Naar de inhoud

Tisallemaiet

Deze blog beoogt een duplicaat en/of een voortzetting van de blog Tisallemaiet (https://www.bloggen.be/tisallemaiet) - © J. Bauwens, Serskamp
akke.beakke.be
Deze blog beoogt een duplicaat en/of een voortzetting van de blog Tisallemaiet (https://www.bloggen.be/tisallemaiet ) - © J. Bauwens, Serskamp

Over de oorlog die komt

Over de oorlog die komt

Ze zeggen dat hij al bezig is, kijk maar naar de prijzen in de supermarkt, halverwege de maand komt de bodem van onze portemonnee in zicht en als men niet het duurste koopt, mag men zich ook nog eens vuilzakken aanschaffen om het weg te kunnen gooien want ze hangen overal, de camera's.

De Eerste Wereldoorlog werd in gang gezet op 28 juli 1914 in Sarajevo (Bosnië): een Servische nationalist vermoordde daar een prins uit Oostenrijk-Hongarije, dat onmiddellijk de oorlog aan het thuisland van de moordenaar verklaarde waarna Rusland Servië bijsprong terwijl Duitsland Oostenrijk ging helpen tegen Rusland en tegen zijn eeuwige rivaal, Frankrijk. Duitsland rukte op naar Frankrijk langs over het neutrale België, wat werd afgekeurd door Groot-Brittanië, dat zich derhalve tegen Duitsland keerde. Na amper enkele weken stond op die manier heel Europa in brand. De oorlog, met het belangrijkste front in de Westhoek, zou vier jaar duren en miljoenen slachtoffers eisen.

De Tweede Wereldoorlog was in feite een voortzetting van de Eerste: W.O.I werd verloren door Duitsland dat nadien aan de winnende partijen (het V.K., Frankrijk en de V.S.) hoge schulden moest betalen, wat de Duitsers kwaad bloed zette. Terwijl in Rusland in 1918 de autoritaire USSR opdook, in 1922 Italië onder de fascist Mussolini kwam en in 1926 een militaire dictatuur oprees in Japan (dat in 1937 China binnenviel), kwamen in 1932 met de verkiezing van Hitler in Duitsland de nazi's aan de macht. Hitler, die nog had 'meegevochten' in W.O.I, beloofde de wraak waarom de schuldenlast schreeuwde: hij zou Duitsland weer groot maken. De huidige MAGA-beweging in de V.S. blijkt op een gelijkaardige leest geschoeid. Incluis de expansiedrang van Trump die aast op Canada en op delen van Midden-Amerika zoals Hitler toentertijd delen van Oostenrijk en Tsjecho-Slowakije innam en in 1939 ook Polen binnenviel, aan wie Frankrijk en Groot-Brittannië bescherming hadden beloofd en het spel zat op de wagen.

Oorlogen worden gewelddadig in gang gezet door nationalisten met expansiedrang en die worden verkozen door een gefrustreerd volk met wraakgevoelens dat net zoals in het voetbal kampioen wil spelen. Dictators starten een oorlogseconomie en financieren de bewapening met het plunderen van bezette gebieden: Hitler schiep werk met zijn wapenindustrie betaald door onder meer de plundering van eigendommen van opgepakte joden aan wie massaal dwangarbeid werd opgelegd waarna ze werden vergast. Onder allerlei voorwendsels pluimen sinds oudsher het Westen en nu vooral de V.S. de halve wereld door kolonisatie en om die reden ook werd de Oekraïne tot een oorlogsfront herschapen en moeten de dictaturen van de neokoloniale politiek worden hersteld en uitgebreid. Europa, allang gewend geraakt aan zijn kolonies, wordt nu op zijn beurt gekoloniseerd onder slokop Trump.

Grof en laf geweld verschuilt zich onder de welluidende dekmantels van christianisatie en beschaving en de fortuinen buitgemaakt door brute moord en brand worden prompt toegeschreven aan zogenaamde wetenschappelijke vooruitgang en technologische hoogstandjes die vooral bestaan uit hun in Hollywood gefabriceerde, leugenachtige verpakking. En zijn het niet de hebzucht en de megalomanie die aan de touwtjes trekken, dan dirigeert de angst alle beslissingen: potentaten belagen volkeren zoals straatboefjes dat met winkelstraten doen: geld in ruil voor bescherming, waarbij bescherming alleen maar kan betekenen dat men niet zal aangevallen worden door degenen aan wie men spontaan geslagen met den bibber zijn hele hebben en houden overmaakt.

Als het daarbij bleef, dan brachten wij het er misschien nog levend vanaf maar zo rooskleurig draait de wereldbol niet: kolonies worden niet alleen gepluimd, ook hun bevolking wordt ingelijfd en op de (loon)slavernij en de onbetaalbare belasting volgt een gewisse trektocht naar het oorlogsfront. De uitgestrekte begraafplaatsen uit de twee voorgaande wereldoorlogen liggen vol met gesneuvelden uit Afrika en uit Azië, kolonialen die niet eens wisten welke belangen zij met hun leven gingen dienen aan het front en in de oorlog die nu ook kolonie Europa aanspreekt, zal het niet anders zijn.

(J.B., 23 augustus 2026)

 

Over In Praise of Failure van Costica Bradatan (Aflevering 1)

 

Over In Praise of Failure van Costica Bradatan (Aflevering 1)

Costica Bradatans Lof van de mislukking betitelt een tegenstelling en die paradox manifesteert zich andermaal waar dit boek zelf van dit toonaangevende zwaargewicht in de hedendaagse filosofie zijn succes aan het thema van de mislukking dankt - Les extrêmes se touchent.

Het falen omgeeft ons in concentrische cirkels die Bradatan van buiten naar binnen verkent. Profetisch klinkt de zin: “Het falen van dingen raakt ons maar hun volmaaktheid doet dat ook en die kan ons ontmenselijken.”1 Simone Weil wordt het voorbeeld van de in de wereld onaangepaste, zij doorleeft de radicale nederigheid. Mahatma Gandhi zit in de ring van het politieke falen. E. M. Cioran zocht het sociale falen op: hij zag inactiviteit als het enige gepaste antwoord op de zinloosheid van het bestaan. Tenslotte is er het biologische falen door het ondenkbare van onze sterfelijkheid.2 Seneca, met in zijn voetsporen Mishima, zoeken alsnog te falen in schoonheid.

Mislukking krijgt per definitie geen navolging en laat ons verweesd achter maar dat is volgens de auteur het beste vertrekpunt voor een louterende reis naar 'zelfrealisatie' omdat het ons zuivert van de hoogmoed en nederig maakt, ontvankelijk. De reis naar binnen is de allermoeilijkste maar slangengif is tegelijk een medicijn.3

(Wordt vervolgd)

(J.B., 21 augustus 2026)

1“The failure of things affects us, and so does their flawlessness, which can dehumanize us.”

2“To think of death is “to think the unthinkable,” says Vladimir Jankélévitch.”

3“that which can destroy you can also cure you. The serpent’s venom is both poison and medicine.”

 

God of de duivel

 

God of de duivel

Is het dan niet de mist die ons dichter bij de waarheid brengt, die ons iets laat zien van wat wij wilden weten terwijl het licht van de dag het altijd aan ons oog onttrekken zal, gewapend als het is met zijn dans van strakke lijnen en van helle kleuren? De regelmaat, het scherpe en het duidelijke: zij hebben nimmer datgene getoond dat wij altijd zo ernstig zochten, als wij er weer eens aan dachten, als wij er door bekoord werden, als het in onze gepeinzens opkwam en niet wegging vooraleer wij tenminste hadden beloofd er eens naar om te zullen kijken. Waarom stellen de meesten onder ons het uit totdat de duisternis en de mist van de oude dag en zijn onduidelijkheid, zijn absolute vaagheid en zijn volstrekt gebrék aan orde hem ertoe dwingen om in die draaikolk te kijken, in die duizelingwekkende en ook echoënde put die dingen nazegt en zelf zeggen zal die wij altijd al wilden horen, weten en bevatten, doch waarvan wij de betekenis hebben verduisterd omdat wij ook weer altijd meenden dat de tijd van het moeten kennen van die ijle waarheid nog lang niet gekomen was? Wat de dag niet weten wil, komt spoken als het licht verduistert en als donkerdere wolken zelfs de lantarens van de maan versmachten en haar fluwelen gloed die soms de krekels zingen doet. Immers, het vage van het donker weet de bijna blinde kijker te verleiden tot het zélf tekenen van de vormen die hij in het duister zoekt, dat aarzelt voor ze die aan hem aldus te zien geeft. Hoe vernuftig omzeilt alzo het geheim zijn zelfverraad terwijl het zich tegelijk dan toch ontdoen kan van de absolute eenzaamheid, en een ander geheim ontspringt als er ineens een sluitende overeenkomst blijkt te bestaan tussen wat verborgen bleef en wat men al zoekende zelf meende te zien terwijl men het eigenlijk helemaal niét zag. Men geloofde dat men een deur zag opengaan en dat men aldus achter die deur kon kijken, terwijl in werkelijkheid die deur gesloten bleef, maar wat men geloofde te zien in de door de duisternis in de hand gewerkte begoocheling van zijn zinnen, bleek wonderwel overeen te komen met wat ook wérkelijk achter die deur te vinden was. Ik vraag u: wie dan stelde deze overeenkomst vast? En ik zal u dwingen het antwoord op deze vraag te geven, want ik weet dat gij het kent en dat, als gij niét gedwongen werd, gij het voor uzelf zoudt houden tot het einde van de tijden.

Mist - de mist die door de sleutelgaten klautert en zich in de huiskamers warmen komt, in de verhalen over arme mensen van Charles Dickens - in de mist die in de tocht van kille, donkere kamers danst, en die ook in de graven rondwaart, waar het stinkt, in die mist is het dat wat bijna leeft, bijna tot leven komt, als tenminste dezen die dit observeren, van zeer goede wille zijn, en bereid om te gaan kijken waar niets te zien is, en te blijven kijken totdat zij geloven iets te zien - een enkel ogenblik is lang genoeg. De duisternis die in een volle maannacht op die plekken in de hemel waart die heel ver af liggen van de maan, zo ver dat zij nog donker zijn en eigenlijk onverlicht - in die duisternis zijn al sinds het begin der tijden bewegingen aan de gang die niets anders zijn dan inspanningen van het donker om de omtrekken te vormen van wat zich tonen wil aan al wat zien kan. Niet de omtrekken van een godheid of een andere entiteit - was het slechts dàt, dan zou 't zo lang niet duren - neen: het zijn de omtrekken van dat geheel onaflijnbare, die zij willen trekken, en ze doen een beroep op al wie in de nacht geschouwd heeft sinds de vroegste tijden, om te getuigen van wat zich bijna heeft getoond, en enkelen van die toeschouwers beweren geheel naar waarheid dat zij geloven heel even iets gezien te hebben dat geleek op wat zij geloofden dat aan hen getoond zou worden als zij alleen maar bereidwillig schouwden. Eén van hen beweert zelfs dat hij gedurende een fractie van een moment zichzelf zag.

De mist en de duisternis, maar ook en vooral de angst is vervuld met datgene wat men tegelijk vermijden wil te vinden terwijl men het dan toch blijft zoeken, omdat er niets anders is gebleken dat het zoeken waard is, dan datgene wat men, indien men met zoeken ophield, "het onvindbare" zou kunnen heten. De angst vooral bergt dit in zich, omdat de angst een spanning is van krachten die elkaar niet willen terwijl zij tevens zonder elkaar niet kunnen zijn. In de angst vindt dat wat zoekt het gezochte terwijl het tegelijk vermijden wil door het gezochte ooit te zullen worden gevonden, en daarom is de angst het ontlopen van datgene wat men zoekt, precies omdat men het zoekt met de bedoeling het te kunnen ontlopen. De angstige wil vinden zonder gevonden te worden, hij wil toekijken van op een plaats die ongezien wil blijven, hij wil de dingen zien zonder zelf onder hen te zijn, en daarom ook is "de angstige" misschien wel de best benaderende benaming die men geven kan aan datgene dat sinds het begin gezocht wordt zonder dat men het zal vinden: alleen de duisternis onderneemt vruchteloos blijvende pogingen om zijn omtrekken te vormen die naderhand van niets anders gemaakt blijken te zijn dan van inbeelding en ook van angst. Dat wat zoekt en niet gevonden worden wil, is dan per definitie dat wat heerst over al het andere, want wat alles zien wil en zich tegelijk aan 't zicht onttrekt, wil het al beheersen - dat wat zoekt en niet gevonden worden wil, is dat wat heerst: het is bij uitstek god.

God is de entiteit die toekijkt terwijl hij zelf niet gezien wil, mag en zal worden, maar er bestaan meer entiteiten die toekijken en die altijd ongezien blijven terwijl ze hun invloed wel doen gelden, zoals bij uitstek deze welke de naam van "engelbewaarder" dragen. Engelbewaarders kijken toe uit zorg en zij dragen dan ook de zorg over de aan hen toegewezen personen. Een engelbewaarder garandeert vanzelfsprekend niet dat diegene voor wie hij zorg moet dragen, nooit getroffen zal worden door enig onheil: als de persoon waarvoor een engelbewaarder zorg draagt, een ogenblik verstrooid is, dan is het de engelbewaarder die hem in dat ogenblik van verstrooiing tegemoet zal komen met een hint of met daadwerkelijke hulp. Edoch, ook de engelbewaarder van deze persoon kan zich een ogenblik lang aan verstrooidheid bezondigen. Gebeurt dat, dan heeft de persoon die bij deze engelbewaarder hoort, nog altijd niet noodzakelijk pech. Immers, ook de engelbewaarder van die persoon heeft op zijn beurt een engelbewaarder, en die engelbewaarder-van-de-engelbewaarder zal wellicht de engelbewaarder over wie hij de zorg heeft, tijdig alarmeren... tenzij ook deze op precies hetzelfde ogenblik verstrooid is. Maar ook dat hoeft nog niet rampzalig te zijn voor de persoon in kwestie. Het is immers perfect mogelijk dat op hetzelfde ogenblik dat de persoon, zijn engelbewaarder en de engelbewaarder van deze engelbewaarder verstrooid zijn, de engelbewaarder van de engelbewaarder-van-de-engelbewaarder nog altijd waakt: deze engelbewaarder-van-de-engelbewaarder-van-de-engelbewaarder zal dan - onrechtstreeks - de persoon in kwestie bijstaan, zodat een ramp voorkomen wordt.

