De lucide droom (artikel) & Een lucide droom (verhaal)

|
De lucide droom
Onder een 'lucide droom' verstaat men: een droom wiens dromer zich bewust is van het feit dat hij in bed ligt, slaapt en droomt. Alle woordenboeken vertellen met plezier dat de benaming 'lucide droom' afkomstig is van de Nederlandse psychiater, schrijver, significus en ook spiritist, Frederik van Eeden, die leefde van 1860 tot 1932. In een van zijn lucide dromen zou deze zijn zoon Paul hebben ontmoet, kort nadat die, overeenkomstig een eigen voorspelling uit zijn kindertijd, op zijn vierentwintigste stierf aan tuberculose. Er is sindsdien al aardig wat geschreven én geëxperimenteerd rond de lucide droom, en ook veel vroeger al kwam het wat bizarre fenomeen ter sprake, bijvoorbeeld in de brieven van Aurelius Augustinus, geboren in de vierde eeuw. Edoch, een aantal zaken omtrent lucide dromen blijven toegedekt met een waas van geheimzinnigheid. Het vreemde inzake lucide dromen is dat het besef van de onechtheid van zijn ervaringen, de dromer helemaal niet wakker doet schieten. Het is immers de te verwachten reactie van een gezond persoon, dat hij zich onmiddellijk afwendt van een zaak waarvan hij in de mot krijgt dat ze bedrieglijk is. Tenzij het natuurlijk gaat om zelf gezocht 'bedrog', in dit geval 'amusement' geheten. In dat opzicht zou de lucide droom dan ook veel gemeen hebben met de dagdroom, waarin men zich immers nestelt teneinde voor een korte periode alvast de illusie te hebben dat men aan de soms bijzonder kille realiteit ontkomt. De lucide droom verschilt grondig van de dagdroom, ofschoon in beide gevallen de dromer beseft dat zijn ervaringen 'onecht' zijn. In het geval van de dagdroom, zoekt wie wakker is via verlangende gedachten een schijnwereld op te wekken, of althans een wereld waarin hij het aangename accentueert en het onaardige probeert te verdoezelen. Dit gebeurt dikwijls reeds in het denken als zodanig, dat immers goed in staat is om werelden te creëren die beantwoorden aan de wensen van hun schepper, zonder rekening hoeven te houden met bijvoorbeeld de natuurwetten. Gedachten dienen niet voor zelfbedrog maar somtijds zijn aardige gedachten gewoon bevorderlijk voor de gezondheid en begaan zijn met z'n gezondheid is iets heel anders dan zichzelf in 't ootje nemen. Tenslotte worden alle dingen met gedachten aangekleed, en zonder deze kunnen zij gewoon geen kant op en bestààn zij niet. Alles wat is, dient immers een naam te hebben; over al het bestaande moet kunnen worden gepraat, geschreven en ook nagedacht; geen bestaande zaak presteert het om niet de overdenking van al was het maar een mus te zijn. En gedachten kleden de dingen aan maar ook uit; ze smukken ze op, ofwel halen ze die door het slijk. Gedachten zorgen voor de perceptie en zij hebben macht, zij maken dat dezelfde diepvriesmaaltijd die in de frituur twee euro kost, in het driesterrenrestaurant in 't centrum van de stad makkelijk geprijsd kan worden aan het honderdvoudige van dat bedrag. Het lapje grond hier aan de gracht dat geen cent waard is, is met geen miljard dollar te betalen als deze gracht de Hudson heet. Een krabbel met potlood op papier getekend door een heel braaf kind, is waardeloos - dezelfde krabbel waar de naam van Picasso onder prijkt, kunnen slechts een handvol aardbewoners zich veroorloven. De lof verandert zoals koning Midas de dingen bij eenvoudige aanraking in goud, en de vloek doodt ze genadeloos. Die Gedanken sind frei, zo zongen de joden in Auschwitz, maar de gedachten zelf kunnen ook bevrijden