Bart zijn verhalen
verhalen voor alle lezers in quarantaine
15-03-2020
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Is mijn kind een vreemde deel 7

IS MIJN KIND EEN VREEMDE?

 

AUTEUR:

DAEMS BART.

 

Elke gelijkenis met bestaande personen of gebeurtenissen is louter toevallig.

 

STANSKES KEUZE

 

Stanske stak de naald in haar arm. De insuline vloeide langzaam in haar ader. Met suikerziekte kan je honderd worden had de huisdokter gezegd. Gelukkig had ze geleerd zichzelf te behandelen. Zo kon ze zich inspuiten waar en wanneer ze dat zelf wilde. Ze zag op haar horloge, het was al acht uur. Ze hoopte dat Corneel reeds vroeg vertrokken was, hij hoefde niet te weten dat zij weer te laat was opgestaan. Ze dacht aan de voorbije nacht. Corneel was ’s avonds vroeg naar bed gegaan en toen Stanske boven kwam was hij reeds in een diepe slaap.

Zachtjes ging ze naast hem liggen en wenste dat zij ook snel in slaap zou vallen maar uren later lag ze nog wakker. Terwijl ze zo dan op haar rug lach dacht ze aan Corneel. De jaren dat zij met hem getrouwd was leken opeens op een eentonig bandwerk, maar dan wel met onbeperkte arbeidstijden: Iedere morgen de winkel openen, bakken fruit en groenten buiten zetten, de klanten bedienen, tussen de middag snel een boterham eten en tegelijk de keuken aan kant zetten. Tegen de avond zien dat het eten op tafel staat en na de afwas de winkel dweilen en de kas afsluiten. Gaan slapen om uitgerust de volgende dag weer hetzelfde te doen.

Ze wist nog dat ze zich op haar zij gedraaid had en met haar knieën opgetrokken in een foetus houding lag. Ze voelde nog de sterke bruine armen van Tonny die haar teder omhelsden. Zijn onstuimige lach, want Tonny was nog jong, zij was zoveel ouder.

Zij herinnerde zich ook nog de vorige ochtend hoe ze zich ruw op haar andere zij draaide en een verwarrende gedachte wegduwde, hoe het haar benauwde en toch iets warms gaf tegelijk, hoe misselijk zij was bij het opstaan.

Stanske trok de naald terug uit haar arm, en duwde even met een watje op het kleine wondje. Haastig liep ze de trap af en toen ze de keukendeur opende zag ze hem reeds zitten. Een leeg kopje voor hem op de tafel. ‘Hij kan niet eens koffie zetten,’ dacht Stanske met afschuw.

“Stanske, je bent weer laat, het is al over achten. Dat is de derde maal deze week dat je zo laat uit je bed komt." Corneel was niet echt kwaad, maar Stanske voelde zich krikkel en ieder woord van hem was teveel.

"Ik had koppijn en je weet toch dat ik diabetes ben, ik heb suikerziekte of was je dat even vergeten. Dan is een mens ’s morgens wat duizelig. Daarbij jij bent toch ook nog niet aan het werk hé, al is het al acht uur." Het antwoord kwam vinnig en klonk ruwer dan ze eigenlijk wilde. Zenuwachtig schoof zij met haar voet een stoel onder de tafel en fixeerde zich op een verloren gelegd korst brood.

"Stanske jij weet toch dat onze winkel open moet, de klanten verwachten de winkel geopend vanaf zeven uur."

"Onze winkel, onze winkel, zeg maar mijne winkel. Wie moet er om zeven uur de winkel openen en wie doet de vloer iedere avond nog om tien uur?" Ze nam het stuk brood plooide het dubbel en stak het zonder te smeren in haar mond. Ze lustte de laatste dagen geen boter meer. Ze kon zelfs geen boter meer zien.

"Maar Stanske, wat heb jij ineens?"

"Noem me geen Stanske meer. Voortaan ben ik Conny. Met de CON van CONstance. En daarbij, ik zal jou eens wat zeggen: IK STOP ERMEE." Ze deed het deksel op het botervlootje en schoof het met haar vingertoppen van haar af.

"Hoe? Waar ga je mee stoppen?"

"Wel, met uwe winkel. Stoppen, dichtdoen, uitverkoop houden. Trek er uwe plan mee." "Stanske, dat meen je niet. Jaren gezwoegd en nu ineens stoppen. Dat kan niet"

Corneel griste ruw naar het botervlootje en zette het met een bonk weer op tafel.

"Ik ben Conny, " weer bonkte het botervlootje op tafel, ditmaal hield ze het vast.

Corneel zijn kaaksbeenderen werden duidelijk zichtbaar:

"Jij stopt niet, wat denk je wel, we hebben al die jaren al ons geld in die winkel gestoken. Je bent nog geen veertig en dat wilt al gaan rentenieren. Op veertig kun je zomaar niet stoppen."

Ruw pakte hij het vlootje van haar af maar Stanske kruiste langzaam haar armen over elkaar en zelfzeker stak ze haar kin naar voor:

"Als ik niet mag uitverkopen, dan geef ik het weg. Verkeerde rekeningen, dingen vergeten op te schrijven, er zijn mogelijkheden genoeg."

Corneel werd nu wit van woede en begon te roepen. Corneel riep altijd wanneer hij zich onmachtig voelde:

"Is dat uw dank, ik heb je binnengepakt toen je volop in de miserie zat. Je wist met jezelf geen raad meer," het vlootje vloog krakend voor haar voeten op de grond; de boter puilde uit de barsten. Stanske moest zich inhouden om niet te braken:

"Jij moest toch niet met mij trouwen, je hebt me zelf gevraagd. Jij waart reeds vijfendertig en je had nog niemand. Ik was een gemakkelijke prooi voor jou."

Dat had ze niet mogen zeggen. Weer kwam die dennengeur. Ze herinnerde zich hoe ze verkracht werd, meegesleurd in het bos door vijf ruwe mannen. Op haar zestiende was ze niet meer alleen. Ze droeg een kind, vader: onbekend. Corneel had nooit gevraagd wie of wat, zodra hij wist dat Stanske zwanger was bood hij haar aan om met hem te trouwen. Ze was maar al te blij dat het kind een vader zou krijgen.

"Jij zat vol, verdorie, van weet ik wie. Weet je zelf wel van wie? De hoeveelste was ik misschien al?"

Corneel schreeuwde het uit. Zijn vuist kwam zwaar op de tafel terecht.

Dit was grof, te grof voor haar. Stanske of liever Conny barstte in snikken uit, liep de gang in, sloeg de deur dicht en rende naar boven.

Die ruzie was niet haar enige zorg. Al enkele dagen voelde zij zich misselijk. Het kon niet, het mocht gewoon niet. Corneel was geopereerd van prostaat, sindsdien was zijn zaad onvruchtbaar. ‘Ik moet het weten, straks als Corneel weg is ga ik naar de dokter,’ besliste ze moedig.

            Corneel was nog maar pas buiten of Stanske nam haar jas, sloot de winkel en ging met haastige stap naar de dokter.

"Proficiat mevrouw, er is geen twijfel. Je bent in blijde verwachting." De dokter zijn handen lagen rustig op de zware eiken schrijftafel. Hij zei het zonder te verpinken. Hij wist toch ook dat Corneel behandeld was voor prostaat.

Een intense warmte vloeide door Connys lichaam, het kind dat in haar groeide kon alleen van Tonny zijn. Die lieve Tonny. Tranen van geluk prikten in haar ogen. Ondanks dat zalig gevoel was ze ook bang, bang van Corneel, hoe zou hij hierop reageren? Zal hij haar ooit nog vertrouwen, na die belachelijke insinuaties van deze morgen? Ze hadden de ruzie nog niet bijgelegd. Met elkander praten ging steeds moeilijker. Hun gesprekken waren kortaf en eindigden gewoonlijk in verwijten en dichtslaande deuren.

“Ik zal ijzerpillen voorschrijven zodat je niet teveel verzwakt.”

Stanske hoorde de stem van de dokter vaag en veraf. Ze wou rust maar haar gedachten gingen als een pingpong bal over en weer. Met een venijnige slag kaatsten haar gedachten van Corneel naar Tonny en omgekeerd: kan ze het kind houden, Corneel verlaten en Tonny opzoeken? 'Wil' Tonny wel verder met haar? Zelfs dat was helemaal niet zeker. Heeft zij de moed om Corneel te verlaten nadat hij haar uit het slop heeft geholpen? Hij heeft toch haar bastaardkind opgevoed alsof het van hem was. Kan zij Corneel dan zomaar verlaten? Indien zij beslist bij haar man te blijven wat moet er dan gebeuren met het wezentje onder haar hart? De tranen prikten bij deze gedachte weer in haar ogen, maar ze moest sterk blijven. Allemaal vragen die bij haar opkwamen, vragen die angst, teleurstelling en medelijden maar vooral verdriet bij haar opriepen.

“Laat maar, dokter,” zei ze met een afwerend gebaar: "Ik kan het niet houden." Stanske hield zich staande aan de rand van de tafel. "Ik wil het laten wegnemen. Mijn man, begrijpt u? Hij zal het niet verstaan. Hij wil niet nog eens een bastaardkind van mij. We hebben zonder dit al te veel problemen." Ze slikte haar emotie weg. Nu komt het moeilijkste dacht ze: "Ik wil naar Nederland, het laten wegnemen mijn man mag hier niets van te weten komen."

Enkele malen in het verleden had ze nog in het geheim afgesproken met Tonny maar na haar bezoek bij de dokter had ze de afspraak telkenmale uitgesteld. Haar hart kromp ineen om de steun en troost van Tonny, maar haar verstand zei dat er geen andere uitweg was.

Aan de telefoon sprak ze met hem. “Tonny ik moet voor een cyste naar het hospitaal. Het is maar voor één dag. Je hoeft je geen zorgen te maken. Daarna spreken we weer af.”

Tegen haar echtgenoot zei ze dat ze een dag naar Francine, haar oude vriendin ging. Een week later trok ze helemaal alleen naar het hospitaal. In de kliniek sprak de gynaecoloog haar aan:

“Mevrouw Mertens, je bent toch zeker? Op uw ouderdom is zo een ingreep niet zonder gevaar.”

“Welk risico loop ik dan?”

“De kans dat je nog zwanger zult worden wordt met tachtig percent afgenomen, om maar niet te zeggen volledig.”

“Dokter het kan niet anders, het moet gebeuren, NU.” De tranen prikten in Conny haar ogen, maar moedig keek ze de arts in de ogen.

‘Voor Corneel is het beter zo.’ Dacht ze bij haarzelf.

Tegen de avond mocht Conny het hospitaal verlaten. Voorzichtig sloot ze de deur achter zich en kwam de stenen trap af. De frisse wind in haar gloeiend gezicht deed haar goed. Ze keek even rond of er nog geen bus in zicht was.

“Nee, niet hem.” Zei ze verschrikt. “Nee niet Tonny.”

Maar Tonny kwam haar reeds tegemoet. Het chroom van zijn motor weerkaatste het felle zonlicht. Zachtjes lei hij zijn arm om haar schouders.

“Conny, liefje wat hebben ze met jou gedaan? Je ziet er zo slecht uit. Gaat het wel?”

“Waarom, waarom ben je gekomen? Ik had je toch gezegd dat het maar een kleine ingreep was!”

“Ik was bezorgd om je, je klonk zo raar aan de telefoon. Ik dacht aan onze eerste ontmoeting. Ik dacht misschien moet ze weer alleen naar huis, is Corneel weer belet. Dan breng ik haar weer op mijn motor thuis. Ik had heimwee naar ons eerste rit. Zo samen op de motor. Ik ben opzij blijven staan en heb gewacht om te zien of Corneel erbij zou zijn. Ik zag geen Corneel dus stapte ik naar jou toe. Hoe is het eigenlijk gegaan, is de cyste eruit?”

Conny durfde hem niet aankijken. ‘Ik moet het hem zeggen, het was ook zijn kind.’

"Tonny, ik… " begon ze te snikken.

Tonny trok haar troostend dichterbij:

“Kind toch, wat hebben ze met jou toch gedaan?”

Conny rukte zich terug los en keek Tonny strak aan:

"Tonny ik heb het zo niet gewild, toch moet ik het je vertellen."

Tonny stond naast zijn motor en keek Conny onbegrijpend aan.

"Tonny, het leven dat je bij mij verwekt hebt kon ik niet houden. Corneel heeft zoveel gedaan voor mij. Ik kan hem niet verlaten, en het kind zou niet gelukkig zijn bij hem."