En nu komt het. Niet alleen mensen hebben engelbewaarders, ook engelbewaarders hebben engelbewaarders, en ook deze laatsten hebben er, en zo gaat dat door... jawel, tot in het oneindige. En nu hoor ik u al zeggen: als deze rij van engelbewaarders, met aan de top een mens, oneindig lang is, hoe is het dan in godsnaam mogelijk dat die mens alsnog niet verzekerd is tegen alle onheil? Immers, een toeval kan toch nooit zo groot zijn dat al die engelbewaarders tegelijk - en ik herhaal dat hun aantal dus oneindig is - in één en hetzelfde ogenblik ten prooi zijn aan verstrooidheid!? En misschien weet u al dat dit wél het geval kan zijn, en wel om de heel eenvoudige reden dat een persoon, zijn engelbewaarder, de engelbewaarder van deze engelbewaarder en zo verder en zo voort tot in het oneindige - dat deze allen altijd op eenzelfde plaats aanwezig zijn... zodat zij dan ook altijd allemaal door eenzelfde verstrooiende factor van de wijs kunnen worden gebracht. U weet wat ik bedoel: een persoon staat op de hoek van de straat, hij wil de straat oversteken maar hij is verstrooid, wat wil zeggen dat hij het voertuig dat van links komt aanrijden, niet ziet omdat hij wordt afgeleid door iets dat zich ter rechter zijde van de straat bevindt, iets dat niet alleen zijn aandacht naar zich toe trekt en hardnekkig vasthoudt en niet lossen wil, maar ook de aandacht van zijn engelbewaarder, de aandacht van de engelbewaarder van zijn engelbewaarder, de aandacht van de engelbewaarder van deze laatste, enzoverder enzovoort. Het is dus iets dat de aandacht van de oneindig lange stoet van entiteiten - waarbij de ene wordt geacht voor de andere zorg te dragen - op zich vestigt, boeit en niet meer loslaat, zodat geen enkele entiteit uit deze eindeloos lange stoet zich nog van zijn taak kwijt. U weet zeer zeker dat er op straat soms zo'n zaken te zien zijn waaraan mens noch engelbewaarder kan weerstaan: gebiologeerd kijken ze dan allemaal dezelfde richting uit, zijn ze verstrooid, ze zien het voertuig van links niet naderen - en de bestuurder van dat voertuig ziet hen evenmin omdat ook zijn aandacht door hetzelfde opgeslorpt wordt - en dan gebeurt dat wat men voor onmogelijk hield: niet alleen de persoon in kwestie is verstrooid, maar ook zijn engelbewaarder, én de engelbewaarder van zijn engelbewaarder, en ook diéns engelbewaarder, en ga zo maar door tot in het oneindige: geen van allen - ook al is hun rij oneindig lang - geen van allen kon weerstaan aan de verleiding om te kijken omdat het de verleiding zelf was die daar op dat moment ter rechter zijde voorbij trok, op dat fatale moment dat tegelijk alle ogen uiteindelijk blind maakte voor het gevaar...

De verleiding zelf - daar is het woord gevallen dat reeds van bij het begin in het vage van een mistige duisternis op de loer lag: is zij het niet die zich nimmer toont en wiens verborgenheid verleidt omdat wij weten willen wat wij niet weten kunnen? Is zij het niet die aan het zwart nachtelijke en aan het wit mistige een kleur geeft die eigenlijk niet de hunne is, doch slechts de kleur van het eigen bloed van wie toekijken en zich verleiden laten? Wat dan is het wat ons van de wijs brengt? Wat is het dat ons blind maakt door ons te doen kijken? Wat zorgt ervoor dat onze aandacht geheel verdwijnt en wij verstrooid worden - soms fataal verstrooid - terwijl het onze aandacht nochtans geheel aanscherpt? Het bestaat, daarover zijn we het allang eens, maar wat is het dan? Gelooft gij ook niet dat wij hiermee precies dit bedoelen dat sinds de oudste tijden de naam van de duivel draagt?

(J.B., 17.11.2008)

 

 






De lucide droom (artikel) & Een lucide droom (verhaal)

De lucide droom

3367255-949099fbf65cb0ca563affdc0226cda8.jpg

Onder een 'lucide droom' verstaat men: een droom wiens dromer zich bewust is van het feit dat hij in bed ligt, slaapt en droomt. Alle woordenboeken vertellen met plezier dat de benaming 'lucide droom' afkomstig is van de Nederlandse psychiater, schrijver, significus en ook spiritist, Frederik van Eeden, die leefde van 1860 tot 1932. In een van zijn lucide dromen zou deze zijn zoon Paul hebben ontmoet, kort nadat die, overeenkomstig een eigen voorspelling uit zijn kindertijd, op zijn vierentwintigste stierf aan tuberculose. Er is sindsdien al aardig wat geschreven én geëxperimenteerd rond de lucide droom, en ook veel vroeger al kwam het wat bizarre fenomeen ter sprake, bijvoorbeeld in de brieven van Aurelius Augustinus, geboren in de vierde eeuw. Edoch, een aantal zaken omtrent lucide dromen blijven toegedekt met een waas van geheimzinnigheid.

Het vreemde inzake lucide dromen is dat het besef van de onechtheid van zijn ervaringen, de dromer helemaal niet wakker doet schieten. Het is immers de te verwachten reactie van een gezond persoon, dat hij zich onmiddellijk afwendt van een zaak waarvan hij in de mot krijgt dat ze bedrieglijk is. Tenzij het natuurlijk gaat om zelf gezocht 'bedrog', in dit geval 'amusement' geheten. In dat opzicht zou de lucide droom dan ook veel gemeen hebben met de dagdroom, waarin men zich immers nestelt teneinde voor een korte periode alvast de illusie te hebben dat men aan de soms bijzonder kille realiteit ontkomt.

De lucide droom verschilt grondig van de dagdroom, ofschoon in beide gevallen de dromer beseft dat zijn ervaringen 'onecht' zijn. In het geval van de dagdroom, zoekt wie wakker is via verlangende gedachten een schijnwereld op te wekken, of althans een wereld waarin hij het aangename accentueert en het onaardige probeert te verdoezelen. Dit gebeurt dikwijls reeds in het denken als zodanig, dat immers goed in staat is om werelden te creëren die beantwoorden aan de wensen van hun schepper, zonder rekening hoeven te houden met bijvoorbeeld de natuurwetten. Gedachten dienen niet voor zelfbedrog maar somtijds zijn aardige gedachten gewoon bevorderlijk voor de gezondheid en begaan zijn met z'n gezondheid is iets heel anders dan zichzelf in 't ootje nemen.

Tenslotte worden alle dingen met gedachten aangekleed, en zonder deze kunnen zij gewoon geen kant op en bestààn zij niet. Alles wat is, dient immers een naam te hebben; over al het bestaande moet kunnen worden gepraat, geschreven en ook nagedacht; geen bestaande zaak presteert het om niet de overdenking van al was het maar een mus te zijn. En gedachten kleden de dingen aan maar ook uit; ze smukken ze op, ofwel halen ze die door het slijk. Gedachten zorgen voor de perceptie en zij hebben macht, zij maken dat dezelfde diepvriesmaaltijd die in de frituur twee euro kost, in het driesterrenrestaurant in 't centrum van de stad makkelijk geprijsd kan worden aan het honderdvoudige van dat bedrag. Het lapje grond hier aan de gracht dat geen cent waard is, is met geen miljard dollar te betalen als deze gracht de Hudson heet. Een krabbel met potlood op papier getekend door een heel braaf kind, is waardeloos - dezelfde krabbel waar de naam van Picasso onder prijkt, kunnen slechts een handvol aardbewoners zich veroorloven. De lof verandert zoals koning Midas de dingen bij eenvoudige aanraking in goud, en de vloek doodt ze genadeloos. Die Gedanken sind frei, zo zongen de joden in Auschwitz, maar de gedachten zelf kunnen ook bevrijden ofwel aan ketenen verankeren.

Concrete dingen en gedachten - dromen - hangen onderling altijd even onverbrekelijk samen als de twee componenten die sinds het opstellen van de kwantumtheorie in de oermaterie zelf worden erkend: enerzijds is er het louter stoffelijke, het 'deeltje', anderzijds de 'golf', de 'lading' of de 'geest' van het deeltje, wat eigenlijk nog het best vertaalbaar is als zijn 'invloed'... perfect vergelijkbaar met de invloed van een belastinginspecteur, zoals de wiskundige, René Coppitters het ons leert:1 de kans dat hij komt, zorgt dat ook als hij niét opdaagt, de belastingplichtige zich aan de spelregels onderwerpt. De inspecteur oefent druk uit, ook als hij afwezig is, gewoonweg omdat men niet wéét of hij zal komen. Op dezelfde manier beïnvloedt ook wat helemaal niét bestaat ons handelen en ons leven, van zodra wij slechts de mogelijkheid van dat bestaan gaan overwegen. Woorden kunnen waarschuwen maar de keerzijde van die medaille maakt dat zij ook angst inboezemen voor spoken. Alle dingen hebben namen; soms zijn die namen verwaarloosbaar, soms ook hebben de dingen zelf nauwelijks vlees aan hun botten terwijl hun namen alle andere zaken in het gelid verplichten te marcheren. Het ontbreken van de ene component, zorgt als het ware voor een compensatie door de andere; de stof en de geest lijken elkaar aan te vullen en aldus het geheel in evenwicht te houden. Wie niet sterk is, moet slim zijn, zo wordt sinds mensenheugenis gezegd: het niet bestaande moet het tekort aan het bestaande compenseren - als dat geen magie is!

In de lucide droom beseft de dromer dat zijn droom een droom is en dat wat hij droomt, helemaal niet bestaat in de wereld waarin hij in een bed ligt met gesloten ogen, slaapt en snurkt. Als in zijn lucide droom een operazangeres tot Frederik zegt dat zij vandaag jarig is, dan kan Frederik, eenmaal ontwaakt, haar woorden letterlijk herhalen - "Heden ben ik jarig" - omdat hij ze ook gehoord heeft in zijn droom. De vraag kon dan uiteraard rijzen wat die woorden dan in feite waren, aangezien zij nooit hoorbaar uitgesproken werden en bijgevolg ook nooit met oren konden worden gehoord. Konden zij iets anders zijn dan zijn eigen woorden, onuitgesproken en slechts gedacht - woorden die het stadium van het uitgesproken en het gehoord worden hebben overgeslagen?

In de familie van de auteur dezes doet het verhaal de ronde dat een betovergrootvader - toentertijd de enige geletterde dorpeling - door zijn buurvrouw werd verzocht om haar een brief voor te lezen die zij ontvangen had. Hij toonde zich direct bereid, maar de vrouw verzocht hem eerst uitdrukkelijk om tijdens het voorlezen de oren met zijn vingers dicht te stoppen: zij wilde vermijden dat ook hij van de inhoud van de brief kennis nam.

Uiteraard weten wij inmiddels dat mensen in staat zijn tot stillezen en dat het geschreven woord ons even duidelijk kan zijn als wat luidop gezegd wordt, maar dat die waarheid onbekend was aan wie geen notie van het lezen hadden, is niet verwonderlijk. De anekdote dateert uit de eeuw waarin Frederik van Eeden werd geboren, die het begrip 'lucide droom' in voege bracht; misschien was het toen inderdaad voor de meesten nog geheel onduidelijk of onuitgesproken gedachten mogelijk waren en of zij wel recht hadden op bestaan. Het is immers pas middels een moeizaam en langdurig cultureel proces, dat de welhaast dierlijke, fysieke schreeuw tot gesproken woord geworden is, het gesproken woord tot schrift, en wat neergeschreven werd, tot geheel onstoffelijke gedachte en zelfs tot ideologie, tot stroming en tot levende geest, welhaast gespeend van elke materie.

Wat in de lucide droom gezegd wordt, geschreven, gehoord en gelezen, wordt noch gezegd noch geschreven noch gehoord noch gelezen, terwijl men het zich wel herinneren kan alsof het werd gezegd, geschreven, gehoord of gelezen, en zulks is slechts mogelijk als de spreker of de schrijver dezelfde is als de toehoorder of de lezer... tenzij die twee op een andere wijze met elkander in verbinding staan dan middels de stoffelijke wereld waarin de gedachten van de ene tot gesproken of geschreven woorden worden, en de gesproken of geschreven woorden dan weer tot de gedachten van de andere. Voor mijn part is het duidelijk dat zonder de wereld van de stof die 'mededeling' geheel onmogelijk blijft, tenzij uiteindelijk de spreker of de schrijver en de toehoorder of de lezer, één en hetzelfde wezen zijn, wat moet uitmonden in een solipsistisch universum. Met andere woorden: als blijken mocht dat mensen via dromen met elkander in verbinding kunnen staan, dan kunnen wij er donder op zeggen dat de solipsist het bij het rechte eind heeft: de wereld met alles en allen daarin vervat, is dan een spook vanjewelste, de eventuele godheid al dan niet incluis. Wie zal het zeggen!2

(J.B., 26 november 2009)

Een lucide droom

Hij stond op, waste en schoor zich, ontbeet, besloot zijn ochtendritueel met een laatste kop koffie en toen hij die leeggedronken had, zei hij tot zijn vrouw, die recht tegenover hem aan de ronde tafel zat:

- Bertha, nu ga ik het doen!

- Wat gaat ge doen? vroeg ze, al ongerust.

- Ik heb vannacht gedroomd, zei hij, en weer over hetzelfde als gisteren...

- Toch niet over die leurder met zijn zwarte kapmantel? vroeg ze half lachend.

- Jawel, hij was er weer! Maar deze keer krijg ik hem te pakken! zei hij vastberaden.

Ze lachte, ruimde de tafel af en mompelde dan nog iets waar hij niets meer van verstond, maar hij deed geen moeite om haar te vragen het te willen herhalen, hij zat al volop met zijn gedachten bij zijn plan.

Men zegt dat dromen bedrog zijn, maar soms zijn diegenen die in onze dromen opduiken bijzonder hardnekkig: ze keren terug, soms vele nachten na elkaar, jaren aan een stuk. Ze bestaan niet in de wereld van de wakkeren, ze wonen nergens, ze lijken nooit geboren te zijn, maar eenmaal men slaapt en droomt, zijn ze daar weer: unieke personen met een eigen naam en een geschiedenis, een karakter, eigenaardigheden, kortom: ze hebben alles wat iemand heeft die ook écht bestaat; er is geen reden om aan hun bestaan te gaan twijfelen. Alleen is het de vraag waar ze dan zijn als men wakker is.

