, ontdekken we uiteindelijk dat er geen echt ontsnappen aan het euvel is en leggen we ons er uiteindelijk gemakshalve bij neer: aan alles zit een keerzij vast zoals ook de dood vastzit aan het leven.

Thuis gearriveerd met de eetwaren, ontdoen we deze van de verpakking, door de band plastics, en die verpakking gaat in de blauwe zak die opgehaald wordt en getransporteerd naar een sorteercentrum dat zowat tachtig percent daarvan recycleert. De overige twintig percent belanden (bij elke cyclus opnieuw!) uiteindelijk via restafvalverbrandingsinstallaties met een hoge schouw in de lucht of komen in de oceanen terecht. In de twee gevallen eroderen de plastics tot minuscule deeltjes, nanopartikels, die de grootte hebben van de stofdeeltjes uit rook en die zich derhalve ongeremd verspreiden in de lucht, in het water en in de grond. Ook als we gaan resideren in de Alpen waar we alleen gezonde lucht ademen en als we ons drinkwater halen uit zuivere bronnen, zijn we niet veilig want de afvaldeeltjes reizen onbelemmerd door landsgrenzen of milieuwetten met het drinkwater mee, met de ademlucht en met de bouwstenen van elke plant en van elk dier dat van het gif verzadigd wordt, ziek wordt en voortijdig sterft: de planten, de dieren en uiteraard ook de mensen die aan de top staan van de voedselpiramide.

Het vuilnis in het drinkwater ontsnapt niet alleen aan ons oog maar voor een deel ook aan de filters die het moet passeren tussen omzeggens het Albertkanaal waaruit het wordt opgepompt en het kraantje in de keuken. Het vuil waarmee de lucht verzadigd wordt, nemen wij waar als het roet dat wij weliswaar van de ruiten kunnen wegspoelen maar niet uit onze longen: een long is een met haarvaatjes dooraderd doorlaatbaar vlies met een oppervlakte van zo'n honderd vierkante meter en in de longblaasjes wordt niet alleen de zuurstof opgenomen die wij geen minutenlang kunnen missen maar ook het roet dat aan de ruiten en de meubels kleeft. Het bloed vervoert vervolgens het roet uit de longen maar ook het vuil dat via het voedsel via de maag in het lichaam komt, zonder mankeren naar elk van onze twintig biljoen lichaamscellen. De cellen nemen de voedingsstoffen op maar ook het afval waarvan wij ons geloofden te bevrijden via vuilniszakken, waswater en hoge schouwen: ver weg is het dus niet, hier onder onze huid.

Het leven is niet dom: het recycleert wat goed is en filtert weg wat het kan missen maar omdat perfectie niet bestaat, stapelen zich alsnog resten op in de vuilnisbelten van het lichaam totdat het individu eraan kapot gaat. Maar voor het zo ver is, plant het zich voort: de nieuwe exemplaren zijn weer zuiver.

Of althans tot voor kort was dit zo, of ongeveer zo, want het vuil blijkt ook de genen aan te tasten en dat zijn de plannen voor de (her)opbouw van het wezen, de blauwdrukken voor de (re)constructie van mug, mus, muis en mens, het ontwerp van de dag van morgen.

(J.B., 2 augustus 2026)

Over de terroristische aanslag in Berlijn op 25 juli 2026 (vervolg 2)

 

Over de terroristische aanslag in Berlijn op 25 juli 2026 (vervolg 2)

Dat de massa de andere kant opkijkt waar zich onrecht voordoet, mag niet verwonderen aangezien massa's anoniem zijn en niet bestaan uit menselijke personen doch uit meelopers, individuen die blindelings het devies van hun leider volgen en tot robots werden door de danige hersenspoelingen: op bevel van hun meesters, nadat die hen hebben bewerkt met allerlei beschuldigingen en bedreigingen, begeven zij zich naar een of ander van hogerhand gefabrikeerd front om daar te gaan sneuvelen in de onmogelijke waan waarmee zij werden opgezadeld, namelijk dat zij aldus hun land dienen en hun naasten.

Maar niet alleen de massa kijkt de andere kant op: ook als zij dat doet, volgt zij alleen maar het voorbeeld van haar leiders die het voorstellen als een normaliteit, ja zelfs als een heilige plicht, om de pikorde te respecteren en alle onheil af te wentelen op Atlas, de verpersoonlijking van het leger van slaven, loonslaven en verdrukten die sinds het begin der tijden met hun leed het hemelgewelf moeten torsen en in de modernistische interpretatie, de wereldbol maar hoe dan ook de hele wereld. Als straf, zo leggen de heilige geschriften het uit, want als leider der Titanen stond Atlas op tegen de oppergod Zeus. De beruchte maar door de verdrukten gevierde rebellie kent haar evenbeelden in alle andere 'woke'-mythologieën, die immers het lamentabele karakter van het menselijk bestaan uitleggen als een penitentie voor de verwerping van de bevelen van hogerhand. Zo is er in de katholieke versie van het christendom de rebellie van oproerkraaier Lucifer tegen Jahweh die van zijn schepselen blinde volgzaamheid eist, ook deze die hij die bedeeld heeft met een vrije wil, namelijk de mensen, wat op de keper beschouwd wel een beetje sadistisch mag heten: men krijgt keuzevrijheid tegelijk met het gebod tot gehoorzaamheid. Maar op die manier wordt aan de volgelingen meegegeven dat zij alle kansen kregen doch dat ze die hebben verspild (door ze te gebruiken), waardoor niet alleen het onheil hen treft maar tevens de schuld daarvoor, wat de vermeende godheid van alle zonden vrij moet pleiten. Eveneens sinds het begin der tijden is de beschuldiging van de slachtoffers van het kwaad de tactiek bij uitstek die het de potentaten toelaat om met het onrecht lustig door te kunnen gaan.

De aanslag op de pride die het verzet symboliseert tegen het onrecht van de verdrukking van een seksueel gekarakteriseerde minderheidsgroep ligt in de lijn van het verzet van onder meer de zwarten tegen hun (nota bene andermaal ontegenzeggelijk in hoofdzaak katholieke) kolonisatoren, brandmerkers en uitbuiters, de (bij uitstek in de religies achtergestelde) vrouwen waarmee nog steeds handel wordt gedreven alsof het om objecten ging en sinds kort ook de onmondigen ingevolge allerlei vormen van invaliditeit waaronder de gemarginaliseerde leeftijdsgroepen zoals de (grootschalig door religieuzen misbruikte) kinderen en de ouderen die allang niet meer in de minderheid zijn maar die wel een zekere zwakheid delen die hen bijvoorbeeld belet om hun stem uit te brengen voor partijen die in het politieke veld hun rechten konden verdedigen.

Teneinde zich een beeld te kunnen vormen van de ernst van het onderhavige gebeuren van de aanslag, dient men zich voor ogen te houden dat de impact hiervan immens is terwijl dit meestal niet als zodanig geconcipieerd wordt. Men denkt immers alras dat het gaat om 'slechts' één geval van agressie tegen 'slechts' één of enkele personen en dit verhaal wordt ook wijd en zijd opgehangen door beleidslieden die zich aldus van hun verantwoordelijkheid trachten te ontdoen. Kijken wij hier opnieuw naar het voorbeeld van de laffe moord op veearts-keurder dokter Karel Van Noppen, dan kan niemand ontkennen dat één dergelijke moord volstaat om alle neuzen in dezelfde richting te krijgen, namelijk wegkijkend van het feit dat niet de wet, het recht en de orde regeren maar daarentegen het beestachtige winstbejag of het kapitaal: zij hebben het laatste woord, dat niet een woord is doch een gewelddaad, en dat zij kunnen bewerken dat voortaan elke arm der wet in dezer door die ene moord verlamd zal blijven, blijkt uit het feit dat alle alom te lande openlijk in de weiden uitgestalde vee, onverminderd opgeblazen staat van de hormonen.

Het euvel situeert zich in de angst en in de lafheid: quasi niemand durft het aan om zich (onbeschermd) uit te spreken tegen de geweldenaars omdat egoïsme en opportunisme primeren op algemeen belang en recht. Het is dan maar de tragiek en de paradox van het zogenaamde religieuze dat wie in de naam van de Waarheid rebelleren tegen wereldse machten, uitgerekend door hun (zelfverklaarde) navolgers in de burchten van hun instituten, die louter verzekeringsmaatschappijen zijn, worden verraden.

(J.B., 30 juli 2026)

Over de terroristische aanslag in Berlijn op 25 juli 2026 (vervolg 1)-

 

Over de terroristische aanslag in Berlijn op 25 juli 2026 (vervolg 1)

Religies mogen dan al hun aandeel in de verspreiding van aids ter discussie stellen, dat zij een hoofdrol spelen in de repressie van homo's en dat zij via die weg ook verantwoordelijk zijn voor de excommunicatie en de navenante uitbuiting van deze minderheidsgroep, zal door geen zinnig mens in twijfel worden getrokken. Op grond van relatief recente pauselijke uitspraken in de zin van “Wie ben ik om te oordelen over homo's?” kan men weliswaar tegenwerpen dat hier in de jongste decennia aan de minderheid in kwestie zekere tegemoetkomingen worden gedaan, maar uitspraken in de genoemde trend kunnen niet anders opgevat worden dan als sluwe zetten die erop gericht zijn om gevoelens van antipathie vanwege mensen met empathie voor andersdenkenden te onderdrukken in functie van het behoud van het klerikale miljardencliënteel want zij stellen inhoudelijk helemaal niets voor en als puntje bij paaltje komt, blijven de kerkelijke standpunten even ongewijzigd als de heilige en de dogmatische geschriften waaraan ze uitleg verschuldigd zijn en hetzelfde geldt voor de positie van de vrouw en voor alle andere thema's.

Homo's die zichzelf respecteren zitten overigens helemaal niet te wachten op 'strafvermindering' daar zij de autoriteit van hun onderdrukkers uiteraard radicaal afwijzen; niemand immers heeft het recht om de vrijheid van anderen op grond van een eigen volstrekt arbitrair mens- en wereldbeeld, wat het beeld van gelovigen in feite is, aan banden te leggen, om aan anderen mensenrechten te ontzeggen of om zichzelf voorrechten toe te kennen. Behalve opportunistisch zijn de genoemde lepe zetten vanwege de kerkleiding tevens bedoeld ter verdoezeling van het afschuwelijke kwaad dat haar discriminatie en haar demonisering berokkenen aan de LGBTQ+-gemeenschap en daardoor ook aan de hele maatschappij.

Laten we een ogenblik de abstracties achter ons en bekijken we de feiten, dan kunnen we er samen met de rest van de wereld van getuigen dat de klantenwerving, de acquisitie, de rekrutering van gelovigen, het proselitisme of nog, in de bewoordingen van de kerk zelf, het 'redden van zieltjes' onverminderd een bijzonder agressieve activiteit is gebleven. In de loop van de geschiedenis ging de zogenaamde kerstening of de christianisatie gepaard met onderdrukking, oorlog, bedreigingen en afpersing, zoals men zich herinnert uit de koloniale tijd, onder meer met de kerstening of beter de inlijving - en het tot lijfeigenen maken - van de autochtone bevolking van het Amerikaanse continent sinds de inval van Christoffel Columbus die zich behalve met conquistadores ook wapende met het beruchte 'requierimento' uit 1513, in casu een pauselijk bevelschrift tot onderwerping op straffe van verslaving en dit onder de argumentatie dat men aan de paus, daar hij de vertegenwoordiger op aarde is van de godheid zelf, gehoorzaamheid maar ook totale onderwerping verschuldigd is.