ofwel aan ketenen verankeren. Concrete dingen en gedachten - dromen - hangen onderling altijd even onverbrekelijk samen als de twee componenten die sinds het opstellen van de kwantumtheorie in de oermaterie zelf worden erkend: enerzijds is er het louter stoffelijke, het 'deeltje', anderzijds de 'golf', de 'lading' of de 'geest' van het deeltje, wat eigenlijk nog het best vertaalbaar is als zijn 'invloed'... perfect vergelijkbaar met de invloed van een belastinginspecteur, zoals de wiskundige, René Coppitters het ons leert:1 de kans dat hij komt, zorgt dat ook als hij niét opdaagt, de belastingplichtige zich aan de spelregels onderwerpt. De inspecteur oefent druk uit, ook als hij afwezig is, gewoonweg omdat men niet wéét of hij zal komen. Op dezelfde manier beïnvloedt ook wat helemaal niét bestaat ons handelen en ons leven, van zodra wij slechts de mogelijkheid van dat bestaan gaan overwegen. Woorden kunnen waarschuwen maar de keerzijde van die medaille maakt dat zij ook angst inboezemen voor spoken. Alle dingen hebben namen; soms zijn die namen verwaarloosbaar, soms ook hebben de dingen zelf nauwelijks vlees aan hun botten terwijl hun namen alle andere zaken in het gelid verplichten te marcheren. Het ontbreken van de ene component, zorgt als het ware voor een compensatie door de andere; de stof en de geest lijken elkaar aan te vullen en aldus het geheel in evenwicht te houden. Wie niet sterk is, moet slim zijn, zo wordt sinds mensenheugenis gezegd: het niet bestaande moet het tekort aan het bestaande compenseren - als dat geen magie is! In de lucide droom beseft de dromer dat zijn droom een droom is en dat wat hij droomt, helemaal niet bestaat in de wereld waarin hij in een bed ligt met gesloten ogen, slaapt en snurkt. Als in zijn lucide droom een operazangeres tot Frederik zegt dat zij vandaag jarig is, dan kan Frederik, eenmaal ontwaakt, haar woorden letterlijk herhalen - "Heden ben ik jarig" - omdat hij ze ook gehoord heeft in zijn droom. De vraag kon dan uiteraard rijzen wat die woorden dan in feite waren, aangezien zij nooit hoorbaar uitgesproken werden en bijgevolg ook nooit met oren konden worden gehoord. Konden zij iets anders zijn dan zijn eigen woorden, onuitgesproken en slechts gedacht - woorden die het stadium van het uitgesproken en het gehoord worden hebben overgeslagen? In de familie van de auteur dezes doet het verhaal de ronde dat een betovergrootvader - toentertijd de enige geletterde dorpeling - door zijn buurvrouw werd verzocht om haar een brief voor te lezen die zij ontvangen had. Hij toonde zich direct bereid, maar de vrouw verzocht hem eerst uitdrukkelijk om tijdens het voorlezen de oren met zijn vingers dicht te stoppen: zij wilde vermijden dat ook hij van de inhoud van de brief kennis nam. Uiteraard weten wij inmiddels dat mensen in staat zijn tot stillezen en dat het geschreven woord ons even duidelijk kan zijn als wat luidop gezegd wordt, maar dat die waarheid onbekend was aan wie geen notie van het lezen hadden, is niet verwonderlijk. De anekdote dateert uit de eeuw waarin Frederik van Eeden werd geboren, die het begrip 'lucide droom' in voege bracht; misschien was het toen inderdaad voor de meesten nog geheel onduidelijk of onuitgesproken gedachten mogelijk waren en of zij wel recht hadden op bestaan. Het is immers pas middels een moeizaam en langdurig cultureel proces, dat de welhaast dierlijke, fysieke schreeuw tot gesproken woord geworden is, het gesproken woord tot schrift, en wat neergeschreven werd, tot geheel onstoffelijke gedachte en