Soms dacht hij dat de leurder met de zwarte kapmantel iemand was die evenals hijzelf sliep op het ogenblik dat hij hem in zijn droom terugzag. Als de leurder wakker werd, dan verdween hij uit zijn droom. Werd hijzelf wakker, dan verdween hij uit de droom van de leurder. Sliepen ze beide, dan konden ze elkaar in elkaars droom ontwaren. Dat was tenminste wat hij soms dacht, maar zekerheid over hoe de vork hier aan de steel zat, had hij uiteraard helemaal niet.

Die morgen echter leek hij veel vaster besloten dan op andere keren om zijn plan ook uit te voeren. Of de kapmantel echt bestond of niet, wist hij niet, maar hij bestond beslist in zijn droom. Hij had het plan opgevat om de kapmantel uit zijn droom in de wakkere wereld naar binnen te halen.

Zijn vrouw zakte op haar stoel neer toen hij haar dit plan vertelde en zij dacht: ik heb het altijd gevreesd maar nu wordt hij écht gek!

- En hoe gaat ge dat dan doen? vroeg ze, toen ze eindelijk wat bekomen was. Ze wist immers dat zij hem onmogelijk zijn plannen uit het hoofd kon praten. In zijn jonge jaren had hij ooit de Eiffeltoren willen beklimmen, en hij had het ook gedaan. Hij had gepland om het kanaal over te zwemmen, en hij deed het ook. Twaalf stielen had hij aldus beoefend... totdat hij ze helemaal onder de knie had. En zijn Bertha, zij had hem altijd in alles gesteund.

- Gij moet een nachtje wakker blijven, zei hij: als ik van hem droom, zal ik teken doen, ik zal knipperen met mijn ogen. En dan moet gij roepen: Blazen, Kamiel!

- Blazen!?

- Hij zit vanbinnen in mij, als ik droom, verstaat ge? En hij moet eruit. Hij zit in de psyche: dat is een Grieks woord en het betekent zowel 'adem' als 'geest', verstaat ge? Als ik hard blaas op het ogenblik dat ik hem zie, dan zal ik hem er wellicht kunnen uitblazen. Maar ik moet dat doen terwijl ik nog van hem aan 't dromen ben. Daarom moet ge wakker blijven, Bertha: ik zal knipperen als het ogenblik gekomen is en als ik u van in mijn droom hoor roepen dat ik moet blazen, dan kan ik het doen zonder wakker te worden, verstaat ge?

- Ja maar, pruttelde Bertha tegen: wat moet ik dan aanvangen met die zwarte kapmantel, hier in de slaapkamer? Zou ik u niet beter direct wekken?

- Neen, neen, zei hij: als ik stop met dromen, is hij beslist weer weg! Dat begrijpt ge nu toch wel! We gaan het in stapjes doen: de eerste keer probeer ik hem uit te blazen, dat is toch zeker al heel wat, als het lukt, vindt ge niet? En ge hoeft niet bang te zijn: spreek met hem, stel hem vragen, vraag wie hij is, hoe hij heet en waar hij woont en zo, zodat we weten hoe écht hij is, en mocht er gevaar dreigen, dan maakt ge mij gewoon wakker. Dat is toch niet teveel gevraagd?

- En wat zijt ge dan verder nog van plan? vroeg ze, vooruitziend als ze was.

- Stapje voor stapje, zei hij: we mogen niets overhaasten. Ziet ge het zitten?

- 't Is goed, zei ze, zonder er verder nog over door te bomen.

***

Die avond hield ze haar kleren aan en ging ze bovenop het bed liggen met het nachtlampje aan om te kunnen zien wanneer hij met zijn ogen knipperde. Toen hij in slaap gevallen was, begon hij vrijwel onmiddellijk te snurken en dat duurde tot zeker drie uur in de ochtend. Dan hield het snurken op, maar knipperen met zijn ogen deed hij nog steeds niet. Tegen de morgen was Bertha doodop, maar nog steeds had haar Kamiel niet geknipperd. Toen het bijna klaar begon te worden, zag ze een kleine beweging. Blij omdat ze geloofde dat dit spelletje weldra een eind zou nemen en dat ze dan wat zou kunnen slapen, keek ze aandachtig toe.

Heel lichtjes knipperde hij met de oogleden, echter zonder dat zijn ogen open gingen, en dat mochten ze ook niet doen want als hij wakker werd, zou het mislukken. Ze twijfelde nog, maar toen ze hem nu weer heel duidelijk zag knipperen, riep ze, half fluisterend om hem niet te wekken, maar luid genoeg zodat hij het kon horen:

- Blazen, Kamiel! Blazen! Blazen!

Ze zag hoe haar echtgenoot diep inademde... en uitademde. Neen, dat was niet blazen, wat hij deed; het was gewoon uitademen, en zo kon er niks gebeuren uiteraard. En weer riep ze, dicht bij zijn oor:

- Hard blazen, nu, Kamiel; heel hard blazen, jongen! Vooruit, Kamiel, laat eens zien wat ge kunt!

Hij ademde weer diep in, diep uit... weer diep in, heel diep deze keer... en dan tuitte hij zijn lippen, zijn kaken kwamen bol te staan, ze keek haar slapende echtgenoot in bed zo aan met verwonderde ogen... en toen blies hij... éénmaal, andermaal... een derde keer...

- Blazen, jongen! riep zij: ge kunt het! Hard blazen, toe! En hij blies harder en harder, en toen ineens zag zij iets als een bleke bel zich vormen aan zijn getuite lippen, zoals men dat soms ziet bij kinderen met kauwgom in de mond.

Dit echter was geen kauwgom: wat zich in belvorm uit zijn mond te voorschijn stulpte, was veeleer rook, of mist. Maar die rook of mist kreeg alras een welbepaalde vorm, die ook toenam in volume naarmate Kamiel meer adem in de bel blies. Hij blies, en blies, en het leek wel alsof het een kermisballon was die hij opblies, maar een ballon was het allerminst, al zag Bertha nu heel duidelijk een vlies dat rozig was, het leek immers lichtjes dooraderd met kleine bloedvaatjes, en achter het vlies werd een melkachtige gedaante zichtbaar welke haar deed denken aan een foetus.

Maar een foetus was het allerminst. De bel was nu nog groter dan een voldragen baarmoeder geworden en de melkachtige gestalte binnenin de bel, zwol nog steeds op. Kamiel ging door met blazen, ook al spoorde zij hem daar niet langer toe aan, en hij blies nu zo hard dat zij wel begon te vrezen dat hij zich op den duur nog een breuk zou blazen. Het blazen begon overigens veeleer het karakter van een braakpartij te krijgen en Kamiel moest nu zijn mond heel ver opensperren om de gestalte die zich in de bel en mét de bel een weg naar buiten baande, voldoende ruimte te verschaffen. Hij begon er van te zweten en geraakte zichtbaar in ademnood, maar hij ontwaakte niet en volbracht zijn taak met de ernst van een slapende.

De bel lag naast Kamiel tussen de witte lakens in het bed, en zij was nog steeds bevestigd aan zijn mond die nog niet opgehouden had met blazen. Bertha was intussen naast het ledikant gaan staan omdat zij bevreesd was voor verrassingen en zij keek gelaten toe hoe haar plaatsje nu werd ingenomen door... ja, toen zag ze ineens de zwarte kapmantel...

- Het is de kapmantel, fluisterde ze: straks springt de bel... wat moet ik nu doen? Ik mag hem niet wekken...

Op dat moment scheurde het vlies dat rond de kapmantel gespannen was, en uit de bel vloeide een doorschijnend vocht, kleverig zoals speeksel, met daarin hier en daar wat bloed. De kapmantel, die in foetushouding eigenlijk opgerold gelegen had, was nu bevrijd en plooide zich helemaal open, zodat hij in zijn volle lengte de bedstee vulde waarin zij ook haar man in zijn diepste slaap verzonken zag. Uit de mond van Kamiel vloeide nog wat etter, zijn ogen waren dieper in hun kassen weggezakt, zijn gezicht zag nu krijtwit van de inspanning van het blazen en hij sliep zo vast dat het wel leek alsof hij dichter bij de dood was dan in 't leven.

Zij werd door de aanblik letterlijk verstomd, luisterde gespannen toe en hoorde nu de ademhaling van de zwarte kapmantel toenemen in volume. Kamiel zijn asem daarentegen hoorde zij helemaal niet meer en het leek wel alsof zijn borstkas zich niet meer roerde. De beide lichamen lagen daar met de rug op de matras en met de gezichten naar elkaar toegekeerd: Kamiel nog steeds met de mond een weinig open. De kap van de kapmantel was naar het magere gezicht van haar echtgenoot toegedraaid, zodat zij geen glimp van het gezicht van de kapmantel op kon vangen. Het lichaam van Bertha's echtgenoot was over de ganse lengte bleker geworden, dat van de kapmantel leek zwart uit te slaan naarmate het als het ware opdroogde. De twee lichamen samen vormden een bijzondere eenheid, en zij dacht een ogenblik aan een moeder met haar kind.

Als een vrouw een kind baart, haalt zij het dan niet vanuit een heel andere wereld, in deze wereld van de wakkeren naar binnen? Komt het kind niet uit een droom waarin het zich hardnekkig blijft manifesteren, terwijl het aanvankelijk iets chaotisch was, verstrooid zoals dromen verstrooid zijn, verdeeld en hoe dan ook toch opgesplitst in twéé? Het kind wordt eerst gedroomd door de beide ouders; een onwerkelijkheid, een leugen haast, rolt zich op, verpakt zichzelf, verbergt zich in zichzelf, omzwachtelt zich zoals een cocon doet en broeit, gloeit of groeit dan in de eigen warmte totdat daaruit bloedvaten en bloed ontstaan die immers voortkomen uit die zelfverhitting. Vlees wordt aldus geboren in de wereld van de wakkeren, en als de cocon openplooit gelijk een bloem zich lospelt uit haar blanke, lenige kelken, dan roept zij plotseling haar eerste schreeuw, een woord, een naam voor wie hem hoort...

Had hij nu iets gezegd? De kap draaide zich met een ruk naar haar toe. Zij schrok, keek in de zwarte schaduw van de donkere holte, ontwaarde daar wat licht in welgeteld één oog, een doffe parelmoeren glinstering van tanden in een gapende holte. Gelijk een knipmes veerde hij plotseling op in bed.

- Waar ben ik? vroeg hij met een hese stem, alsof hij nog niet goed wakker was. En wie zijt gij? Ik ken u immers niet! Wat doet gij hier? Wat is mij overkomen?

- Rustig maar, fluisterde zij, geschrokken doch beheerst en, in een poging om de man weer in slaap te sussen en zoals alleen vrouwen dat kunnen, duwde zij hem met zachte hand weer achterover in het bed en hij sloot warempel opnieuw dat ene oog. Doch met gesloten oog ging hij met spreken door.

- Het is gevaarlijk wat gij doet, waarschuwde hij: niemand heeft het recht om een ander te verschepen naar de wereld van de stervelingen, behalve de baarmoeders! Het is tegennatuurlijk wat gij nu bekokstooft met uw man, en de natuur zal zich hierom weldra wreken!

- Wees maar niet bang, fluisterde Bertha haastig, en vertel mij eerst uw naam, dan kunnen wij misschien tot een vergelijk komen. Mijn man heeft zeker niet de bedoeling om u te kwellen, wees gerust.

- De weg naar de hel is geplaveid met goede bedoelingen, zo siste hij en zijn stem verraadde ondubbelzinnig woede.

- Zeg mij uw naam, zei ze, en zeg ook waar gij ergens woont, dan kunnen we meteen afsluiten, dat beloof ik u.

- Afgesproken, zei hij na een korte stilte.

- Uw naam? zo drong ze aan.

- Ik heet De Ripper, zei hij: Oscar De Ripper. Ik ben geen onbekende.

De naam zegde haar wel iets.

- En ik woon in een cel, zo ging hij verder. Maar mijn palmares is nu dringend aan uitbreiding toe...

Zij schrok, wilde haar echtgenoot wekken, doch haar stem stokte in haar keel, van de plotselinge, verlammende emotie.

- Uw man slaapt nu wel héél diep, zei de kapmantel niet zonder pret: luister maar! Hoort gij dat dan niet?

Het gezicht van Kamiel was naar de muur toe gewend en zij hoorde nu inderdaad een vreemd geluid. Het ontsnapte ontegenzeggelijk aan de mond van haar echtgenoot.

- Het goede Nederlandse woord is doodsreutel, zo zei de kapmantel bedaard.

Eén seconde te laat realiseerde zij zich wie hij was: reeds omklemde zijn ijzeren greep haar linker pols, in de holte van de kap blonk het oog als een ster, de tanden klepperden zoals 't gebit van een kater, net vooraleer hij zijn gevleugelde oogappel bespringt.3

(J.B., 18-19 december 2009)

1 Coppitters, René, Het dualistisch en complementair karakter van schepping en evolutie, 1964 (1961), Moregem, uitgeverij Universa, Wetteren, hoofdstuk 14.

2Tekst d.d. 26 november 2009.

3Tekst d.d. 18-19 december 2009.

 






Apache over homorechten vandaag (Aflevering 5)

 

Apache over homorechten vandaag (Aflevering 5)

Docent gendergeschiedenis Jonas Roelens schrijft over hoe lesbiennes, veroordeeld voor “de onnatuerlike zonde van zodomye” in het middeleeuwse Vlaanderen, als ze al niet op de brandstapel werden gezet voor “zaken die beter ghezwegen zijn dan ghenoemdt”, het hoofdhaar werden afgebrand, gegeseld of levenslang verbannen. Vooral vrouwen met aanzienlijke maatschappelijke posities werden geviseerd. Velen meenden echter dat vrouwen onderling geen echte seks konden hebben, zodat men hen met rust liet. 1

Julia M. Free over “De pure vreugde van vrouwenliefde” voert in een semi-fotoreportage een drietal oudere lesbische koppels ten tonele die over hun relatie vertellen.2

“Les Apaches achterna” van Mara Matthyssens verzamelt enkele verhalen over hoe queer zijn met verzet en aldus met cultuur verbonden is.3

Baldwin Van Gorp brengt negen bladzijden heuse stripjournalistiek met “Reis per spoor, en blijf wat langer.”4

“Uit de kast en in de kou” van Merel Gelders gaat over de opvangtehuizen voor verstoten LGBTQI+-jongeren in Brussel, Luik en Charleroi. Een begeleider: “De meeste jongeren hier kregen al te maken met ernstig familiaal geweld. Soms krijgen jongeren niet eens de kans om zelf aan hun familie te vertellen dat ze homoseksueel of transgender zijn. Hun ouders houden hen zeer streng in de gaten en doorzoeken soms hun telefoon. Vaak volgt dan onmiddellijk de breuk (…).” Het Brusselse opvangtehuis werd vernoemd naar Alan Turing (de Britse wiskundige die in 1952 veroordeeld werd, chemisch gecastreerd en twee jaar later vergiftigd). “Sommigen worden gezocht door familie of onder druk gezet voor een gedwongen huwelijk.” Ze hebben nood aan een veilige plek (die er zelden is) en vaak zetten ze zich in voor lotgenoten. Vrijwel alle queers krijgen te maken met psychologisch geweld, bijna de helft met fysiek geweld.5

Uit “Beestenbos is bandeloos” van Tine Hens tenslotte worden de volgende zinnen benadrukt: “Vrouwelijke hyena's begroeten elkaar door hun clitoris te tonen. De komodovaraan kan zichzelf bevruchten. Een vrouwelijke fazant kan plots een mannelijk verenkleed aannemen. Terwijl leden van de menselijke soort elkaar graag in afgelijnde genderhokjes proppen, blijkt puur heteroseksueel gedrag in de rest van de levende wereld eerder uitzondering dan regel. We leven in een queer world, maar politiek werd - en wordt - dat niet altijd geapprecieerd.” En hiermee wordt meteen de toon gezet voor enkele openbaringen over de verbazingwekkende seksuele variëteit in het dierenrijk, waarmee deze unieke bundel wordt afgesloten.6

(J.B., 19 augustus 2026)

1Apache Magazine, Winter 2025, pp. 60-63.