Edoch, zo mogelijk nog erger dan de historische agressies alom ter wereld, is het door de clerus aangewende psychologische geweld ter verknechting van haar aanhang, meer bepaald in en rond de praktijk én de theorie van de inlijving met als meest doortastende zet het zogenaamde doopsel, toegepast op mensen buiten hun eigenste medeweten om, daar zij op het ogenblik van het 'ritueel' amper hooguit enkele dagen oud zijn. Verzet vanwege degene die de handelingen ondergaat, is volkomen uitgesloten terwijl volgens de catechismus van de katholieke kerk de handeling van het doopsel een “onuitwisbaar merkteken” aanbrengt in de ziel (van de dopeling) zodat hier van mensenrechten nimmer sprake kan zijn.

Uitgerekend de executeuren van het geloof dat claimt het recht op leven van ongeborenen te verdedigen, zijn er als de kippen bij om van zodra de mens in kwestie de moederschoot verlaat, zijn vrijheid te fnuiken en zij doet dat met een vastberadenheid welke zich wapent met het verschrikkelijke dreigement aan het adres van de moeder en van de hele familie, dat wie weigeren om het hulpeloze kind aan deze praktijken over te leveren, verantwoordelijk zijn voor het verloren gaan van de betrokken ziel in het eeuwigdurende hellevuur. Immers, de clerus liegt de lichtgelovige wereld voor dat het ritueel in kwestie een duiveluitdrijving is. Het heuse exorcisme zou allernoodzakelijkst zijn omdat, krachtens een sprookje dat de kerk wereldwijd in onze universiteiten als een in haar door iedereen ernstig te nemen theologie ingebedde erfzondeleer weet te verkopen, verkondigt dat de mens door eigen schuld in de macht van de duivel gevangen zit.

Edoch, terwijl de kerk middels de genoemde tactiek principieel elke mens op aarde en feitelijk zowat een derde van de totale wereldbevolking in haar greep heeft, slaagde zij er tot voor kort ook nog in om de mensen in deze bij den bok gezette massa tegen elkaar op te zetten en wel door zekere minderheden (en ik wik en weeg mijn woorden) psychologisch te verminken en sociaal te vermoorden. Deze misdaad voltrok zich gepland uit het zicht van buitenstaanders en de enige getuigen waren, behalve de daders, de slachtoffers die in de onmogelijkheid werden gesteld om van de gruwel die zij moesten ondergaan, kond te doen. Hier volgt nog heel beknopt een schets van de tactiek die we elders al genoodzaakt waren te bespreken.

De katholiek en derhalve homovijandig opgevoede ouders van pubers met homofiele gevoelens gingen in paniek te rade bij de huisarts, die hen ervan verzekerde dat dit een zaak was van voorbijgaande aard. Echter, kort daarop maakte deze vertrouweling de puber onder vier ogen diets wat hem te doen stond om het 'schandaal' waaraan hij op dat moment zelf werd vastgenageld, te vermijden. Dat kon hij alsnog doen door zichzelf te verloochenen, door zich levenslang te onthouden, door alsnog in het huwelijk te treden zoals iedereen of door een roeping te veinzen. Met die laatste uitweg uit de schande deed de kerk prompt nog haar voordeel, wat blijkt uit het feit dat de homo-emancipatie gelijke tred hield met het achterwege blijven van de roepingen. Maar wat de betrokkene ook koos: hij kreeg levenslang met de veroordeling om zich voor te doen als iemand die hij helemaal niet was en die hij ook onmogelijk kon zijn, terwijl zijn gemoed werd aangevreten door de onverteerbare overtuiging dat hij slecht was en dat hij dit tot elke prijs diende verborgen te houden. Hij werd zoals men dat nu uitdrukt, in de kast gestopt en veroordeeld tot een dubbelleven wat er eigenlijk op neerkwam dat hij of zij als sociaal wezen levend werd begraven. Vaak werden geneesmiddelen voorgeschreven ter onderdrukking van alle menselijke gevoelens en werd chemische castratie toegepast, als al niet tot castratie zelf werd overgegaan, waarvoor men zich alhier wendde tot de in het Nederlandse Heiloo residerende dokter Aimé Wijffels, bijgenaamd de 'castreur'. De castratiepraktijk was gangbaar totdat omstreeks de jaren zeventig van de vorige eeuw hiertegen vanuit zelfhulpgroepen algemeen protest ontstond en de onmenselijke praktijken aan het licht waren gekomen.

Vandaag bestaat er geen excuus meer voor dergelijke misdaden en navenante wantoestanden maar het onverstand is hardnekkig: wars van ethiek maar ook van wetenschappelijkheid, verrijst de repressie alom in de vorm van allerlei overigens bijzonder gevaarlijke conversietherapieën en onder druk van religieuze maar ook politieke extremisten zouden zij floreren indien zij niet werden afgeremd door wettelijke verbodsbepalingen en aanzienlijke bestraffingen.

De promotie ervan is in handen van nitwits met poen, en kapitaalkracht is economische en derhalve ook politieke macht welke sinds oudsher samenzweert met religieuze potentaten. Waar machtsstructuren maken dat de top geen enkele voeling meer heeft met degenen die het eigenlijke werk verrichten, is alle empathie zoek en komen een soort van mensen uit de bus die zichzelf werkgevers noemen maar die in feite spelen met het leven van hun 'ondergeschikten'. Ze kunnen omschreven worden als kapitaalkrachtige megalomanen, rijk doch onderontwikkeld; lui wiens geld hen enige macht geeft maar die daardoor gaan geloven dat zij het recht hebben om naar willekeur over het leven van andere mensen te beschikken, wat overigens als normaal wordt beschouwd in tijden van oorlog – edoch, de oorlog is niets anders dan een verlengstuk van de (kapitalistische) economie.

Onderontwikkeld betekent ongenuanceerd, wat bijna synoniem is voor extremistisch en het is in deze middens dat men die lui aantreft die conversietherapieën promoten of dus met de medische wetenschap strijdige en experimentele pogingen gelijkaardig aan deze welke werden uitgeoefend in de concentratiekampen van de nazi's, om via allerlei conditioneringsmechanismen van homo's, hetero's te maken. De praktijken van samenzwering van deze schurken met de kerk zijn een historisch gegeven en uit de tweede wereldoorlog herinnert men zich van bij ons de kerkelijke propaganda via donderpreken voor de rekrutering van strijders aan het oostfront, in feite kanonnenvoer tegen de communisten: het ten bate van de kapitalisten in de frontstrijd gooien van jonge mensen die sowieso hun leven lang in fabrieken moeten slijten. Ook herinnert men zich hoe hoge functionarissen in de kerk er na de nederlaag van Hitler voor gezorgd hebben dat de kopstukken van het nazisme met hun misdaden konden wegkomen door voor hen een vrijgeleide te fabriceren naar het Zuid-Amerikaanse continent waar velen onder hen, onder de hoede van dictators, nog een rustige oude dag hebben gekend en soms zelfs konden doorgaan met hun wreedaardige experimenten.

Andermaal: excuses snijden allang geen hout meer en het enige correcte antwoord op de genoemde en nooit bestrafte misdaden kan alleen nog bestaan in de radicale afwijzing van de waanzin van alle religieuze instituten, een antwoord dat alvast verbeeld wordt in die kunst die nog maagdelijk is gebleven, die zich niet verliest in commercialiteit, onnozelheden en schijndiscussies over esthetiek en die haar maatschappelijke verantwoordelijkheid ernstig neemt: uiteraard wordt zij doodgezwegen door de kapitaalkrachtige burgerij en afgedaan als provocatie maar in het licht van de misdaden die zij aanklaagt, kan zij nooit genoeg shockeren.

 

3366843-1c0ae19de1c5055e0ac647ebae51225f.jpg

3366839-424e2afa6106cb08d247c6b58b31f945.jpg

(Illustraties: Kris Lippeveld.)

Met dank aan de kunstenaar

Het eigen lichaam van de kunstenaar is sowieso een medium of een instrument voor het doorgeven van zijn boodschap: de schilder en de pianist gebruiken naast hun hersenen en hun zintuigen vooral hun handen en de danser ontwikkelt voor zijn artistiek spel zijn hele musculatuur maar waar de kunstenaarshuid de plek inneemt van het canvas, kerft de artiest zijn ets op zijn vel, wat onvermijdelijk aan mutilatie doet denken of aan automutilatie. 

Martelaren gaan nog een stap verder, hun verminkte lichamen zijn de tekenen van hun getuigenis met als voorbeeld de vijf kruiswonden van de Heiland, die als stigmata opnieuw verschijnen op de lijven van zekere heiligen, al is het maar zeer de vraag of zij inderdaad de tekenen zijn van hun identificatie met het leed van de Verrezene ofwel of zij die middenin een psychose aan zichzelf toebrachten - niet ter verwerking van een psychisch leed doch om als held te kunnen scoren op de fora van de toenmalige (middeleeuwse) machtige religieus getinte saga's - onder meer de heilige pater Pio wordt daarvan verdacht, mede daar hij voorafgaand aan het verschijnen van de wondtekenen carbolzuur bestelde bij een apotheker alsook krachtige pijnstillers en hij is lang niet de enige gebleken.

Kunstenaars zijn evenwel geen martelaren maar waar zij het vanuit hun ethiek en verantwoordelijkheidszin opnemen voor wie onrecht moeten ondergaan, riskeren zij wel hun vel maar de motivatie voor hun handelwijze kan verschillen naar gelang de situatie. Waar zoals hier de religies worden geviseerd, heeft de artiest het over het door de kerk aangebrachte brandmerk waartegen hij het verzet op zijn borst laat tatoeëren om het niet langer als een doornenkroon te moeten meedragen in zijn hoofd en niet het doopsel wordt hier geviseerd: het onuitwisbare merkteken in zijn ziel is de door de katholieke excommunicatie aangebrachte wonde bij de puber die nog geheel weerloos zijn veroordeling aanhoort en die, zoals alle kinderen dat spontaan doen, het verdict vanwege zijn meerderen die verondersteld worden voor zijn opvoeding te ijveren, aanvaardt en in zijn hart sluit, waar het zich echter ontpopt als een traag werkend en bijzonder pijnlijk gif dat hem zal opvreten voor de hele duur van zijn verdere bestaan.

(J.B., 28 juli 2026)

























De molen (J.B., Verhalen 2006-2009)-

De molen

De dagen en de nachten begonnen langzaam maar zeker op elkaar te gelijken. De nachten geleken op de dagen wegens de eeuwig brandende lampen langs de autowegen en de straten. En de dagen geleken op de nachten omdat het nog amper klaar werd, nu het wolkendek zo gezwollen stond dat het zonlicht er nog nauwelijks doorheen scheen.

De wolken bleken bovendien niet samengesteld uit alleen maar water: volgens sommige berichten zou de lucht verzadigd zijn met welbepaalde scheikundige dampen en met chemische gassen waarvan de namen voor de meesten raadsels moesten blijven. De dampen hadden alleen een zeer specifieke geur - of beter: een stank - en een bruinachtige kleur die aan riolen deed denken, maar in analogie met geur en stank, bestaat er niet direct een woord voor afstotelijke kleuren. De stank echter was danig indringend dat hij, na korte tijd buiten, ook geproefd werd in de mond. Hoe dan ook ging stilaan niemand nog zomaar de deur uit: na een wandeling van amper een uur, kon men de smurrie van zijn kleren wrijven en het was eender of het nu regende of niet.