zelfs tot ideologie, tot stroming en tot levende geest, welhaast gespeend van elke materie. Wat in de lucide droom gezegd wordt, geschreven, gehoord en gelezen, wordt noch gezegd noch geschreven noch gehoord noch gelezen, terwijl men het zich wel herinneren kan alsof het werd gezegd, geschreven, gehoord of gelezen, en zulks is slechts mogelijk als de spreker of de schrijver dezelfde is als de toehoorder of de lezer... tenzij die twee op een andere wijze met elkander in verbinding staan dan middels de stoffelijke wereld waarin de gedachten van de ene tot gesproken of geschreven woorden worden, en de gesproken of geschreven woorden dan weer tot de gedachten van de andere. Voor mijn part is het duidelijk dat zonder de wereld van de stof die 'mededeling' geheel onmogelijk blijft, tenzij uiteindelijk de spreker of de schrijver en de toehoorder of de lezer, één en hetzelfde wezen zijn, wat moet uitmonden in een solipsistisch universum. Met andere woorden: als blijken mocht dat mensen via dromen met elkander in verbinding kunnen staan, dan kunnen wij er donder op zeggen dat de solipsist het bij het rechte eind heeft: de wereld met alles en allen daarin vervat, is dan een spook vanjewelste, de eventuele godheid al dan niet incluis. Wie zal het zeggen!2 (J.B., 26 november 2009) Een lucide droom Hij stond op, waste en schoor zich, ontbeet, besloot zijn ochtendritueel met een laatste kop koffie en toen hij die leeggedronken had, zei hij tot zijn vrouw, die recht tegenover hem aan de ronde tafel zat: - Bertha, nu ga ik het doen! - Wat gaat ge doen? vroeg ze, al ongerust. - Ik heb vannacht gedroomd, zei hij, en weer over hetzelfde als gisteren... - Toch niet over die leurder met zijn zwarte kapmantel? vroeg ze half lachend. - Jawel, hij was er weer! Maar deze keer krijg ik hem te pakken! zei hij vastberaden. Ze lachte, ruimde de tafel af en mompelde dan nog iets waar hij niets meer van verstond, maar hij deed geen moeite om haar te vragen het te willen herhalen, hij zat al volop met zijn gedachten bij zijn plan. Men zegt dat dromen bedrog zijn, maar soms zijn diegenen die in onze dromen opduiken bijzonder hardnekkig: ze keren terug, soms vele nachten na elkaar, jaren aan een stuk. Ze bestaan niet in de wereld van de wakkeren, ze wonen nergens, ze lijken nooit geboren te zijn, maar eenmaal men slaapt en droomt, zijn ze daar weer: unieke personen met een eigen naam en een geschiedenis, een karakter, eigenaardigheden, kortom: ze hebben alles wat iemand heeft die ook écht bestaat; er is geen reden om aan hun bestaan te gaan twijfelen. Alleen is het de vraag waar ze dan zijn als men wakker is. Soms dacht hij dat de leurder met de zwarte kapmantel iemand was die evenals hijzelf sliep op het ogenblik dat hij hem in zijn droom terugzag. Als de leurder wakker werd, dan verdween hij uit zijn droom. Werd hijzelf wakker, dan verdween hij uit de droom van de leurder. Sliepen ze beide, dan konden ze elkaar in elkaars droom ontwaren. Dat was tenminste wat hij soms dacht, maar zekerheid over hoe de vork hier aan de steel zat, had hij uiteraard helemaal niet. Die morgen echter leek hij veel vaster besloten dan op andere keren om zijn plan ook uit te voeren. Of de kapmantel echt bestond of niet, wist hij niet, maar hij bestond beslist in zijn droom. Hij had het plan opgevat om de kapmantel uit zijn droom in de wakkere wereld naar binnen te halen. Zijn vrouw zakte op haar stoel neer toen hij haar dit plan vertelde en zij dacht: ik heb het altijd gevreesd maar nu wordt hij écht gek! - En hoe gaat ge dat dan