2O.c., Winter 2025, pp. 64-71.

3O.c., Winter 2025, pp. 72-74.

4O.c., Winter 2025, pp. 75-83.

5O.c., Winter 2025, pp. 84-89.

6O.c., Winter 2025, pp. 90-94.

Apache over homorechten vandaag (Aflevering 4)

 

Apache over homorechten vandaag (Aflevering 4)

Tine Hens beschrijft hoe in Gaza genocide wordt gepleegd middels ecocide (vergelijkbaar met het gebruik van Agent Orange in de Vietnamoorlog) - “de totale vernietiging van ecosystemen en de leefomgeving”: met fosforbommen, verarmd uranium, zware metalen e.d.m. werd Gaza “herleid tot een giftige vuilnisbelt.” Het is een 'uithongeringspolitiek'. El Mezan van de Palestijnse mensenrechtenorganisatie : “Door alles te vernietigen [waaronder de revolutionaire waterzuiveringsinstallatie], lijkt het alsof er niets was, alsof hier een volk zonder geschiedenis woonde. [“'Doe het voor de fun', moedigen militairen elkaar aan op sociale media (…) met van een afstand aangedreven robotbulldozers”] (…) Het is wat gebeurde in Noord-Amerika, waar men miljoenen bizons afslachtte omdat ze zowel voedsel als cultuur van de inheemse bewoners waren.” Maar ecocide kan niet officieel vervolgd worden door het Internationaal Strafhof en het is quasi onbewijsbaar, terwijl het blijvend is.1

“Verminkt op doktersvoorschrift” is een getuigenis van Martin Hasani die van zijn kindertijd beroofd werd met een tiental keren zgn. 'dringende' operaties - volstrekt onnodig want voor een interseksevariatie waarvoor men beschaamd was en men het kind aanpraatte dat het niet goed was zoals het was, 'abnormaal'. Op zijn vijftiende werd hij door een (later voor 'misbruik gedekt door ideologieën' opgepakte maar weer vrijgesproken) arts gemasturbeerd onder de dekmantel van een meting van de spermaproductie.2

Het lijkt wel een moderne versie van de huiver van Jehova getuigen tegenover bloedtransfusies: terwijl de regering de zorg voor transpersonen bekijkt, verspreiden reactionairen (antigenderbewegingen, radicaal rechtse, conservatieve en katholieke groepen in het zog van Trumps 'war on woke') schadelijke pseudowetenschap, zo betoogt Joke D'Heer, terwijl duidelijk is dat pediatrische genderzorg (met onder meer het gebruik van puberteitsremmers) het welzijn van jongeren verbetert. Politieke tegenkanting (vooral vanwege Vlaams Belang, N-VA en MR, met CEBAM [o.i.v. het Amerikaanse desinformerende SEGM] onder Patrick Vankrunkelsven [een politicus die zetelt in de wetenschappelijke adviesraad van Isomer]) argumenteren “in een taal die wetenschappelijk oogt” maar steunt op 'grijze literatuur' en ingegeven is door irrationele angsten waarbij ze het hebben over 'experimenten op kinderen' die zij zelf proberen om te praten maar “psychotherapie met het doel iemand om te praten valt onder conversietherapie en is verboden in België.” In een reactie op het artikel distantieerden enkele geviseerden zich angstvallig doch ongeloofwaardig van Vlaams Belang alsook van SEGM.3

(Wordt vervolgd)

(J.B., 19 augustus 2026)

1Apache Magazine, Winter 2025, pp. 45-51.

2O.c., Winter 2025, pp. 52-53.

3O.c., Winter 2025, pp. 54-59.

 

Apache over homorechten vandaag (Aflevering 3)

Apache over homorechten vandaag (Aflevering 3)

Drag is een vorm van performancekunst die op theatrale wijze genderstereotypen parodieert en ontleedt en een dragking is een vrouw die zich als man verkleedt. Anneleen Ophoff interviewt Caillou, alias 'dragking Dicklan', en Joy, die in hun performances laten zien hoe “gender slechts een sociale constructie is die we helemaal zelf gecreëerd hebben, met gedragscodes en attributen”, aldus de kunstenaars: “Die codes door middel van drag uitbeelden volstaat om die stereotypes aan de kaak te stellen en een hele zaal aan het lachen - en aan het denken - te krijgen.” De artiesten verklaren hoe het ter discussie stellen van de rollen die men in de patriarchale maatschappij krijgt toegewezen, een pijler van de samenleving doet wankelen. Het kerngezin is niet vanzelfsprekend het referentiepunt voor onze rollen, “je kan ermee lachen [wat bevrijdt] maar liefst niet teveel. Omdat de grap eigenlijk een beetje té waar is. (…) Door het patriarchaat zijn we het meer gewend om met vrouwen te spotten. (…) terwijl dragqueens helemaal geen spot drijven, zij eren juist de vrouwelijke iconen uit de populaire cultuur op een artistieke manier.” En met drag kunnen maatschappelijk belangrijke boodschappen overgebracht worden. (En ook met de schitterende poëzie van Pim Lammers die de roze bundel verlucht.)1

“Pinkwashing for Palestine” is vervolgens een analyse door Layla El-Dekmak die aanklaagt dat Israël zich weliswaar profileert als homovriendelijk maar in werkelijkheid gebeurt dat 'in apartheidsvorm'. “Ze gebruiken de campagne om zichzelf als een progressieve tegenhanger van de zogenaamde 'homofobe' Arabieren op te werpen.” Een vrouw uit Jeruzalem getuigt hoe ze aan Israëlische controleposten niet alleen als Palestijn belaagd wordt maar ook als queer persoon: zonder nationaliteit en met enkel een verblijfsvergunning is zij volledig onbeschermd tegen homofoob geweld - ook vanwege Israëli's. “Israël staat erom bekend dat ze queer Palestijnen rekruteren voor hun eigen inlichtingendienst door middel van afpersing.” Pinkwashing bestaat er o.m. in dat je je eigen Arabische identiteit moet opgeven om door de holebigemeenschap van Tel Aviv aanvaard te worden. In de Brusselse queergemeenschap werken Palestijnen en (antizionistische) Joden wél samen, ze laten elkaar niet achter, “omdat zij het meest direct dat ontbreken van solidariteit voelen.” Maar de steden weren politiek en solidariteit in hun gecommercialiseerde pride. “De genocide (…) is een symptoom van dezelfde gewelddadige systemen die we als queergemeenschap proberen te ontmantelen”, zeggen actievoerders maar zij worden hierin tegengewerkt door opiniemakers zoals Stijn Baert die bij de macht aanschurken. “Het is niet enkel feesten, of vieren”, aldus Joppe De Campeneere die zich in diversiteit verdiept, “maar het is wel vieren dat we een toekomst kunnen bouwen, samen, voor iedereen.”2

(Wordt vervolgd)

(J.B., 19 augustus 2026)

1Apache Magazine, Winter 2025, pp. 32-39.

2O.c., Winter 2025, pp. 40-44.

Apache over homorechten vandaag (Aflevering 2)

Apache over homorechten vandaag (Aflevering 2)

Het recht van de sterkste (dat de wereldgrootmachten momenteel in het vaandel dragen) is niet iets abstract - het houdt in: uit het feit dat je iemand kan pesten, discrimineren of vermoorden volgt dat je dat ook mag doen. Dat betekenen de cijfers die Wim De Jonge te berde brengt m.b.t. 1 op 5 jongeren.

Voor queer scholieren én leraars is de school een onveilige plek: “Een op de vijf jongeren vindt agressie tegen homo's gerechtvaardigd”, aldus de auteur. Vergeleken bij Rusland en Turkije is België met als politieke baanbrekers Elio Di Rupo en Petra De Sutter alvast op papier “het walhalla voor queer mensen” maar pesterijen en haatmisdrijven maken dat 11 pct. van de geviseerden aan zelfmoord denken. Jongeren getuigen dat zij bang zijn om naar school te gaan en zij vragen zich af waar zij falen, wat wil zeggen dat ze de schuld voor het euvel prompt aan zichzelf toeschrijven.

Afgewezen door de maatschappij, ook na de humaniora: “Sommige hogescholen zetten de oude voornaam van trans jongeren op hun studentenkaart of op aanwezigheidslijsten. De boodschap is: je bent hier welkom maar toch niet helemaal”, aldus de onderzoeksjournalist. Rechten genieten is nog geen acceptatie en in het spoor van Rusland, Hongarije en de V.S. die tegenbewegingen steunen, tonen vergelijkende cijfers een toename van homofobie. In 2023 accepteren 18,3 pct. agressie tegen homo's (meer dan een verdubbeling tegenover vijf jaar voordien) en zij vinden “dat kinderen op school niet moeten leren om respect te hebben voor mensen die homoseksueel of lesbisch zijn”; bijna 1 op 5 willen het homohuwelijk weg en eenzelfde percentage weigeren homo-leerkrachten; ze schamen zich ook om met een vriend(in) die homo blijkt, over straat te lopen en hierbij heeft religie een hoofdrol.1

Met Frank Olbrechts heeft Apache ook oog voor transgender-poëten zoals Pim Lammers die de Zilveren Griffel won: “Na doodsbedreigingen uit rechts-katholieke hoek vanwege een verhaal dat hij schreef over seksueel misbruik moest hij in 2023 onderduiken.” Zijn (bijzonder toegankelijke) 'kinderpoëzie' blijkt allerminst gespeend van diepgang en is aandoenlijk, blijkens zijn transgenderprentenboek waar “een dierenarts vaststelt dat een lammetje vanbinnen een varken is, maar niet vanbuiten” en hij trekt zich op aan het door Willem Nijholts vertolkte vers van Annie M.G. Schmidt: “Want zo is het toch, m'n jongen/ Nooit is er een lied gezongen/ Over de verboden kus/ Van Romeo en Julius/ Want daar zijn we nog niet aan toe/ Taboe taboe”.2

(Wordt vervolgd)

(J.B., 18 augustus 2026)

1Apache Magazine, Winter 2025, pp. 22-27.

2O.c., Winter 2025, pp. 28-31.

In de marge

In de marge

Al wie de productie- en consumptiemachinerie tot dewelke onze maatschappij herleid werd, grondig bestuderen, zullen merken dat zij nimmer een perpetuum mobile kan zijn en wel om de eenvoudige reden die ook het perpetuum mobile onmogelijk maakt: de eindigheid der dingen.

De eindigheid, de onomkeerbaarheid van de tijd en de vervalwet drukken alle drie eenzelfde werkelijkheid uit, welke echter vloekt met een zeker aangepraat menselijk verlangen naar het bereiken van een eeuwigdurend genot, meestal verzinnebeeld in de fictie van de hemel.

De hemel zou de beloning zijn van al onze inspanningen en, vrij vertaald, zou derhalve het opsouperen van alle energie worden beloond met het niets of de warmtedood, het stilstaan van de tijd of de eeuwigheid.

Edoch, door ongeacht welk onafwendbaar gevolg te beschouwen als een beloning, maken wie zichzelf bedriegen, blij - het is warempel een kunst zoals een andere. De vorig jaar overleden Jezuïet en antropoloog Herwig Arts schrijft in een publicatie over spiritualiteit: “De dood is de noodzakelijke overgang van tijd naar eeuwigheid.”1 Op een welhaast Spinozistische wijze (want Spinoza ziet het geluk in de identificatie van de wil met de noodzaak) maakt deze zin van de nood een deugd, althans in de fantasie van de auteur want ofschoon de dood onafwendbaar is, is en blijft de hemel pure fictie, hij kan hooguit het niets zijn.

De slavenmoraal van het hele christendom is, zoals Friedrich Nietzsche in zijn Zur Genealogie der Moral uit 1887 heeft uitgelegd, niets anders dan de identificatie van het onafwendbare met het deugdzame: de slaaf heeft geen eigen wil, hij moet zijn meester gehoorzamen, legt zich daarbij neer om redenen van zelfbehoud maar om spanningen te vermijden, catalogiseert hij zijn gehoorzaamheid als een deugd.

De verenging van de samenleving tot een productie- en consumptiemaatschappij kan pas aan het volk worden verkocht als zij belooft uit te monden in een hemel maar de navenante prestatiedruk put niet alleen de mens uit maar ook en vooreerst het milieu en wie zich rekenschap geven van die fataliteit, kunnen niet anders dan die gang van zaken afwijzen, al is de afwijzing vanwege het systeem in kwestie hen altijd voor. Het systeem anticipeert op zijn critici door hen a priori monddood te maken: hun onwil om mee te werken aan de vernietiging van het leven wordt verkocht als een onvermogen om mee te draaien in de maatschappij. En zij belanden in de marge.

Dat de critici van de huidige suïcidale maatschappij belanden in haar marge, betekent echter dat het uitgerekend in die (maatschappelijke) marge is dat de kiemen voor een andere maatschappij moeten gezocht worden: een maatschappij die rekening houdt met de eindigheid en die derhalve de hemel van de godsdiensten en zo ook de religies zelf, verstaat als puur bedrog van doortrapte potentaten. Immers, de voorgehouden hemel is de motor van de mallemolen die hetzelfde lot beschoren is als de toren van Babel en als niet eerst die motor wordt stilgelegd, kan de waanzin van de toren die de aarde met de hemel moet verbinden en die aldus van de mens een god maakt, nimmer worden gestopt.