“Conny, jij hebt…jij hebt…" hij stotterde en keek haar onbegrijpend aan: "Je was in verwachting, mijn kind, ons kind jij hebt het ver… vermoord?"

"Oh Tonny het was zo erg."

Tonny draaide zich om, startte zijn motor en raasde met gierende banden weg. Conny bleef achter, helemaal alleen. Zonder Tonny, zonder kind, alleen haar verdriet was haar gezelschap.

 

DE KRIJTLIJN

 

Conny sleepte zich naar huis. Haar hoofd bonkte en bij iedere stap die ze deed leek het alsof haar onderbuik ging openscheuren. In het begin van haar straat nam ze de sleutel reeds in haar handen. ‘Onmiddellijk naar mijn bed en rusten’ dacht ze half hardop. Ze opende de deur en strompelde de keuken binnen. De afwas stond onaangeroerd op het verlek. Karel was nochtans thuis want het was maandag. Met haar jas nog aan plofte ze op een stoel en zag onverschillig naar de stapel vuile borden, potten en pannen. Met een zucht draaide ze haar hoofd weg. Op de tafel lag een envelop met een krabbel opgeschreven. ‘Wie schrijft er nu op een envelop?’ Dacht Conny. Met een laatste inspanning stond ze half recht en graaide naar het stukje papier. Ze liet zich weer op de stoel zakken en las de boodschap. De woorden sijpelden langzaam in haar hoofd.

‘IK BEN …MET VADER NAAR ELISABETH …HOSPITAAL. HIJ IS PLOTSELING ONWEL… GEWORDEN… KAREL.’

De adrenaline schoot als een vuurbal door haar aderen. Conny sprong recht: “Wat is er met Corneel gebeurd? Hij zal toch niets gekregen hebben zeker?”

Onmiddellijk belde ze een taxi, toen die aankwam stond ze reeds aan de voordeur te wachten.

            Corneel lag in de intensive. Het enige wat Conny zag toen ze binnenkwam waren vele darmpjes, toestellen, buisjes en de baxter boven zijn bed: toen zag ze Karel zitten.

“Karel, Wat is er gebeurd?” Zonder op antwoord te wachten keek ze weer naar haar man:”Oh Corneel hoe lig jij daar nu? Wat is er toch gebeurd?” Totaal verloren sloeg ze haar handen voor haar mond en een zachte “oh!!” Ontsnapte totaal verbijsterd tussen haar lippen.

“Jij bent mevrouw Mertens, de echtgenoot van Corneel? Wil je even meekomen naar mijn bureel?” De dokter die vlak na haar de kamer was binnengekomen had ze niet eens opgemerkt. Verwilderd keek ze op.

“Dokter, wat is er toch gebeurd?”

“Rustig maar mevrouw Mertens. Kom maar even mee naar mijn spreekkamer. Ik zal het je allemaal uitleggen”

Schoorvoetend liep ze achter de dokter door de gangen. De ene gang in de andere uit. Wat duurde dat lang, er leek geen eind aan te komen. Ze kreeg weer een kramp. Het was alsof dat haar onderbuik ieder moment kon openspringen maar daar had ze nu geen tijd voor. Corneel lag daar hij had haar nodig.

“Mevrouw Mertens, zet je. Ik heb geen goed nieuws voor je. We onderzoeken momenteel wat er juist gaande is met uw echtgenoot, maar we moeten ons op het ergste voorbereiden. Hij heeft een zware longontsteking. Hopelijk vinden we tijdig welke virussen de oorzaak zijn. Zodat we een geschikte medicatie kunnen vinden. Uw man slaapt nu en we houden hem nog enige tijd in slaap. Zo voelt hij geen pijn.”

“Dokter dat is verschrikkelijk.”

Conny haar voorhoofd voelde klam aan. Ze had het warm en koud tegelijk. Duizenden naalden staken in haar buik, ze voelde zich koortsig en het leek alsof een dubbele knoop in haar maag werd aangetrokken.

“Moet ik iets voorschrijven om te kalmeren?”

“Neen, bedankt dokter. Ik red het wel.” Bracht ze met moeite uit. Mag ik mijn man nog even bezoeken?”

“Ik laat uw zoon komen, hij zal je begeleiden.”

Die nacht kon Conny niet slapen. Tonny was weg, hun kindje was weg en nu misschien ook nog Corneel. Ze mocht er niet aan denken. Voor de derde maal stak ze het nachtlampje weer aan. Uit verveling stond ze op en wilde een boek nemen om te lezen. Ze opende de lade en nam haar bril. Haar oog viel op het manuscript dat ze in de trein gevonden had. Het lag nog steeds in de lade. Ze had het daar achteloos weggelegd nadat Tonny haar thuisgebracht had. Met de papierbundel in haar hand ging ze terug in bed. Ze nam het kopkussen van Corneel en legde het boven op het hare. Half rechtzittend bekeek ze de bundel. Op het laatste blad stond een naam “Connie”, niet met een “Y” maar met “ie”. Ze dacht even aan de toevallige gelijkenis met haar eigen gekozen naam. Ondanks al haar miserie kon het verhaal haar toch nog boeien. Tegen de morgen besloot ze om het manuscript naar een uitgever te brengen zodat die het aan de rechtmatige eigenaar terug kan geven.

Conny stond naast het bed van Corneel. Zij fluisterde zijn naam maar de doodzieke man reageerde niet. “Als je wakker wordt biecht ik alles op.” Zei Conny berouwvol. “Ik vertel je over het boekje, over Tonny, mijn ontrouw en de… de abortus.” Oh wat voel ik me schuldig, ik ben een slecht mens geweest, dacht ze deemoedig.

De moedige gedachte om alles op te biechten milderde haar geweten. Ze wachtte nu geduldig tot Corneel wakker zou worden en dan zou ze alles vertellen. Maar Corneel werd kunstmatig in slaap gehouden en werd die dag niet wakker. Uren later verliet Conny volledig ontmoedigt het hospitaal. Ze voelde zich leeg. Leeggezogen door de gebeurtenissen van de laatste dagen. Automatisch voelde ze in haar handtas naar haar geldbeugel maar stootte op een bundel papieren. Och ja, dat manuscript, dat moest ze nog wegbrengen. Ze ging niet meer naar de bushalte maar nam een taxi en liet haar naar een uitgever brengen. Aan een oud herenhuis stopte de auto en Conny belde aan. Een zoemer opende de deur en ze trad de hall binnen. Rechts van haar stond een loketdeurtje open. Ze keek erdoor en zag recht op de rug van een vrouw die ijverig zat te typen.

"Pardon Mevrouw,”

De vrouw achter de typemachine keek even achterom.

“Ik heb hier een manuscript," ging Conny verder.

Maar een ijskoude stem onderbrak haar:

"Er liggen enveloppen op de schab naast je. Steek alles daar in, naam en adres invullen. Daarna uw beurt afwachten."

Vóór dat Conny iets terug kon zeggen werden ze onderbroken door telefoongerinkel.

De vrouw aan het bureel draaide zich weer om, nam de telefoon op en begon druk in haar dagboek te bladeren.

Conny bleef verward staan kijken. Tegen de zijwand van het bureel stond een enorme grote boekenkast in lichte eik. Op een tweede bureelmeubel lagen allerlei dossiers, de stoel ernaast lag volgestapeld met verschillende mappen. Conny zag achterom. In de hall stonden drie lege stoelen en een kleine ronde tafel. Buiten haar was hier niemand, ‘hoe kon ze nu haar beurt afwachten?’ Dacht ze geërgerd terwijl ze aan het tafeltje ging zitten.

"Naam en adres invullen en wachten." Riep de metalen stem opnieuw.

Conny keek op en zag nog juist hoe de vrouw haar hoofd terugtrok uit het loketraampje.

Moedeloos schreef Conny de gegevens op een enveloppe. Het werd haar allemaal teveel. Ze had al spijt dat ze de boel niet gewoon in de kachel had gestopt. Ze stak het manuscript in de enveloppe en legde alles voor haar op de tafel. Even later kwam een andere, veel jongere, vrouw door een zijdeur binnen nam de envelop, keek er even naar en verdween weer door dezelfde zijdeur. Enkele minuten later stak de receptioniste haar hoofd voor de tweede maal door het loketraampje en riep:

"Mevrouw, je mag gaan, jij hoort nog van ons."

Conny begreep het allemaal niet zo goed, maar de koele ontvangst en de gebeurtenissen van de laatste dagen hadden haar zo geschokt dat zij opstond en zonder verder aandringen naar huis ging. Ze had er in principe toch niets mee te maken, voor haar was de zaak afgedaan.

Met Corneel ging het met de dag slechter. Hij werd dan wel kunstmatig in slaap gehouden, toch gaf het de indruk dat hij in coma was. Men had reeds twee operaties uitgevoerd en nu zou er een long verwijderd moeten worden. De dokter liet de familie verwittigen, want de operatie was niet zonder risico. Nonkel Max en zijn vrouw, de kinderen en Conny zaten rond het ziekbed. Conny nam de hand van Corneel vast en hoopte dat hij erin zou knijpen, heel even maar, heel lichtjes zodat zij wist dat hij haar vergeven had. Na tien minuten had zij zijn hand nog altijd vast maar een verpleger kwam Corneel halen. Omdat Corneel niet had gereageerd voelde Conny een intens verdriet. In haar binnenste voelde zij dat hij niet meer terug zou komen. Krampachtig hield zij zijn hand vast.

“NEE, NEE; ik wil het niet.”

Karel nam zijn moeder bij haar schouders.

“Kom moedertje, laat de mensen hun werk doen. Dit is het beste voor vader.”

Gelaten liet Conny de hand los. Haar lippen lagen verwrongen en met het hoofd neergebogen verliet ze de kamer.

De operatie zou gelukt zijn als niet op het laatste ogenblik een bloedklonter in zijn ader kwam vast te zitten. De dokters deden nog hartmassages maar alles was tevergeefs.

Allen zaten zij in de wachtkamer toen de dokter Conny even apart riep. Toen Karel zijn moeder in huilen hoorde uitbarsten begreep hij: Corneel was niet meer.

            Na de begrafenis ging het leven weer verder. Conny bleef de winkel doen. In het huishouden werd zij bijgestaan door Karel en Maria. Jef werkte op een drukkerij en bracht veel werk mee naar huis. Vooral snijwerk. Daarvoor had hij een sterke lamp nodig en een groot stuk van de tafel. Maria had toevallig ook juist dan die tafel nodig en dat eindigde steeds in ruzie.

“Moeder, zeg dan iets. Onze Jef moet weer heel de tafel hebben.”

Telkens kwam Karel er dan tussen. Hij nam dan een stuk krijt en trok een witte streep op de tafel:

“Elk de helft, Jef jij daar en Maria jij hier en daar mee gedaan.”

Want moeder zei niets. Moeder zat stilletjes op een stoel. Zij leefde in het verleden. Haar ontrouw had ze niet kunnen verwerken. ‘Het komt allemaal door dat boekje van Francine en door Tonny. Hij had me niet mogen…Tonny, mijn lieve Tonny’ en Conny haar hart kromp ineen. Corneel is het nooit te weten gekomen. Ze kon het niet over haar lippen krijgen. En toen ze het hem uiteindelijk toch vertelde hoorde hij het niet meer.

 

HET MANUSCRIPT.

            Maanden gingen voorbij tot plots een schrijven van de uitgever in de bus zat. Een uitnodiging om langs te komen, Donderdag om vijftien uur. ‘BIJ BELET GELIEVE TE VERWITTIGEN’ stond in grote letters onder aan de kaart.

Met de uitnodiging in haar hand stond ze een tweede maal voor de receptioniste. In de wachtzaal stonden zeker zeven mensen. Maar ditmaal moest Conny haar beurt niet afwachten.

“Dag mevrouw, kom maar mee.” De dame deed de zijdeur open en liet Conny voorgaan. Achter haar sprongen zeven mensen op en volgden haar door de zijdeur.

Enigszins geschrokken en totaal beduusd stond ze plots voor de directeur. Reporters stonden in de hoek van de kamer, enkelen met een microfoon in de hand, anderen met hun hasselblad voor het gelaat. Flitslichten vulden de kamer.

"Het manuscript is fantastisch, dit verhaal zal verfilmd worden. Dit wordt een kassucces." De man achter het bureel was een en al enthousiasme. ‘Nu moet ik het zeggen, dacht Conny, nu moet ik zeggen dat ik dit verhaal niet geschreven heb, maar wel gevonden heb in een treinstel:’

"Meneer, ik…"

"Zeg maar niets, ik begrijp uw verrassing, wij zijn dat gewoon. Jij bent een genie" Enkele flitslampen gingen weer af.