Het ergste was wel dat er geen proper water meer te vinden was: water werd als het ware gedistilleerd uit de vieze brij in de riolen die wegens de gifgassen nog nauwelijks als waterwegen dienst konden doen. Schippers droegen dan ook de klok rond speciale maskers. De waterzuivering was een moeizaam, langdurig en peperduur procédé waarvan het eindresultaat - drinkbaar water - het gevolg was van allerlei chemische toevoegingen en reacties. Verder dienden ook alle lichaamsvochten te worden opgespaard en ingezameld, omdat zij tenslotte, vergeleken bij wat de riolen konden bieden, relatief zuiver vocht opleverden.

De aanblik van het landschap was weliswaar bedroevend, maar op school leerden de kinderen dat zij zich daardoor niet moesten laten ontmoedigen en zij zongen:

Zijn de riolen dan vies en zwart en

Stinkt het sap uit de bergrivieren:

Rein is een fles distillaat van een kwart,

Zie de bodem van 't glas safieren!



Naarmate de dagen donkerder werden en het water zwarter, deed zich een verschijnsel voor dat niemand had verwacht: een onverhoopt fenomeen dat de duisternis van deze tijden voor velen weer min of meer draaglijk maakte. Terwijl het natuurschoon verdween en wellicht precies daardoor, kenden de kunsten een explosie als nooit tevoren! Ja, op een wijze die men zich nimmer had kunnen indenken, bleken zij ineens dermate verbeterd in kwaliteit, dat zij aan alle arme en verdorde zielen die injecties gaven die in de vroegere constellatie der dingen afkomstig waren van het natuurlijke licht van de zon, van de kleurrijke bloesems in de lente en van de muziek van de heldere waterfonteintjes. Kunstenaars, zij deden ineens gouden zaken!

De algemene toestand van het klimaat leek nu voorgoed gekeerd, en dat had talloze verreikende gevolgen waarop hier niet kan worden ingegaan. Pas in noodsituaties blijkt hoe groot het menselijke aanpassingsvermogen en de vindingrijkheid kunnen zijn. Maar slechts weinig te verhelpen was er aan de toename van de algemene vochtigheid.

In normale tijden en in draaglijke klimaattypen zijn droogte en vochtigheid gescheiden zaken. De gewassen, en ook de aarde zelf, dienen beurtelings droog en nat te zijn teneinde vruchten te kunnen voortbrengen. Maar als het vocht zich ten allen tijde manifesteert, en de aarde nooit meer droog en korrelig wordt, blijven de vruchten van de akkerbouw weg en gaan heel andere organismen kiemen: zwammen en schimmels komen als uit het niets te voorschijn: zij vormen witte stippen in de aarde, en geleidelijk manifesteert zich een weefsel van tentakels die dra overal liggen te zwellen.

Overal wil niet alleen zeggen: overal in de aarde. Want wat het klimaat doet met de aarde, het water en de lucht, dat doet het eveneens met het menselijk lichaam dat immers een natuur is in het klein, zoals ook alle andere levende organismen die even zovele microkosmossen zijn. We kennen het verschijnsel dat een plotselinge stortbui in de zomer, ook in het lijf onweer teweeg brengt en daar op meerdere wijzen vochtafdrijvend werkt. Zonlicht prikkelt de hypothalamus en wekt alle levende lijven op in de morgen, terwijl de duisternis in alle lichamen de slaap uitstrooit en de verwarring van de dromen. En zo ook heeft het vochtig worden van de hele aarde zijn onstuitbare invloed op al wat leeft.

Zoals het voortdurende nat in de aarde de zwammen doet woekeren, zo werkt datzelfde klimaat in op het vlees. Na korte tijd manifesteren zich symptomen die aan rheuma doen denken, en men gaat zich erover verwonderen dat deze ziekte ineens zo algemeen geworden is en dat zij niet langer enkel de ouderlingen aanvalt doch evenzeer de jeugd en zelfs de kleine kinderen. Zij liggen te woelen in hun bedjes als van een last die niet wijken wil, en die de knokkels opzet met vocht, zodat de huid zich spant en geel wordt, broeierig aanvoelt en koorts doet ontstaan waartegen geneesmiddelen maar weinig helpen. Steeds meer mensen brengen steeds meer uren van de dag door tussen vochtige beddelakens en de stijgende percentages van afwezigheden op de werkvloer zorgen alom voor paniek. De ziekenhuizen raken overbevolkt met mensen die lijden aan een resem van heel nieuwe aandoeningen die men nog niet duiden kan, maar die wellicht allemaal te maken hebben met die vooralsnog onnaspeurbare invloed van het weer. En dan begint het te dagen: het vlees van steeds meer mensen wordt dooraderd met een soort van stippen, slierten of tentakels die doen denken aan de zwammen die opduiken als uit het niets, eenmaal alles altijd om te natter is.

Radiologen brengen de slingers aan het licht: de zwammen die her en der tussen de botten woekeren. Met chemische cocktails worden de dendrieten te lijf gegaan, en ook met allerlei bestralingen. Maar hoe men ook zoekt en tracht: het gif van de cocktails tast ook de organen aan, en de stralen verbranden niet alleen de schimmels. Onderzoekers alom ter wereld geraken het er over eens dat de zwammen die op onze organismen parasiteren, veel sterker zijn dan die organismen zelf. Zoals zij in de eens zo vruchtbare aarde de gewassen opvreten en zelf alle plaats innemen totdat wat eens een aardappelveld was, nu is omgetoverd tot een grijze pap, zo ook zetten zij als het ware de gezonde lichaamscellen om in gisten die zich ongestoord uitbreiden.

Wegsnijden blijkt in de beste gevallen slechts uitstel van executie, want zwammen laten sporen los die zich laten meevoeren over alle akkers ter wereld, die stranden in alle gewassen en in de magen van allerlei organismen, en misschien reizen zij zelfs mee met meteoren naar het andere uiteinde van de kosmos, die wij zo graag 'onze' kosmos noemen, alsof hij speciaal voor ons was gebouwd zoals een huis dat is, of een fraaie tuin. Wegsnijden, met gif bestoken of met bestralingen verbranden: het zijn niet echt opties die aarde aan de dijk brengen, maar niettemin worden ze aangewend, heel eenvoudig omdat we nu eenmaal niet bij de pakken kunnen blijven zitten.

De laatste nieuwe behandelingen verschillen niet in werking van al de voorgaande: ze zijn alleen nog duurder. Maar haast niemand is er die ze niet proberen wil. In de universiteit van de hoofdstad werd een bestralingsmachine gebouwd van een heel nieuw type, ze heeft meer dan een miljard euro gekost. Evenmin als die van haar voorgangers, zorgen haar stralen voor het definitief verdwijnen van de zwammige slierten in het vlees: die komen terug, vrijwel onmiddellijk en ook in een veelvoud van het oorspronkelijke aantal. Het voordeel van de nieuwe machine is alleen dat zij haar stralen nauwkeuriger kan richten. Er wordt gezocht, hier onder de lamp: niet omdat het hier te vinden is, maar slechts omdat het hier heel wat klaarder is dan elders.

Een derde van de mensen heeft nu zwammen in het vlees, en geleerden stellen dat eigenlijk tenminste twéé derden van de mensen lijden aan die 'waterkwaal', alleen kunnen de sporen bij dat andere derde nog niet worden getraceerd. Vroeg of laat worden ook alle spoordragers ziek, en dienen zij te worden behandeld met chemo, met radio, ofwel met de twee. Stilaan maar zeker bevinden zich het merendeel der mensen in bedden, en zij worden door het overige deel naar de machines in de klinieken gebracht en daar dan weer weggehaald, totdat ook deze laatste optie als uitgeput wordt beschouwd. Tenslotte wordt er nog slechts gewacht op het einde - een activiteit die, gezien de omvang van de kwaal, bijzonder belangrijk is geworden.

Tijdens deze periode van wachten op het einde, tracht men nu de wachtenden daarvan te overtuigen om "door de molen te gaan". De lezer vergeve ons de uitdrukking, die slechts een soort van verbloeming is, verwijzend naar een speciaal procédé dat een zeer goed doel beoogt, met name: een poging tot het bieden van een substantiële bijdrage aan de oplossing van het ingevolge de algemene malaise nijpende voedseltekort.

Je kunt het vergelijken met het geven van bloed tijdens het leven, of met het afstaan van andere organen daarna - aldus hebben de reklaampjes het verwoord: met organen red je levens als je er zelf niet meer bij bent, en eigenlijk leef je dan voor een stukje verder met een ander mee. Heel wat doden leven op die manier in feite een tweede leven en, als ze verspreid zitten in meer mensen, een derde en een vierde... En of je nu een mensenleven redt met een orgaan of door het lenigen van enige andere nood, zoals bijvoorbeeld honger: het doet in principe niets af van de goedheid van de daad. "Mevrouw, mijnheer, wil jij niet door de molen gaan?" - het is een pertinente vraag geworden: "Wil er eens over nadenken, nu het nog kan; hier is alvast een foldertje. En als het u kan helpen om te beslissen, dan komen wij u graag eens halen voor een bezoekje aan onze fabriek. Geheel vrijblijvend!"

Iemand uit een heel ander land die van de zaak niets afwist, kon zeggen dat dit 'verhaaltje' van de molen al te gek was om los te lopen, maar wees daarvan verzekerd dat zelfs de ziekste dingen erin gaan als zoete koek, als ze maar lang genoeg worden herhaald. Op de juiste toon en door de meest geschikte voorbeelden weliswaar. Want wij, mensen, zijn groepsdieren, wat wil zeggen dat wij onze idolen zelfs tot in de meest absurde details gaan imiteren. En als dat zo is, dan hebben zij die de idolen maken, ganse volkeren in hun macht. Een clown op een straatfoor vertelde me eens: "Als de wereld vandaag zot draait, wees er dan van overtuigd dat dit het geval is omdat enkele mensen met heel veel macht onder elkaar weddenschappen voor vele miljarden aangaan over wat ze ons allemaal kunnen laten doen." En stel je eens voor dat die man nog maar de halve waarheid sprak. Als god niet bestaat, is immers alles geoorloofd... in de grote mensentuin.

Ik was kritisch, een ongelovige was ik, en ik heb altijd geweigerd om op de uitnodiging in te gaan. Ik maakte mezelf wijs dat het verzinsels waren, grapjes. Tot de dag dat ook hier voedselnood kwam. Ik kan u verzekeren: lang hebben we niet gewacht, mijn vrouw en ik, of ook wij zijn van de koekjes gaan eten. En ja, ze smaken ons! Men hoeft daar niet moeilijk over te doen, het is gewoon een zaak van solidariteit. Wij hebben nu getekend om, als onze tijd gekomen is, op onze beurt door de molen te gaan.

(J.B., 7 juni 2008 - J.B., Verhalen 2006-2009)

 

De heer die zichzelf in stukjes hakte (J.B., Verhalen 2006-2009)

De heer die zichzelf in stukjes hakte

U hebt het een eerste keer mis als u denkt dat dit verhaal begint met een mes dat wordt aangezet en meteen door het vlees kerft van een ‘auto-kannibaal’. En u hebt het een tweede keer mis als u gelooft dat u hier te maken krijgt met alleen maar een verhaal, al vertoont de aanvang ervan enige gelijkenis met het begin van een gewoon sprookje.