Het kapitaal en het kapitalisme resulteren zoals door Max Weber aangetoond uit een geloof dat lustangst predikt, versterving en spaarzaamheid, en datzelfde geloof is tevens de motor van een productiemachine die pas kan blijven draaien als zij haar snelheid almaar opvoert waardoor zij zich te pletter rijdt. Het atheïsme blijkt een noodzaak om de wereld van de ondergang te redden.

De mens beschouwt zichzelf onder de invloed van de godsdienst, die hem de hoeder van de schepping noemt, als het meest hoogstaande levende wezen, en hij voert aan dat hij complexer is dan alle andere vormen van bestaan. Een hier te noemen tweede antropoloog, Pierre Teilhard de Chardin, heeft over die toenemende complexiteit een heuse theologie ontwikkeld.

Edoch, de homo sapiens is pas 300.000 jaar oud en is derhalve een relatief jong schepsel. Veel langer bestaan bijvoorbeeld de reptielen, waaronder de vogels, die meer dan 66 miljoen jaar oud zijn. Zij zien er alvast veel eenvoudiger uit dan mensen en zo bijvoorbeeld zijn hun ogen simpel vergeleken bij de onze. Echter, heel wat vogelsoorten kunnen met hun 'simpele' ogen veel beter zien dan de mens vermag te zien en stemt het niet tot nadenken dat aldus eenvoud helemaal niet in de schaduw hoeft te staan van complexiteit? Men kon vermoeden dat, naarmate zij ouder zijn, levende wezens zich vereenvoudigen, kennelijk ten bate van hun prestatievermogen. Dat vloekt weliswaar met de geëigende opvattingen maar wie benijdt de vogels niet, die “zaaien noch maaien, noch verzamelen in de schuren”?2 Zij verliezen zich niet in de waanzin van oorlogen, vrij bewegen zij zich door de luchten, getooid in een prachtig vederkleed en zij maken onnavolgbare muziek.

(J.B., 16 augustus 2026)

1Herwig Arts, Een kwestie van verlangen. Over spiritualiteit, Davidsfonds Leuven 2000, pag. 127.

2Mattheüs 6:26.

Apache over homorechten vandaag (Aflevering 1)

 

Apache over homorechten vandaag (Aflevering 1)

Waar nieuwe Hitlers opstaan, keert de libricide weer, de voorbode van genocide, en is onafhankelijke journalistiek de witte raaf. Apache besteedde in 2025 een winternummer aan homorechten met de vraag of er nog gelijkheid is en levensruimte voor iedereen.1 De politieke ommezwaai in de V.S. jaagt mensen op de vlucht en ook hier te lande worden nog homo's uit huis gezet om hun geaardheid: verworven rechten blijken heel precair, schrijft Anneleen Ophoff. In een interview met sociologe Marian Lens en auteur Tom Lannoye over die teruggedraaide klok wijst Joannes Wirix-Speetjens op de poging van een Roemeense presidentskandidaat om homoseksualiteit te hercriminaliseren, op de moorden op trans vrouwen in Frankrijk en Denemarken, op het terugdraaien van LGBTQI+-rechten in de V.S. en in Hongarije en op het feit hoe hier een op vijf jongeren het homohuwelijk wil afgeschaft zien. Terwijl het gaat om mensenrechten, zo benadrukt Marian Lens, die ook het machisme binnen de beweging aankaart en de (door de oorlogen aangevuurde) terugkeer van het patriarchaat, wat Lannoye eerder pessimistisch stemt en uit de tijd van zijn huwelijk herinnert deze zich de woorden van Louis Tobback: “De dag dat ze hier binnen komen om te trouwen, sjot ik ze eigenhandig buiten.” De schrijver wijst er op hoe de grootste tegenstanders uit de politiek nu mee marcheren in de als politieke en commerciële opportuniteit gevierde Pride, onder wie N-VA “die condooms uitdeelt met een Vlaamse leeuw en de slogan 'in het hol van de leeuw'”.2

“De term 'trans-Atlantische vlucht' krijgt nieuwe betekenis”: zo dichterlijk drukt onderzoekster Jelske Antonissen uit hoe, opgejaagd door een heuse genderpolitie onder Trump, heel wat Amerikanen die niet langer toegang krijgen tot gezondheidszorg, eraan denken om hun land te verlaten en te vluchten naar het land dat hun voorouders ontvluchtten; Rainbow Relocation en Rainbow Railroad hebben de handen vol maar emigreren is niet simpel, is duur en voedt schuldgevoelens. Ook is onbehagen geen voldoende reden voor asiel en wie wegvluchten, kunnen niet meer terug. Antonissen brengt getuigenissen van mensen die nauwelijks nog buiten komen, onder meer vanwege neonazi-rally's. Transpersonen worden niet langer juridisch erkend, ze worden uit het leger geweerd en er wordt jacht gemaakt op hun ouders die nu prompt van kindermisbruik worden verdacht. Artsen die transpersonen alsnog helpen, riskeren sancties en politici nemen medische dossiers van burgers zomaar in beslag. Zelfmoord piekt en Trumps haatideologie rukt families uit elkaar; mensen wordt op straat achtervolgd. Een trans man getuigt: “Ik moest gewoon weg uit de VS. Na de verkiezing van Trump in 2016 voelde ik me nooit meer op mijn gemak. Mensen konden ineens alles zeggen en doen zonder gevolgen.”3 Dat verontwaardigt ook Tom Lannoye: “Mensen worden uit het [VS] leger gezet. De weinige verontwaardiging die dat hier oproept, voelt voor mij aan als een aanhoudende schok.”4 En men zag het nu ook na de aanslag van 25 juli in Berlijn: zelfverklaarde morele wereldleiders, waaronder de paus, vinden het andermaal niet nodig om hun mond open te doen.

(Wordt vervolgd)

(J.B., 17 augustus 2026)













1Apache Magazine, Winter 2025, p. 6.

2O.c., Winter 2025, pp. 8-15.

3O.c., Winter 2025, pp. 16-21.

4O.c., Winter 2025, p. 15.

 

Acteurs in andermans toneel

 

Acteurs in andermans toneel

Mens- en wereldbeelden zijn geen abstracte begrippen waarmee alleen wijsgeren, sociologen en andere geesteswetenschappers bezig zijn om die dan in definities te vangen en te noteren in boeken die voor eeuwig en drie dagen gevertikaliseerd de bibliotheken vullen: mens- en wereldbeelden bepalen voor een groot deel wie wij zijn, wat wij denken en wat wij doen - zij bepalen ons mens- en wereldbeeld.

Die stelling lijkt nietszeggend maar zij wijst er alleen maar op dat wat wij beschouwen als een product van onze eigen geest, reeds bestaat in de werkelijkheid waarin wij gevangen zitten. Mens- en wereldbeelden definiëren ons als elementen in een welomschreven kader, of beter: als functionarissen in een welomschreven activiteit, en het is de blinde of onbewuste identificatie met onze functie welke maakt dat wij verkeerdelijk gaan geloven dat het eigen mens- en wereldbeeld ook aan de creativiteit van onze eigen geest ontspringt.

Niets is minder waar: het scenario waarin wij opereren wordt door anderen geschreven en geregisseerd, wijzelf voeren het om den brode uit zonder te begrijpen dat dit het geval is maar op de een of andere manier kunnen wij het uiteraard wel voelen.

Het aanvoelen van het gegeven dat wij niet de makers of de regisseurs zijn van ons eigen leven bestaat vooreerst in de bewustwording van ons 'in de wereld geworpen zijn': we hebben niet gevraagd om te bestaan, we komen daar pas achter nadat het een feit geworden is en daar hebben wij geen zeg over. Maar dat wij ons bestaan niet eigenhandig regisseren, is een heel ander paar mouwen omdat wij daarover wel degelijk inspraak kunnen bekomen - of beter: verwerven, want het gaat om een zaak van macht en aldus is het een kwestie van strijd. Het gaat om de mogelijkheid om zich te bevrijden van een zekere slavernij.

Sprekende voorbeelden van het onderhavige euvel vindt men makkelijk terug, en reeds ter sprake kwam inzake neurodiversiteit hoe wereldbeelden ons ontmenselijken.

Met het oog op nog meer bezit, investeren kapitalisten in productiemachines, in gang gehouden door mensen die dan beschouwd worden als aanhangsels daarvan en die moeten dus bij die machines passen: ze moeten er zo goed mogelijk op gelijken. Loonslaven zijn mensen die zo goed en zo kwaad als dat met de dreiging van het geld en de zweep kan lukken, werden omgekneed tot machines. Alles aan de loonslaaf wat geen machine is, is ballast en moet worden weggewerkt en wie weerstand bieden aan die verminkende transformatie, worden prompt ziek verklaard. Voor de geldwolven hebben zij immers helemaal geen nut en zij belanden in de marge van de productie- en consumptiemaatschappij, hetzij op straat, hetzij in de schijnwerelden van gestichten en andere gevangenissen, aan banden gelegd met kettingen of met 'medicijnen', in de rol van de zieke of de crimineel.

Mensen met een gezonde natuurlijke afkeer van afstompend bandwerk als fabrieksarbeider met als enig vooruitzicht de promotie tot frontsoldaat (en dan verder tot arduinen monument) werden, zoals men zich herinnert, door nazidokter Hans Asperger voorzien van het nieuwe label 'autistisch' en dit leugenachtige brandmerk doet nog altijd dienst in een wezenlijk onveranderd systeem. Nog ter herinnering: precies zoals dat heden het geval is in de V.S., werd de Führer in het zadel geholpen door het grootkapitaal, de industrie, naar wiens pijpen niet alleen de politiek danst maar alles wat zij in haar macht heeft zodat uiteindelijk de beurzen bepalen wat waar en onwaar, goed en slecht, schoon en lelijk of gezond en ziek is.

Het gangbare mens- en wereldbeeld (het 'heersende paradigma') is niet van onszelf afkomstig maar bepaalt wel onze rol en ons leven, wat inhoudt dat anderen - zekere lui met macht - maken dat wij gelabeld worden als goede burgers of als criminelen/zieken. Zoals reeds aangetoond in het vertoog over diversiteit, is dit spelletje danig ingrijpend dat de meest gezonde mensen, en dat zijn uiteraard degenen die alsnog weerstand bieden aan de opgedrongen verminkende patronen, voortaan zullen doorgaan voor gestoord of voor misdadig.

Dit verbijsterende gegeven kan ons bewust maken van de hele mistoestand en meer bepaald van de valsheid van het aan ons opgedrongen mens- en wereldbeeld: niet wijzelf, pacifisten en gewetensbezwaarden, zijn verkeerd maar het beeld dat wij van onszelf door onze potentaten opgedrongen krijgen en waarmee wij ons om den brode identificeren, werd grondig vervalst en wel met het oog op grenzeloze en gewetenloze, onmenselijke uitbuiting, met andere woorden: slavernij.

Nu beschouwen wij slavernij weliswaar (en uiteraard terecht) als mensonwaardig maar tevens gaat het om een toestand met een verleidelijke, bedrieglijke aantrekkingskracht. Slavernij berooft ons immers niet alleen van onze eigen wil maar tevens 'verlost' de onderwerping aan derden ons van het lastige verantwoordelijkheidsgevoel. Dat is het geval waar de staat alles voor het zeggen heeft, ofwel de religie, of ook nog, zoals vandaag vaak het geval is, de perverse kapitalistische economie.

Een communistisch systeem fnuikt vaker de vrijheid en de individuele creativiteit maar een doorgedreven vrije marktsysteem met monopolievorming doet dat ook. Religie of volks-opium functioneert zoals gedefinieerd in Dostojevski's parabel van de Grootinquisiteur van Sevilla als de door het instituut van de kerk in scène gezette tegemoetkoming aan de mens die, zoals de grootinquisiteur beweert, zou falen om eigenhandig het hoofd te bieden aan existentiële angsten. Het geld ten slotte bezorgt ons de illusie dat wij ons kunnen vrijkopen uit dit tranendal.

Bevrijding van de genoemde slavernij kan uiteraard alleen zelfbevrijding zijn en dat is emancipatie. Maar emancipatie vergt veel moed daar zij te kampen heeft met in de eerste plaats gemakzucht. Ook daarvan reikt de actualiteit ons voorbeelden aan en voor de hand liggend is dat van de Pride die immers van de deelnemers eist dat zij weerstand bieden aan de angst voor aanslagen en in de eerste plaats de moorddadige aanslagen die de optocht als het ware willen veranderen in een gevaarlijk en dus te vermijden spel van Russische roulette. Maar die angst voor mogelijk of zelfs waarschijnlijk onheil wordt ingehaald door het nu - dankzij de 'woke' of de bewustwording - algemeen uitgesproken besef van de veel ergere want daadwerkelijke repressie in het dagelijkse leven.

Het besef dat het 'gemak' dat de slavernij te bieden heeft - het gemak van het geloof in een of andere verlosser, een politiek systeem of een demon zoals het geld - niet opweegt tegen de vrijheid die voor het grijpen ligt omdat vrijheid, bewustzijn is, bestaansbesef of mens-zijn.

(J.B., 16 augustus 2026)


 

 

Koningin Victoria

 

Koningin Victoria

Er blijkt een verband tussen spaarzaamheid en weelde en zo toeren wie in villa's resideren, vaker rond in mini's van het A-segment terwijl men succesvol limo's spot op parkings van low budget supermarkten en voor de deur van stulpjes zonder autostalling. Mensen maken zich zorgen over hoe anderen hen zien en naarmate daarvoor meer redenen zijn, wordt de nood aan theater en spektakel alleen maar prangender. Geluk lijkt een zaak van sociale vergelijking en de pikorde manifesteert zich dan ook in de uiterlijkheid waar men elkaar de ogen uitsteekt. Bovendien is mimicry een niet te versmaden wapen dat quasi garandeert dat de kleren de man maken en dat de wereld aan de durvers is. Brave lieden werken zich uit de naad om een bank vooruit te geraken in de klas maar blijven in de schaduw van windbuilen. Het contrast tussen verpakking en inhoud is welhaast spreekwoordelijk maar zorgt er alsnog voor dat wie sterk, verstandig en deugdzaam weten over te komen, prompt worden behandeld alsof ze dat ook zijn, het weze ministers die de staat oplichten of bisschoppen met losse handjes.

