Vijf jaar was ik toen ik naar het eerste studiejaar trok. Een jaartje te vroeg maar vol goede moed. Zo fier als een gieter voelde ik mij met mijn geërfde boekentas. Ik kan ze me zó voor de geest halen: bruin, gebobbeld leder, vrij dun, twee binnenvakken en een klep met twee metalen sluitingen aan de voorkant.
Elke dag kreeg ik een appel mee. Juffrouw Paula sneed die voor mij in stukken, de helft was voor zuster Bernadette, een kwart voor haar en het laatste kwart mocht ik houden. Elke schooldag voltrok zich dit ritueel. Het gaf me een vaag gevoel van gestraft zijn, al wist ik niet waarom. Wellicht wilde men me leren delen, ik weet het niet… Thuis zei ik er niets over. Destijds was ik er immers van doordrongen dat grote mensen altijd gelijk hadden. Ik hield er een intense afkeer van mijn, overigens bekoorlijk, appeltjes-schortje aan over.
Juffrouw Paula noemde ons haar apostelen. We zaten immers met twaalven in de eerstegraadsklas. Ze troonde aan een grote lessenaar op een verhoog, de tree. Wie wat mispeuterd had, moest vooraan in de klas met de handen op het hoofd op die tree knielen. En oh gruwel, wie echt héél stout was, riskeerde in de schuif van die tree terecht te komen…
We leerden schrijven met een griffel op een lei. Met een vochtig sponsje begon je zó met een nieuwe lei! Aan de muur hing een leesplank met de woorden Aap Noot Mies…
Ik was meteen verknocht aan lezen!
Handwerk daarentegen! Ons eerste kunstwerk bestond erin lange draden te haken, waarvan een voetbalnetje geknoopt werd. Zo staat het tenminste in mijn geheugen gegrift. Pannenlappen, tafellopers, schoteldoeken, mutsen, gordijntjes,… volgden later.
Ook breien stond op het leerprogramma. De juf deed het voor met heel dikke breinaalden. Het begon met een sjaal, daarna kwamen de washandjes, de wanten, de sokken, de babysokjes, de kousen, de onderbroeken met schuine pijpen en met gaatjes voor een rekker, de babyhemdjes, handschoenen met vingers... Met twee priemen, of met vier. Met hulpnaalden, met een ronde pen. Ierse kabels, enkele en dubbele gerstekorrel, tricot – recht en averecht -, ajour, boordsteek, luie wijvensteek, patent- en pauwensteek…
Maar vóór ik zover was, heb ik heel wat afgebreid. Waag het niet “afgebreeën” te zeggen, want dat bracht één frank voor de missies op die jij moest ophoesten!
Zweet en tranen vergoten, gepriegeld, gesukkeld, mijn breiwerk door de kamer gezwierd toen het afzetten na ùren proberen algelijk niet lukte. Ik was er nochtans van overtuigd dat ik het kon!
Mijn moeder, weliswaar blind, kon prachtig en gelijkmatig breien. Ze breide washandjes voor de melaatsen, in ongebleekte katoen. Nadat ze gestorven was, heb ik haar laatste werk afgemaakt, mijn onregelmatige ribbels staken onbeholpen af tegen haar egale, strakke rijen…
Het was ook onontbeerlijk dat we leerden naaien. Ik had absoluut een hartsgrondige hekel aan stukjes inzetten, iets waar ze behoorlijk streng op waren. Een goede huisvrouw moest immers alles kunnen verstellen! Men noemde dit Nuttige Handwerken.
Veel leuker vond ik de Fraaie Handwerken, een bezigheid voor Dames! De rijg-, halve kruis-, en rechte steek, de ketting- en de festonsteek, de cordonsteek, mijn naailapje werd smoezelig van het intensief broddelen…
Toen ik laatst naar de bakker ging en 4,20€ neertelde voor twee broden, een zesgranen van 600 gr en een wit met maanzaadjes van 400 gr, moest ik even naar adem happen. Ik bedacht dat ik misschien best die oude schoolse vaardigheden nog eens oprakel. Binnenkort zit ik hier misschien noodgedwongen kousen te stoppen…