Maandag 10 september 2007
Sarah of Abraham
Nulla calamitas sola. Een ongeluk komt nooit alleen. Zegt men.
De verpleegster bevrijdde mijn arm uit de plaaster, de dokter duwde drie keer op mijn pols. Of het pijn deed? Neen dus, dààr toch niet, en hij verklaarde me genezen.
Ik geloofde dat grif, wèg beperkingen! Dàcht ik.
Blauw, rood, bruin, geel, broos, dun, krachteloos. Spieren geslonken als sneeuw voor de zon…
Mijn Berlingootje verwelkomde me met open portieren en verbeet zich om niet in luid claxongeschal uit te barsten. Maar hij moest nog een beetje geduld oefenen, pas de volgende dag zou ik hem mee uit nemen.
Zo kwam het dat hij zijn favoriete plaatsje voor mijn voordeur verspeelde.
Geen nood, mijn buren hielpen me met het uitladen van mijn boodschappen.
Eens het nieuwtje eraf – en dat was reeds na één dag – kon ik binnenshuis geen beroep meer doen op mededogen van mijn troonopvolgers. “Mama, ge zijt veel te zelfstandig”, klonk het. Of onbarmhartig: “Ge moet zo geen aandacht vragen. Dat is zielig.”
Mijn onvrijwillige immobiliteit blies mijn sociale netwerk echter nieuw leven in. Boodschappen met Steentje, samen met Bietje naar de garage, door vrienden naar den Turk gevoerd, met Jolien en haar papa mee naar het Belgisch Kampioenschap Atletiek… Mijn rechtshandige vaardigheden groeiden.
Routinehandelingen kregen een creatieve vertaling. Verfrissend.
Die avond mocht ik naar een feestje. “Een nieuwe Voordeur. Het vet is van de soep. Over de helft zijn. Met tram 5 rijden. Abraham/Sarah zien…” , las ik op de uitnodiging. Verrassing, ongeloof, herkenning, leedvermaak, plezier, streden om voorrang, want Anita zag er stukken jonger uit… Onze oudsten deelden bijna tien jaar lang dezelfde klas, voetbalden samen en volgden ook samen muziekschool.
Mieke en Peter kwamen me ophalen, dat bespaarde me een eenzame entrée. Niet dat ik daar mijn hand voor omdraai, maar het is toch plezanter…
Aperitief. Warme beenhesp. Ludieke zangstonde.
De eerste danspasjes zijn gezet wanneer mijn broekzak begint te vibreren. Het is elf voor één. Mijn GSM. Te laat. Ik toets 5555 en beluister het bericht. Ik verwittig mijn tafelgenoten en neem afscheid van de feesteling. Mijn buren Vera en José vergezellen me.
Vera ontdekt dat haar thuisfront ook gepoogd heeft om haar te bereiken. “’t Is niet waar, hé!” roept ze en we zetten er stevig de pas in. Even later gaan we over in lichte looppas.
Onze straat is versperd door een politiewagen. In het blauwe zwaailicht zien de verhakkelde voertuigen er naargeestig en mistroostig uit. Jolien komt me tegemoet en omarmt me. Mijn zoon meldt me dat de politie-inspecteur een verklaring wil afnemen en mijn boorddocumenten nodig heeft.
Vijf auto’s als een harmonica in en op elkaar.
Aan een waanzinnig tempo haalde hij haar in op de verkeersdrempel. Zij had net haar dochter afgezet aan de Overpoort, merkte de snelheidsduivel op in haar achteruitkijkspiegel en zette zich in angst aan de kant. Hij schampte de linker boordsteen, verloor de controle over het stuur en ramde met een immense klap Yves’ auto linksachter. Deze botste met grote kracht tegen mijn wagen die op zijn beurt op zijn voorganger vloog, over diens trekhaak en die raakte dan weer Katriens auto. Vier meter ver is mijn Berlingo gecatapulteerd.
De chauffeur is amper vierentwintig jaar. Zijn passagier levensgevaarlijk gewond.
Hij had nochtans niet veel gedronken, vond hij. Slechts vier keer een halve liter pils. In shock drinkt hij anderhalve liter water in de gang bij mijn buur, in de hoop de ademproef positief te kunnen beïnvloeden. Het mag niet baten.