En in het zog van een morele anarchie is daaraan inherent geheid opnieuw het Victoriaanse tijdperk aangebroken: fatsoen, van het Engelse fashion, mode, façade of uiterlijk vertoon vergezelt het minder fraaie van een graaicultuur welke zij moet verkappen. Die hypocrisie kent haar artistieke climax in Andersens De nieuwe kleren van de keizer of bij een adellijk applaus voor een leeg doek en dat wekt de woede van de smoelentrekkers, zoals in het slot van Tijl Uilenspiegel in de versie van Charles De Coster. Uiteraard speelt die climax ook in de realiteit zelf waarop de kunst anticipeert, zoals geopenbaard in het lot van Han van Meegeren: klokkenluiders en andere ontmaskeraars worden zonder pardon of protest en bij voorkeur in den duik, genadeloos afgeslacht en aan een altijd op wraak belust want gefrustreerd publiek als misdadigers verkocht naar het paradigma van de Messias. Ook ongelovigen zullen beamen dat het nimmer een sinecure kan wezen om het contrast tussen de Nazoreeër aan de schandpaal en zijn zelfverklaarde plaatsvervangers in het beruchte Romeinse resort naar de kroon te steken.

Dit alles om er op te wijzen dat een nieuwe preutsheid in volle opmars is en dus niet toevallig tegelijk met het onbeschaamd publiekelijk pronken in de massamedia van met geld uit lust en lotto toegeëigend (vrouwelijk) schoon. Het met de vinger wijzen van de exhibitie van Asmodeus' speelgoed werkt allerminst als waarschuwing of rem: het wakkert, zij het vaak onbedoeld, de macht van de demonen aan zoals ook het ombrengen van klokkenluiders doet en het afmaaien van alles wat de neergang in de weg staat. De opkomst van de preutsheid is dan de bestraffing van dit euvel met ons aller gevangenschap in een kooi van ontwrichtende gekunsteldheid: zij stopt prompt alle natuurlijke schoonheid in de kast en tegelijk alle middelen om nog langer spontaan aan authentieke menselijke gevoelens uitdrukking te geven.

Opgedrongen schaamte en ongegronde angsten komen in de plaats van ongedwongenheid en vrijheid en bovenop de verwoesting van het natuurlijke milieu verminkt de pruderie op haar beurt het psychosociale leven met de onzin van taboes onder Big Brothers dictatuur. In Het Zoute klaagt een bourgeoisie, die weliswaar exquise cruiseschepen frequenteert, over korte broeken aan 'hun' zomerstrand en in streken waar hittegolven de regel zijn, bakeren religies hun vrouwen na een genetische verminking in zoals men ooit deed met pasgeborenen in Rusland. Steeds vaker worden rechters geconfronteerd met de pedanterie van zekere gehersenspoelden die, heiliger dan de paus, met camera's gewapend in de tuinen van hun buren vermeende onbehoorlijkheden spotten. Een irrationaliteit neemt bezit van het openbare leven op uiteindelijk elk vlak en nieuwe hoogdagen breken aan voor papen en nog andersoortige charlatans die zich leep verrijken op de kap van wie met de nieuwe frustraties zijn vergiftigd.

(J.B. 14 augustus 2026)

 

 

LGTBQ+ en de blijvende maatschappelijke discriminatie

LGTBQ+ en de blijvende maatschappelijke discriminatie

In ons land gelden gelijke rechten voor homo's maar daar stopt het niet, vandaar de nood aan manifestaties zoals de Pride. Hetzelfde geldt uiteraard voor alle andere minderheden of kwetsbare groepen, zoals kinderen,vrouwen, kleurlingen, inwijkelingen en noem maar op.

Gelijke rechten wil zeggen dat de betrokken rechten wettelijk verzekerd worden maar de kloof tussen wat de wet gebiedt en wat effectief gebeurt, is dikwijls aanzienlijk. Kijken we andermaal naar de geschiedenis rond het (stichtende) voorbeeld van dr. Karel Van Noppen: de wet verbiedt het gebruik van hormonen in de veeteelt maar in de greep van niets en niemand ontziend winstbejag worden wie de uitvoering van deze wet bekrachtigen middels controles - de eerste stap in sanctionering - omgebracht, met als bewezen gevolg de alom te bezichtigen handhaving van het onrecht.

Uiteraard zijn wetten welkome en ultieme instrumenten voor het verzekeren van rechten maar evenzeer geldt dat zij aan tegenstanders middelen verschaffen om het tegendeel te bewerken, vooral dan waar criminelen ze gebruiken om zich daar achter te verschuilen. En in dat geval kunnen zij zelfs niet als 'crimineel' worden bestempeld daar zij er dan voor zorgen de wet aan hun kant te hebben, zodat zij dan alsnog hun slag thuishalen in overeenstemming met het recht van de sterkste.

Een schokkend voorbeeld biedt het feit (beschreven in de V.S. maar uiteraard ook elders gangbaar) dat de helft der gevangenen onterecht zitten en meer bepaald: hun veroordeling werd valselijk in scène gezet door de betrokken schuldigen die immers niet langer worden opgespoord van zodra de zaak als opgelost geboekstaafd staat. Sociale fraude biedt daarvan voorbeelden maar hetzelfde is het geval inzake discriminatie.

Pertinent is het feit dat wie gediscrimineerd worden, vaak geen gebruik maken van hun alsnog verkregen rechten omdat zij daar “geen goed gevoel bij hebben”, wat betekent dat daar waar zij hun rechten opnemen, zij zich blootstellen aan een soms aanzienlijke hoeveelheid stress. Stress veroorzaakt door de angst dat wie hen hun rechten misgunnen, soelaas zouden zoeken in vormen van wraak waaronder moord geen uitzondering is.

Ook hiervan biedt de geschiedenis voorbeelden te over, naast dat van de moord op Karel Van Noppen: Patrice Lumumba werd wettelijk verkozen maar het Westen dat garen spint bij het (neo)kolonialisme, gunt hem zijn rechten niet en de man wordt prompt vermoord; de daders blijven buiten schot.

Uiteraard stonden zowel Karel Van Noppen als Patrice Lumumba bloot aan een enorme hoeveelheid stress die hen had kunnen weerhouden van het plichtsgetrouwe uitvoeren van hun taak of van het gebruik maken van hun rechten, welke met hun ethische plichten samenvielen. Zij overwonnen zichzelf en stelden op die manier een historisch voorbeeld dat bijzonder betekenisvol is voor de vooruitgang van de mensheid als zodanig. Een gelijkaardige stress ondergaan al wie voor de keuze worden gesteld om al dan niet deel te nemen aan optochten voor mensenrechten, zoals de Pride. De gezaghebbende Roemeens-Amerikaanse filosoof Costica Bradatan schreef over die bijzondere realiteit met betrekking tot de menselijke ethiek een gevierd boek.

Hier geldt vooral dat het veel makkelijker is om een ander te verdedigen dan om zichzelf te verdedigen. Voor zelfverdediging is alertheid nodig en bezonnenheid maar vooral ook weerstand tegen stress.

Stress is een verborgen maar bijzonder vernietigend wapen in de handen van wie erop uit zijn om misdaden te plegen, bijvoorbeeld wanneer zij iemand iets afhandig willen maken. Stress speelt bij discriminatie, bij ontmenselijking en bij pesten.

De misdadiger weet zichzelf altijd buiten schot te plaatsen, bijvoorbeeld door zich weg te steken achter een wet of achter een recht. Mede daardoor veroorzaakt hij bij zijn slachtoffers frustratie en dat is stress. En daar is wetenschappelijk onderzoek naar gedaan:

In een artikel van de hand van Zico Saerens, d.d. 4 april 2024, getiteld: “Na het drama in Finland (waarbij een 12-jarige gepeste jongen drie klasgenoten neerschoot): hoever kan jarenlang pesten jongeren drijven?”, vertelt traumapsycholoog Margo Van Landegem dat de invloed van pesten vaak onderschat wordt: "Bij trauma's denken de meeste mensen aan mishandeling, verwaarlozing of seksueel misbruik. Maar ook pesten - zeker als je daar lange tijd slachtoffer van bent - kan een serieuze impact hebben op jezelf en je zelfbeeld, zeker als je nog in volle ontwikkeling bent." Trauma is niet abstract maar betekent vaak ook beschadiging van het zenuwstelsel: in het genoemde artikel legt M. Devriendt uit hoe slachtoffers van pesten op den duur de controle verliezen over hun emoties en gedrag. “"Ons oerbrein gaat standaard de omgeving scannen op gevaar. (…) Als je lange tijd wordt gekleineerd of vernederd, gaat je omgeving altijd als onveilig aanvoelen. Je lichaam wordt hyperalert en gaat constant in een stressreactie. Daardoor ervaar je geen veiligheid meer. (...)" Wie stress ervaart of zich bedreigd voelt - iets wat slachtoffers van pesten continu ervaren - valt terug op een automatisch verdedigingsmechanisme. Het is iets waar je niet zélf bewust voor kiest, je lichaam neemt het over.” Het slachtoffer wil alleen maar dat het ophoudt.

Iemand met stress opzadelen is iemand traumatiseren, het is: iemands zenuwstelsel beschadigen. Het gaat dus niet zomaar om woorden: het betreft hier een fysieke ingreep en dan nog in de kern van het lichaam, het zenuwstelsel. Het slachtoffer wil alleen maar dat het ophoudt, zo schrijft de onderzoeker. Men heeft er geen goed gevoel bij en men haakt af. Het lijkt erop dat men zichzelf benadeelt maar uiteraard betreft de keuze als zodanig niet deze tegen de eigen rechten maar die voor de eigen veiligheid. Want wat baten rechten voor de dode rechthebbende?

(J.B., 12 augustus 2026)

 

Bijwerkingen

Bijwerkingen

Ruim dertig jaar geleden kreeg hij zijn eerste infarct, er volgde dra een bypass-operatie, die verliep opperbest maar de techniek zelf stond toen nog in haar kinderschoenen. Er volgde een operatie aan de benen en later in datzelfde jaar nog moest een nier verwijderd worden. De klachten ingevolge hoge bloeddruk en aderverstopping konden met zware medicamenten wat getemperd worden. Een zorgeloos bestaan was voor hem niet meer weggelegd maar dankzij het dagelijks innemen van handenvol pillen en papjes, kon hij quasi zonder noemenswaardige pijnen toch in leven blijven: eten, slapen, converseren... hij kon zich zelfs in een beperkte doch bevredigende mate verplaatsen. Het grootste probleem waarmee hij in zijn dan toch mooi gestabiliseerde toestand nog wel te kampen had, dat waren de zogenaamde 'bijwerkingen'.

- Het leven zelf heeft talloze bijwerkingen, zegde de dokter, maar zolang dat draaglijk blijft, laten we ons niet ontmoedigen: we beschikken trouwens over al aardig wat vervangstukken, en tegen de pijn hebben we pilletjes en pleisters. Ook die hebben bijwerkingen, maar ook daar hebben we vaak pillen tegen. Het gebeurt zelfs dat placebo's helpen...

- Placebo's? vroeg hij geschrokken: maar dat zijn toch suikerbolletjes?

- Een placebo bevat zelfs geen suiker, zo verbeterde de dokter hem. Maar het is intussen eens en voorgoed bewezen dat het in bepaalde gevallen helpt, en dat is vooral goed nieuws waar échte geneesmiddelen teveel bijwerkingen hebben. Er is uiteraard ook slecht nieuws...

- Toch?

- Welja: het slechte nieuws is dat ook placebo's bijwerkingen kunnen hebben...

- Ongelooflijk, stotterde hij.

- Tja, maar nog een stuk vervelender is dat die bijwerkingen volstrekt onvoorspelbaar zijn!

- Is dat zo? schrok hij.

- Uiteraard, antwoordde de dokter, er zit immers niks in!

- Onvoorstelbaar, mompelde hij weer.

- Maar dat is dan vooral een streep door de rekening van de verzekeraars...

- De verzekeraars?

- Welja: als geneesmiddelen pretenderen doeltreffend te zijn tegen een of andere kwaal, dan zijn ze vaak ook werkzaam waar ze dat niét hoeven te zijn: in die gevallen spreekt men dan van bijwerkingen. Ik hoef je niet meer uit te leggen, wat dat zijn, niet?

- Ik kon er warempel over doceren!

- Wel, voor die bijwerkingen dient de bijsluiter uiteraard te waarschuwen, en dat is een zaak van de verzekeraars. Dat zij zich goed proberen in te dekken, maakt dat die bijsluiters zo erg lang zijn. De lettertjes worden almaar kleiner, het papier dunner... Mocht men de bijsluiter in leesbare tekst drukken, dan moest men een boek meegeven bij elk pillendoosje. En in geval van placebo's...

- Een telefoonboek! lachte hij.

- Tja, zei de dokter: maar wat die bijsluiter ook vermeldt... àlle mogelijke bijwerkingen opsommen, kan men nooit, precies omdat ze onvoorspelbaar zijn.

- In de praktijk loopt het zo'n vaart niet, wees gerust, krabbelde hij nu terug: de werkzaamheid van het placebo is immers niet te wijten aan een bepaalde substantie in de pil, want die pil bevat niks dan vulsel: het effect wordt teweeg gebracht door het gelóóf van de patiënt. Je ziet intussen wel waar ik naartoe wil?

- Je bedoelt dat ook de bijwerkingen door de patiënt veroorzaakt worden?

- Tja, dat is dus wat de verzekeraars zouden willen bevestigd zien, zo beaamde de dokter, maar heel zuiver op de graat is die redenering natuurlijk niet...

- Neen?

- Bepaalde bijwerkingen van geneesmiddelen, en dus ook bijwerkingen van placebo's, kunnen veroorzaakt worden door een specifieke angst daarvoor bij de patiënt. Iemand die angst heeft om hoofdpijn te krijgen van zijn pilletje, kan ook een stress ontwikkelen die voor die hoofdpijn garant staat. Maar... er is uiteraard een grote maar!

- Een grote maar?

- Ja, in het geval van een placebo is het wel zo dat er van werkingen of bijwerkingen helemaal geen sprake kan zijn zónder die pil, ook al bevat ze alleen maar vulsel, zie je?

- Dus komen de bijwerkingen dan toch van het vulsel? vroeg hij benieuwd.

- Van belang is dat voor dat vulsel betaald moet worden, zei de dokter, want dat maakt ook dat de schuld terecht komt op de nek van wie achter dat vulsel geld verdienen.

- Erger nog is dat de werkzaamheid van placebo's de geldigheid van de dubbleblind tests teniet doet, of dan toch voor een gedeelte. Je weet wat dubbleblind test zijn?

- Ik heb daar nog van gehoord, ja...