"Je moet hier tekenen en de rest doen wij zelf, we hebben reeds een regisseur gecontacteerd, en Debo Kell zal de hoofdrol invullen. Zij heeft het manuscript reeds gelezen en is razend enthousiast." De man zei het terwijl hij het contract onder Conny haar neus duwde. De pen lag al in haar handen en de camera's stonden allen gericht op haar. ‘Ik moet het zeggen,’ dacht Conny in paniek. Een hemel van flitsende lampen verlichtte de kamer, de champagnekurk knalde. En zij tekende stilzwijgend het contract.

 

HET TESTAMENT

 

“Dat was nu eens een schone fietstocht hé Louke”

“Oh ja en lekkere koffie dat ze hadden in die taveerne. Zeg wat wil je vanavond eten, Johnny? Wil ik wat patatjes schillen en met gebakken pladijs? Zo met een stronkje witloof. Dan hak ik wat bieslook samen met een groene peterselie. Daarbij zo een lekker wit sausje. En een fles witte wijn uit de koelkast. Wat denk je daarvan?”

Lowie zei het allemaal terwijl hij zijn fiets tegen de gevel zette en de voordeur opendeed. Hij had het niet gemerkt maar Johnny stond met zijn gezicht tegen de gevel leunend met zijn hoofd op zijn armen.

“Ga maar al naar binnen, Lou. Ik voel me niet goed. Ik kom seffens wel.”

“Maar Johnny wat is er, toch geen indigestie zeker? Van deze middag. Dat vlees of die soep misschien? Maar nee, ik heb toch hetzelfde gegeten als jij, dus daar kan het niet van zijn.”

Lowie zette een stap naar voor maar Johnny draaide weg en zakte op de grond. Lowie liep naar binnen, graaide naar de telefoon en belde de hulpdienst.

“Johnny lieve Johnny je gaat toch niet doodgaan zeker? Ik kan je niet meer missen.” Liep hij roepend terug naar buiten.

            Enkele minuten later kwam de ziekenwagen aangereden. Lowie stapte mee in de wagen en met een grote spoed reden ze weg. Onderweg kreeg Johnny zuurstof toegediend.

Nog geen uur later had men alles onder controle. Het hartinfarct was volgens de dokter slechts een waarschuwing. Na een paar dagen zou Johnny alweer thuis zijn.

Lowie zat aan het ziekenbed. Zachtjes hield hij de hand van zijn geliefde vast.

“Ik ga straks even over en weer langs thuis, moet ik soms nog iets meebrengen voor jou? Uw leesbril en wat boekjes? Oh, ik zal de nieuwe zondagsvriend gaan halen in het boekenwinkeltje en een nieuwe pyjama in het dorp, die hebben daar heel goede kwaliteit en schoon modelletjes.”

“Het is goed, Louke. Ga maar even wat rusten thuis en jij hebt nog steeds niet gegeten. Ga gerust eten. Ik voel me al veel beter. Tot straks”

“Ja tot straks, dag Johnny. Ik breng nog een thermos soep mee, groentesoep, dat is versterkend.”

            Lowie reed met een taxi weer naar huis. Hij deed de voordeur open en hoorde de telefoon rinkelen. ‘Alle vooruit, het is allemaal toch weer goed gekomen met Johnny.’ Dacht hij terwijl hij de telefoon oppakte:

“Met kapsalon Johnny.”

“Spreek ik met Lowie van de Velde?”

“Ja, daar spreek je mee.”

“Meneer van de Velde je moet onmiddellijk terug naar het hospitaal komen, het is niet goed met meneer De Belt.”

Lowie smeet de hoorn op en haastte zich terug naar buiten. De taxi stond er nog en Lowie sprong er onmiddellijk er weer in.

“Terug naar het hospitaal, het is dringend.”

Aan de ziekenkamerdeur stond de dokter hem op te wachten.

“Het spijt me, meneer van de Velde. Meneer De Belt heeft terug een aanval gehad. Deze keer was het fataal voor hem. We konden hem niet meer helpen. De dienst is hem aan het verzorgen, daarna brengen we hem naar het mortuarium, waar je hem nog een laatste groet kan brengen.”

Lowie moest dringend gaan zitten, zijn knieën knikten en een koude rilling liep over zijn rug.

            Een week later zat Lowie in een gesloten salon op een kappersstoel. Wat gaat er nu met mij gebeuren? En deze zaak hier? Och Johnny ik mis je zo. De postman opende de winkeldeur:

“Wat is er Louke, nog aan het treuren? Ja jullie kwamen goed overeen, is het niet?”

“Maar ja, ik mis hem toch zo. Heel het salon ademt Johnny. Maar in elke zetel dat ik ga zitten voel ik zijn afwezigheid.”

“Ja het zijn wrede dingen. Iemand afgeven doet niemand graag hé. Zeg ik heb hier een aangetekende brief voor je. Wil je eens tekenen voor ontvangst?”

Lowie tekende en de postman ging weer verder op ronde. Toen hij de deur dicht trok hoorde Lowie hoe de postman een deuntje floot. Lowie zuchtte eens diep. ‘Och ja, het leven gaat verder. Eens zien wie mij een aangetekende brief stuurt?’ Dacht hij terwijl hij de briefopener nam.

“Notaris Verrebroek? Wat moet die van mij?”

‘Meneer Van de Velde Lowie, je wordt verzocht om donderdag namiddag om 14h30 op het Notariskantoor aanwezig te zijn. Dit in verband met het testament van onlangs overleden meneer De Belt Johnny. Bij belet gelieve een nieuw afspraak te maken op volgend nummer….”

‘Donderdag, dat is morgen al. Ik zal maar al een huis zoeken om te gaan huren, want ik zal zeker moeten verhuizen.‘

            Lowie verwachtte nog meer mensen bij de notaris, maar hij zat helemaal alleen in de wachtzaal.

“Jij bent meneer van de Velden? Volg me maar naar mijn kantoor.”

De notaris las de laatste wilsbeschikking van wijlen Johnny voor. Het hele huis met het kapperssalon, de klanten de meubelen en al de spaargelden werden aan Lowie overgedragen. Met de spaargelden kon hij de successierechten en de andere kosten ruimschoots betalen. Hij hield zelfs nog een spaarcentje over.

            Terug thuisgekomen dekte Lowie de tafel. Hij had nog niet afgeleerd om voor twee te dekken. ‘Ik moet voor hulp zorgen. Ik kan die zaak niet in mijn eentje blijven runnen.’ Besloot hij.

            Lowie ging de volgende maandag naar een dagbladhandelaar en liet een advertentie plaatsen. Voor het raam hing hij een kaart met “Volle gast haarkapper gevraagd.”

 

15-03-2020 om 00:00 geschreven door Bart

0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (1 Stemmen)
>> Reageer (0)
14-03-2020
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Is mijn kind een vreemde deel 8

IS MIJN KIND EEN VREEMDE?

AUTEUR:

DAEMS BART.

 

Elke gelijkenis met bestaande personen of gebeurtenissen is louter toevallig.

 

IS MIJN KIND EEN VREEMDE?

 

KAREL EN LOUIS

Sinds haar handtekening bij de uitgever was Conny steeds minder thuis en als ze thuis was had ze wel bezoek van een reporter of een bekend iemand uit de filmwereld. Karel en Jef kwamen steeds minder overeen, de fijne maniertjes van Karel maakte Jef zenuwachtig. Zijn vrienden meden Karel en vonden hem een flauwe vent. Maria die slechts veertien was schuimde de kermissen af en zat op de botsauto’s tot laat in avond. Zij hield er soms rare vriendjes op na en omdat haar moeder andere bezigheden had probeerde Karel om Maria op het rechte pad te houden. Maria die de wrevel tussen Karel en Jef aanvoelde riep de hulp van Jef in waardoor Karel het onderspit moest delven. Jef en Maria waren twee handen op één buik. Karel werd er moedeloos van.

In het kapsalon ging het ook niet naar zijn zin. Hij had er geen promotiekansen meer. Zijn baas was blijven steken in de jaren vijftig. Zijn klanten werden ouder en zijn kapsalon verouderde mee. Karel besloot dan maar om te verhuizen en een meer energieke baas op te zoeken.

In Edegem vond hij een appartement te huur dat onmiddellijk beschikbaar was. Karel nam een impulsief besluit en een week later verhuisde hij naar zijn nieuw appartement.

Om zich onmiddellijk thuis te voelen maakte Karel die dag verse snijboontjes in de oven en om de smaak wat op te peppen deed hij er spekblokjes bij in plaats van gehakt. Daarbij een glas donker tafelbier maakte het geheel af.

De tafel werd netjes afgeruimd maar alvorens af te wassen nam hij de krant en liet zich in de zetel zakken.

In de personeelsadvertenties vond hij volgende annonce: ‘volle gast haarkapper gevraagd in een modern kapsalon.’

‘Dat is misschien wel iets voor mij,’ dacht hij. Vastbesloten legde hij de krant op tafel noteerde het adres, vergat de afwas en ging onmiddellijk op stap.

Voor het uitstalraam hing nog steeds het kaartje: ‘volle gast gevraagd’. Vol moed stapte hij het kapsalon binnen.

Louis zag even op, stopte even met föhnen en riep door het salon:

“Vandaag enkel dames, mijnheer. Kan je morgen terugkomen alstublieft. Ik heb het vandaag veel te druk.”

Karel overzag de chaos. Een paar dames wachtten met hun nat hoofd om verder behandeld te worden. Drie dames zaten in een stoel en een vierde stond nog recht, alle stoelen waren bezet. In een hoek stond een kapstok met daarop een witte stofjas. Op een tafel lagen droge handdoeken en enkele kappersmantels.

Karel stapte in een reflex naar de kapstok en nam een stofjas.

“Jij kunt wel even hulp gebruiken zo te zien.” Zei hij en zonder antwoord af te wachten ging hij naar een dame met een nat hoofd.

“Goede morgen mevrouw, moet er een stukje af? Een pagekopje of in lagen? Weet je, voor welke styling jij geboren bent? Die amandelogen van jou doen wonderen bij een asblonde look en dan geknipt in laagjes, subliem gewoon. Willen we dat eens proberen?”

Lowie stond met de föhn in de ene hand en een ronde borstel in de andere. Met open mond staarde hij naar de onbekende jonge man. Zijn hoofd zakte vragend iets naar beneden, naar de vrouw die in de kapperstoel zat. Zijn mond viel dicht en zijn lippen werden smaller. Met licht leedvermaak dacht hij: ‘dat probeer ik al vijf jaar, mevrouw Smolders houdt zich al jaren steegvast aan haar ravenzwart kapsel. En het haar tot op de schouders recht afgeknipt. Daar gaat geen millimeter van af. Het is niet voor niets dat de mensen haar al jaren de “zwarte madame.” Noemen.’

“Wel ja, jongeman dat wil ik al jaren eens proberen, maar weet je, ik durfde het eigenlijk niet te vragen. Men geraakt zo gewoon aan sommige dingen, niet?”

“Mevrouw, jij bent geboren om een asblond kapsel te dragen. Je zal zien uw vriendinnen zullen hun jaloezie niet kunnen verbergen. Je komt hier herboren uit.”

“Goed, jongeman. Doe maar.”

Lowie zijn mond viel voor de tweede maal open.

“Auw, Louke. Je doet mij pijn. Die blazer staat veel te warm. Je verbrandt mijn hoofd bijna.”

Pauline die in de kapperstoel zat merkte dat de aandacht van haar wegging.

“Oh sorry, Pauline. Ik was even van mijn melk. Dat is mijn nieuwe gast. Een echte stielman. Een meesterkapper.”

“Mag ik volgende keer ook eens bij hem?”

“Natuurlijk Pauline. Ik zal het alvast noteren.”

“Hoeft niet, ik zal je er wel aan herinneren.”

Lowie zuchtte eens en dacht: ‘zie nu, dat is hier vijf minuten binnen en die schiet al onder mijn duiven. Laat ons hopen dat hij zo goed is met zijn handen als met zijne mond’

Plots kwam Karel naar Lowie:

“Johnny, waar staan de watergolflotions? Ik moet een 7/2 asblond hebben om een spoeling voor mevrouw daar.”

Lowie begon het spel mee te spelen, hij vond er eigenlijk zelf plezier in. Een jonge man met lef daar kon hij van genieten.

“Ik ben Johnny niet. Johnny was mijn partner zaliger. Zeg maar Lou tegen mij.”

“Oh, mijn innige deelneming, Lou.”

“Dank je. Zeg en hoe heet jij? Jonge man?”

