Systeem, macht en mysterie
|
Systeem, macht en mysterie Het micro-reductionisme als belangrijke component van het materialisme vertrekt van een reeds door Augustinus van Hippo ontmaskerde inductie: omdat wijzelf dingen maken door ze samen te stellen uit eenvoudigere dingen, veronderstellen wij dat de werkelijkheid waarin wij geboren zijn, op gelijkaardige wijze is tot stand gekomen.1 Hiermee ontkracht de filosoof de theorie dat een bouwmeester aan de oorsprong van de wereld ligt. Edoch, door de schepping voor te stellen als een creatio ex nihilo geeft Augustinus alleen maar het logisch alternatief - in 'maken uit iets' vervangt hij immers 'iets' door 'niets' - wat allerminst een verklaring is. Het 'maken' is geen samenstelling en derhalve is ook het gemaakte of het geschapene dat niet maar wat is het dan wel aangezien wij geloven dat we het kunnen ontleden in samenstellende delen? En uitgerekend dat geloof is ongegrond. Immers, als het ding geen samenstelling is, is ontleding onmogelijk en betekent datgene wat wij 'ontleding' hadden genoemd, gewoonweg 'vernietiging': het ding of het wezen wordt bij de vermeende ontleding helemaal niet teruggebracht tot zijn componenten omdat het die niet heeft; het wordt een onding of een onwezen; het bestaat met andere woorden niet langer. Een van de gevolgen van dit inzicht is een ander inzicht, namelijk het inzicht dat het onmogelijk is om het ding of het wezen door samenstelling opnieuw tot stand te brengen want dat is de hoop die nog steeds door de micro-reductionisten of de materialisten gekoesterd wordt - in hun streven naar gelijkheid aan de godheid zoals zij zich die alsnog kunnen voorstellen. Het ding is niet tot stand gekomen door een samenstelling van zijn vermeende onderdelen maar bovendien werd het ook niet veroorzaakt - in dit geval door enigerlei vorm van 'maken'. Het concept van het 'veroorzaken', het causaliteitsbegrip, is immers eveneens een fictie en reeds Aristoteles wees er op bij zijn behandeling van de notie 'verklaring' of 'bewijs': als wij geloven iets te verklaren, passen wij het alleen maar in, in een context van reeds aanvaarde dingen, zodanig dat het dan lijkt alsof het te bewijzene uit die reeds aanvaarde dingen voortgekomen is.2 Weliswaar kunnen wijzelf, mensen, iets veroorzaken omdat wij kunnen handelen (of dat nemen wij althans aan) maar het toeschrijven van die capaciteit aan de dingen berust alweer op inductie want dingen zijn geen mensen en kunnen helemaal niet handelen omdat zij de vrijheid daartoe missen. Wat ons parten speelt bij het beschouwen van de dingen in onze wens om ze te verstaan, is het feit dat wij de dingen in onze beschouwing 'bevriezen' terwijl zij altijd aan verandering onderhevig zijn in de nimmer te stoppen gang van de tijd. Abstractie maken van die verandering, hoe gering of hoe 'onzichtbaar' die ook moge lijken, is oneigenlijk en vervalst onze voorstelling van de zaken grondig. De dingen zijn niet, zij zwemmen veeleer, ze zweven, en dat doen zij zoals ook wijzelf zwemmen of zweven en het geheel van dat alles is niet te overzien en zal ook nooit ten gronde begrepen kunnen worden. Waar echter potentaten geloven te weten waar het paard gebonden ligt, pogen zij hun inbeelding, welke pure waanzin is, aan alle anderen op te dringen maar die anderen onderschatten zij in niet geringe mate omdat elk wezen principieel ontvankelijk is voor het mysterie en derhalve weet of voelt dat theorieën, stelsels of systemen sowieso leugenachtige constructies zijn. (J.B., 30 september 2026) 1Cf. voetnoot 28 in : Jan Bauwens, TRANS-ATHEISME. Een christelijk geïnspireerde verrijzenis uit het hedendaags materialisme, Jan Bauwens, Serskamp, bijgewerkte versie van de tekst, gedateerd: Juni 2003: "2003Aurelius Augustinus (1999: 322) wijst op de denkfout in kwestie en verklaart ze meteen: in zijn De Fide et Symbolo (II:§2) bekritikeert hij ongelovigen die "vanuit hun vertrouwdheid met handenarbeiders, huizenbouwers en allerlei andere artisanen die niets kunnen tot stand brengen zonder grondstof", geloven dat ook God (een aan Hem externe) grondstof nodig had om alles te 'maken'. Maar zelfs indien God dingen tot stand bracht uit grondstof, dan werd ook die grondstof door Hem uit het niets geschapen, aldus Augustinus." PDF: https://blogimages.bloggen.be/transatheism/attach/564.pdf 2Jan Bauwens, o.c., voetnoot 243 (p. 227): "Conf. Aristoteles, Topiques, in: J. Brunschwig, 1967: 1-2: “Un raisonnement déductif est une formule d’ argumentation dans laquelle, certaines choses étant posées, une chose distincte de celles qui ont été posées s’ ensuit nécessairement, par la vertu même de ce qui a été posé. C’est une démonstration lorsque les points de départ de la déduction sont des affirmations vraies et premières, ou du moins des affirmations telles que la connaissance qu’ on en prend naissance par l’intermédiaire de certaines affirmations premières et vraies; c’ est au contraire une déduction dialectique lorsqu’elle prend pour points de départ des idées admises. Sont vraies et premières les affirmations qui emportent la conviction, non pour une raison extérieure à elle, mais par elles-mêmes (devant les premiers principes des connaissances, en effet, il n’ est plus légitime de se poser encore la question de leur pourquoi: chacun d’eux, pris en lui-même, doit être totalement convaincant); sont des idées admises, en revanche, les opinions partagées par tous les hommes, ou par presque tous, ou par ceux qui représentent l’opinion éclairée, et pour ces derniers par tous, ou par presque tous, ou par les plus connus et les mieux admis comme autorités.” |