Laat ik beginnen met te zeggen dat er talloze mensen wonen in mijn straat – die dus niet alleen de mijne is – mensen die ik overigens van haar noch pluimen ken – de meesten van hen had ik tot voor kort zelfs nooit gezien, laat staan dat ik met hen ooit zou gepraat hebben. Maar bepaalde mensen vallen op. En als ik dat zeg, heb ik het niet over het uiterlijk dat ons – in de goede of in de kwade zin – flink parten kan spelen: ik heb het over het gedrag.

Niet zo lang geleden woonde in mijn straat een heer – intussen woont hij er natuurlijk niet meer – een heer van wie nu gezegd wordt dat hij zichzelf in stukjes heeft gehakt. En het zijn niet zomaar grappen of geruchten die de ronde doen: het nieuws wordt algemeen beschouwd als zijnde ernstig, en het feit dat nu vrijwel alle mensen die hier in de brede omtrek wonen, voor de allereerste keer hun buren aanspreken, liegt er niet om. Ja, de mensen houden elkaar in de gaten nu, ze kijken wie waar woont, en ze blijken elkaar algauw te herkennen: met een gespeelde toevalligheid treffen ze elkaar op de stoep en blijven daar staan praten, meestal ingetoomd of zelfs fluisterend. Niet voor tien of twintig tellen, maar vaak vele minuten lang, soms zelf uren aan een stuk, en omdat het hier vaak regent en de wind verraderlijk is, gebeurt het meermaals dat deze buren, ten einde hun verhaal af te kunnen maken, eventjes binnenspringen bij elkaar, gaan zitten zelfs, koffie drinken en koekjes eten, en van sommigen wordt zelfs gezegd dat ze bij elkaar zijn gaan logeren omdat het ‘eruit’ moest tot de laatste frase. Want het is inderdaad een lange en allerminst simpele geschiedenis welke nu de ronde doet, en men merkt ook dat men nog steeds gist naar het laatste uit de kan. De zaak is dat men pas echt zal weten hoe de vork aan de steel zit, als alle puzzelstukjes werden samen gelegd, en men weet hier ook heel goed dat op de tong van elkeen die hier woont of gewoond heeft, zo’n puzzelstukje gereed kan liggen, misschien wel het ultieme stukje dat de hele zaak klaar en duidelijk zal maken.

Een mens met enige wetenschappelijke aanleg, zoals er beslist ook wel enkelen in mijn buurt wonen, kon denken dat de zaak onmiddellijk en doeltreffend kon opgelost worden door op een afgesproken tijdstip een buurtvergadering te plannen en de dingen welke dus gaande zijn, daar te bespreken: het zou amper enkele minuten vergen om voorgoed duidelijkheid te scheppen voor iedereen. Maar wie daarentegen wat ervaring heeft in de zaken ‘des menschen’, weet heel goed dat zulks een bijzonder naïeve illusie is. Te meer daar het hier gaat om een geval dat zich kennelijk nog nooit voordien zou hebben voorgedaan. Op de koop toe is het onderwerp dermate delicaat, dat het niet anders dan via allerlei sluwe en listige omwegen enigszins – en ik zeg wel duidelijk enigszins – benaderd kan worden.

De naam van de heer in kwestie is voor allen die hier wonen onbekend gebleven… totdat hij op die bewuste ochtend in de krant verscheen. De naam stond in een zinnetje onder een foto van het huis – ja, dat huis in onze straat – waar hij dus woonde. Uiteraard werd het huis door alle buurtbewoners die de krant lezen, meteen herkend, en de historie welke de bewuste foto in de krant omkringelde, was dermate shockerend dat plotseling menigeen, met de krant in de hand, zich ter plekke kwam vergewissen van het feit dat het inderdaad dit huis, hier in deze buurt betrof en geen ander dat er enigszins kon op gelijken. Zelfs het artikel dat verslag uitbracht van de feiten was dermate ongewoon dat de journalist die het schreef, het niet anders durfde te signeren dan met een hoofdletter X gevolgd door een punt met, tussen vierkante haakjes – klaarblijkelijk om de laatste moeilijkheden te vermijden – de supplementaire instructie dat het hier geenszins een initiaal betrof.

Hoewel de naam van de heer eigenlijk niet ter zake doet, moet toch worden vermeld dat hij een anagram vormt van een andere naam die ik liever onuitgesproken laat – de gelegenheid zal zich misschien voordoen dat ik het een ander kan laten zeggen – een woord die sommige mensen in deze context nooit over hun lippen zouden willen laten komen, ook al kregen ze een som toegestopt die ze met een heel leven van hard labeur nooit bijeen konden sparen. Op zich heeft het vanzelfsprekend helemaal niets te betekenen als je naam een anagram is van – ik zeg maar wat – ‘clown’ bijvoorbeeld, maar in dit geval was toeval volkomen uitgesloten, en daarover was iedereen het roerend eens. Zelfs professor V. – een van de meest erudiete humanisten die deze stad ooit gehuisvest heeft – een man naar wiens mening door alle respectabele nieuwszenders met de grootste ijver wordt gehengeld van zodra zich een onverwachte of een onregelmatige gebeurtenis voordoet in het land of zelfs op wereldschaal, zou met een beamende knik aan een vertrouweling hebben bevestigd – weliswaar op een moment dat niemand toekeek – dat in dit geval de gedachte aan toeval alleen maar van volstrekte, maar dan ook volstrekte onwetendheid kon getuigen. Als men bovendien in acht neemt dat de genoemde professor een van de grootste bestrijders is van het bijgeloof, spreekt de zaak voor zich. Maar tot zover voorlopig dit ‘detail’.

Ik wil u, beste lezer, niet nodeloos op uw honger laten, doch geef mij de tijd om de omstandigheden te beschrijven die een goed begrip van de kwestie mogelijk moeten maken, want een goed begrip is wel het minste wat vereist wordt om de zaak te kunnen verstaan – tenminste in zoverre zij te verstaan is. Tot heden is de hoger genoemde geleerde kennelijk de enige die de zaak inderdaad verstaan zou hebben, al blijft het geheel onduidelijk waarom hij ze dan niet publiekelijk uit de doeken doet. Door sommigen wordt gezegd dat V. momenteel een boek over het raadsel voorbereidt – een werk dat reeds in september op de markt zou komen, maar de betrouwbaarheid van deze informatie kan sterk in twijfel getrokken worden. Anderen gewagen van een televisie-uitzending die er beslist zal komen na de afronding van het onderzoek, maar ook hier vraagt men zich af hoe een dergelijke historie dan gebracht zou kunnen worden, delicaat als ze is, zoals reeds gezegd, en vol ‘weerhaken’, zoals velen het reeds hebben verwoord.

Laat ik beginnen met te zeggen dat de heer in kwestie door iedereen beschouwd werd als een dubbelganger van een befaamd heerschap wiens identiteit ik hier in het midden moet laten: een ‘mislukte’ dubbelganger eigenlijk, want de betreffende gelijkenis was niet echt overtuigend. Totdat tenslotte sommigen begonnen te beweren dat de heer zelf altijd alle moeite van de wereld deed om die gelijkenis, die volgens hen onmiskenbaar was, voor de buitenwereld te verbergen. Niet zonder reden, zoals uiteindelijk zou blijken, want vanaf een bepaald moment begon de belangstelling voor de heer plotseling toe te nemen, en doken vreemdelingen in keurige pakken in het straatbeeld op, die kennelijk met geen andere bedoeling daar waren dan om het huis te observeren en met zijn bewoner te ‘onderhandelen’ – malafide heren, zoals elkeen wel zal verstaan. Te laat, zoals weldra zou blijken: hij was hen te vlug af geweest.

Om een lang verhaal kort te maken: in de geheime gesprekken welke intussen stilaan tot de publieke geheimen zijn gaan behoren, wordt er kennelijk vanuit gegaan dat de heer niet een mislukte dubbelganger van het niet nader te noemen hoog geplaatste heerschap was: hij zou daarentegen dat heerschap in eigen persoon zijn. Of beter: geweest zijn – zo zou men het althans kunnen zeggen. Hij hakte zichzelf immers in stukjes. Neen, neen: de kranten schreven dat hij in stukjes werd gehakt, natuurlijk. Maar iedereen weet dat als hij in stukjes werd gehakt, dat dan hijzelf en niemand anders de dader moet zijn. De mensen beamen in koor dat de man in stukjes werd gehakt, en ze geven elkaar ook openlijk te kennen hoe erg ze dat wel vinden, doch tegelijk zoeken zij in het geheim elkaars gezelschap op om met grote ijver al die stukjes weer aaneen te lijmen, en zo reconstrueren ze in het volstrekt ongeziene en al fluisterend een niet zo fraai en zelfs afschuwelijk personage… dat nochtans geregeld op het scherm verschijnt en blijft verschijnen om vanuit zijn functie de hele bevolking met moreel hoogstaande principes om de oren te zwaaien. Of de ‘roddelaars’, zoals men hen wel eens noemt, het werkelijk bij het rechte eind hebben, zal wel niemand ooit met zekerheid weten, tenminste niet wanneer hij niet zelf in die buurt woonde ten tijde van de feiten. Want feiten verjaren en ’s mensens verhalen gaan op den duur een eigen leven leiden: verhalen verdelen zich in onderling gelijkende verhalen – die als het ware elkaars dubbelgangers zijn – sommige al gelijkender dan andere, sommige ook slaan moedwillig eigen wegen in, en op den duur gelijken zij in geen enkel opzicht meer op het oorspronkelijke verhaal waaruit ze voortspruiten. Zoals toch iedereen zeker wel weet!

(J.B., Verhalen 2006-2009)

Over de terroristische aanslag in Berlijn op 25 juli 2026

 

Over de terroristische aanslag in Berlijn op 25 juli 2026

Van de in april 2015 door het Belgische gerecht wegens schuldig verzuim in een misbruikzaak veroordeelde gewezen aartsbisschop André Léonard1 herinnert men zich de 'weerzinwekkende uitspraak'2 dat aids een kwestie zou zijn van 'immanente rechtvaardigheid'3, waarbij Zijne Hoogwaardige Excellentie verwees naar (sinds 27 april 2014 'Sint') Paus Johannes-Paulus II. De verantwoordelijkheid van de kerk inzake de verspreiding van aids is niet gering en haar verdediging voor het onverminderd verbod op condoomgebruik en contraceptie is gammel: het devies van onthouding en trouw is niet realistisch om niet te zeggen absurd (welke keuze hadden overigens met h.i.v. besmette foetussen?) en de beschuldiging van mannen met machogedrag gelijktijdig met het daadwerkelijk promoten van de ongelijkheid tussen de geslachten in de kerk is een van alle schaamte gespeend vals spel.