doen? vroeg ze, toen ze eindelijk wat bekomen was. Ze wist immers dat zij hem onmogelijk zijn plannen uit het hoofd kon praten. In zijn jonge jaren had hij ooit de Eiffeltoren willen beklimmen, en hij had het ook gedaan. Hij had gepland om het kanaal over te zwemmen, en hij deed het ook. Twaalf stielen had hij aldus beoefend... totdat hij ze helemaal onder de knie had. En zijn Bertha, zij had hem altijd in alles gesteund. - Gij moet een nachtje wakker blijven, zei hij: als ik van hem droom, zal ik teken doen, ik zal knipperen met mijn ogen. En dan moet gij roepen: Blazen, Kamiel! - Blazen!? - Hij zit vanbinnen in mij, als ik droom, verstaat ge? En hij moet eruit. Hij zit in de psyche: dat is een Grieks woord en het betekent zowel 'adem' als 'geest', verstaat ge? Als ik hard blaas op het ogenblik dat ik hem zie, dan zal ik hem er wellicht kunnen uitblazen. Maar ik moet dat doen terwijl ik nog van hem aan 't dromen ben. Daarom moet ge wakker blijven, Bertha: ik zal knipperen als het ogenblik gekomen is en als ik u van in mijn droom hoor roepen dat ik moet blazen, dan kan ik het doen zonder wakker te worden, verstaat ge? - Ja maar, pruttelde Bertha tegen: wat moet ik dan aanvangen met die zwarte kapmantel, hier in de slaapkamer? Zou ik u niet beter direct wekken? - Neen, neen, zei hij: als ik stop met dromen, is hij beslist weer weg! Dat begrijpt ge nu toch wel! We gaan het in stapjes doen: de eerste keer probeer ik hem uit te blazen, dat is toch zeker al heel wat, als het lukt, vindt ge niet? En ge hoeft niet bang te zijn: spreek met hem, stel hem vragen, vraag wie hij is, hoe hij heet en waar hij woont en zo, zodat we weten hoe écht hij is, en mocht er gevaar dreigen, dan maakt ge mij gewoon wakker. Dat is toch niet teveel gevraagd? - En wat zijt ge dan verder nog van plan? vroeg ze, vooruitziend als ze was. - Stapje voor stapje, zei hij: we mogen niets overhaasten. Ziet ge het zitten? - 't Is goed, zei ze, zonder er verder nog over door te bomen. *** Die avond hield ze haar kleren aan en ging ze bovenop het bed liggen met het nachtlampje aan om te kunnen zien wanneer hij met zijn ogen knipperde. Toen hij in slaap gevallen was, begon hij vrijwel onmiddellijk te snurken en dat duurde tot zeker drie uur in de ochtend. Dan hield het snurken op, maar knipperen met zijn ogen deed hij nog steeds niet. Tegen de morgen was Bertha doodop, maar nog steeds had haar Kamiel niet geknipperd. Toen het bijna klaar begon te worden, zag ze een kleine beweging. Blij omdat ze geloofde dat dit spelletje weldra een eind zou nemen en dat ze dan wat zou kunnen slapen, keek ze aandachtig toe. Heel lichtjes knipperde hij met de oogleden, echter zonder dat zijn ogen open gingen, en dat mochten ze ook niet doen want als hij wakker werd, zou het mislukken. Ze twijfelde nog, maar toen ze hem nu weer heel duidelijk zag knipperen, riep ze, half fluisterend om hem niet te wekken, maar luid genoeg zodat hij het kon horen: - Blazen, Kamiel! Blazen! Blazen! Ze zag hoe haar echtgenoot diep inademde... en uitademde. Neen, dat was niet blazen, wat hij deed; het was gewoon uitademen, en zo kon er niks gebeuren uiteraard. En weer riep ze, dicht bij zijn oor: - Hard blazen, nu, Kamiel; heel hard blazen, jongen! Vooruit, Kamiel, laat eens zien wat ge kunt! Hij ademde weer diep in, diep uit... weer diep in, heel diep deze keer... en dan tuitte hij zijn lippen, zijn kaken kwamen bol te staan, ze keek haar slapende echtgenoot in bed zo aan met verwonderde ogen... en toen blies hij... éénmaal, andermaal... een derde