“Oh, sorry. Ik ben Karel, de rest vertel ik straks wel. De klanten wachten. Waar vind ik de lotions?”

“Daar in de kast derde deur bovenste schab. Ze staan op nummer neemt maar wat je nodig hebt. Karel. En succes.”

“Dank je.” En Karel ging met zwierige pas naar de kast.

Karel zijn debuut was een succes. De “zwarte madame” ging als “asblonde schone” buiten. Karel had de hele dag mee in het salon geholpen en nu de laatste klant buiten was zaten beide mannen in een kapperstoel. Lowie bekeek karel van boven tot onder en schoot in een onbedwingbare schaterlach. Met tranen in de ogen zei hij:

“Ongelooflijk, dat ik dat heb mogen meemaken. Jij weet niet eens of ik je wel zal aannemen en je hebt je reeds onmisbaar gemaakt.”

“Onmisbaar?”

“Natuurlijk, de klanten vragen al naar je. Pauline staat erop om volgende maal door jou bediend te worden. Pauline was de eerste kop die ik ooit geknipt heb. Die doe ik al meer dan 20 jaar. Om dan nog niet te spreken van “zwarte madame”.

“Zwarte Madame? Wie is dat?”

“Ha wel die zwartkop die je asblond geverfd hebt. Apropos, proficiat. Dat heb je goed gedaan. Ik zou het niet beter kunnen. Maar nu serieus, wie of wat ben je? Van waar kom je? Hoe ben je hier geraakt? En wat verwacht je van mij?”

“Ik ben Karel Mertens. Ik ben vijfentwintig en haarkapper sinds mijn veertiende. Ik ben zojuist verhuist en woon hier achter de hoek. Ik ben niet gehuwd. Mijn vorige baas wilde niet mee met de moderne tijd en ik kon er mijn creativiteit niet kwijt. Mijn vader is onlangs overleden en daarom besloot ik om alleen te gaan wonen. Ik nam van de gelegenheid gebruik om tegelijk een andere werkomgeving te zoeken. Ik kocht vanmorgen een plaatselijke krant en pluisde de personeelsadvertenties uit. Zo kwam ik hier terecht. Ik opende de deur en herkende onmiddellijk de panieksituatie. Klanten die moeten blijven rechtstaan is vreselijk. Ik kon me niet bedwingen om snel mee in te springen. De rest zien we later wel dacht ik toen.”

“Ja, en die later zijn we nu. In de eerste plaats bedankt voor je hulp. Ik vond het fantastisch wat je gedaan hebt. Ik zal je daar een rechtvaardig loon voor geven. En wat verwacht je van de financiën, want dat je mag blijven staat reeds van deze morgen vast. Pauline heeft je aangenomen en die durf ik niet tegen te spreken, ze is zo een beetje mijn moeder.”

“Een volwaardige maandloon, volgens het barema zeker? Voor mij is dat goed.”

“Kom man, jij bent een meesterkapper kom ik doe er wel een paar duizend frank bij. Ik wil je niet meer kwijt, weet je.”

“Akkoord, ik kom morgen terug om zeven uur, goed?”

“Zeven uur? Het salon gaat pas om negen uur open en ik verwacht je niet voor vijf voor negen. Of het moet zijn om samen nog een kop koffie te drinken.”

“Afgesproken om half negen op de koffie.”

Karel trok tevreden de winkeldeur achter zich dicht en Lowie trok opgelucht het plakkaat met: “Volle gast gevraagd” van het raam. Glimlachend sloot hij de deur en ging naar de keuken om het avondeten klaar te maken. Voor de eerste maal sinds de dood van Johnny at Lowie weer met smaak zijn frikadellenbolletjes met selder in tomatensaus.

De volgende morgen dronk Karel samen met Lowie koffie. Na een week bracht Karel zijn boterhammen mee en ontbeten ze samen. Weer drie dagen later zei Lowie:

“Karel, je moet uw boterhammetjes niet meer meebrengen. Ik heb ook wel brood en dat beetje beleg kan er wel af. Jij komt gewoon naar hier en we ontbijten samen en durf er niets voor te betalen hé.”

De volgende morgen had Karel een grote bos rozen bij.

“Maar Karel…”

Verder geraakte Lowie niet want een krop zat in zijn keel. Karel keek onbegrijpend toe.

“Karel, dat deed Johnny ook altijd. Rode rozen meebrengen.” Lowie pinkte een traan weg: “Och ik mis hem toch nog. Ik vind dat zo lief van jou.”

Karel die ook weemoedig werd zei vlug:

“Zet ze maar in een vaas, er zit een nog zakje bij om ze langer vers te houden. Strooi de inhoud maar helemaal in het water.”

Met de feestdagen was het zo druk dat het ’s avonds haast negen uur werd. Lowie nodigde Karel uit om die avond bij hem te blijven eten. Zo konden ze achteraf nog een glaasje wijn drinken.

“Weet je” begon Lowie terwijl hij de glazen nog eens volgoot: “weet je dat ik Johnny heel hard gemist heb. Hij was voor mij meer dan alleen een collega. Ik had geen behoefte aan een vrouw en nu nog niet maar met Johnny was ik de beste maatjes. Het is pas vanaf dat jij kwam dat ik Johnny een beetje kon vergeten. En hoe zit het met jou. Heb jij nog geen vrouwtje in ’t zicht?”

“Louke, ik mag het je nu wel vertellen maar ik voel helemaal niets voor een vrouw. Ik ben naar seksfilms geweest, ja zelfs een publieke vrouw geprobeerd maar het kan me niet echt beroeren. Allemaal weggegooid geld.”

“En nu, heb je dan helemaal niemand? Geen vriend of vriendin? Alleen je moeder?”

“En mijn broer Jef en mijn zuster, Maria, maar dat zijn twee handen op ene buik. Altijd al geweest. Ik kan daar niet tussen. Ik ben ook zo anders dan zij.”

“Hoe anders?”

“Och Louke.”

“Hoe anders karel? Je mag het zeggen, we kennen elkander toch, we weten dat we elkaar kunnen vertrouwen.”

“Mijn moeder heeft me eens betrapt dat ik vrouwenkleren aan had. En mijn lippen roze geverfd en zo.”

“Het was mij al opgevallen dat uw nagels zo mooi verzorgd zijn. Te verzorgd eigenlijk voor een man.”

Karel boog verlegen zijn hoofd.

Lowie ging bij hem zitten en lei een arm om zijn schouder:

“Karel, jongen. Je moet daarom niet beschaamd zijn. Johnny liep hier in het weekend altijd met een rok en een blouse. Hij had zo een heerlijk krullenkop. Karel, Johnny was voor mij mijn enige vriend. Ik hield zoveel van hem dat ik zelfs samen met hem sliep.

Johnny heeft me na de oorlog opgevangen. Ik had niets of niemand meer. Mijn ouders zijn door de oorlog gestorven, mijn zuster werd als vermist opgegeven, ze was waarschijnlijk ook al jaren dood. Ik kwam van het front. De oorlog was gedaan maar ik had geen huis, geen werk en geen onderdak. Ik had niets. Johnny heeft me geholpen. Hij heeft me de stiel geleerd en me alles gegeven: onderdak, werk, eten vriendschap, een thuis en liefde. Liefde zo sterk dat ik niemand anders meer hoefde.”

“Louke, ik ben hier ook graag. Ik voel me hier ook echt thuis. Jij bent een goede baas voor mij. Ik kon het slechter treffen.”

“Karel ik ben je vriend, vergeet dat niet. Ik zie je meer als vriend dan als mijn werknemer.”

“Ja, ik weet het, ik kan met al mijn problemen bij jou terecht”

“Karel boven liggen nog vrouwenkleren van Johnny, wil je ze niet eens passen.”

Toen gingen Karel en Lowie naar de slaapkamer.

 

HET FOTOALBUM

 

            Alex duwde op de afstandsbediening en de met goud versierde smeedijzeren poort gleed geruisloos open. Alex reed de lange beukendreef af en stopte voor de luxe villa. Gaston, de butler kwam aangelopen en opende het portier van de Bently. Voordat Conny uitstapte tikte ze even op de schouder van Alex:

“Alex, neem de rest van de dag maar vrijaf. Ik blijf thuis vandaag. Ik moet nog heel wat dozen uitpakken.”

Conny kwam uit de auto en ging de brede trap op naar de inkomhall. Ze had het kasteeltje kunnen kopen als een bouwvallige ruïne. De tuin was verwilderd vol netels en ze moesten zich een weg kappen tussen de braambessen. Ze had één van de beste architecten bij de hand genomen en na een jaar was het juweeltje naar haar zin. Ze had stijlvolle meubelen gekocht en haar meer persoonlijke goederen werden gisteren naar hier verhuisd. Die persoonlijke spullen wilde ze vandaag zelf uitpakken.

Niemand had het kassucces kunnen voorspellen. Haar boek werd vertaald en verfilmd. Het werd een topper in meer dan dertig landen. Het werd bekroond met een oscar. Ze kreeg de prijs van de beste debutant. Diep in haar achterhoofd wist ze wel dat het allemaal onrechtvaardig was en dat ze het manuscript eigenlijk gestolen had maar ze had geleerd om gedachten voor te stellen als een wand op wielen, ze duwde dan in gedachten de wand langzaam verder van haar weg en de zwarte gedachten rolden langzaam mee van haar af. Telkens ze flitslampen zag hoorde ze weer de zware stem van de uitgever:

“Je moet hier tekenen en de rest doen wij zelf. Je moet hier tekenen en de rest doen wij zelf. Je moet hier tekenen … tekenen…”

Dan zag ze in verbeelding de wand die ze dan traag en log van haar af duwde. Langzaam werd haar hoofd dan weer helder en vrij.

Conny nam de deurkruk vast en draaide haar hoofd naar de butler:

“Gaston, stuur Elvira maar, dan kan ze mij helpen met uitpakken.”

Conny ging binnen en zuchtte. Rondom haar stonden verschillende dozen, het koffieservies dat ze reeds zolang had bijgehouden, het lampje van haar schoonmoeder zaliger en waar ze zoveel ruzie om maakte. Corneel wilde het op de TV en voor haar was het alleen maar afkuis. Nu, dat Corneel er niet meer is kon ze het niet meer van de hand doen. Ze had iets goed te maken en daarom koesterde ze het alsof het Corneel zelf was. Naast de deur lagen enkele lakens op de grond en voor het raam stonden enkele perzikenkisten opgestapeld, de familiefoto’s en enkele kleine snuisterijen. Elvira kwam binnen en samen werd alles uitgepakt.

Conny rechtte haar rug en keek tussen de opgestapelde stoelen naar haar bastaardzoon in het deurgat.

“Hé Karel. Sta jij daar al lang?”

Karel zijn gezicht stond lichtjes bezorgd, toch was er een lichte tinteling in zijn ogen. Het was jaren geleden dat Conny die plezierige tinteling nog bij Karel gezien had. De dag dat zij hem betrapte met vrouwenkleren aan en dat zij verteld had dat zijn vader één van de vijf verkrachters moest zijn, was Karel steeds teruggetrokken en stil, en nu plots weer die pretlichtjes.

"Moeder," hij wachtte even, en dan haast onhoorbaar: "Ik heb een vriend."

Conny moest de woorden doorslikken.

“Elvira ga jij maar terug naar de keuken, ik laat je wel roepen als ik je nodig heb. En sluit de deur achter je.”

Ze richtte haar weer tot haar zoon:

“Kom binnen en doe jij ook de deur maar even dicht. Zo, jij hebt een vriend, proficiat.”

Haar stem klonk droog en kortaf. En dan met hoge stem:

“Ken ik hem?"

"Neen, dat denk ik niet. Ik heb hem leren kennen in het kapsalon."

Conny zag naar haar zoon maar gaf geen antwoord. Karel wreef met zijn klamme hand over de deurstijl en zoog de ijskoude lucht tussen zijn tanden. Haastig sprak hij verder:

"Hij komt uit een ander dorp. Lowie, zo heet hij, Lowie is vierenveertig. Hij is achttien jaar ouder dan ik."

Conny nam langzaam een mannenonderbroek uit een doos, keurde het en wierp het achteloos in een plastic zak.

"Vodden" mompelde ze.

"Ma, ik HOUD van hem en Lowie houdt ook van mij," riep hij tegen de rug van zijn moeder.

Conny draaide zich langzaam om en keek haar zoon streng aan.

"Ben je daar zo zeker van?" Vroeg ze terwijl ze haar kin omhoog stak.

"Ik voel het. Ik heb een speciale band met hem. Dat heb ik nog nooit eerder gevoeld. Een vaste band die precies nooit meer breken kan," enkele zweetdruppels blonken op Karels voorhoofd.