Even krom en wereldvreemd zijn de religieus geïnspireerde argumenten tegen mensen die niet direct kunnen beamen dat zij schuldig zijn aan alle seksuele activiteiten die zich niet situeren binnen het rooms-katholieke, op de voortplanting gerichte huwelijk. In alle opzichten heeft men hier allerminst te maken met het volgelingschap van 'de Nazoreeër' op wie men zich evenwel beroept maar veeleer met een verzekeringsmaatschappij die, te oordelen naar de exuberante luxe waarin haar aandeelhouders baden, financiële bijdragen int om u tegen te zeggen en als slachtoffers van door haar veroorzaakte rampen komen aankloppen, geeft zij niet thuis. Een geschiedenis van dit keer repressie en misbruik, volgend op de aloude ontkenningen van (in beider betekenissen) astronomische waarheden, speelt de maatschappij nu parten zodat zij zich genoopt ziet om weer wat 'bij te sturen', zoals men haar koerswijzigingen onder druk van de feiten zou kunnen noemen en zodoende blijkt zij ook niet te beroerd om, zich van krommenaas gebarend, de trouwste volgelingen van haar weliswaar wereldvreemde theologie prompt te excommuniceren.

Die volharders in de leugen steunen onder de 'radar' die hier eertijds ter sprake kwam, figuren uit de heuse onderwereld en zo kan men de geschiedenissen nagaan van onder meer Steve Bannon, die Trump in het zadel hielp voor diens eerste termijn en die directeur was van Breitbart News, een forum dat conversietherapie promoot. Bannon stichtte in een klooster in Trisulti nabij Rome het Dignitatis Humanae Institute, een school voor de opleiding van rechtse populisten en conservatieve katholieken, kringen die gefrequenteerd worden door voor racisme veroordeelde figuren, maar het opzet kwam niet van de grond wegens teveel verzet, uiteindelijk ook vanuit de katholieke kerk, toen de hele wereld op het punt stond haar de rug toe te keren. Pas zeer recent zijn deze katholieke extremisten, volgelingen van de Heilige paus Pius X, ook daadwerkelijk geëxcommuniceerd, al ging het voor het pausschap wellicht om een laatste strohalm voor het onder het vuur van de hypocrisie tanende instituut.

Het is derhalve helemaal niet realistisch om vanwege Zijne Heiligheid de Paus van Rome een veroordeling van de tegen homo's gerichte terreur van gisteren te verwachten en zo'n verwachting mag zeker wereldvreemd worden genoemd in het licht van het feit dat de paus er al niet in slaagde om de Shoah, een van de grootste genocides in de menselijke geschiedenis, te veroordelen terwijl hij daarover perfect geïnformeerd was, zoals blijkt uit historisch onderzoek.4 Een onmiddellijke reactie is er over de terreurdaad van gisteren alvast niet; uitspraken worden aan plaatselijke beambten overgelaten en verder kijkt men de kat uit de boom; alvast is er geen haast, voor opportunisten heeft het sowieso altijd nogal wat voeten in de aarde om zijn standpunten te wikken en te wegen in het licht van de op til zijnde gevoeligheden op het politieke toneel.

(Wordt vervolgd)

(J.B., 26 juli 2026)

1Een schromelijk gebrek aan werkelijkheidszin spreekt uit zijn gezegde: “De Belgische bisschoppen hebben schuld bekend (voor de pedofiliezaken binnen de Kerk), met overtuiging, maar dat hoeven we toch niet elke week te doen?’ “ (bron: https://www.knack.be/nieuws/andre-leonard-neemt-ontslag-de-10-meest-opmerkelijke-uitspraken/ )

3 Letterlijk: “Aids is geen straf van God, maar hoogstens een soort immanente gerechtigheid, een beetje zoals we op het ecologische vlak soms de rekening gerepresenteerd krijgen voor wat het milieu aandoen.” (Cf.: https://www.knack.be/nieuws/andre-leonard-neemt-ontslag-de-10-meest-opmerkelijke-uitspraken/ )

4Cf. Dirk Verhofstadt, Een historisch en moraalwetenschappelijk onderzoek naar de morele verantwoordelijkheid van paus Pius XII ten aanzien van de Endlösung der Judenfrage (2010), in 2008 verschenen bij uitgeverij Houtekiet/Atlas onder de titel: Pius XII en de vernietiging van de Joden.

 

"Overbevolking" (J.B., Verhalen 2006-2009)

Overbevolking

De wereld kampt met een overbevolking aan mensen en die wasemen allemaal samen zoveel hitte en gassen uit dat de poolkappen ervan afsmelten, ten gevolge waarvan de ijsberen aldaar verdrinken en binnenkort de zeespiegel met vele meters zal stijgen zodat bijvoorbeeld de Brusselaars niet langer tot in Oostende zullen moeten rijden om pootje te gaan baden, want het strand zal in Brugge liggen of zelfs in Aalst. De teller staat momenteel op een kleine zeven miljard - dat is het zevenvoudige van tweehonderd jaar geleden - en dagelijks komen er zo'n tweehonderdduizend soortgenoten bij. Demografen schuwen de benaming 'overbevolking' niet en zij hebben het ook vaker over een naderende catastrofe.

Nochtans geldt tegelijkertijd dat elke dode er een teveel is, en men stelt werkelijk alles in het werk om zelfs het leven van een honderdjarige in comateuze toestand nog één enkele dag te rekken. Dat laatste lijkt een tegenstrijdigheid maar het is er geen, het is slechts een paradox - een schijnbare tegenstelling. Zij die er een echte tegenstelling in zien, ontbreken iets in hun hoofd of in hun hart, zoveel is duidelijk, en we kennen nog het voorbeeld uit de Tweede Wereldoorlog van de uitroeiingskampen - want dat was pas een catastrofe.

Nochtans blijven er blijkbaar mensen geboren worden bij wie het ontbreekt aan die elementaire morele zin die ons door de band weerhoudt van moord en genocide, en het gebeurt zelfs dat zij openlijk hun mening gaan verdedigen. Daartoe brengen ze dan het liefste cijfers te berde: kille getallen, zoals het getal zeven miljard, dat aanduidt dat de wereld van mensen overbevolkt is, en dan suggereren zij heel eenvoudig dat het kleiner maken van dat getal een goede zaak is in alle opzichten; het bestrijdt immers de catastrofen die ingevolge het grote getal onvermijdelijk onze aardbol zullen aandoen.

Logica en logica is twee. Ooit hoorde ik een niet onbekende professor van op zijn preekgestoelte in de universiteit debiteren dat het verschaffen van voedsel aan arme Afrikanen slechts kan zorgen voor een verveelvoudiging van hun aantal, en dat het daarom beter ware indien men bij het horen van de noodkreten, gewoon de andere kant opkeek. Dat ware beter, zegde hij, want dat zou het aantal noodlijdenden flink reduceren, binnen de perken houden en misschien wel uitroeien. Ook de uitroeiingskampen van Adolf Hitler hadden de edele bedoeling om allerlei ziekten, ongemakken en andere onvolmaaktheden die alvast tot dan toe bij het leven hoorden, uit te roeien.

Er is inderdaad iets zéér grondig mis met mensen die zo denken. Zij pleiten dan ook voor achteruitgang in plaats van voor vooruitgang, want is het niet zo dat het toenemende aantal van onze zieken en bejaarden gelijke tred houdt met de grote vorderingen van de medische wetenschap? Worden de afstanden niet groter naarmate de mogelijkheden toenemen om ze te overbruggen? Wordt het analfabetisme niet een ernstiger kwaal in de mate dat meer mensen kunnen lezen en schrijven? En tenslotte: zouden er niet veel minder mensen sterven indien er ook veel minder werden geboren?

Niet zo heel lang geleden kwam ik door toeval in een hospitaal terecht en wie daar ooit gelegen heeft, die weet ook dat daar de dagen en de nachten zo lang kunnen zijn dat het wel lijkt alsof de tijd stilstaat. Gelukkig deelde ik de kamer met een uiterst onderhoudende figuur, een wetenschapper zo te horen, die ik er aanvankelijk van verdacht dat hij daar met geen andere bedoeling kon zijn dan om een flink stuk van zijn tong te laten snijden, want hij hield met ratelen maar niet op. Edoch, toen de tijd begon te wegen zoals hij dat in hospitalen kan doen, bleek dit ongemak alras in een grote zegen te verkeren en eigenlijk moet ik zeggen dat mijn verblijf in de kliniek in feite veel te kort was, want zeer waarschijnlijk heb ik slechts een fractie van het ganse - bizarre én boeiende - verhaal gehoord.

- Over de uitroeiingskampen van Hitler hebt ge zeer zeker al gehoord, zo begon mijn kamergenoot, nadat ik hem alleen maar teneinde de stilte te breken had gezegd dat ik mij in een rolbed in dat enorme gebouw net voelde zoals iemand die naar de gaskamer moet - een bijzonder ongelukkige uitspraak, zo realiseerde ik mij helaas te laat.

- Jazeker, over de shoa had ik al gehoord...

- En is het u nooit opgevallen, zo ging hij door, dat de mensen die daar werkzaam waren, in die kampen, helemaal geen moeite bleken te hebben met het uitvoeren van hun dagelijks werk?

- Daar heb ik ooit wel eens bij stilgestaan, zo moest ik bekennen, maar wij waren er niet bij, en het zal wel geen sinecure wezen om zich de concrete situatie voor de geest te halen zoals ze werkelijk was. Ja, soms betrap ik mezelf er op dat ik ergens dacht dat er in die tijd nog geen kleuren waren... alleen omdat wij er slechts beelden in zwart-wit van hebben...

- Tja, zegde hij, daar zegt ge wat: het menselijke inlevingsvermogen is relatief groot maar tegelijk bijzonder beperkt. En men kan er ook alle kanten mee uit, zo stelde hij me voor een raadsel.

- Alle kanten? - zo drong ik aan.

En toen was het dat hij over die paradox begon, die mij niet onbekend was: volgens de professor die ik net citeerde, getuigde het bieden van voedselhulp aan arme Afrikanen van een tekort aan empathie, aangezien het gevolg daarvan een toename van het aantal hongerlijders was, terwijl ik altijd had gedacht en overigens nog steeds blijf denken dat het niet betaamt om mensen die om brood bedelen, een steen te geven. Men doodt toch geen mensen die de middelbare leeftijd achter de rug hebben om hen de lasten van de oude dag te besparen? Men kan een hond afmaken, of een paard, omdat het afziet terwijl geen beterschap in het verschiet is en het ook niet langer dienstig zijn kan; maar een mens? Is het dan sinds de rage van de diervriendelijkheid dat men dat ook met mensen doen mag - hen afmaken van zodra ze lijden?

- Het gaat niet om de eerste betrokkene alleen, verklaarde hij toen ineens: als iemand met een terminale kanker in een bed aan allerlei snoeren vast hangt, dan heeft de vraag of hij of zij in leven dient te worden gehouden, ook op vele anderen betrekking: hier wordt immers tevens beslist over het leven van mensen die duizenden kilometer hier vandaan verblijven, en zelfs over dat van mensen die nog helemaal niet geboren zijn. Om het heel cru te stellen: Gij weet toch ook wel dat voor de prijs van één enkele euro een Afrikaans kind een volle dag kan leven en desnoods een ganse week? Een honderdjarige in coma die een week lang in dit hospitaal aan allerlei darmpjes hangt, kost algauw het duizendvoudige of nog veel meer. Het Afrikaanse kind hoeft enkel de periode van de misoogst te overbruggen; de comapatiënt daarentegen heeft geen enkel vooruitzicht meer, hij zal nooit meer beseffen dat hij leeft, of dat hij daarmee ophoudt.