- Zij dienen om de werkzaamheid van een medicament te testen. Men geeft aan de ene helft van een groep proefpersonen met bijvoorbeeld hoge bloeddruk, een pil om die bloeddruk te doen zakken; de andere helft krijgt een placebo dat er eender uitziet als de echte pil. Tijdens de proef weten noch de proefpersonen noch de artsen wie een échte pil te slikken krijgen. Welnu, als diegenen die de échte pil kregen, beduidend vaker genezen dan de anderen, dan is bewezen dat de pil werkt.

- Uiteraard... Maar hoe heeft men dan aangetoond dat ook placebo's werken?

- Tja... het onderzoek moet daar uiteraard een beetje aangepast worden. Ik vermoed dat de ene helft van de groep proefpersonen een placebo te slikken krijgt, de andere helft helemaal niets. Maar om nu terug te keren naar de zaak... en ik geloof dat ze mij is ontsnapt...

- Je zei dat de werkzaamheid van placebo's de geldigheid van die dubbleblind tests voor een stuk teniet doet.

- Inderdaad, ja, want in het allerergste geval werkt het placebo even goed als het medicament, zie je?

- En gaat het dan nog om een ziekte?

- Dat blijft uiteraard de vraag. Maar als er klachten zijn, dan moeten wij ervan uit gaan dat er iets scheelt, nietwaar? Neem nu dat vermoeidheidssyndroom: vroeger dacht men dat het luiheid was, vandaag spreekt men over een virus... Migraine, nog zo'n lastig geval: de oorzaak is dikwijls gewoon onvindbaar!

- En wat is dan de oplossing, dokter?

- Oplossing! De geneeskunde heeft door de eeuwen moeten leren leven met lapmiddeltjes en ook met onoplosbaarheden, al blijven vanzelfsprekend altijd de hoop en de wil bestaan dat er ooit oplossingen komen. Alleen de dood is een absolute uitkomst, maar zo ver zijn we nog niet he? Zolang we leven, kunnen we schipperen, en laten we dat dan ook doen, en met veel plezier!

- Uiteraard...

- Lig maar niet wakker van het vulsel van placebo's, zei de dokter: het is iets bijzonder merkwaardigs, iets veeleer van metafysische dan van medicinale aard.

- Maar meen je dat nu?

- Wat?

- Dat het placeboprobleem metafysisch is.

- Jij hebt zeker al gehoord van de transsubstantiatieleer? vroeg de dokter. Vroeger, in de kleine dorpen, waar wij met de burgemeester en de pastoor soms vergaderden om de bijzondere problemen van de dorpelingen te bespreken, wilden de gesprekken onder invloed van een Saint-Emilion nogal eens ontaarden, en dan durfden allerlei duistere onderwerpen de kop opsteken...

- Zoals de transsubstantiatieleer?

- Inderdaad, het is een op het concilie van Trente bevestigd geloofspunt, dat trouwens de kern vormt van de heilige mis: in de consecratie wordt de wijn veranderd in het bloed van Christus en het brood van de hostie verandert in zijn Lichaam.

- En wanneer precies is dat geloofspunt er gekomen?

- Och, als ik me nog goed herinner dateert dat concilie uit de zestiende eeuw, maar het was al drie eeuwen eerder aan de orde hoor, in Lateranen, en het begrip zelf gaat terug tot Aristoteles, uit de vierde eeuw vóór Christus!

- Aristoteles?

- Aristoteles ontwierp een zogenaamde categorieënleer. Hij geloofde dat alle dingen enerzijds een wezen hebben, maar daarnaast ook allerlei eigenschappen, zogenaamde 'categorieën', zoals kleur en vorm, om nu maar iets te zeggen, want op de keper is wat ik nu zeg niet correct. Maar met Aristoteles zijn begrippen hebben de bisschoppen dan beslist dat in de consecratie de categorieën of dus de eigenschappen van wijn en brood dezelfde blijven, maar dat hun uiteraard geheel onzichtbare wézen voor een ander verwisseld wordt.

- Dat van Christus.

- Precies!

- En dat is ook met placebo's het geval?

- Wel... men zegt dat het geloof bergen kan verzetten. Ik moet nog de eerste berg onder invloed van het geloof zien weglopen, maar uit onze praktijk blijkt dan toch wel dat het geloof een zekere kracht kan geven aan bepaalde mensen, zij het niet aan iedereen; het geloof is dan ook een gave, zegt men...

- Het vulsel van het placebo verandert door het geloof van de patiënt in een werkzaam medicijn?

- Niet het vulsel, niet het vulsel! haastte zich de dokter: Indien er aan het vulsel iets veranderd werd, dan zou dit vast te stellen zijn! Het zogenaamde 'wezen' van de pil verandert!

- En geloof jij dat, dokter?

- Ha, geloven! Ik kan je alvast dit zeggen: als men afspreekt dat de pil gelijk is aan haar stoffelijkheid, dan verandert haar wezen uiteraard niét. Maar als men afspreekt dat de pil niet alleen dat stoffelijke bolletje is, doch alles wat daarbij komt kijken...

- Zoals?

- Zoals... de wetenschap, uiteraard, waarin wij terecht geloven, en het gesprek met de arts die de patiënt raadpleegt, en betaalt, de prijs van het medicijn, de zorg die besteed wordt aan de uitleg over de kwaal en ook nog al de goede zorgen en de raad die op de koop toe worden meegegeven... wel, als men afspreekt dat die ene pil in feite dat alles vertegenwoordigt, dan is het innemen van een pil uiteraard veel meer dan het inslikken van een paar milligram kalk, versta je?

- Interessante uitleg.

- Tja, we hebben allerminst een vervelend vak, dat is waar. En de tijd dat genezing een eerder zeldzame bijwerking was van medicatie, is gelukkig voorbij.

- Zal men ooit alle ziekten kunnen genezen?

- De ziekten niet, maar misschien wel de zieken, ha!

- En dan zal ook de dood verdwijnen?

- Dat durf ik niet te zeggen. Er zullen uiteraard nog altijd ongevallen gebeuren, en wat doe je met iemand die helemaal verhakkeld is? Naast de nieuwe ziekten, want die blijven er natuurlijk ook altijd komen... Maar een deel mensen, die voorzichtig zijn, en die wat geluk hebben, zullen beslist steeds ouder worden. Op het eeuwig leven durf ik, eerlijk gezegd, niet te hopen. Hier lijkt het mij in alle ernst zo te zijn... dat het leven een bijwerking is van de dood in plaats van andersom.

(J.B., 28 november 2009)(Verhalen 2006-2009)

 

De Pride verkondigt helemaal geen ideologie

De Pride verkondigt helemaal geen ideologie

Sinds drieëntwintig jaar kunnen in België homo's huwen en sinds twintig jaar zijn er gelijke adoptierechten; er zijn eveneens wetten tegen haatmisdrijven en discriminatie. Op die manier garandeert ons land gelijkheid voor homo's alsook bescherming tegen discriminatie.

Het doen naleven van wetten die waken over het leven en het welzijn van alle burgers blijkt echter geen sinecure: een aanzienlijk segment van de bevolking acht zich meer dan de rest, wat blijkt uit het feit dat de betrokkenen zich deze wetten niet ter harte nemen. Dat was ook het geval toen (in België in 1831) de slavernij werd afgeschaft, toen hier te lande op de dag van de onnozele kinderen in 1944 met het Sociaal Pact de arbeiders sociale rechten afdwongen en toen amper een halve eeuw geleden de vrouwenbewegingen gelijke rechten veroverden: om puur egoïstische redenen waren steeds een aantal mensen het hier niet mee eens.

Rechten zijn één zaak maar hun naleving is nog een andere en zo ging de slavernij ook na 1831 hardnekkig door, met dwangarbeid en genocides in de kolonies en in het neokoloniale tijdperk dat nog steeds aan de gang is, met zelfs een oproep tot terugkeer naar het kolonialisme bij de huidige reactionaire regering in de V.S. en slavernij is ook troef in de zogenaamde vierde wereld. Ook het Sociaal Pact wordt door de huidige regering uitgehold, onder meer middels de zogenaamde 'pensioenroof'1 en vrouwenrechten bestaan amper in de praktijk.

Maar die uitholling van rechten brengt onheil. Wat maakt dat campagnes ter zake altijd welkom zijn, zoals bijvoorbeeld ook campagnes tegen rijden onder invloed, bedoeld om mensen op de vingers te tikken die denken dat zij voor zichzelf alsnog een uitzondering mogen maken.

Die campagnes zijn allerminst ideologisch gekleurd en zo ook verkondigen de jaarlijkse optochten van de LGBTQ+-gemeenschap die in verschillende steden plaatsvinden allerminst een ideologie, zoals extreemrechts het blijft voorliegen in partijen die flirten met een volstrekte wetteloosheid en waarvan de optochten echter wél ideologisch gekleurd zijn. En hetzelfde geldt voor de godsdiensten, ook voor de erkende, waarvan de subsidiëring terecht ter discussie staat waar zij een visie verkondigen die strijdt met de wet.

Het Vaticaan is een dictatuur maar het bestaan van een pausschap heeft wel het voordeel voor beleidsmakers dat het katholieke geloof uit één mond kan spreken, ofschoon innerlijke verdeeldheid in de kerk de regel is, afgezien nog van de vele schisma's en de ontelbare religies die zich erop beroepen christelijk te zijn. Dat geldt des te meer voor de islam met vooreerst de onderling oorlogende soennitische en sjiitische tak en ook geldt dat voor het jodendom met in beider gevallen het geheel ontbreken van een door een centrale spreekbuis te verwoorden gemeenschappelijk standpunt, wat staten ertoe noopt om ook vanwege die religies een executieve te eisen.

Theocratieën zijn middeleeuws en in het Westen bestaan ze dan ook niet langer, behalve sinds de herinvoering van de middeleeuwen in 1929 met de oprichting van de achterlijke stadstaat Vaticaanstad waar de paus in feite keizer is; hij is namelijk de vorst van een (wereld)kerk maar ook van de genoemde (dwerg)staat en daar bezit deze westerse dictator de wetgevende, de uitvoerende en de rechterlijke macht en dit dankzij de moorddadige fascist Benito Mussolini, voorloper en evenknie van Adolf Hitler. Maar verder behoort het tijdperk van de theocratieën tot het verleden zoals ook het koloniale tijdperk dat doet... wat wil zeggen dat, vergelijkbaar met het neokolonialisme, ook nu nog de scheiding van kerk en staat jammer genoeg vooral een theoretische aangelegenheid is.

In de praktijk zijn sinds oudsher de beide machten twee handen op één buik en de kerk infiltreert het leven van de burgers nog steeds op die plekken waar de staat niet bij kan komen, ofschoon het kerkwerk nu voor een groot deel door hightech kan vervangen worden, en zo bijvoorbeeld stroomt de info die potentaten eertijds verzamelden via de biecht, nu binnen middels alomtegenwoordige microfoons en camera's die ons van onze natuurlijke territoria beroven en via de groots opgezette privacyroof op het internet dat in wezen een schaduwwereld is waar men naartoe gelokt wordt zodat de echte grond waar wij ooit woonden en leefden, kan worden ingepalmd.

Politieke beslissingen zijn aldus nog altijd ideologisch gekleurd en dat is geen goede zaak voor de mensenrechten want religieuze invloeden resulteren in beslissingen die niet op de rede gebaseerd zijn maar op een absurde en machtsbestendigende dogmatiek: die gaat helemaal niet uit van democratische principes of van de gelijkheid tussen de geslachten en de volkeren: zij heeft het over de onderdanigheid van de vrouw aan de man, over 'uitverkoren volkeren' of over een 'ene heilige katholieke en apostolische' groep binnen (of beter: terzijde van) de gemeenschap. Absurd, want zonder redelijk verdedigbare gronden en daarom ook vooral werkzaam in zekere krochten van de maatschappij die onder de radar blijven doch vaak grote invloed hebben.

De wetten die de rechten van alle burgers garanderen staan aldus aan verschillende kanten onder druk en hun handhaving vereist blijvend manifestaties vanwege de burgers die deze wetten stemden. Recht en vrijheid zijn immers nooit voor immer verworven goederen: het superlichaam van de maatschappij dient in stand gehouden te worden door blijvende actie, zoals dat het geval is met onze eigen lichamen en met al onze instrumenten: die vereisten voeding, lering, bijscholing, onderhoud en herstel.

(J.B., 9 augustus 2026)

1Cf. Kim De Witte, De grote pensioenroof. En het plan om ons pensioen terug te winnen, Epo, Antwerpen 2018. Cf.: https://epo.be/shop/de-grote-pensioenroof/

 

Solvejg’s Lied

Solvejg’s Lied

“Maar kom toch binnen, juffrouw”, zei hij, en hij maakte het brede gebaar dat edellieden vroeger plachten te maken als ze iemand lieten voorgaan met de woorden: “Après vous, madame”. Hij wees in de richting van iets dat er uitzag als een donker gangetje.

Hij was een kleine, magere maar brede en grijzende man en aan zijn vermoeide ogen was te zien dat zij hem kennelijk uit zijn dutje had gehaald, wat meteen verklaarde waarom zij zo lang had moeten wachten vooraleer werd opengedaan, nadat zij verschillende keren had aangeklopt op het deurtje in het kleine, alleenstaande huisje.

Zij had gevreesd dat ze nu de hele, lange uitleg zou moeten doen over hoe zij, een nog piepjonge vrouw, heel alleen in deze uithoek van het land terecht gekomen was, terwijl het al donkerde en pijpenstelen regende, maar zij werd al gauw gerustgesteld te zien dat de mensen hier zwijgzaam waren en niet naar uitleg vroegen als die niet spontaan gegeven werd.

Het was geen gangetje dat zij vervolgens aarzelend betrad, maar een kleine huiskamer, met daarin, in een halve duisternis die enkel werd verlicht door de vlammen van een kachel, een hele resem stille mensen.

Terwijl de wat gekromd lopende man haar tegen de rug verder duwde in de richting van de kachel, gingen allen spontaan opstaan als wilden zij haar op deze zeer eerbiedige wijze groeten.

Er was een oudere vrouw die uit een grote, rieten zetel oprees en haar met beiden handen tegelijk de hand drukte terwijl ze haar vriendelijk toelachte en zei: “Maar u bent helemaal nat, juffrouw: ga vlug zitten bij het vuur, kom…”, en zij schoof een stoel tot bij de kachel en hield haar bij een van haar bovenarmen zo lang vast totdat zij neerzat op de stoel, waarna de vrouw haar natte kleren met zorgzame bewegingen wat in de plooi trok, zodat zij door het vuur konden worden gedroogd zonder het gevaar te lopen verhit te geraken en te ontbranden.