Ik ben geschokt. Mijn nieuw autooke, nog vier jaar af te betalen. Ik weet het, mij treft slechts materiële schade en dat verzinkt in het niets bij het lot van die andere jongen die voor zijn leven vecht.
Het geoefende oog van de takeldienst ziet een “perte totale” waar volgens mij mijn voertuig enkel erg gehavend lijkt: voor- en achterkant ingedeukt en rechts sluit de schuifdeur niet meer. Het chassis is beschadigd.
Ik onthaal de politie in mijn huiskamer om proces verbaal op te maken. Ik moet eraan denken binnen de drie weken een schadebestek in te dienen, anders verlies ik al mijn rechten.
Om kwart voor drie in de nacht komen ze mijn citroentje ophalen.
De volgende ochtend regel ik een vervangwagen. Mijn verzekering voorziet dit voor twee dagen. Ik krijg een C-eentje, schattig, klein maar desalniettemin ruim. Nieuw bovendien. Een positief kantje.
Mijn garage belooft mij me uit de brand te helpen voor de volgende dagen.
Ik krijg een CZ van Joliens leeftijd. Een gegeven paard kijk je echter niet in de bek. Mijn pijnlijke linkerhand mist het vertrouwde servostuur. Ik moet het stellen zonder centrale vergrendeling en automatische ruiten. Mensen, wat waren we verwend! En zeggen dat ik jàren met dergelijke wrakken rondreed!
Verzekeringen, je moet je assertief opstellen. Ik heb het al helemaal verkorven. Toen men me plompverloren meedeelde dat ik alle kosten diende voor te schieten - met een omnium had ik dit kunnen voorkomen - zetten de sluisdeuren zich open. Dàg welbespraaktheid. Ik voelde me een zielig hoopje mens.
Het warm (!) onthaal bij de politie bij het opvragen van het PV-nummer, bracht niet meteen soelaas. Zij vonden dat dit het werk was van de verzekeringsmaatschappij. En de verzekeringsmaatschappij vond dat ìk die gegevens moest ronselen, anders konden zij geen dossier opstarten…
Eén ding is zeker: ik moet mijn haar laten groeien. Hoe, moet ik nog uitzoeken. Waar?
Op mijn tanden…
De verpleegster bevrijdde mijn arm uit de plaaster, de dokter duwde drie keer op mijn pols. Of het pijn deed? Neen dus, dààr toch niet, en hij verklaarde me genezen.
Ik geloofde dat grif, wèg beperkingen! Dàcht ik.
Blauw, rood, bruin, geel, broos, dun, krachteloos. Spieren geslonken als sneeuw voor de zon…
Mijn Berlingootje verwelkomde me met open portieren en verbeet zich om niet in luid claxongeschal uit te barsten. Maar hij moest nog een beetje geduld oefenen, pas de volgende dag zou ik hem mee uit nemen.
Zo kwam het dat hij zijn favoriete plaatsje voor mijn voordeur verspeelde.
Geen nood, mijn buren hielpen me met het uitladen van mijn boodschappen.
Eens het nieuwtje eraf – en dat was reeds na één dag – kon ik binnenshuis geen beroep meer doen op mededogen van mijn troonopvolgers. “Mama, ge zijt veel te zelfstandig”, klonk het. Of onbarmhartig: “Ge moet zo geen aandacht vragen. Dat is zielig.”
Mijn onvrijwillige immobiliteit blies mijn sociale netwerk echter nieuw leven in. Boodschappen met Steentje, samen met Bietje naar de garage, door vrienden naar den Turk gevoerd, met Jolien en haar papa mee naar het Belgisch Kampioenschap Atletiek… Mijn rechtshandige vaardigheden groeiden.
Routinehandelingen kregen een creatieve vertaling. Verfrissend.
Die avond mocht ik naar een feestje. “Een nieuwe Voordeur. Het vet is van de soep. Over de helft zijn. Met tram 5 rijden. Abraham/Sarah zien…” , las ik op de uitnodiging. Verrassing, ongeloof, herkenning, leedvermaak, plezier, streden om voorrang, want Anita zag er stukken jonger uit… Onze oudsten deelden bijna tien jaar lang dezelfde klas, voetbalden samen en volgden ook samen muziekschool.