Ik gaf de man gelijk en ik geloof ook nog steeds dat hij gelijk heeft, maar toen trok hij zijn redenering door, en dat zinde mij op den duur niet meer, ofschoon hij heel consequent leek te redeneren. Naarmate zijn 'toespraak' - zo zal ik het maar noemen ofschoon ik zijn enige toehoorder was - zich voltrok, leek het alsof de werkelijkheid zelf van gedaante veranderde. Het was zonder meer huiveringwekkend en nog steeds weet ik niet wat ik er uiteindelijk moet van denken. Was hij een geleerde, zoals hij zelf beweerde, die door de slag van zijn ongeval zijn tong voorbij praatte zonder dat hij zich daarvan ten volle bewust was? Voorwaar, als hij zo doorging en dit zou ontdekt worden, dan ging er beslist een stuk van af!

- Er zijn teveel mensen, zegde hij, en hij zegde dat met een zekere berusting, want er was niets aan te doen: mensen hebben seks, ze trouwen of ze doen dat niet; vrouwen willen kinderen, kopen kinderen, voeden die op... En er is ook nog voedsel genoeg voor iedereen, voegde hij daar aan toe: er zijn nog geen tekorten, wat men er ook van zegt; er wordt nog steeds veel meer voedsel vernietigd dan er tekorten zijn...

- Men laat het zijn gang gaan? Vroeg ik. En toen liet hij me schrikken:

- Ja, dat is wat gij denkt, trouwens samen met vele, vele anderen.

- Wat bedoelt gij? Drong ik aan.

- Zijt gij dan zo naïef om te geloven dat ge alles aan de weet komt van hetgeen gebeurt? Kom nu!

Ik wist allang dat burgers voor de aap gehouden worden, en ik wist dat samen met vele van mijn medeburgers: in principe kan elkeen die niet loopt te slapen, vaststellen dat bijvoorbeeld ten tijde van de ramp in Tsjernobyl, amper een kwart eeuw geleden, alle Belgen werden belogen door de minister, die dacht dat ze met haar leugens de kalmte handhaafde onder de bevolking. De weerman deed op het einde van zijn leven nog snel de bekentenis dat zijn weerbericht, met daarin de boodschap dat een radio-actieve wolk tot in Schotland de schapen van hun poten deed vallen, op commando van onze politici geschrapt werd en vervangen door een onschuldig praatje voor de vaak. Ik wist ook dat het ganse Zuid-Amerikaanse continent decennia lang onvruchtbaar werd gemaakt middels additieven in de dagelijkse voeding welke mensen kopen in supermarkten. Ik had ook weet van de gevangenenkampen in het Rusland van de Sovjets, en van censuur en oorlogspropaganda zowat alom ter wereld. Maar van wat mijn toevallige kamergenoot mij nu kwam te vertellen, had ik nog nooit gehoord; ik had daarover zelfs niet durven dromen.

- Er zijn gewoon veel te veel mensen, zegde hij, en dus moet daar hoe dan ook een deel van dood. Een niet gemakkelijk te nemen besluit voor bewindslieden, maar er is nu eenmaal geen enkel alternatief. Of gelooft gij dan dat men mensen er kan toe brengen om zich te beheersen, zeg maar om hun schone dagen in slotkloosters te gaan slijten, mannen en vrouwen onderling gescheiden? Of om zich onvruchtbaar te laten maken, al weze het op kosten van de staat?

- Daar valt niet mee te lachen, vriend! Zo berispte hij me nu ineens: ten tijde van de tweede wereldoorlog gebeurde dit. Ik kan u documenten tonen uit die tijd: brieven met voorstellen aan de Führer en aan zijn trawanten; brieven van grote geleerden, doktoren, mensen die de eed van Hypocrates hadden afgelegd. Kent gij trouwens niet die brief van Albert Einstein aan de Amerikaanse president, waarin hij die informeert over die krachtige bom die hij had uitgevonden, en die men niet nagelaten heeft te droppen op Hiroshima en op Nagasaki ofschoon de strijd toen al beslecht leek? Welnu, in precies dezelfde stijl schreven Duitse geleerden brieven aan hún Führer, waarin ze methoden voorstelden om de overtollige bevolking van Duitsland op een zachte manier, of althans geheel ongemerkt, uit te roeien. De gaskamers waren één van die voorstellen, maar er waren ook de bestralingsstoelen, hebt gij daarvan ooit gehoord?

- Het staat gedetailleerd beschreven in die documenten, mijn allerbeste vriend: de te ontmannen burger wordt geïnviteerd voor een gesprek met een overheidsbeambte, die hem een plaats aanwijst waar hij kan gaan zitten om een aantal formulieren in te vullen. Het karweitje kost zo'n twintig minuten tijd en gedurende die poos worden de genitaliën van onze niets vermoedende burger van onderuit bestraald met röntgenstralen, een dosis die zijn leven spaart doch die hem voorgoed onvruchtbaar maken zal. Een techniek die weliswaar tijdrovend was en weinig efficiënt, maar in die zin waren er dan ook talloze voorstellen, uitvindingen en experimenten. U kunt het raden: proeven in het belang van de ganse natie!

Ik kon het al raden waar hij op aan stuurde: vandaag gaat het er niet anders aan toe dan in die tijd, en de meesten onder ons weten ook niet dat het gebeurt, zoals ze het ook toen niet wisten. En hier te lande gaat het er net zo aan toe als elders: bestaat er trouwens één goede reden waarom men zou geloven dat pakweg Chinezen kwaadaardiger wezens zouden zijn dan Belgen? Alleen willen de mensen het niet weten, zij willen immers bedrogen worden.

- Uiteraard plukt men de mensen niet van de straat, ging hij tenslotte door; men zegt niet: meneer X of Y, kom maar mee, zoals elke derde voorbijganger die wij hier toevallig tellen... Kom dus maar mee, want één derde van alle mensen moet geliquideerd worden in het algemeen belang, maak zelf maar de proef op de som, dan zult ge zien dat als we helemaal niks ondernemen, wij ons straks in verschillende lagen zullen moeten opstellen om allemaal op de aarde te kunnen staan... Neen, uiteraard doet men dat niet!

- En wat doet men dan wél? Zo vroeg ik hem, want het kon toch helemaal geen makkie zijn om een methode te verzinnen teneinde een derde van alle burgers ongemerkt om zeep te kunnen helpen...

Hij lachte een hele tijd aan een stuk door, zijn lachen werd tenslotte een zuchten, en ik moest hem als het ware herinneren aan mijn vraag want hij leek ver weg te zijn met zijn gedachten.

- Ach, zei hij: de mens is een kuddedier! Een écht kuddedier, bedoel ik! Ongelooflijk hoe mak...

- Vertel het me dan! Zo drong ik aan, al ongeduldig.

- Ach, herhaalde hij: het is zo simpel en tegelijk zo eng... Wat doet gij als ze u zeggen, van hogerhand uiteraard, dat ge eens per jaar onder de scanner moet... bijvoorbeeld voor het opsporen van testikelkanker, of prostaat? Dat doet ge dan toch, niet? Ge twijfelt er toch zeker niet aan dat het voor uw eigen bestwil is dat men u dat vraagt? En zoudt ge achterdochtig worden als ge tenslotte niet verplicht wordt om u door te laten lichten? Neen toch? Ha, men zou het werkelijk nooit geloven, nietwaar! Over al te grote leugens denkt men immers direct dat ze onmogelijk zijn!

- En dan? Zo drong ik weer aan, terwijl hij nog spraakzaam was, want het was mij nu ineens een zaak van grote haast geworden, het was immers niet zeker dat hij praatziek zou blijven totdat hij mij alles had verteld, en nu wilde ik het ook wel weten, nu was mijn nieuwsgierigheid gewekt en ook mijn bezorgdheid uiteraard.

- Als ge opgeroepen wordt, dan gaat ge onder de scanner, zo ging hij door, en als men u hebben wil, dan heeft men u!

- Wees wat duidelijker, berispte ik hem.

- Als men u hebben wil, zei hij, dan vertelt men u dat gij kanker hebt, zo simpel is het. Of gaat gij twijfelen aan de diagnose?

- Ik kan altijd een tweede mening vragen elders, antwoordde ik snel, ervan overtuigd dat hij zomaar wat bazelde.

- Tja, dat kunt gij inderdaad doen, zei hij. Maar als gij te horen krijgt dat ge kanker hebt, dan is uw doodvonnis wel allang getekend! Of denkt gij misschien dat men u gaat doodvonnissen zonder dat gij in de ganse sector, en dat is internationaal, mijn beste, geregistreerd staat als ter dood veroordeeld? Zo dom kan men toch niet zijn, nietwaar?

- Maar bedoelt gij dan echt... dat gij gelooft dat één van elke drie mensen vermoord wordt!?

- Geloven doe ik helemaal niets, zei hij kordaat: ik zeg slechts wat ik wéét, mijn vriend. En wat ik weet, is dat één op de drie wordt uitgekozen om ter dood te worden veroordeeld. Eén op de drie krijgt te horen dat hij of zij kanker heeft, en ondanks het grote ongeloof op dat moment, gaat reeds na enkele dagen, soms zijn dat slechts minuten, tot de laatste man geloven dat het ook waar is wat de dokters zeggen.

- Vervolgens krijgen de kankerpatiënten te horen - afhankelijk van het soort kanker waaraan ze zogezegd lijden - dat zij nog een zekere kans hebben op genezing. Soms is dat een kans van vijftig of zelfs van negentig percent, soms een waterkansje van niet veel meer dan nul ten honderd. Genezen kan dan mits een welbepaalde therapie, en dat is dan meestal chemo of bestraling.

- Bij chemo laat men uw bloedvaten rechtstreeks vollopen met celdodend vergif, bij bestraling straalt men de cellen kapot, wat eigenlijk op precies hetzelfde neerkomt. Bij sommige mensen plant men zelfs een stukje radio-actieve materie onderhuids in. Men sterft dan dezelfde dood als de slachtoffers van de rampen in Hiroshima, Nagasaki of Tsjernobyl. Of men gaat ten onder aan vergiftiging of verstikking, terwijl men eigenlijk gelooft dat men geneesmiddelen krijgt toegediend...

- Dat kunt ge niet menen! Zo maakte ik me tenslotte kwaad.

- Waarom zijt ge hier? Vroeg hij ineens.

- Dat zijn uw zaken niet, antwoordde ik.

- Kanker?

Ik weet niet hoe hij het aan de weet gekomen was. Ik was opgenomen na een hersenscan die een tumor in beeld had gebracht, welke bestraald moest worden, want anders had ik helemaal geen genezingskansen meer. Door de tumor hallucineerde ik en kreeg ik welhaast dagelijks te kampen met verschrikkelijke angsten en met allerlei waandenkbeelden. Zo ging ik onder meer geloven dat de gestelde diagnose vals was, en slechts een voorwendsel van het 'sanhedrin' of hoe men het ook noemen wil, om mij net zo lang te kunnen bestralen totdat ik onder de zoden lag. Is de overbevolking immers niet het probleem bij uitstek vandaag de dag?

J.B., 6 september 2009 (J.B., Verhalen 2006-2009)

 

De vaalt onder de radar (vervolg 3)

 

De vaalt onder de radar (vervolg 3)

De vaalt onder de radar of het vuil onder de mat: het komt daar terecht met een veeg van de bezem als de verantwoordelijke voor het netjes houden van het huis, de tijd mist of de zin om zijn taak naar behoren te vervullen. Het vuil moet de vuilnisbak in en via die weg zal het dan voorgoed verdwijnen maar als het onder de mat belandt, is het niet weg, het is alleen onttrokken aan het oog. En dat lot delen eveneens de praktijken en de theorieën die men niet zomaar kan doen verdwijnen ofschoon zij toch niet deugen, bijvoorbeeld omdat zij de haat aanwakkeren van meerderheden die aan minderheden het leven misgunnen daar zij van mening zijn dat de sterkeren de baas mogen spelen over de zwakkeren.