"Hij wacht in de auto, mag hij binnen komen? Hij wil kennis met je maken."

Dit was positief zijn lief wilde langs komen, maar waarom juist nu; ze was gisteren pas verhuisd en de kamer stond nog vol met ingepakte dozen en allerlei andere rommel.

"Karel nu toch niet, zie mij hier staan. In mijn vuile kleren. Ik stink naar het zweet."

"Moeder, dat deert hem toch niet," Karel helde lichtjes opzij en leunde weer tegen de deurstijl. Een diepe zucht ontsnapte aan zijn lippen.

"Hij blijft maar even, enkel goede dag zeggen en later kom jij bij hem op visite, met mij erbij natuurlijk," probeerde hij zijn moeder te overtuigen.

"Vooruit dan, maar trek het niet te lang want ik heb nog veel te doen."

Conny keek Lowie aan. Dat is nu het lief van onze Karel, dacht ze. Dat gezicht heb ik al eens ergens gezien, hij doet me aan iemand denken, maar aan wie? Een gedachten die in haar hoofd bleef hangen.

“Goed! Karel laten we zo afspreken, als alles aan kant staat kom ik samen met jou op visite bij Lowie." Conny was kortaf want zij wilde verder gaan met opruimen.

"Ik kom je wel helpen met uitpakken," zei Lowie heel gedienstig.

"Neen, niets van. Ik doe dit liever zelf, alleen."

Beide mannen namen afscheid van Conny, maar het gezicht van Lowie danste nog altijd voor haar ogen. Misschien kwam hij vroeger bij mij in de winkel, zette ze de gedachte van zich af.

            Twee weken later ging Karel met zijn moeder Lowie bezoeken. Conny had een nieuwe mantel gekocht en Karel had haar haar gewassen en opgestoken.

Lowie verwelkomde Conny en gaf haar een hand. Daarna kuste hij Karel op de mond. Bij het zien van die kus rolde een koude rilling over Conny haar rug.

Ze gingen met zijn drieën de huiskamer binnen. De koffie rook opbeurend. Conny zag snel even rond en het viel haar op dat alles netjes op zijn plaats stond. Geen vuile vingers op de gepolijste meubels en er hingen geen stofnetten in de hoeken, ook niet tegen de hoeken van het plafond. De kamer was smaakvol ingericht. Licht zonnig behangen en de levensbron, een olieverf van Jan Van Houtte gaf de sfeer en warmte alsof een open haard brandde. Aan de schouw hing zelfs een kruisbeeld. En dat verraste haar nog het meest. Nu pas drong het tot haar door dat homo’s ook naar de kerk gaan.

            Karel zat op de leuning van de zetel naast zijn geliefde. Onder hun gedrieën ontstond een rustige babbel. Het zou een ideaal koppel zijn, dacht Conny met weemoed, moest het niet zijn dat het twee mannen waren. Lowie haalde een fotoalbum uit de kast en men lachte duchtig om de bizarre foto's van vroeger. Nochtans zag Conny steeds iets langer dan normaal naar die jeugdfoto's van Lowie. Iets in haar knaagde, waar had zij dat gezicht nog gezien. Terwijl Karel in een onstuimige bui Lowie heftig omhelsde ging haar hand voorzichtig naar het album en trok ze een foto uit het boek. Behoedzaam liet zij de afdruk in haar tas schuiven.

"Sorry ma, onze omhelzing heeft toch niet gestoord, hoop ik?" Haar zoon had niets bemerkt. Hij dacht dat het ernstige gezicht van zijn moeder door zijn onbeheerst gedrag kwam.

"Geeft niet," antwoordde ze vlug, "ik ben het al een beetje gewoon."

Na het avondeten bracht Karel zijn moeder weer naar huis.

"Wel, wat vind je ervan, is hij geen schatje? Hij is toch lief en… hij is de baas van het kapsalon," zei Karel heel opgewekt.

Conny kneep haar handen dicht tegen elkaar. Lowies foto brandde in haar tas, snel antwoordde ze:

"Zeker, die eerste ontmoeting viel vrij goed mee. Ga nu maar naar huis, ik ben een beetje moe. Ik wil gaan slapen."

De deur was nog niet dicht of Conny had de foto van Lowie reeds vast. Aandachtig bekeek ze de zestienjarige knaap op de afbeelding. Ze stond op en nam de fotoalbum van karel zijn jeugd. De foto van Karel afgestudeerd op de kappersschool lei ze naast Lowies jeugdfoto. De gelijkenis was frappant. Hetzelfde smalle gezicht, de lichtjes gebogen neus, beiden hadden ze bruine ogen en dan die typische vooruitstekende jukbeenderen. Het kon een tweeling zijn, weliswaar met haast twintig jaar tijdsverschil. Wat is de werkelijke relatie tussen Lowie en haar zoon? Conny moest bij deze gedachten naar lucht happen. Kan het zijn dat Karel zijn vader gevonden heeft?

 

14-03-2020 om 00:00 geschreven door Bart

0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
>> Reageer (0)
13-03-2020
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Is mijn kind een vreemde deel 9

IS MIJN KIND EEN VREEMDE?

 

AUTEUR:

DAEMS BART.

 

Elke gelijkenis met bestaande personen of gebeurtenissen is louter toevallig.

 

VERSLAVING

 

            Iedere maandag nam Karel vrijaf en gewoontegetrouw ging hij dan naar zijn moeder. Lowie had dan de gelegenheid om zijn administratie op orde te brengen: rekeningen betalen, bestellingen doen, boekhouding en het salon een goede beurt geven. Als op maandag het salon niet was gekuist stond hij de volgende morgen speciaal een paar uur vroeger op want in een vuil salon kon en wou de kapper niet werken. Hij had juist de stoelen in een hoek geschoven als de bel ging. ‘Ik ben niet open dacht Lowie en vulde een emmer met water. Maar de bel bleef overgaan en iemand klopte zelfs op het raam. Lowie opende de inkomdeur en zag een net uitgedoste heer in blauw kostuum op de dorpel staan. Zijn schoenen blonken alsof ze juist van het schap uit de winkel kwamen.

“Mag ik me voorstellen” groette de vreemdeling. “Ik ben Gerard, Verstrepen Gerard. En jij bent Lowie van de Velde vermoed ik?”

“Ja, eh aangenaam. Ja ik ben Lowie. Wat kan ik voor je doen meneer Verstrepen?”

“Ik heb… Het is nogal delicaat, het gaat over uw familie. Mag ik misschien binnenkomen?”

“Euh, wacht ik open de voordeur, het salon is nogal heu rommelig nu.”

Even later ging de voordeur open waarop een “volg me maar naar de.voorplaats” volgde.

De man met het blauwe pak volgde Lowie naar binnen.

“Neem plaats, alstublieft. Meneer Verstrepen.”

De man nam een zakdoek uit zijn zak stofte de stoel af en zette zich neer. Lowie nam met een doodernstig gezicht eveneens een zakdoek stofte zijn stoel af en ging ook zitten.

“Zo meneer Verstrepen vertel me nu maar eens waarom jij speciaal tot hier bent gekomen.”

“Meneer van de Velde, zoals ik reeds zei ik ben meneer Verstrepen. De reden waarom ik naar jou ben gekomen is nogal delicaat en zal voor jou zeker verrassend overkomen.”

Lowie begon zenuwachtig te schuifelen op zijn stoel en dacht ‘hoe geraak ik die verkoper zo snel mogelijk terug kwijt?’

De man ging verder:

“Verrassend zeker, omdat het totaal onverwacht zal zijn.”

“Meneer verstrepen, excuseer maar mijn tijd is kostbaar. Indien jij iets wilt komen verkopen kan ik je zeggen dat ik mijn vaste leveranciers heb en ik niet wens te veranderen. Ik wil ook niet iets nieuws proberen, niet voor het kapsalon, niets voor te kuisen en ik ben niet geïnteresseerd in één of ander nieuw wasproduct. Een verzekering heb ik ook al, familie, begrafenis, brand, noem maar op. Ik heb al wat ik nodig heb.”

“Maar meneer van de Velden ik ben geen verkoper, integendeel ik ben aankoper bij een groot bedrijf. Ik kom hier helemaal niet uit eigenbelang. Maar ik kom in verband, zoals ik al zei, in verband met uw familie.”

“Mijn familie? Bij mijn weten heb ik helemaal geen familie; ze zijn allemaal tijdens de oorlog overleden.”

“Niet allemaal, uw zuster Connie leeft nog.”

“Wat? Wat zeg je me nu? Ons Connie? Die was toch vermist na de oorlog?”

“Vermist wel, meneer van de Velde maar niet overleden. Een soldaat heeft haar gevonden. Ze was nog maar een kind. Van angst kon ze geen woord uitbrengen. De soldaat heeft haar dan meegenomen. Een paar dorpen verder heeft hij het kind bij een jonge vrouw achtergelaten. Hij had die vrouw al eens eerder ontmoet en dacht dat het kind daar wel veilig zou zijn. Haar stiefmoeder, laat me die vrouw maar haar stiefmoeder noemen, die heeft Connie opgevoed tot Connie met mij trouwde.”

“Hoe weet je dat zo zeker? Hoe weet je dat die Connie mijn zuster is. Hoe heb je mij gevonden?”

“Normaal had ik nooit het idee gehad om haar familie te gaan opzoeken. Maar het gaat niet goed met Connie. Ze is verslaafd aan drank en…drugs. Ze zit erg in de put. Ze weet niet dat ik haar familie opgezocht heb. Een jaar geleden ben ik van haar gescheiden en dan is alles voor haar in versneld tempo bergaf gegaan.”

“Kan ze de scheiding dan niet verwerken? Moet ik nu de scherven gaan lijmen misschien?”

“Pas op. Versta me niet verkeerd. Ze was reeds aan de drank toen alles nog goed ging tussen ons. Connie rookte ook al joints voor er sprake was om te gaan scheiden. Maar leven met een verslaafde vergt meer dan het uiterste voor een man. Daarom besloot ik de scheiding aan te vragen. Toch wilde ik haar niet alleen achterlaten en daarom besloot ik om op zoek te gaan naar haar ware familie.”

“Waarom is ze aan de drank geraakt? Had ze daar een reden toe? Een kind overleden of zo? En waarom ga je niet naar haar zogenaamde stiefmoeder?”

“Rustig meneer van de Velde. Geef me de tijd, ik probeer alles op een rijtje te zetten zodat je alles van haar te weten komt. Vooreerst haar stiefmoeder is dement. Ze heeft soms nog een helder moment en op zo een helder ogenblik heb ik haar gevraagd van wie zij het kind heeft gekregen. Zo kwam ik bij de soldaat in kwestie. Ze had nog een foto met naam en adres van hem. Dit was het eerste spoor naar uw familie. Ik heb die man opgezocht en hij herinnerde zich nog vrij veel over het kind dat hij daar tussen het puin zag lopen. Haast geen kleren, barrevoets en huilend. Ze droeg een armband met de naam Connie. Vandaar dat we zeker zijn dat het uw zuster is. Ik vroeg de oud soldaat of hij de straat nog zou terugvinden. Hij stelde voor om samen met mij terug naar het dorp in kwestie te gaan om te zien wat hij zich nog kon herinneren. Even dacht ik dat alles tevergeefs was geweest, tot hij de oude molen zag. “Hier ben ik voorbij geweest” riep hij plots, “en dan in de volgende straat rechts stond in die tijd op de hoek een viswinkel.”

“Dat klopt, in onze straat was een viswinkel. De buren klaagden altijd over de reuk, maar ik lust graag vis en ik begreep nooit waarom de mensen toch zo klaagden. Maar hoe kom je dan bij mij?”

“Wel, we bezochten de burgemeester en die gaf ons de namen van alle personen die vier jaar vóór de oorlog in die straat leefden. Om de zoveel jaar was er een volkstelling en die lijsten mochten we van de burgemeester inkijken. IJverig zochten we naar een naam als Connie. In die tijd werden de lijsten opgemaakt door de veldwachter. Zonen onder de tien en dochters niet ouder dan veertien werden alleen maar vermeld als dochter of zoon. Daar Connie amper acht was, konden we haar naam niet vinden. We vroegen de burgemeester of er nog iemand leefde die tijdens de oorlog in die straat woonde of iemand die de familie zou gekend hebben. De burgemeester verwees ons naar de toenmalige burgemeester. Die leefde nog en die was nog zeer goed bij zijn verstand.”

“Je hebt nogal onderzoekwerk gedaan, en dat allemaal voor een verslaafde?”

