Systeem, macht en mysterie (vervolg)
|
Systeem, macht en mysterie (vervolg) De dingen zijn niet maar ze zwemmen of ze zweven en dat zij de indruk geven dat zij alsnog zijn, is een gevolg van het feit dat wij ze doen stilstaan of bevriezen teneinde ze rustig in beschouwing te kunnen nemen en er te kunnen over nadenken. Dat betekent eigenlijk dat van zodra wij een poging ondernemen om over de dingen te gaan denken, wij niet langer de dingen voor ons hebben doch gedachten daaraan: wij moeten het ding vervangen door de gedachte aan dat ding teneinde het te kunnen denken maar doordat we dat doen, hebben we niet langer het ding zelf in onze gedachten waardoor we onze greep op het ding definitief verliezen. Dit is allerminst woordenkramerij zoals men vanuit allerlei 'vanzelfsprekendheden' wel eens zou kunnen denken en een concreet voorbeeld dat de ernst van de zaak illustreert, gaf tweeënhalf millennium geleden de Griek Zeno van Elea met zijn welbekende paradox, genaamd "Achilles en de schildpad". Daarin stelt hij dat de snelvoetige Achilles die de schildpad nazit, haar nooit inhaalt: telkenmale hij haar wat naderbij komt, zal zij al wat verder gevorderd zijn. Op de keper beschouwd betekent de paradox dat beweging onmogelijk is maar die gedachte is uiteraard in strijd met de feiten. In strijd met de feiten: dat is wiskunde sowieso waar zij aanspraak maakt op werkelijkheidswaarde want zoals Descartes al wist, zijn wiskundige waarheden even waar in de droom als in het werkelijke leven, wat betekent dat ze zich van de werkelijkheid helemaal niets aantrekken en er derhalve buiten vallen. Waar ze echter pogingen ondernemen om zich aan de feiten aan te passen, boeten ze eigenlijk aan wiskundigheid in, zoals dat het geval is in het vectorrekenen of in de differentiaalrekening. De paradox zou worden opgelost in het licht van de kwantummechanica die er immers vanuit gaat dat tijd een discontinu proces is en dus in stukjes opgedeeld kan worden maar dat vloekt andermaal met onze intuïtie van een continu, vloeiend tijdsverloop: als inderdaad de tijd in (een eindig aantal) stukjes opgedeeld kan worden, is elk stukje zelf in feite noodzakelijkerwijze leeg of inhoudsloos, zodat alles gaat verschijnen als één grote illusie. De slotsom lijkt onvermijdelijk te moeten luiden dat het zijn en het denken zich elk in een eigen wereld bevinden en dat die twee werelden onmogelijk met elkaar verbonden kunnen worden. Maar ook dat blijkt in tegenspraak met de feiten omdat wij geloven dat wij alsnog in staat zijn om over het bestaande na te denken. De tegenstelling weerspiegelt zich in die tussen subject en object - waarvan wij ons opnieuw geen voorstelling kunnen vormen omdat die een geobjectiveerd subject veronderstelt. De werkelijkheid blijkt complexer dan wat met het denken haalbaar is en zo kan men zijn toevlucht zoeken in denkvormen die zelf gaan zwemmen of gaan zweven, zoals de poëzie. In de muziek ontstaan geluiden bijvoorbeeld door met het betokkelen of met het aanstrijken van een snaar die opgespannen zit tussen twee vaste punten, deze te laten trillen, waarbij de geluiden eventueel door een klankbord worden versterkt. Die vaste punten trekken als het ware aan de snaar in twee exact tegengestelde richtingen waardoor zij opgespannen wordt en bij het aanslaan kan gaan trillen. De trilling die we dan kunnen waarnemen als geluid getuigt van de aanwezigheid van een zekere spanning die ons wekt uit een slaap van onbewustzijn naar bewustzijn. Het zijn wordt een gedachte waar het in verandering is, terwijl gedachten in principe stilstaan. De verandering der zijnden zet op haar beurt de gedachten in beweging: de dode stof bekoort het leven, dat dan in overeenstemming met de vervalwet beweegt in de richting van de dood. Het denken schiet tekort om nog zinnige uitspraken te fabriceren en alles wat overblijft, is alleen nog mysterie. En wellicht het grootste mysterie ligt in een werkzaamheid der dingen welke aan elk begrip ontsnapt: de verrassing van de emergentie of het tot stand komen van nieuwe dingen waar op grond van onze kennis helemaal niets meer kon worden verwacht. (J.B., 1 oktober 2026)
|