De overtuiging dat de sterkere rechten heeft over de zwakkere zit diep en in de roman Het recht van de sterkste van Cyriel Buysse, waar de sterkere een man is en de zwakkere een vrouw, toont de auteur hoe dit onrecht zoals wij dat nu zien, ook door de zwakkere wordt beaamd ofschoon die daarvan het slachtoffer is: de vrouw is dermate onderworpen aan de man dat zij omwille van die onderwerping de man gaat eren. De roman dateert van 1893 maar in zijn zes jaar eerder verschenen Zur Genealogie der Moral. Eine Streitschrift bewijst de wijsgeer Friedrich Nietzsche hoe het zich onderwerpen of akkoord verklaren met de verdrukker, die in het genoemde werk het christendom is, slechts wordt voorgewend om de eigenlijke drijfveer toe te dekken, namelijk de overlevingsdrang.

Het eerbetoon dat de sterkere te beurt valt (vanwege uiteraard de zwakkeren), volgt immers niet uit zijn excellentie of uit zijn beminnelijkheid maar is het voorwendsel dat door de zwakkere wordt beraamd vanuit diens drang tot zelfbehoud. De sterkere wil dat uiteraard niet weten omdat de kennis van het feit dat men door anderen gevreesd wordt, gepaard gaat met een zelfbeeld dat niemand wensen kan: de idee dat het eerbetoon dat iemand te beurt valt, geen gevolg is van bewondering en van vriendschappelijke gevoelens voor die persoon maar daarentegen een toneel dat vrees en afschuw voor de betrokkene moet verbergen, kan niet anders dan een psychologische foltering zijn.

En bij uitstek dat moet aan de ogen van het publiek worden onttrokken: de lofbetuigingen aan de overheersers zijn gespeeld maar te allen prijze moeten zij spontaan lijken: uit alles moet blijken dat de heersers niet worden gevreesd doch bemind en wat het volk echt denkt, moet verborgen blijven. Die Gedanken sind frei, de belijdenissen daarentegen liggen aan de ketting: zij zijn hypocriet maar die hypocrisie volstaat om het de overheersers naar hun zin te maken, het komt er voor hen op aan dat zij het gevoel krijgen door elkeen bemind te worden omwille van hun macht (waarin sympathisanten dan misschien zullen mogen delen) en in dat opzicht zijn zij vergelijkbaar met de bezoekers van prostitutiehuizen die betalen voor voorgewende, tijdelijke en derhalve voorwaardelijke liefde - die om die reden bezwaarlijk nog liefde kan heten: het is koopwaar.

Zo ook kopen machthebbers de illusie van lof, bewondering en vriendschap maar zij doen dat niet zozeer door te betalen of dus door met geschenken uit te pakken, zij doen het door te dreigen met straffen voor wie hen hun zin misgunnen. In die leugen leven dictators en het is dan ook hun straf dat zij naast de waarheid leven en derhalve naast de werkelijkheid: op het ogenblik dat het volk de kans schoon ziet, zal het niet nalaten zijn verdrukkers om te brengen en dat gebeurde in 1989 met Nicolae Ceaușescu van Roemenië en zijn vrouw Elena, hoofd van de Roemeense spionagedienst die er moest over waken dat er geen vuiltje onder de mat vandaan kwam en dat is het lot van menig tiran. Op grotere schaal gebeurde het bij uitstek ten tijde van de Franse Revolutie met de hele santenboetiek van de adel en de clerus: het vuil onder de mat is niet weg en op een keer kan het ook niet langer verborgen blijven.

Nu is de afkeuring door het volk van de praktijken van haar verdrukkers een zaak die heel terecht onder de mat vandaan komt maar onder de mat schuilen niet alleen terechte wensen en verwensingen: legio zijn daar eveneens de meest beestachtige verzuchtingen en de waanzinnigste overtuigingen. De uitbraak daarvan geeft carte blanche aan de duivel zelf en is bij machte om een beschaving in een mum van tijd in een ware wildernis te transformeren. Bekend is zoals hoger al gezegd het aan de macht komen van Adolf Hitler maar vandaag dreigt een nog groter kwaad gezien het kaliber van de middelen welke misdadigers ter beschikking staan eenmaal zij het heft in handen krijgen.

Wat zich op het huidige wereldforum in het volle licht afspeelt, zijn leugens: zij bedienen zich van argumenten welke de eigenlijke drijfveren moeten verkappen en moeten helpen onder de radar te houden. Eenzelfde verhaal gaat zowel bij ons als bij het bijzondere fabricaat dat 'onze vijand' wordt genoemd: wij worden bedreigd en wij moeten ons bewapenen voor het te laat is, zo luidt het: er is reeds een front waar helden sneuvelen, het is dringend en het is ernst, de speeltijd is voorbij. Er bestaan geen lofrijker daden dan deze van hen die hun leven geven voor hun naasten, zo voegen de vertegenwoordigers van God op aarde er aan toe, want dat is de prijs die zij betalen om door de macht gedoogd te worden: dat is de prijs voor hun tronen, kronen, opalen, marmeren zuilen waarop de frontons van hun paleizen rusten en het brokaat dat uit hun kleerkasten puilt.

En de macht, dat is het geld, de verstoffelijking van de hebzucht, die nooit te vullen put: de mammon benijdt het leven en zijn vruchtbaarheid en profileert zich daarom als een zichzelf vermenigvuldigend goed middels beleggingen en investeringen. Het beleggen in voedsel dat noden lenigt, rendeert maar de investering in gif dat aan verslavingen tegemoet moet komen, brengt heel wat meer op aangezien verslavingen met het geldbezit de onverzadigbaarheid delen. En de meest rendabele belegging is die in wapens: arbeid houdt iemand in leven maar moordpartijen maken hem rijk.

De hebzucht en de moordzucht worden weliswaar verborgen maar wat baat rijkdom als men er niet mee pronken kan? En de pronkzucht verraadt prompt haar zusters en op die wijze komt de aap uit de mouw, komt het vuil onder de mat vandaan, manifesteert zich het kwaad in de gedaante van de algehele vernietiging van de aarde met al haar bewoners. Van de ene dag op de andere kan men openlijk “Heil Hitler!” roepen, zoals dat een poos later dan weer ten strengste wordt verboden en bestraft. Men hoeft eindelijk niet langer te veinzen dat men ook vindt dat conversietherapieën mensen verminken en dat ook homo's recht op leven hebben; men kan het nu vrijelijk uitschreeuwen dat vrouwen aan mannen toebehoren, dat waarschuwingen voor milieurampen zottenpraat zijn en dat de mens de koning van de schepping is.

Aan die omkering van alle waarden laaft zich de lang opgekropte haat en als men behoort tot de geviseerden, is op de vlucht slaan alles wat men doen kan: men laat alles achter om het kostbaarste bezit van het leven er niet bij in te schieten. Toen in de jaren dertig van de vorige eeuw de nazi's aan de macht kwamen en de toekomst bijzonder onvoorspelbaar werd, namen homoseksuele intellectuelen de gifpil en vluchtten alle bemiddelde joden naar Noord-Amerika; hun huizen, goederen en geld werden ingepalmd door racisten, wat ook gebeurde met de bezittingen van wie in de gaskamers belandden en aldus schiepen zich de wreedaards 'Lebensraum'.

Hetzelfde scenario herhaalt zich doorheen de hele geschiedenis: waar het nazisme zes miljoen onschuldigen ombracht, waren dat er in de Congo onder Leopold II twee keer zoveel en ook daar moest er gejuicht worden voor de voorgewende christianisatie en de beschaving van een volk, terwijl de gruwel, door Joseph Conrad zo treffend beschreven in zijn Heart of Darkness, onder de radar bleef en vandaag opnieuw onder de radar moet verdwijnen want in 2030 bestaat ons land tweehonderd jaar en dat zal tot elke prijs worden gevierd, en wel in het jubelpark, een van de trofeeën overgehouden aan een van de bloedigste genocides uit de menselijke geschiedenis.

(J.B., 24 juli 2026)

De vaalt onder de radar (vervolg 2)

 

De vaalt onder de radar (vervolg 2)

De Romeinse godin Venus - Aphrodite bij de Hellenen - is de godin van de liefde naar wie de tweede planeet van ons zonnestelsel wordt genoemd en die verkeerdelijk een ster genoemd wordt, meer bepaald de Morgenster (die overigens dezelfde is als de Avondster) of de Lichtbrenger - Lucifer - die zowel naar de duivel (de opstandige Rede) verwijst als (in het Exsulset van de Rooms-katholieke ritus) naar Jezus, de Messias. In de vierendertigste zang van het Inferno van Dante's Comoedia bevindt Lucifer zich, onttrokken aan alle licht en warmte, in het centrum van een meer van ijs, in het binnenste van de aarde waar hij, als de personificatie van het kwaad, vreet als een worm aan het hart van de wereld: "il reo verme che fora il mondo", of: “de boze worm die de aarde perforeert.”) Ook in de Helleense onderwereld, verpersoonlijkt in de god Hades, heerst de duisternis of de nacht waarin, dan weer in de Christelijke mythologie, als een dief, de dood komt. Het donker is de afwezigheid van licht waaronder ook het licht van de kennis valt: het is de onwetendheid, die paradoxaal genoeg met de paradijselijke onschuld van de eerste mensen wordt geïdentificeerd. En de realiteit van die inconsistentie creëert een onbestaanbare wereld die echter de onze is. Het is het bestaan dat het licht heeft afgewezen en dat daarom alleen nog een tranendal kan zijn. Het aan de openbaarheid ontsnappende is het verborgene waarin het kwaad geschiedt, het is hetgeen onder de radar blijft, geheel ongezien, terwijl het er toch is en daarom ook wordt het gevoeld, en in de eerste plaats door zijn slachtoffers uiteraard.

De wet die het recht moet handhaven, verbiedt het in allerlei bewoordingen om medemensen onrecht aan te doen maar haar kracht kan nimmer groter zijn dan het vermogen van haar controle en omdat zij niet kan zien waar duisternis heerst, ontsnapt het boze aan het oog en lijden slachtoffers in stilte. Daders hoeven zich niet te verbergen zolang het kwaad dat zij berokkenen niet aan hen kan worden toegeschreven omdat het ongezien gebeurt, wat betekent: omdat het onder de radar blijft. En daar de bozen de radar besturen, hebben zij vrij spel, ook in dat deel van de wereld waar de zon schijnt en waar alles zichtbaar is voor alle ogen.

