intervieuw
de andere twee, ze versieren slechts
zij zijn decorum, dus een ontvankelijk
stel ze strelen, je ego lang genoeg om
je argwaan, je oververhitte zinnen af
te koelen, ik stel hier dus de vragen
intervieuw
Voorspelbaarheid
kalme waters
zandbanken
De formele taal in de poëzieEn toch vind ik persoonlijk dat elk goed gedicht voordraagbaar moet blijven. Er is tot nu toe nog niemand geweest die mij echt kon overtuigen van het tegendeel.
Misschien beschouw ik het ook als het uitspreken van een toverspreuk, om een magisch effect te bekomen. Het theatrale kan misschien wel beter een luisterpubliek bekoren, maar het is niet dat wat ik zoek. Ik sta nooit te springen en te bulderen op een podium, hooguit één keer en dan nog om de toehoorders tot orde te roepen, afhankelijk van de stemming. Daarvoor heb ik een paar gedichten geschreven die dat heel goed doen.
Al ooit eens aan gedacht dat een voordrager eerst het publiek dient te bewerken alvorens hij kan overgaan tot het echte voorlezen? Je bouwt een spanningsveld op, gradueel sleur je het publiek mee over de schreef. Een voordracht verloopt wat mij betreft ook volgens een scenario, dat je zorgvuldig opbouwt.
Gedichten worden geschreven in een formele taal, waarbij ik vooral duid op de specifieke betrekkelijkheid van “formeel” schrijven. De lezer en/of de toehoorder wordt aangesproken. De dichter roept een lees-/luisterhouding op, er is dus een intense wisselwerking die alleen kan teweeg gebracht worden door iets ‘vormelijk’. Een gedicht heeft immers altijd met vorm te maken, elke roep naar de ‘vrije vorm’ ten spijt. De zogenaamde ‘vrije vorm’ bestaat immers niet, de schrijver maakt zijn eigen vorm, hij schrijft vormelijk en dus formeel de taal.
Lees proza, een verhaal, een essay en daarna enkele gedichten. Eigenaardig genoeg herkennen we onmiddellijk het verschil met de gedichten. We gaan in eerste instantie op de uiterlijke vorm af, aan een gedicht bemerken we de afgebroken regels, witregels en soms ook het ontbreken van leestekens en hoofdletters. Deze eerste vaststelling bepaalt echter niet alles, bij lezing van een gedicht valt ons nog meer op. Bijna elke zin op een regel, staat op zichzelf. Het lijkt alsof de schrijver zijn bedachte zinnen stapelt, en soms lees je een interessante wending, zoals een blad dat zich plots omdraait omdat de volgende zin een heel andere betekenis toevoegt. Als een gedicht bezield wordt voorgedragen, dan hoor je pas echt de formaliteit van de zinnen, de woorden, de klanken tot zelfs de haperingen toe.
Een formele taal spreken is gebruik maken van een zekere aanspreekvorm, het gebruik van een vormelijke taal.
Klank is slechts één facet, weliswaar niet onbelangrijk, vermits taal het beste overkomt als ze welluidend gebruikt wordt.
De vergelijking met schilderkunst gaat in zoverre op, dat 'beschrijven' meestal het doel voorbij schiet. Men verkrijgt dan slechts een statisch beeld, waarmee ik bedoel dat het geheel oppervlakkig blijft. Het is immers niet voldoende om de dingen aan te duiden, maar eerder ze op te wekken in de verbeelding.
Je ontkomt nooit aan het vormelijk gebruik van de taal, zelfs SMS-taal kan in die zin als een vormgeving beschouwd worden.
Als dichter kan je altijd wel één of ander element benadrukken, maar het gebruik van een formele taal is iets dat onvermijdelijk is, daarom is dichtkunst ook zo herkenbaar. Hoe graag je het ook zou willen, aan het gebruik van een formele taal ontkom je niet wil je poëzie/dichtkunst schrijven. De taal blijft nog altijd het instrument om te schrijven.
Bovendien "totale vrijheid" bestaat niet in de literatuur. De zo geroemde dichterlijke vrijheid is ook geen absoluut gegeven, je dient nog altijd rekening te houden met de taal.
Om het helemaal imperatief te maken, jijzelf bepaalt nooit wat dichtkunst of poëzie is, je kan het enkel trachten te benaderen. De tijd zal hier over oordelen, als je werk ooit in boekvorm verschijnt en de recencies beamen dat het voldoet aan universeel geldende esthetische normen.
Je kan enkel trachten door studie proberen te vatten wat de dichtkunst universeel maakt, hoe meer je je erin verdiept hoe minder geneigd je bent om zomaar iets als een gedicht te accepteren, het 'herkennen' is ook iets wat geleerd moet worden, zoals alles in het leven.
Het gebruik van de specifieke formele taal in de dichtkunst, onderscheid deze van andere disciplines in de literatuur.
