"Mijn gehandicapte vrienden waren van de eersten die mij de goesting om te leven hebben gegeven. Ik heb twee jaar met hen geleefd. Ik heb ze gedragen, gekleed, gewassen, gevoed, ze vergezeld naar het toilet, gewandeld met mijn broers en zusters, en met hen gebeden. Zij zijn verre van gehandicapten van het hart. Zij stellen belang in u. Zij vragen wie u bent. Een gehandicapte mens komt naar u toe. Zo u hem bevalt, zal hij u zeggen dat u lief bent, zij nodigt u gratis uit en zegt dat zij u bemint. Als je ze na drie op zes maanden later weerziet, zullen zij u bij uw voornaam noemen. Sommigen zouden een wereld zonder gehandicapten willen maken. Ik, ik zeg dank omdat zij bestaan. Dat kan je doen lachten, maar zij lijken mij geruststellender dan de 'normalen'. Zij leten mij om geen gehandicapte van het hart te worden."