keer... - Blazen, jongen! riep zij: ge kunt het! Hard blazen, toe! En hij blies harder en harder, en toen ineens zag zij iets als een bleke bel zich vormen aan zijn getuite lippen, zoals men dat soms ziet bij kinderen met kauwgom in de mond. Dit echter was geen kauwgom: wat zich in belvorm uit zijn mond te voorschijn stulpte, was veeleer rook, of mist. Maar die rook of mist kreeg alras een welbepaalde vorm, die ook toenam in volume naarmate Kamiel meer adem in de bel blies. Hij blies, en blies, en het leek wel alsof het een kermisballon was die hij opblies, maar een ballon was het allerminst, al zag Bertha nu heel duidelijk een vlies dat rozig was, het leek immers lichtjes dooraderd met kleine bloedvaatjes, en achter het vlies werd een melkachtige gedaante zichtbaar welke haar deed denken aan een foetus. Maar een foetus was het allerminst. De bel was nu nog groter dan een voldragen baarmoeder geworden en de melkachtige gestalte binnenin de bel, zwol nog steeds op. Kamiel ging door met blazen, ook al spoorde zij hem daar niet langer toe aan, en hij blies nu zo hard dat zij wel begon te vrezen dat hij zich op den duur nog een breuk zou blazen. Het blazen begon overigens veeleer het karakter van een braakpartij te krijgen en Kamiel moest nu zijn mond heel ver opensperren om de gestalte die zich in de bel en mét de bel een weg naar buiten baande, voldoende ruimte te verschaffen. Hij begon er van te zweten en geraakte zichtbaar in ademnood, maar hij ontwaakte niet en volbracht zijn taak met de ernst van een slapende. De bel lag naast Kamiel tussen de witte lakens in het bed, en zij was nog steeds bevestigd aan zijn mond die nog niet opgehouden had met blazen. Bertha was intussen naast het ledikant gaan staan omdat zij bevreesd was voor verrassingen en zij keek gelaten toe hoe haar plaatsje nu werd ingenomen door... ja, toen zag ze ineens de zwarte kapmantel... - Het is de kapmantel, fluisterde ze: straks springt de bel... wat moet ik nu doen? Ik mag hem niet wekken... Op dat moment scheurde het vlies dat rond de kapmantel gespannen was, en uit de bel vloeide een doorschijnend vocht, kleverig zoals speeksel, met daarin hier en daar wat bloed. De kapmantel, die in foetushouding eigenlijk opgerold gelegen had, was nu bevrijd en plooide zich helemaal open, zodat hij in zijn volle lengte de bedstee vulde waarin zij ook haar man in zijn diepste slaap verzonken zag. Uit de mond van Kamiel vloeide nog wat etter, zijn ogen waren dieper in hun kassen weggezakt, zijn gezicht zag nu krijtwit van de inspanning van het blazen en hij sliep zo vast dat het wel leek alsof hij dichter bij de dood was dan in 't leven. Zij werd door de aanblik letterlijk verstomd, luisterde gespannen toe en hoorde nu de ademhaling van de zwarte kapmantel toenemen in volume. Kamiel zijn asem daarentegen hoorde zij helemaal niet meer en het leek wel alsof zijn borstkas zich niet meer roerde. De beide lichamen lagen daar met de rug op de matras en met de gezichten naar elkaar toegekeerd: Kamiel nog steeds met de mond een weinig open. De kap van de kapmantel was naar het magere gezicht van haar echtgenoot toegedraaid, zodat zij geen glimp van het gezicht van de kapmantel op kon vangen. Het lichaam van Bertha's echtgenoot was over de ganse lengte bleker geworden, dat van de kapmantel leek zwart uit te slaan naarmate het als het ware opdroogde. De twee lichamen samen vormden een bijzondere eenheid, en zij dacht een ogenblik aan een moeder met haar kind. Als een vrouw een kind baart, haalt zij het dan niet vanuit een heel