“Ik hield van mijn vrouw. Wij hebben veel gelukkige jaren gekend. Voor de miserie begon waren wij dol op elkaar. Maar onderbreek me niet. Het verhaal is nog niet uit.”

“Wacht even, ik ga je eerst iets te drinken geven. Voor zo een verhaal wil ik wel wat tijd vrijmaken. Wat wil je? Iets fris of verse koffie, ik heb verse koffie staan.”

Lowie schonk de kopjes vol en zette wat chocolade koekjes op de tafel. Meneer Verstrepen vertelde verder:

“Zoals ik reeds zei: de oude burgemeester leefde nog. Nadat we ons verhaal gedaan hadden kon hij ons vertellen dat haar broer na de oorlog nog bij hem geweest was. Hij had hem nog werk bezorgd bij zijn broer Johnny. Verder was het een makkie om je op te sporen. Trouwens je hebt de groeten van de burgemeester. Hij wenste je het beste nu je de zaak van zijn broer zaliger hebt toegeëigend. Dat toe-eigenen begreep ik niet goed, jij hebt de zaak toch overgenomen?”

“Kom dat doet hier nu niet ter zake.” Antwoordde Lowie nerveus. “Jij vertelde me nog niet waarom mijn zuster aan de drank is gegaan.”

“Ja, hetgeen ik nu ga vertellen heb ik van Connie zelf gehoord, maar ze was toen al aan de drank. Ik weet niet wat er allemaal van waar is, ze heeft het misschien wel allemaal verzonnen. In ieder geval vertelde ze me dat ze in haar vrije tijd verhalen schreef. Ik heb nooit één verhaal teruggevonden, gelezen of gezien. Vandaar mijn twijfels. Daarom vroeg ik haar wanneer ze die verhalen schreef. Daarop antwoordde ze me: ‘de dagen dat ik alleen was en jij in het buitenland verbleef.’ Dat kan kloppen want ik was veel in het buitenland. Als aankoper moet je regelmatig weg op onderzoek, beurzen, zakengesprekken en zo. Ik vroeg haar ook nog waar al die verhalen dan toch zijn? Toen bekende ze me:”Er is maar één verhaal maar ik heb er jaren aan gewerkt. Het is een meesterwerk en het zou zeker een succes kunnen worden. Ik vroeg haar om het verhaal te mogen lezen en toen werd ze hysterisch. Ze begon te huilen, te krijsen en ik kon haar niet meer kalmeren. Later vernam ik dat zij het werk, dat ze manuscript noemt, op de trein heeft laten liggen. Ze heeft er nooit meer iets over gehoord. Van dan af is ze zich gaan afzonderen van de buitenwereld. Ze gaat steeds verder achteruit. Misschien dat jij eens contact met haar kunt nemen. Hier is het adres waar ze momenteel woont.”

“Dat is verschrikkelijk, dat ik zo mijn zuster moet terugvinden.”

“Zo meneer van de Velden. Ik heb gedaan wat ik kon. Nu laat ik het aan de familie over.”

“Bedankt meneer Verstrepen jij hebt zeer veel gedaan voor mij. Mijn welgemeende dank hiervoor en ik zal zeker mijn zuster gaan opzoeken.”

“Wacht niet te lang. Een verslaafde is zeer onberekenbaar. De groetjes nog.”

Lowie ging achterover zitten in zijn zetel. ‘Wie had dat gedacht, zijn Connie dat die nog leefde. Onvoorstelbaar. Maar in welke omstandigheden leeft ze? Hij moet haar gaan opzoeken. Zo snel mogelijk.

Lowie wilde diezelfde namiddag nog naar zijn zuster gaan maar er kwam nog bezoek voor hem. Conny was vastbesloten die Lowie of Louke zoals zijn zoon hem noemde eens deftig aan de tand te gaan voelen.

“Ach, Conny. Wat een eer, kom binnen. Is Karel er niet bij?”

“Nee. Karel is er niet bij. En ik denk niet dat hij nog dikwijls zal komen ook.”

“Wat scheelt er, jij bent zo kortaf. Blijf niet buiten staan. Kom toch binnen. Alstublieft.”

Conny ging tegen haar zin binnen. Haar jas hield ze aan en ze ging niet zitten.

“Wat heb jij in je jeugd uitgestoken?”

Lowie, kreeg een schok door zijn lichaam. Daar kon zij toch niets van weten. Hij had de tere plek zorgvuldig uit zijn geweten gebannen en nu wordt die wonde plots ruw opengereten:

“In mijn jeugd, niets bijzonders, ik ben naar school geweest zoals iedereen, gaan werken bij de boer en daarna gaan vechten aan het front. Wat is daar verkeerd aan?”

“Vooraleer je naar het front ging. Enige tijde ervoor of misschien wel de dag ervoor. Welbepaald twaalf augustus negentienhonderd veertig. Wat heb jij die dag uitgestoken?”

“Dat was de dag voor mijn inlijving en dan heb ik met enkele maten wat gaan drinken om ons afscheid te vieren. We mochten de dag daarop gaan vechten.”

“Met enkele maten, met vier welgeteld. Is het niet. Jullie waren samen met zijn vijven.”

Lowie begon argwaan te krijgen. Wat weet deze vrouw over zijn verleden. Hij begon te stotteren:

“Hoe hoe… we..et jij dat allemaal zo goed?”

“Ik weet nog veel meer, hou je maar vast. Ik ben hier nog niet weg. Met vijf man ben je achter een koppeltje gegaan. Jullie hebben het jonge stel ruw uit elkaar getrokken en de jongeman bewusteloos geslagen. Het meisje hebben jullie met zijn allen meegesleurd in het bos. En wat jullie daar met me gedaan hebben dat weet ik niet meer maar dat ga jij me nu vertellen.”

Lowie zag lijkbleek. Hij zeeg door zijn knieën:

“Neen, niet jij. Niet nu. Genade, vergeef me. Vergeef me alstublieft.”

“Wel, met hoeveel hebben jullie het gedaan. Met z’n allen? Stonden jullie in de rij, misschien?”

“Neen zo is het niet gegaan.”

“Zeg het me dan, hoe is het dan wel gegaan?”

“Ik was nog maagd en ze zouden van mij een man maken. Ik voelde er niets voor, maar ik had gedronken. Ik werd aangespoord door mijn maten en ik durfde niet meer terug. De oudste van ons heeft het dan voor gedaan. En dan moest ik. Het ging niet maar ik moest wel. Ik moest meedoen terwijl zij hardop telden. Het was verschrikkelijk voor mij.”

“Wat dacht je wat het voor mij was? Een pretje misschien? Smeerlap, je hebt mij verkracht. Je hebt me achtergelaten in een bos. Helemaal alleen. Erger nog jij hebt me zwanger gemaakt. Een kind dat zijn vader nooit zou kennen. En dacht je dat dat alles was? Neen deze smeerlap zal ook nog eens zijn eigen kind onteren. Gaan slapen en seksspelletjes spelen met zijn eigen zoon. Stuk onbenul. En ik was nog zo blij dat karel eindelijk iemand gevonden had.”

Lowie zat nog steeds op zijn knieën. De handen samengevouwen:

“Oh nee, oh nee. Het is niet waar. Dat is de straf van God. Ik wil sterven. Ik wil doodgaan.”

“Dat wou ik ook smeerlap. Toen ik wakker werd in het bos. Verlaten, geradbraakt en smerig gemaakt door enkele boeren…pummels. Maar zo gemakkelijk ga je er niet vanaf komen. Sta recht dat ik je in de ogen kan zien.”

Conny greep Lowie bij zij revers en keek hem recht in de ogen:

“Jij gaat Karel vertellen wat voor een vent dat jij bent. Jij gaat hem ‘zelf’ zeggen hoe jij zijn moeder hebt verkracht, hoe jij je eigen zoon hebt onteerd en dan hoop ik dat jij hem nooit meer zult zien. En ik wil jou ook nooit meer onder de ogen komen.”

Met forse stap ging Conny naar buiten en smeet de deur met een smak achter haar dicht.

 

DE BRIEF

 

Gaston gaf de brief aan Conny. Er stond geen afzender op en de brief was gericht aan Karel. Karel zou die dag langskomen zo kon ze hem de brief geven.

Lang moest Conny niet wachten want ze had de brief nog in haar hand toen Karel de kamer reeds binnenstapte.

“Karel, hier is een brief voor jou. Ik heb hem juist gekregen van Gaston. Er staat geen afzender op, maar hij komt van iemand die nog niet weet dat jij nu bij Lowie woont.”

Karel nam de brief aan en opende achteloos de enveloppe.

 

                                               Lieve Karel,

Met tranen in de ogen schrijf ik deze brief, tranen van spijt omdat wat ik gedaan heb, tranen van liefdesverdriet omdat ik je nooit meer naast me in bed zal dulden en tranen van geluk omdat ik je gevonden heb. Ondanks ik zielsveel van je blijf houden kan ik niet anders dan onze liefdesrelatie stop zetten. Er zal nooit een ander zijn die uw plaats kan verdringen. We hadden het fijn samen en ik hoop dat de liefde die wij elkander gaven na het lezen van deze brief toch nog onverminderd zal kunnen blijven voortduren. Maar dan wel op een andere manier.          

Ik heb ontzaglijk veel waardering voor je moeder, ik ben ze dankbaar, en bewonder haar moed toch is zij de reden van het stopzetten van onze relatie. Ik schrijf wel degelijk wijziging want sinds het laatste gesprek dat ik met je moeder had zullen wij de liefde nooit meer samen bedrijven.

Karel, ga even zitten, ik ga je een zware bekentenis doen. Ik ben een slecht mens geweest in mijn jeugd. Samen met vier andere mannen heb ik je moeder onteerd, verkracht en zwanger gemaakt. Voor dat laatste ben ik en ik alleen verantwoordelijk. Ik zou je mijn zoon willen noemen, maar ik begrijp dat dat voor jou, na onze vurige liefdesnachten, hard zal aankomen. Indien jij mij voortaan niet meer wilt zien zal ik dat, hoe zwaar ook, met respect aanvaarden.

Karel, ik ga mezelf bij de politie aangeven. Men zal mij vastzetten achter de tralies. Toch zal geen enkel advocaat mij moeten verdedigen Ik neem alle schuld op mij. Ik begrijp dat jij mij in het gevang niet zult willen komen bezoeken, dat verwacht ik ook niet, maar indien ik af en toe een brief naar je schrijf smeek ik je gooi die brief dan niet ongelezen weg. Je hoeft geen antwoord te sturen, maar als ik weet dat jij hem zult lezen dan zal dat voor mij een hele steun zijn.

Ik hoop dat uw moeder mij ooit zal kunnen vergeven voor wat ik haar heb aangedaan. Ik was jong en de anderen dwongen me tot de daad. Ik besef nu dat ik toen had moeten weigeren, maar op mijn achttiende was ik schuchter en lag ik overhoop met mezelf. Ik moest mezelf nog ontdekken en wist nog niet wat homo zijn betekende.

Vier kerels uit mijn buurt zouden van mij een man maken hadden ze gezegd, maar al wat ik nadien voelde was ontgoocheling en verwarring. Nooit heb ik nog een vrouw aangeraakt. Jaren later heeft Johnny me geleerd hoe ik het verleden moest verwerken en zo een nieuwe toekomst voor me kon opbouwen. Met zijn overlijden was het alsof iets uit mezelf werd weggesneden. De dag dat ik jou ontmoette kreeg ik weer hoop. Ik kon weer iemand beminnen. We hadden het fijn bij elkaar, maar nu ik de waarheid weet kan ik niet anders dan beschaamd zijn voor mezelf. Ik vraag je vergiffenis. Binnen in mij heb ik de stille hoop dat je mij ooit nog vader zult willen noemen. Ik zal jou steeds blijven beminnen niet op dezelfde manier zoals in het verleden, maar als een vader die zijn kind bemint.

Zeg tegen uw moeder dat ik nooit geweten heb wat verdriet ik haar heb aangedaan. Ik was teveel met mezelf bezig. Als ze mij niet wil vergeven kan ik haar dat niet kwalijk nemen.

 

PS: Onlangs heb ik vernomen dat mijn zuster nog leeft. Ik dacht altijd dat zowel mijn ouders als Connie in de oorlog overleden waren. Nu heeft haar ex-man mij verteld dat mijn zuster toch nog leeft. Maar met haar gaat ook al niet goed. Haar man heeft haar verlaten en wil geen alimentatie betalen. Ik vermoed dat zij drinkt en af en toe drugs gebruikt. Volgens haar ex is het allemaal begonnen nadat zij belangrijke papieren verloren heeft. Ik vermoed dat het om één of ander roman gaat. Zij moet ooit eens een verhaal geschreven hebben. Zij beweert dat ze de bundel op de trein heeft laten liggen. Indien dat zo is zullen wij haar nooit kunnen helpen vrees ik.