Uit een andere kamerhoek rees nu een kleine jongen op toen de vrouw, die wellicht de moeder was van dit gezin, hem beval om de kom met soep te halen en die op het vuur te zetten. “Want u zult honger hebben, is het niet, juffrouw?”, richtte ze zich dan weer tot het meisje, en ze lachte haar weer vriendelijk toe, zoals ze eerst had gedaan, en ze nam nogmaals, met de beide handen, de handen van het meisje vast en kneep er in, als om haar daarvan te verzekeren dat zij hier in goede handen was en niets hoefde te vrezen.

“Misschien wilt u uw schoenen uittrekken?”, stelde de vrouw vervolgens voor: “uw voetjes zullen wel nat zijn nu, het is echt geen weer om een hond door te jagen: kom, wil jij hier eventjes helpen?”, zo klonk het zachte bevel dat zij richtte naar een andere hoek van de kamer. En daar dook als het ware uit het niets een jongeman op die bedeesd naderde.

Het vuur van de kachel wierp flarden van licht en schaduw op zijn kalm gelaat en zijn wilde haardos was een reusachtig doch geruststellend silhouet tegen de achterliggende kamermuren.

Hij kwam naar haar toe, haast zonder haar aan te kijken, knielde voor haar neer en begon rustig de veters van haar schoenen los te maken, trok de schoenen de ene na de andere traag en voorzichtig van over haar voeten, en stroopte vervolgens haar natte sokken uit, welke hij aan zijn moeder gaf, die ze op een ijzeren richel bij de kachel te drogen hing. De schoenen plaatste zij voor de kachel.

Intussen had de grijzende man het deurtje van de kachel opengemaakt en hij ging er met een pook in en zij hoorde ook hoe hij, achter haar rug in de weer, nog enkele stukken droog hout wierp in de vlammen.

Het openen van het kacheldeurtje had tot gevolg dat er meer licht in de kamer viel en zo zag zij hoe, tegenover haar en met de ruggen geleund tegen de muur, een rij kinderen neerzaten op kussens die op de vloer lagen uitgespreid. Geen van hen had sokken aan en het leek wel of de vele blote teentjes dansten op het ritme van de vlammen die nu fel oplaaiden.

De kleine jongen van zopas kwam langs een achterdeurtje weer de kamer binnen met, voor hem uit geheven, een grote en kennelijk zware, ijzeren kom.

De moeder ging opstaan, nam de kom van hem over en zette die op de kachel neer. Na amper enkele ogenblikken kon men de rijke geur ontwaren van kruidige soep die de hele kamer vulde met een stil en hartig verlangen.

Toen de vrouw opnieuw voorbij kwam, nam ze de handen van de juffrouw andermaal met haar beide handen vast, en ze zei met een zekere verrukking in haar stem: “Ho, maar kijk eens! Je krijgt het al warm! Wacht tot je soep zal gegeten hebben! Je zal dat gure weer snel helemaal vergeten zijn!” En zij ging weer plaatsnemen naast haar, in haar rieten zetel, en deed dan teken naar weer een andere kamerhoek.

Een tot op dat ogenblik geheel onzichtbaar gebleven gedaante verrees als uit het niets, en toen die ging opstaan, leek het wel alsof het plafond moest wijken – zo groot toonde de verschijning. Het licht van de vlammen uit de kachel viel op iets dat geleek op een breed, zwart kleed, maar zij bereikten het gezicht van de gestalte niet, zodat zij niet zien kon wie het was die daar nu was opgestaan.

Zij voelde plotseling de hand van de moeder, die aan haar rechter zijde zat, rusten op haar schouder, en zij wendde zich tot haar, die immer glimlachte. Ze zei:

“Nu moet je goed luisteren, kindje: Solvejg kan heel goed zingen, en terwijl we wachten op de soep, zal zij een lied voor je zingen! Hoor maar!”, en de moeder wees haar aan, zij draaide wat onwennig het gelaat in de richting van de onzichtbare vrouw die, zoals zij vermoedde, een reuzin moest zijn, en ze hoorde gespannen toe.

Maar het was niet het geluid van een stem dat nu de kamer vulde: het getokkel van snaren weerklonk doorheen de warme ruimte, en zij zag nu dat de jongen die haar had geholpen met het uittrekken van haar schoenen, vanuit zijn donkere hoek de harp bespeelde. Pas nadat enkele akkoorden waren aangeslagen, weerklonk vanuit het reusachtige lichaam van de nog steeds onzichtbare vrouw een stem, zo fijn als zij nog nooit in haar hele leven had gehoord. En toen zij was beginnen zingen, leek het haar dat ze het lied van ergens kende, als kwam het vanuit een ver en eeuwig verleden. En zij zong:

Der Winter mag scheiden, der Frühlung vergehn,

der Sommer mag verwelken, das Jahr verwehn,

du kehrest mir zurücke, gewiss, du wirst mein,

ich hab es versprochen, ich harre treulich dein.

Ah!...

Gott helfe dir, wenn du die Sonne noch siehst.

Gott segne dich, wenn du zu Füssen ihm kniest.

Ich werde deiner harren, bis du mir nah,

und harrest du dort oben, so treffen wir uns da !

Ah !...

[De winter en de zomer gaan voorbij,

de zomer verwelkt, het jaar vergaat,

maar jij keert wel bij mij terug, eens zal je weer de mijne zijn,

ik heb immers beloofd dat ik je trouw blijf,

Ach!...

Moge God je helpen, als je de zon nog ziet.

moge God je zegenen, als je aan zijn voeten knielt.

Ik zal op je wachten tot je terug bij me bent.

En wacht jij ginder boven, dan zien we elkaar daar wel weer!

Ach!...]

Zoals zij was verrezen, zo ook zeeg zij na het verstillen van het lied weer in haar duistere kamerhoek neer, de reuzin die Solvejg heette. Zij was de enige van het gezin van wie de juffrouw nu de naam kende. Zij verenigde zich weer met de duisternis, en toen de klanken helemaal weggetrokken waren, werd een licht snikken hoorbaar: Solvejg weende zachtjes, en ook de moeder in haar rieten zetel weende nu, en de vader en, aangestoken door het gesnik, begonnen nu ook de hele rij kinderen met de blote voetjes heel zachtjes te wenen, en ook de jongen die haar geholpen had met het uittrekken van haar schoenen, weende. En toen zij hoorde hoe het gezamenlijke geween werd begeleid door het steeds harder tikkelen van de regen tegen de zwarte ruiten van de nacht, kon ook zij zich niet langer meer inhouden: zij dacht aan de verloofde van de zwarte vrouw, die niet wist of hij nog wel in leven was, en die naar hem zou blijven wachten, wellicht tot in de dood, en zij bedacht hoe intriest dit was, en zo begon ook zij nu met hen allen mee te wenen.

Het borrelen van de kokende soep op het vuur was als een teken dat de tijd van geween voorbij was nu, en de jongen deelde aarden potten uit en lepels, en de vrouw roerde met een pollepel in de kom, terwijl zij met de rug van een hand de tranen van haar wangen veegde. Eerst werd de juffrouw bediend, en weer lachte de moeder haar vriendelijk toe terwijl zij haar een pot gaf met dampende soep. Dan volgden al de kinderen, de vader, de ongelukkige Solvejg, en de jongen die zo helder de harp had bespeeld. Allen kregen zij van moeder een aarden pot vol met dampende soep die heerlijk geurde, en de vader sprak een kort dankgebed uit, allen maakten zij een kruisteken, en begonnen met hun lepels in hun kommetje te roeren en te eten.

En plotseling leek het de jonge gaste alsof het de verloofde van Solvejg zelf was die hier in de persoon van hen allen te eten werd gegeven, opdat hij zou herstellen van zijn zware tocht, en kracht zou opdoen voor de terugreis en voor het behouden weerzien waarop zij allen blijvend wachtten. En het drong plotseling tot de juffrouw door dat, op de een of andere manier, ook zij in het lot van Solvejg deelde, en dat de wereld daarbuiten, die nu afkoelde in de koude regen, het begaf onder het gewicht van de tranen die opwelden uit de ogen van de verlatenen en de wachtenden die ooit aan elkander trouw hadden gezworen tot in de dood, en die vast van plan waren om die trouw ook mee te nemen in het graf als een hereniging in dit leven uit zou blijven. Zij dronk de warme soep van de moeder terwijl daarbuiten koude regen tegen de aarde viel, en de hele aarde huilde om zoveel ongeluk en verdrongen verlangen. En zij dacht aan de vele oorlogen die over de aarde woedden, en aan de ontelbare jonge soldaten die sneuvelden, ver weg van thuis, en aan het beeld van Vladslo moest zij denken, aan het treurende ouderpaar, aan de massagraven waarin levenloze lichamen lagen onder een laag kalk, en waar het nu op regende; aan de nooit verzadigde oorlogen dacht ze, en aan de volharding waarmee mensen die bleven voeren, terwijl winters en zomers en jaren voorbijgingen van onverdroten wachten; zij dacht aan het kloppen aan de deur van vermeend onbekenden, aan het opendoen en de ontvangst, aan de zorg en aan het leed en aan het lied van Solvejg dat ten hemel schreit sinds er mensen bestaan: verwanten en vermeend vreemden, ongelukkigen en vermeend gelukkigen. En terwijl zij de soep dronk, en de warmte ervan ook haar bloed verwarmde en haar hart, hervond zij de kracht om op te staan.

Zij dankte de moeder, de vader en de kinderen, en ook de jongen die haar nu hielp met het aantrekken van haar droge sokken en haar warme schoenen. En zij begaf zich nu ook naar de donkerste kamerhoek, om daar de ongelukkige voor het weggaan te groeten, toen opeens een schijnsel van de laatste maan door het raam viel, en een glans wierp op het tot op dat ogenblik onzichtbaar gebleven gelaat van de vrouw met het reusachtige verdriet – de vrouw die er nu plots heel klein uitzag, met een mager gezichtje, een mond welhaast zonder tanden, diepe oogkassen onder de schaduw van een zwarte kap, en ingevallen wangen. En zij drukte met de beide handen de vingerstokjes van de handen van Solvejg, die niet koud aanvoelden, maar warm, en die op hun beurt haar handen vastgrepen, hechter nog dan de moeder dat telkenmale bij haar had gedaan, als wilde zij haar op die bijzonder innige manier bezweren voor een kwaad waarvan zij tot op dit eigenste moment het bestaan nooit had vermoed; alsof ze haar wilde zegenen met een kracht waarom zij – o, noodlot – zelf nog smeken zou, als de tijd van verlatenheid en verdriet ook voor haar zou aanbreken. Want het kwaad dat hier had toegeslagen en waarvan ook zij nu, met hen, de bittere vruchten heel eventjes had geproefd, was – zoals zij nu begreep – het kwaad van de wereld zelf – een kwaad waartegen geen kruid is gewassen, behalve dan het lied dat zij zopas had gehoord, en de bitter-warme soep waarvan zij net gegeten had.

De grijzende man opende voor haar de deur terwijl allen waren opgestaan, en met eenzelfde gebaar als dat waarmee hij haar erin had gelaten, nodigde hij haar nu uit om in de andere richting doorheen het deurgat te gaan, en zij voelde het nu aan alsof zij niet naar buiten ging, maar naar binnen, in de wereld. Er was immers geen ‘buiten’ meer na deze enkele maar wonderlijke stonden, en na dit lied; het was alsof de kamer die zij nu verliet, zich uitstrekte over de ganse aarde. En het was klaar geworden, een ochtendzon klom achter de bossen ten hemel, en toen zij nog een laatste keer omkeek naar de plaats van het huis waar zij zonet te gast geweest was, zag ze daar alleen een bron opwellen uit de aarde – een bron die het leven gaf aan een helder stroompje dat haar langs de nieuwe weg die zij was opgegaan, begeleidde als een trouwe gezel. En het water klaterde zoals het tokkelen van een harp, en in die muziek weerklonk het lied van Solvejg.

Ik heb de juffrouw pas jaren later leren kennen. Wij zijn gelukkig getrouwd, zij het zonder kinderen, en ik ben als het ware haar manager en haar butler geworden, want zij reist nu de wereld rond met dit lied van Edvard Grieg op de verzen van Henrik Ibsen. Intussen, want de tijd staat niet stil, is zij zeventig geworden – ikzelf ben een ietsje jonger – maar aan ophouden denkt zij nog lang niet. Dagelijks brengt zij nog uren door in haar vertrekken, met het oefenen van haar stem, het herhalen van de frasen, het beluisteren en het uitproberen van steeds weer andere interpretaties. Zij leidt ook jonge stemmen op, brengt hen technieken bij, maakt oefeningen en repeteert, traint, herhaalt. Op die manier tracht zij, met hen, steeds dieper door te dringen tot in het hart zelf van het lied waarvan zij mij bezworen heeft dat ze het eens heeft horen zingen door de dood zelf, die tegelijk de bron van alle leven zou zijn. Het zijn geheimen waar ik met mijn beperkte verstand niet bij kan, en haar te kunnen blijven dienen is het enige wat ik ooit verlangd heb in dit leven – dankbaarheid vervult mijn hart dat ik dit al zolang heb mogen doen, zo goed en zo kwaad als het mij lukte.

Ik kan niet zeggen dat ik gelovig ben, maar als ik terugkijk op dit leven, en op dat van haar, die ik bemin – tenminste in zoverre ik in staat ben om haar veel diepere ziel te peilen – dan komt het mij voor alsof er in ons midden, haast onopgemerkt doch onmiskenbaar, een heel aparte soort van mensen leven – waartoe zij beslist behoort – mensen wiens leven wordt geleid door zielen van een hogere orde, en men neemt het mij niet kwalijk dat ik het woord ‘engelen’ hier laat vallen. De algehele en zozeer bezielde toewijding aan iets dat toch geheel onzichtbaar is en blijft, het dagelijkse offeren van het “heetste hartebloed” waarvan de dichters, zoals Adema van Scheltema, zeggen dat zonder dat “niets schoons ooit werd geboren”, het onverdroten doorgaan op een zo moeilijk pad dat zweet en vele tranen kost… Ik weet het niet, maar ik vermoed dat er een andere wereld is: een wereld, minder stoffelijk dan de wereld van de bommen, een ijle wereld misschien, waartoe de bijna onstoffelijke klanken van het schone lied de weg bereiden. Een wereld ook die, zoals ik heb menen te begrijpen, niemand op eigen houtje vinden kan. Men kan aankloppen aan een vreemde deur, en iemand moet dan opendoen en zeggen: “Maar kom toch binnen!”

***

(J.B., Verhalen 2006-2009)

 



2715398-b4644480bba8ae3ab8e8afed289ac7c6.jpg


Meer van Tisallemaiet

↑ Terug naar de berichten