Zo hou ik stilstaand van het water
Ze roept tegen de wind inach, roept ze moedeloos tegen de wind
en hartsgrondig haat ze elke verwaaide
zin die hij omkeert en dan anders klinkt
zij had toch een lange bomenrij rechtop
fier de stammen nog jong en groen aan-
geplant, met zwarte aarde aangestampt
om ze de wind te laten breken, maar zelf
niet, ze buigen wel haar woorden zachter
met spijt blijkbaar, want ze maken haar
onverstaanbaar
want haar taal is de hunne niet, zij fluisteren
het liefst en hun enige verweer is buigzaam
ze schudden ook hun hoofden in de wind
De stadsbedelaar
.
hij verstopt zijn aaibaarheid
achter fronsen en een grimas
zijn stem breekt glas en knarsen
het glazuur van zijn tanden
hij bevuilt spijt op zijn hurken
met een bierblik op de grond
een beker aan zijn voeten
zijn handen lijken wel gebeten
de koude steekt hij weg
met oude kranten
en enkele voorbijgangers
ze werpen, het medelijden
goedkoper op de grond
.
Een schaamteloos krot.
er
kruipen bruine mieren langs
de muur omhoog de deur zit
vast en klem, het hout is rot
en een vergeten slot is groen
het heeft de sleutel en zijn glans
verloren mieren kruipen tussen
de kieren en de vele spleten door
zo kunnen ze wel het hele huis
veroveren
de man die laatst nog
binnen kwam, hoe lang
geleden weet ik niet
is er te kort
een tijd verbleven
want de muren zijn nog kaal
de vensters hebben nog geen
gordijn gezien, slechts vegen
het is zonde van het huis
met van die schaamteloze ramen
en ik heb zelfs geen huis
om het te beschamen
ScheldezichtEen wandeling aan de Sint Aldegondiskade
hier roept geen meermin vrouw noch man
maar langs zonder het boeien, waar rustig
de logge schepen hun kettingen rammelen
in diep water klinkt hun dof geluid getijde-
loos op een zanderig zachte bodem, achter
de sluizen wachten ze, al de jaren langdurig
'we houden hier ook van hoge masten' zei ik
kijk hoe ze hun schors te barsten schudden
al lanen lang noemt men ze hier platanen en
de zeewind heeft ook hen met schuimgeweld
schuin te kijk gezet, maar ach ze buigen wel
al wat hier aanligt trotseerde ooit de zee
door scha en schande hoeven ze echt geen
namen meer, voor deze schepen slechts
de landstormen en een uitroestig sterven
.
De ochtenden zijn wit bestovenDe ochtenden, ze scheuren
nu langs mijn raam voorbij
ze krassen, groeven in arduin
de blauwe stenen, ze stuiven
als ‘t wit zand omhoog
in de verte ronkt een vlieg-
tuigmotor, de vleugels zie ik
niet te voorschijn komen, maar
misschien vliegt hij ook te hoog
Deze nacht had ik ijskoud
een droom, zelfs de lucht
leek wel bevroren en alles
wat ik zag was wit, afgrijselijk wit
zelfs schaduwen liepen verloren
en ze vonden hun oorsprong niet
ik droomde over vandaag op
het plein, totdat de morgen me
wakker riep, het vuur bleek
en de assen wit bestoven
Pleinvreesvanaf een betonnen balkon
zie ik een plein heel het jaar
door groen, kunstig het gras
hier en daar een wandelaar
zijn hond moet aan de lijn
ik zie een blokkendoos naast
een enkele boom, snoeihard
een getralied voetbalveld, ze
roepen er allemaal opzichtig
mijn hond moet aan de lijn
het eigen volk houdt het wel
heel erg kort, met blauw en
met lange messen dreigen ze
zelfzeker het warkruid weg
ze hebben hun eigenbelang
al veel te lang gekoesterd en
ze komen nu huis aan huis de
vol gemeste tuinen wieden
tot zelfs een bedelaar heel
vreemd zingt in zijn eigen
stad, om van te kotsen want
zijn gekraakte huis werd
afgeslacht
Voorspraak
dichtoefeningen
De vrouwentoren
.
De Schelde kaaien
Nog een oudje voor de kerst (herwerkt)
de hangende tuinen
Een winterhart.
Vroeger
braakte hij
de woorden als
een ware waterval
tot hij opeens begon
te haperen omdat het ijs
hier om zich heen gegrepen
had, enkele druppels druipen
nog, om het allerlaatste zuchten
weer te geven, hij is nu winterhard
toen zelfs de tijd verloren, bleek
liet men onaangedaan de korte dagen
langer lopen, want zolang het vriezen en
de vorst geen uren kennen, hij als de zon zo
laag gezonken is, blijft hij het liefst een ijzig beeld
heeft hij een winterhart
.
De trage schelde