 

Uw liefhebbende vader,

LOWIE

 

 

Karel gaf de brief aan zijn moeder die hem met bevende handen las. Natuurlijk wist zij ongeveer wat er in zou staan. Haar laatste bezoek aan Lowie zou ze niet snel vergeten. Ze was zo kwaad op hem dat zij vastbesloten was om nooit meer met hem te willen praten, maar toen ze de PS. van de brief las was het alsof de duivel uit een doosje een lelijke grimas naar haar trok en zijn tong uitstak. Onmiddellijk begreep ze dat de schrijfster van het manuscript de zuster is van haar verkrachter. De rijkdom die zij gestolen had was van Connie, de zuster van Lowie. Zij moest zich recht houden aan het eiken buffetmeubel dat naast haar stond. Lowie, die haar ooit verkrachtte had een fout begaan en hij zal gaan boeten voor zijn misdaad. Misschien komt het ooit wel terug goed tussen vader en zoon, en dan kan hij zijn leven herbeginnen met een nieuwe lei. Maar wat met haar? Wat zij gedaan heeft zal zij nooit aan iemand durven vertellen laat staan herstellen. Zij wou het vergeten en dat lukte bijna, maar deze brief drukte haar meer dan ooit op de feiten en zij besefte dat het haar hele leven zal blijven achtervolgen.

Conny liet zich op een stoel vallen. De gedachten sijpelden langzaam door haar hoofd, maar bij iedere gedachte besefte zij meer en meer welke gevolgen haar daad had. Een manuscript onrechtmatig toe-eigenen, verkopen en dan leven in grote luxe. De rechtmatige eigenaar kwijnt nu weg en zoekt troost in de drank en drugs. Allemaal door haar schuld. En dan als overmaat van ramp de broer uitschelden voor iemand die zijn kind niet heeft willen opvoeden. De man wist niet eens dat hij een zoon had! De verkrachting was een jeugdzonde, maar zij heeft gehandeld als een volwassen vrouw, volledig verantwoordelijk voor haar daden.

Karel dacht eerst dat zijn moeder wel op de hoogte was en reeds wist wie haar verkrachter was. Maar omdat zijn ma zo raar deed begon hij hieraan te twijfelen. Het kwam voor hem hard aan maar voor zijn ma was het precies nog veel erger. Zijn ma zag lijkbleek en het leek alsof zij iedere minuut zou flauw vallen. Hij wilde iets tegen haar zeggen maar zij ging zitten en stond onmiddellijk weer recht en las de brief voor de derde maal opnieuw.

Plots nam Conny een besluit: ze zou terug naar Lowie gaan en trachten te weten te komen waar zijn zuster woont. Daarna zou ze naar zijn zuster gaan en met haar gaan praten en proberen alles terug recht te trekken. Ze kon niet doen alsof er niets gebeurd was.

 

13-03-2020 om 00:00 geschreven door Bart

0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
>> Reageer (0)
09-03-2020
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Is mijn kind een vreemde deel 10 laatste.

IS MIJN KIND EEN VREEMDE?

 

AUTEUR:

DAEMS BART.

 

Elke gelijkenis met bestaande personen of gebeurtenissen is louter toevallig.

 

HET WRAK

 

Na het lezen van de brief wilde Karel weer bij zijn moeder komen inwonen. Het kasteel was toch groot genoeg. Maar Conny wilde haar eigen leven. Daarom kocht ze een nieuw ingericht kapsalon voor haar zoon zodat hij weer aan het werk kon en tegelijk een woonst had.

Het gestolen manuscript kwelde haar geweten. Die nacht droomde ze. Ze zat in een trein en leunde uit het raam zwaaiend met een gouden boek in haar hand. Een tegenliggende trein kwam aangereden, zij probeerde zich snel terug te trekken, maar ze zat klem in het raam. Ze kon niet meer voor of achteruit. De trein kwam steeds dichterbij. Als zij niet los kwam zou ze verpletterd worden. Op het moment dat de trein voorbij flitste schoot Conny badend in haar zweet met een gil wakker.

Ze sprong recht en bleef lange tijd op de rand van het bed zitten. Zo kon het niet meer verder Ze moest de vrouw zien die zij zo laaghartig bestolen had. Diezelfde dag nog zou ze naar Lowie gaan.

Daar het reeds avond was belde ze aan bij Lowie die sterk verwondert haar reeds terug te zien binnen liet.

“Lowie, ik weet nu dat jij een zuster hebt en ik wil haar adres want ik wil met haar spreken.”

“Ach Conny, als jij voldoening krijgt om mij te verraden bij mijn zuster dan wil ik je het adres wel geven. Maar je zou mij veel meer plezier doen met een klacht neer te leggen bij de politie. Zonder klacht willen ze mij niet straffen. Ik wil mijn straf ondergaan. Zowel voor jou als voor onze zoon. Maar laat mijn arme zuster er buiten. Ze heeft het zo al zwaar genoeg.”

Conny haar maag kromp ineen. Maar ze moest zich sterk houden:

“Lowie, ik zal niets over jou zeggen tegen je zuster.”

“Als ik het adres geef, wil je me dan aangeven bij de politie? Alstublieft.”

“Dat zal ik pas beslissen na het gesprek met je zuster”

“Conny, je weet toch dat ze gescheiden is? Haar man heeft haar verlaten omdat ze verslaafd is aan drugs. Ze moet één of ander verhaal geschreven hebben en die op de trein verloren, niemand heeft het ooit teruggebracht. Het was haar levenswerk. En nu zit ze aan de drugs.”

“Dat heb ik gelezen in uw brief, ja. Maar ik ben niet bang van junkies. Ik wil haar in de eerste plaats zien en spreken.”

“Over wat wil je dan spreken? Duw ze alstublieft niet verder in de put. Ze heeft het al zo kwaad.”

“Ik zal over jou niets vertellen, als dat je gerust kan stellen. De rest wil ik privé houden.”

“Ik vertrouw je Conny. Maar weet wel als iemand de klok kon terugdraaien, dan zou uw leven er heel anders uitgezien hebben.”

Conny kon niet meer antwoorden, Lowie besefte zelf niet eens hoe groot zijn waarheid wel was. Stilzwijgend noteerde ze met bevende handen het adres van Connie en verliet snel het kapsalon.

In haar auto kwamen de tranen, voor de zoveelste maal. Als iemand de klok terug kon draaien herhaalde ze terwijl de tranen op het stuur donkere plekken achterliet.

Ze wreef met een zakdoek haar ogen droog, las het adres nog eens na en startte de auto. Het huis zag er verwaarloosd en verlaten uit. De voordeur stond tegen, toch belde ze aan maar er kwam geen reactie.

Voor de tweede maal belde ze aan, maar er kwam nog steeds geen beweging. Conny probeerde door de ramen binnen te kijken maar de dikke bruine gordijnen waren volledig dicht geschoven. Ze liep weer naar de voordeur die ze voorzichtig openduwde en daarna de hel binnenstapte. Een berg van bruine vergane kranten, brieven en reclame lag in een talud van de brievenbus tot midden in de gang. Door de keukendeur zag ze de spoeltafel of wat er voor moest doorgaan. Vuile borden met etensresten, beschimmelde potten, pannen, koppen, glazen en bestek lagen opgestapeld op het verlek. In de badkamer was het ligbad verdeeld in twee delen: links de vuile was en rechts nog verschillende potten en vuile borden. In de hoek van de woonkamer lag een enorme stapel nog te wassen kleren, handdoeken en lakens. Midden in de kamer stond een oude zetel met op de armleuning een bomvolle asbak. Tientallen peukjes lagen verspreid op de grond. Een vrouw hing op de zetel voor de televisie met in haar linkerhand een blikje bier en rechts de afstandsbediening. Op haar blote armen waren vele kleine wondjes zichtbaar. Enkele korstjes ontsierden haar bleke lippen. Drie vette slierten haar vielen naast haar aangezicht. De televisie stond op zijn hardst de schrille toon krijste in Conny haar oren. Een vrouw die stond te dansen omdat ze een ijskast had gewonnen zweefde over het zwart-wit scherm.

De moed zakte Conny in haar schoenen, de tranen liepen over haar wangen en toen ze naar de vrouw keek kon ze geen woord meer uitbrengen. Hoe zielig, dacht ze en dat is allemaal mijn schuld.

Conny nam een stoel, zette zich naast de zetel en keek mee naar de quiz. De vrouw naast haar keek even opzij en stak de zoveelste sigaret op terwijl een peuk op de asbak nog nasmeulde.

"Mag de TV wat zachter?" Riep Conny in het oor van de vrouw naast haar..

Automatisch richtte de vrouw de afstandsbediening en zette het geluid af. De bruuske stilte deed bijna pijn.

Conny wist niet meer wat ze hier moest doen. Ze kon opruimen, wassen, de vaat doen, de ramen lappen, maar dit alles zou niet baten. Hier moest een wonder gebeuren, een levenloze terug tot leven wekken. Jezus had het makkelijker dacht Conny, die zei gewoon:

"Sta op, neem uw bed en ga naar huis."

"Jij bent Connie? " Vroeg ze aan de vrouw die op de zetel hing.

De vrouw haar hoofd ging langzaam even op en neer. Dit betekende: "Ja".

"Hoe is het zover gekomen?" Vroeg Conny nu ze weer enige moed vatte met deze bescheiden communicatie. De vrouw in de zetel nam een volgende sigaret. Zo velen hadden reeds geprobeerd haar te helpen of liever haar te ondervragen. Dat hielp niet, zij wist zelf niet eens wat zij eigenlijk nog wilde.

Conny keek terug naar de TV. De quiz was voorbij. Nu was er nieuws: huilende kinderen en dreigende tanks rolden over het scherm. Kinderen zonder ouders, dacht Conny, zou zij ook kinderen hebben en zijn die nu ook zonder ouders? Tranen prikten weer in haar ogen.

Ze kon het niet aan, ze wou het niet meer aanzien. Ze wilde weglopen naar haar veilig thuis haar warme riante villa. In verbeelding zag zij zichzelf weer zitten op de trein. Ze had dat manuscript nooit mogen meenemen. Had zij het maar laten liggen. Zij had nu wel geld, veel geld, maar dat kwam de schrijfster van het manuscript toe of liever deze zielige vrouw. Ik heb het gepikt van haar, dacht Conny en nu moet ik haar dat vertellen.

"Ik zou je willen spreken over een manuscript," probeerde Conny opnieuw.

"Het manuscript, ja het manuscript," hakkelde de vrouw terwijl ze opstond en naar de kast ging. Moeizaam trok ze de lade open en nam een injectiespuit. Ze stak de naald in haar arm en duwde langzaam de vloeistof in haar ader. Ze ademde tweemaal diep en haar pupillen werden langzaam groter. Toen was het alsof Conny een reuzengroot hoofd had met een piepkleine romp. De omroepster op de TV werd één grote dansende roze gedaante.

Conny begreep dat een zinnig gesprek nu niet meer mogelijk was, een andere keer misschien? Toen ze terug buiten op de straat stond legde ze beide handen tegen het aangezicht en barstte in huilen uit, hete tranen stroomden naast haar duimen over haar wangen.

            De nachten daarop kon Conny niet slapen. In de dag liep ze als een zombie en probeerde haar verstand te verzetten bij de planten. Ze liep door de oranjerie en bewonderde de victoria regia, de prachtige witte bloem stond fier op het groene blad van wel 80 cm doormeter. De bloem zal de volle dag pronken om dan voorgoed onder het water te verdwijnen. ‘Connie de echte schrijfster zal nooit pronken.’ Mompelde Conny voor zich uit. Steeds weer Connie, altijd Connie, ze kon de vrouw in de zetel niet van zich afzetten. Hier hielp de muur op wieltjes niet meer. Hier kon ze de muur niet meer wegduwen. ‘Ik heb haar geluk afgepakt. Ik moet er iets aan doen, maar wat?’ Ze praatte steeds meer tot zichzelf.

Een stem op de intercom bevrijdde haar uit haar kwellingen..

"Mevrouw, uw zoon Karel, vraagt je aan de telefoon. Het is dringend zei hij."

De paarsgelakte nagel van mevrouw duwde de toets in, haar gouden armbanden lieten een zacht gerinkel horen.

"Ik neem de telefoon hier wel, leg maar op. Oh ja, vandaag om drie uur wens ik graag thee in plaats van koffie." Antwoordde Conny nog in de intercom.