Van het kwaad dat zich onder de radar verschuilt, weten behalve de boosdoeners zelf, alleen hun slachtoffers af, die eronder lijden; alle anderen verkeren daaromtrent in het ongewisse en bovendien prefereren zij die onwetendheid boven de kennis van de waarheid om niets hoeven te doen want kennis van onrecht schept verantwoordelijkheid daarover en roept op tot ongemakkelijke actie. De joodse filosofe Hannah Arendt had via haar zich met het nazisme compromitterende leermeester die de grote wijsgeer Martin Heidegger was, kennis van de plannen van Hitler om de joden uit te roeien en aldus bevond zij zich in de bijzonder ongemakkelijke positie van degenen die het onheil zien aankomen terwijl zij de middelen missen om het te voorkomen, met uitzondering van hun profetische stem die hen sowieso in levensgevaar brengt. De Duitse medici aan wie de nazi's alom propagandafilms vertoonden met plannen voor de 'gezondmaking van het volk', zoals zij hun genocide heetten, terwijl in de couloirs van de cinemazalen hun lijfwachten met het geweer in de aanslag patrouilleerden, zwegen uit doodsangst en zij deden dat zonder een enkele uitzondering - één uitzondering zal er wellicht geweest zijn maar niemand kan eraan twijfelen dat die gewis even snel als vakkundig werd 'geneutraliseerd'. De moord op Karel Van Noppen maakt dat de held geen navolging zal krijgen omdat zijn lot voorspelbaar gewis wordt gedeeld door al wie geen gehoor wensen te bieden aan de macht van het geld en hetzelfde geldt met betrekking tot alle andere helden die men daarom kan tellen op de vingers van twee handen en van wie wij ons Patrice Lumumba herinneren, Aleksej Navalny en nog enkele anderen maar talrijk kunnen wie excelleren nimmer zijn. Deze enkele voorbeelden uit een eindeloze reeks illustreren dat de radar - en dat is een verklikker - de verklikkers zelf zal sparen in hun jacht op de prooien welke zondebokken zijn in de betekenis die René Girard aan een wreedaardige maar alom ingeburgerde praktijk heeft gegeven: de onschuldige die tot demon verklaard wordt en dan opgeofferd om aldus wars van zijn eigen wil zijn moordenaars van hun angsten en frustraties te bevrijden.

Onder de radar situeren zich wandaden die hun gelijke niet kennen maar alleen de daders zelf en hun slachtoffers zijn daarvan direct getuige, ofschoon op grond van de gang van zaken in de wereld, principieel iedereen wel kan vermoeden wat er aan de gang is in den duik - edoch, angst en gemakzucht doen de massa zwijgen. Het lijkt dan alsof de massa helemaal niet handelt maar de betekenis van zwijgen voor de getuigen van een genocide is medeplichtigheid aan moord, zoals schuldig verzuim ook heet.

Wie kunnen vermoeden wat zich afspeelt onder de radar, zwijgen en dat zwijgen neemt vele vormen aan, waaronder het liegen. In zijn 1984 laat George Orwell zien hoe Big Brother mensen in zijn macht heeft als hij hen leugens kan laten belijden - een activiteit welke aan iedereen bekend is die ooit in de greep van een godsdienst was. Wie zich onbekwaam weten om de waarheid te spreken of om hem ook maar te denken, zijn in handen van een vreemde macht, zij zijn onvrij en derhalve onbetrouwbaar, laf en asociaal, ook al doen zij met de massa mee alles wat van hen verlangd wordt - maar uitgerekend om die reden. Religies verlangen van hun belijders dat zij de deviezen uit hun heilige geschriften onderschrijven of beamen en zo bijvoorbeeld menen katholieken dat zij homo's moeten veroordelen en conversietherapieën aanprijzen. Dat geloof is uiteraard strijdig met de rede die ervoor zorgt dat het kwaad dat door die waanzin wordt veroorzaakt, strafbaar wordt gesteld teneinde de wrede praktijken in te kunnen dijken en om die reden liegen de gelovigen als hen gevraagd naar hun mening over mensen die deel uitmaken van de 'queue' zoals de LGBTQ+-groep nu wordt afgekort. Voorstanders van conversietherapieën telt ons land niet meer sinds het wettelijk verbod op de verminkingen die erdoor worden verkapt en hetzelfde geldt voor Nederland waar het verbod geldt sinds een goede maand. Maar dat betekent enkel dat men zich niet meer uitspreekt tegen homo's, het betekent niet dat men zijn mening heeft gewijzigd: meningen in strijd met de wet hoort men niet langer maar ze zijn er nog, ze zitten onder de radar. En men kan vermoeden dat de wangedachten die zich onder de radar schuilhouden, gelijke pas houden met het wettelijk verbod dat op de uitvoering ervan rust. Ook kan men op grond van de geschiedenis voorspellen dat bij het verslappen van de handhaving der wet, het openbarsten van de donkere kelder onder de radar, niets minder dan een burgeroorlog zal uitlokken met ongeziene moordpartijen. En die kentering komt er zonder twijfel, het is alleen een kwestie van tijd.

(Wordt vervolgd)

(J.B., 24 juli 2026)

De vaalt onder de radar (vervolg 1)

 

De vaalt onder de radar (vervolg 1)

De hedendaagse logica en de taalanalyse benadrukken het contextgebonden karakter van de waarheid: een redenering kan louter 'wiskundig' gezien perfect kloppen maar geabstraheerd van de feiten herinnert zij aan het relevantieprobleem dat René Descartes beangstigde: wiskundige waarheden zijn dermate waar dat ze ook gelden in de droom maar uitgerekend om die reden, namelijk dat zij helemaal geen onderscheid blijken te maken tussen de werkelijkheid en de droom, verliezen ze elke relevantie; zij staan met andere woorden niet in betrekking tot de werkelijkheid, ze zijn alleen waar in hun eigenste ivoren torentje, hun 'spel', en op de keper beschouwd hebben ze geen enkel nut en kunnen ze alleen maar misleiden of dus, paradoxaal genoeg: liegen. De stelling dat de retorica wezenlijk de leugenaarskunst is, vindt in deze paradox zijn fundamenten.

Het hoeft geen betoog dat de zogenaamde parlementaire democratie om die reden een bijzonder misleidende bedoening is: dat zij de macht geeft aan het volk (demos), waaronder moet verstaan worden de meerderheid, is een gekend pijnpunt maar dat zij parlementair is, wat wil zeggen dat een consensus tot stand komt door bespreking (parler), zet kennelijk ook de scherpste critici op het verkeerde been. De (parlementaire) discussie wordt immers niet beslecht door de geldigheid van de aangevoerde argumenten te beoordelen volgens wetenschappelijke, wiskundige maatstaven maar godbetert door stemming, wat wil zeggen dat niet het beste argument het haalt maar wel het 'sterkste' in de zin van datgene wat gesteund wordt door de meerderheid. De besluitvorming lijkt dan gebaseerd op redelijk overleg maar in feite veegt zij alle te berde gebrachte argumenten onder de mat door uiteindelijk de beslissingen afhankelijk te maken van de wil van de meerderheid, wat inhoudt dat hier niet de rede of de menselijkheid triomfeert maar wel het recht van de sterkste, de wet van de jungle.

Dat de beschreven politieke handelwijze is doorgedrongen in de wetenschappelijk geachte wereld van de universiteiten, is een ware malaise. Gekend doch helaas kennelijk veeleer begeerd dan geschuwd is de financiering van het wetenschappelijk onderzoek, en wel door allerminst op waarheid doch op winst gerichte firma's. Dit kwaad kent een wel bijzonder frappante exponent in de coïncidentie van de betrokken firma met de wetenschapper en zo bestaat het dat een universiteitsprofessor de staat verzoekt om de subsidiëring van een naar diens inzicht wetenschappelijk ware theorie, in casu het darwinisme, naar zijn zeggen: om die bij het grote publiek te kunnen promoten. Voor de slechte verstaander: wie beweren ervan overtuigd te zijn dat aan het darwinisme evenmin te tornen valt als aan de stelling van Pythagoras terwijl zij die overtuiging kracht willen bijzetten met geld, spreken zichzelf tegen daar zij zodoende de ontoereikendheid van hun argumenten erkennen.

Politici, die vaak geen kaas gegeten hebben van logica en van taalanalyse, zijn door de band opportunisten die bij gebrek aan beter met contexten gaan schuiven teneinde op die manier hun gelijk binnen te halen. Zij zorgen er wel voor dat het publiek zich blind staart op de argumenten die zij aanbrengen maar wat dan aan de aandacht onttrokken blijft, is de selectiviteit waarmee demagogen of manipulatoren opereren: zij creëren aldus geheel willekeurig de context voor hun betogen. De idee dat de feiten zijn wat ze zijn, is essentialistisch en derhalve bijzonder misleidend: feiten zitten in een context ingebed en waar zij anders worden belicht, verandert hun hele uitzicht mee.

Contexten (die de waarheid mee bepalen) hebben veelal te maken met wiskundig gezien onredelijke zaken maar de onredelijkheid bij uitstek situeert zich in het goochelen met contexten. De lezer denkt hier uiteraard spontaan aan de naam van de Amerikaanse zoekmachine 'Google' van het Californische bedrijf van de multimiljardairs Lattry Page en Sergey Brin en snapt meteen waarom de E.U. (die van het genoemde bedrijf tot heden driewerf een miljardenboete inde) nu dringend werk meent te moeten maken van een eigen, onafhankelijke ChatGPT.

Het mondiale geldspel of dus de corruptie neutraliseert het redelijke en daarmee ook al het menselijke maar haar werkzaamheden, per definitie misdaden, blijven onder de radar omdat zij de radar eigenhandig stuurt. Terwijl de rede haar kracht aan de openbaarheid ontleent want aan de voor principieel iedereen toegankelijke rechtspraak, bevindt zich alles wat met de rede in strijd is, in de duisternis waar de jungle lustig zijn gangetje blijft gaan. Niet de waarheid deelt daar de lakens uit, niet de argumenten, doch het met drogredenen en leugens verkapte spel van beestachtige instincten.

Criminelen hebben de rader in handen: met gigantische constructies van leugens houden zij de misdaden uit het licht en uit het zicht, wat de bijzonder bedrieglijke indruk geeft dat die er helemaal niet zijn. Maar men herinnert zich de situatie in het Duitsland voorafgaand aan de Tweede Wereldoorlog waar de moorddadige nazi-beweging onder de radar bleef met de ongeremde liquidatie van haar opponenten totdat Hitler aan de macht kwam en de realiteit achter de cognitieve dissonantietheorie van Léon Festinger ervoor zorgde dat de demon door het volk allerminst verafschuwd werd maar daarentegen onmiddellijk verafgood, hetgeen een zoveelste illustratie vormde van een waarheid uit oeroude sprookjes, waaronder het Arabische verhaal Aladin en de wonderlamp uit الف ليلة وليلة of de Vertellingen van Duizend-en-één-nacht, dat evenals nog een andere vertelling uit die bundel handelt over het onomkeerbare ontsnappen van 'de geest (van het Arabische 'djinn', via het woord 'genie') uit de fles', wat ook de titel is van een sprookje van de gebroeders Grimm en wat in de westerse natuurkunde een bekende variant heeft in de zogenaamde Tweede wet van de thermodynamica of de Wet van de entropie, de vervalwet, welke samenhangt met de onomkeerbaarheid van de tijd of met de verschrikking van het noodlot. Dat bestaat er nu meer bepaald in dat de Golem over de mensen heerst, met andere woorden dat het belangrijkste verhaal op het huidige wereldtoneel, de tragedie van de middeldoelomkering is: wij blijken gedegradeerd tot gebruiksvoorwerp van onze gebruiksvoorwerpen.

(Wordt vervolgd)

(J.B., 23 juli 2026)

Meer van Tisallemaiet

↑ Terug naar de berichten