Mieke en Peter kwamen me ophalen, dat bespaarde me een eenzame entrée. Niet dat ik daar mijn hand voor omdraai, maar het is toch plezanter…
Aperitief. Warme beenhesp. Ludieke zangstonde.
De eerste danspasjes zijn gezet wanneer mijn broekzak begint te vibreren. Het is elf voor één. Mijn GSM. Te laat. Ik toets 5555 en beluister het bericht. Ik verwittig mijn tafelgenoten en neem afscheid van de feesteling. Mijn buren Vera en José vergezellen me.
Vera ontdekt dat haar thuisfront ook gepoogd heeft om haar te bereiken. “’t Is niet waar, hé!” roept ze en we zetten er stevig de pas in. Even later gaan we over in lichte looppas.
Onze straat is versperd door een politiewagen. In het blauwe zwaailicht zien de verhakkelde voertuigen er naargeestig en mistroostig uit. Jolien komt me tegemoet en omarmt me. Mijn zoon meldt me dat de politie-inspecteur een verklaring wil afnemen en mijn boorddocumenten nodig heeft.
Vijf auto’s als een harmonica in en op elkaar.
Aan een waanzinnig tempo haalde hij haar in op de verkeersdrempel. Zij had net haar dochter afgezet aan de Overpoort, merkte de snelheidsduivel op in haar achteruitkijkspiegel en zette zich in angst aan de kant. Hij schampte de linker boordsteen, verloor de controle over het stuur en ramde met een immense klap Yves’ auto linksachter. Deze botste met grote kracht tegen mijn wagen die op zijn beurt op zijn voorganger vloog, over diens trekhaak en die raakte dan weer Katriens auto. Vier meter ver is mijn Berlingo gecatapulteerd.
De chauffeur is amper vierentwintig jaar. Zijn passagier levensgevaarlijk gewond.
Hij had nochtans niet veel gedronken, vond hij. Slechts vier keer een halve liter pils. In shock drinkt hij anderhalve liter water in de gang bij mijn buur, in de hoop de ademproef positief te kunnen beïnvloeden. Het mag niet baten.
Ik ben geschokt. Mijn nieuw autooke, nog vier jaar af te betalen. Ik weet het, mij treft slechts materiële schade en dat verzinkt in het niets bij het lot van die andere jongen die voor zijn leven vecht.
Het geoefende oog van de takeldienst ziet een “perte totale” waar volgens mij mijn voertuig enkel erg gehavend lijkt: voor- en achterkant ingedeukt en rechts sluit de schuifdeur niet meer. Het chassis is beschadigd.
Ik onthaal de politie in mijn huiskamer om proces verbaal op te maken. Ik moet eraan denken binnen de drie weken een schadebestek in te dienen, anders verlies ik al mijn rechten.
Om kwart voor drie in de nacht komen ze mijn citroentje ophalen.
De volgende ochtend regel ik een vervangwagen. Mijn verzekering voorziet dit voor twee dagen. Ik krijg een C-eentje, schattig, klein maar desalniettemin ruim. Nieuw bovendien. Een positief kantje.
Mijn garage belooft mij me uit de brand te helpen voor de volgende dagen.
Ik krijg een CZ van Joliens leeftijd. Een gegeven paard kijk je echter niet in de bek. Mijn pijnlijke linkerhand mist het vertrouwde servostuur. Ik moet het stellen zonder centrale vergrendeling en automatische ruiten. Mensen, wat waren we verwend! En zeggen dat ik jàren met dergelijke wrakken rondreed!
Verzekeringen, je moet je assertief opstellen. Ik heb het al helemaal verkorven. Toen men me plompverloren meedeelde dat ik alle kosten diende voor te schieten - met een omnium had ik dit kunnen voorkomen - zetten de sluisdeuren zich open. Dàg welbespraaktheid. Ik voelde me een zielig hoopje mens.
Het warm (!) onthaal bij de politie bij het opvragen van het PV-nummer, bracht niet meteen soelaas. Zij vonden dat dit het werk was van de verzekeringsmaatschappij. En de verzekeringsmaatschappij vond dat ìk die gegevens moest ronselen, anders konden zij geen dossier opstarten…
Eén ding is zeker: ik moet mijn haar laten groeien. Hoe, moet ik nog uitzoeken. Waar?
Op mijn tanden…