andere wereld, in deze wereld van de wakkeren naar binnen? Komt het kind niet uit een droom waarin het zich hardnekkig blijft manifesteren, terwijl het aanvankelijk iets chaotisch was, verstrooid zoals dromen verstrooid zijn, verdeeld en hoe dan ook toch opgesplitst in twéé? Het kind wordt eerst gedroomd door de beide ouders; een onwerkelijkheid, een leugen haast, rolt zich op, verpakt zichzelf, verbergt zich in zichzelf, omzwachtelt zich zoals een cocon doet en broeit, gloeit of groeit dan in de eigen warmte totdat daaruit bloedvaten en bloed ontstaan die immers voortkomen uit die zelfverhitting. Vlees wordt aldus geboren in de wereld van de wakkeren, en als de cocon openplooit gelijk een bloem zich lospelt uit haar blanke, lenige kelken, dan roept zij plotseling haar eerste schreeuw, een woord, een naam voor wie hem hoort... Had hij nu iets gezegd? De kap draaide zich met een ruk naar haar toe. Zij schrok, keek in de zwarte schaduw van de donkere holte, ontwaarde daar wat licht in welgeteld één oog, een doffe parelmoeren glinstering van tanden in een gapende holte. Gelijk een knipmes veerde hij plotseling op in bed. - Waar ben ik? vroeg hij met een hese stem, alsof hij nog niet goed wakker was. En wie zijt gij? Ik ken u immers niet! Wat doet gij hier? Wat is mij overkomen? - Rustig maar, fluisterde zij, geschrokken doch beheerst en, in een poging om de man weer in slaap te sussen en zoals alleen vrouwen dat kunnen, duwde zij hem met zachte hand weer achterover in het bed en hij sloot warempel opnieuw dat ene oog. Doch met gesloten oog ging hij met spreken door. - Het is gevaarlijk wat gij doet, waarschuwde hij: niemand heeft het recht om een ander te verschepen naar de wereld van de stervelingen, behalve de baarmoeders! Het is tegennatuurlijk wat gij nu bekokstooft met uw man, en de natuur zal zich hierom weldra wreken! - Wees maar niet bang, fluisterde Bertha haastig, en vertel mij eerst uw naam, dan kunnen wij misschien tot een vergelijk komen. Mijn man heeft zeker niet de bedoeling om u te kwellen, wees gerust. - De weg naar de hel is geplaveid met goede bedoelingen, zo siste hij en zijn stem verraadde ondubbelzinnig woede. - Zeg mij uw naam, zei ze, en zeg ook waar gij ergens woont, dan kunnen we meteen afsluiten, dat beloof ik u. - Afgesproken, zei hij na een korte stilte. - Uw naam? zo drong ze aan. - Ik heet De Ripper, zei hij: Oscar De Ripper. Ik ben geen onbekende. De naam zegde haar wel iets. - En ik woon in een cel, zo ging hij verder. Maar mijn palmares is nu dringend aan uitbreiding toe... Zij schrok, wilde haar echtgenoot wekken, doch haar stem stokte in haar keel, van de plotselinge, verlammende emotie. - Uw man slaapt nu wel héél diep, zei de kapmantel niet zonder pret: luister maar! Hoort gij dat dan niet? Het gezicht van Kamiel was naar de muur toe gewend en zij hoorde nu inderdaad een vreemd geluid. Het ontsnapte ontegenzeggelijk aan de mond van haar echtgenoot. - Het goede Nederlandse woord is doodsreutel, zo zei de kapmantel bedaard. Eén seconde te laat realiseerde zij zich wie hij was: reeds omklemde zijn ijzeren greep haar linker pols, in de holte van de kap blonk het oog als een ster, de tanden klepperden zoals 't gebit van een kater, net vooraleer hij zijn gevleugelde oogappel bespringt.3 (J.B., 18-19 december 2009) 1 Coppitters, René, Het dualistisch en complementair karakter van schepping en evolutie, 1964 (1961), Moregem, uitgeverij Universa, Wetteren, hoofdstuk 14. 2Tekst d.d. 26 november 2009. 3Tekst d.d. 18-19 december 2009. |
