"Moeder," hoorde ze haar zoon zeggen "ik had beloofd om zaterdag te komen maar dat kan ik nu niet, ik moet naar een begrafenis. Tante Connie, de zuster van Lowie, is overleden. Ze heeft een overdosis pillen genomen. De buren hebben haar gevonden. Het was reeds te laat. Ze moet veel geleden hebben volgens de dokter." Zijn stem klonk bedroefd.

Hij had zo graag kennisgemaakt met zijn enige echte tante.

Conny snakte naar adem. Een jong plantje hing verkreukt en verhakkeld in haar stijf dichtgeknepen hand. Ze kon geen woord uitbrengen. Het was allemaal haar schuld. Had zij dat verdomd pakje in de trein maar laten liggen. Connie, Lowie zijn zuster, was toen nog fris en onbezoedeld en nu, nu heeft die vrouw zich zelf van het leven beroofd.

"Moeder, moeder, ben je er nog?"

"Ja, ja Karel." Bracht ze met moeite uit. Het plantje gleed uit haar hand en viel troosteloos uiteen op de stenen vloer. "Kom mij maar halen, ik ga mee naar de begrafenis."

Hoe kan zij ooit goedmaken wat zij misdaan heeft, kon zij maar boete doen, zoals Lowie, de vader van Karel, die haar jaren geleden verkracht heeft.

 

DE BEGRAFENIS

 

            Op de begrafenis was het alsof Conny tien jaar ouder geworden was. Ze stond als een klein oude vrouwtje ineengekrompen naast haar zoon Karel. Karel die niet goed wist naar wie hij moest kijken. In zijn hart hield hij nog wel van zijn natuurlijke vader, maar dat diezelfde vader zijn moeder zo een leed heeft aangedaan kon hij niet goed vatten. Daarbij komt dan nog het abrupt afbreken van zijn liefde. Zijn moeder begreep hij ook al niet. In haar plaats zou hij er nooit aan gedacht hebben Lowie nog ooit onder zijn ogen te komen. En Connie, de zuster van Lowie, zijn moeder heeft die toch nooit gekend. Ze hadden elkander nog nooit ontmoet. Waarom is zij hier eigenlijk op de begrafenis? Karel keek weer naar zijn moeder. Ze stond met haar hoofd deemoedig voorovergebogen. Ze had een paternoster in haar hand en prevelde de ene weesgegroet na de andere. Het leek zelfs alsof zij niet eens kwaad was op Lowie. Zou zij dan toch denken dat zij de verkrachting zelf uitgelokt zou hebben? Maar het verhaal van Lowie en die berouwvolle brief loochent er toch niet om. Daar kan zijn moeder toch geen schuld aan hebben. Hoe kan zij nu denken dat zij Lowie ooit heeft verleid? Waarom stond zij er toch op om naar deze begrafenis te komen? Al deze vragen tolde door Karel zijn hoofd.

Ook Lowie wist niet goed welke houding hij moest aannemen. Hij had te lang gewacht om zijn zuster te ontmoeten. Nu was het te laat. Zijn zuster is niet meer. Hij keek naar de moeder van zijn zoon. Zij heeft zijn kind gebaard en opgevoed. Zijn kind dat hij verwekt heeft onder afschuwelijke, nooit te vergeven misdaad. Hij was vastbesloten hier voor te boeten. De politie kon hem niet vasthouden. Er was nooit een aanklacht van een verkrachting tegen hem geweest. Zonder aanklacht geen aanhouding. Hij wilde aan Conny nog eens vragen toch nog een aanklacht in te dienen, maar hij durfde haar niet meer onder de ogen te komen. Toch vroeg hij zich af wat zij hier op de begrafenis kwam doen. Zij kende zijn zuster toch niet. Oké ze wilde haar beslist ontmoeten maar of zij wel bij haar geweest is weet hij niet. Nadat zij bij hem het adres kwam vragen had hij niets meer van haar gehoord. Hij was druk bezig geweest met zijn eigen misdrijf, de verkrachting. Eerst de politie, dan een advocaat, maar niemand kon hem helpen. ‘Geen aanklacht, geen aanhouding’ was steeds het antwoord. Hij moest zien Conny te overtuigen een aangifte bij de politie te doen.

            Conny had al haar gedachten verbannen. Ze had sinds de dood van haar slachtoffer, want ze beschouwde Connie als haar slachtoffer, niets anders gedaan dan alle dagen geweend en gebeden. Ze had zich opgesloten op haar slaapkamer, wilde niemand zien. Zelfs voor haar eigen kinderen bleef de deur gesloten. De butler had opdracht gekregen iedereen gerust te stellen maar niemand toe te laten haar te bezoeken. Helemaal alleen probeerde ze plannen te maken hoe zij haar misdaad kon goedmaken. Zij wilde die rijkdom niet meer. Het was een vergiftigd geschenk. Zij vond geen rust meer. De nachtmerries bleven komen. Ze overwoog om naar een psychiater te gaan, maar deze zou haar ook niet kunnen helpen. Ze begreep dat zij dit zelf moest oplossen. Terwijl Conny zo de ene weesgegroet na het andere bad kwam plots een idee in haar hoofd. Ze zou heel haar rijkdom, al haar geld, haar kasteel haar gronden aan de rechtmatige eigenaar teruggeven. Ze zou straks met Lowie gaan praten en zeggen wat ze van plan is. Maar dan zal ze alles aan hem moeten vertellen. Welke smerige truc zij heeft uitgehaald. Lowie heeft het met een brief gedaan maar zij niet, zij zal het hem zelf gaan zeggen. Na de begrafenis. Vandaag nog.

            Lowie had nog een ander probleem. Hij had de begrafenis ondernemer besteld voor een eenvoudige begrafenis. Niet te duur maar ook weer niet bekrompen. Toch stak deze begrafenis ver boven de anderen uit. Het was een eredienst met drie pastoors in plaats van één. De kerk was uitzonderlijk mooi versierd en die witte kist had hij zeker nooit besteld. Toen hij daarstraks de begrafenisondernemer over aansprak zei deze dat alles reeds betaald was door iemand die anoniem wilde blijven. Hij had toch graag geweten wie zich moeide met de begrafenis van zijn familie. Het was nu te laat om nog enkele dingen af te zeggen. Zoals dat zangkoor. Veertig man sterk en speciaal van Engeland naar hier gekomen, wie kan dat betalen? Maar ze zijn er en ze hebben gezongen in de kerk en ze zullen weer zingen aan het graf. Lowie kende persoonlijk maar één iemand die rijk genoeg was om dat te betalen. De moeder van zijn kind. Maar vandaag zal het wel de laatste maal zijn dat hij die zal zien. Die zal straks verdwijnen en hij zal met zijn schuldgevoel de rest van zijn leven blijven zitten. Misschien heeft meneer Verstrepen alles wel betaald, Connie haar ex. Die man hield nog van haar. Lowie nam zich voor Gerard Verstrepen zijn medeleven te betuigen. Gerard heeft zijn zuster trouwens beter gekend dan hij. Het enige wat hij zich kon herinneren was een klein meisje van acht met donkerbruine ogen en sproeten op haar gezichtje. Waarom had hij niet even zijn eigen zorgen opzij gezet en tijd gemaakt om zijn zuster te gaan opzoeken.

 

HUWELIJK

 

            Het was een hele drukte rond de koffietafel. Lowie had een besloten kring gewenst voor de begrafenis maar haast al zijn klanten kwamen hun medeleven betuigen. Weinigen hadden Connie gekend maar alle aanwezigen kenden wel Lowie.

Karel stond bij zijn moeder. Het lag op zijn lippen om haar naar uitleg te vragen. Hij had nog zoveel vragen. Had zijn moeder Lowie dan vergeven? Is er nog een gesprek geweest tussen hen? Welk standpunt moest hij nu innemen? Maar zijn moeder stond met een schuldige blik naar Lowie te staren. Twijfelend keek ze naar de grond en dan weer naar Lowie. Haar zoon zag ze niet staan. Ieder moment dat Lowie even alleen stond maakte Conny aanstalten om naar hem te benen maar door haar getalm was er toch steeds weer iemand die haar voor was. Karel meende zelfs dat zijn moeder telkens weer opgelucht ademhaalde.

            Lowie had de blikken van Conny wel opgemerkt maar dacht dat Conny alleen maar naar hier gekomen was om amok te maken. Hem uit te schelden voor verkrachter en andere lelijke woorden. Daarom zorgde hij er voor om altijd bij iemand anders te gaan staan. Zodat Conny geen kans zou krijgen bij hem te komen.

            Zo speelden de twee kat en muis en Karel bekeek alles van op de zijlijn. Hij begreep er niets van. De drukte nam af. Lowie moest steeds sneller van gesprekspartner wisselen en Conny kwam zonder het echt te willen steeds dichterbij Lowie.

“Lo..wie, “ fluisterde Conny met hese stem: Lowie, kan ik je even onder vier ogen spreken?”

Lowie schrok bij het horen van haar stem. Hij had een tornado verwacht en nu was dit een twijfelende hese stem. Hij kreeg bijna medelijden met haar.

“Natuurlijk, laat ons even naar het kapsalon gaan, daar zitten we gerust.”

Karel zag met verbazing hoe zijn moeder en vader samen naar het kapsalon gingen. Toch respecteerde hij hun gedrag en begon een gesprek met één van zijn vroegere klanten.

            In het kapsalon zaten Lowie en Conny over mekaar. Lowie wilde onmiddellijk Conny overhalen om hem aan te geven bij de politie maar Conny legde hem kordaat het zwijgen op:

“Lowie, ik moet je iets heel gewichtigs vertellen en ik wil niet dat je mij onderbreekt. Zwijg nu en laat me de juiste woorden zoeken.”

Toen brak er een stilte aan die voor Lowie wel een eeuwigheid duurde. Hij zat met zijn hoofd gebogen en dacht alleen maar aan zijn eigen misstap. Hoorde hij daar geen snik? Twijfelend keek hij op en zag hoe bij Conny de tranen over haar wangen rolden. Snel gaf hij zijn zakdoek aan en wilde haar troosten. Dat zij nu nog altijd zo moest lijden door zijn wandaden.

“Lowie, ik ben een slecht mens. Ik heb iets gedaan waarbij uw daad slechts een kleine schaduw is van wat ik jou heb aangedaan.”

“Maar Conny, slechter dan ik dat kan toch…”

“Lowie, alstublieft laat me uitspreken, het is zo moeilijk zo… zwaar. Ik heb je zuster vermoord.”

Lowie stond sprakeloos, zijn mond viel open van verbazing.

Conny snuitte haar neus, het hoge woord was eruit. Nu moest ze wel verder:

“Ik weet dat de dokters zeggen dat ze een overdosis pillen heeft genomen. Ik weet ook dat ik die dag in het buitenland was en onmogelijk haar vergiftigd kon hebben. Ik heb ook niet die pillen toegediend maar toch is het door mijn schuld dat ze nu dood is.”

“Conny, je raaskalt. Je bent totaal in de war. Je hebt haar nooit gekend. Ik heb je haar adres gegeven maar je bent er…”

Lowie werd bruusk onderbroken door Conny:

“Lowie, zwijg, ik ben er wel heen geweest. Ik heb haar gezien. Haar leed, haar miserie, haar stukgemaakt leven. Lowie, jij weet zo weinig van haar, jij weet eigenlijk nog niets. Dat manuscript waarover uw zuster zaliger het had bestaat echt en haar verhaal van die trein is niet verzonnen, zelfs het beloofde succes is echt. Alleen de eigenaar is vals. Ik heb het manuscript op de trein gevonden. Ik, slechte ik, ben er mee naar de uitgever gestapt en ik heb als gemene bedrieger en als leugenaar gedaan alsof “ik” de auteur was. Het was waar, ik kende Connie niet en ik dacht dat ik haar nooit zou ontmoeten. Voor mij was ze van de aardbodem verdwenen. Maar het noodlot trof mij harder dan ik ooit had kunnen vermoeden. Ik heb haar gevonden en ja ik heb ze ontmoet. Ik ben bij haar thuis geweest en wat ik vond was een hoopje ellende. Ik heb haar zien lijden. Ik wilde vergiffenis vragen maar zij was niet in staat mij te aanhoren. Toen ik het woord manuscript liet vallen sleepte ze zichzelf naar de schuif stak de naald in haar arm en injecteerde de drugs in haar lijf. Even later was ze gewoon van de kaart en had ik totaal geen contact meer met haar. Uw zuster zat in een depressie en allemaal door mijn schuld, terwijl ik in weelde leefde. Zij geraakte aan de drank en aan de drugs omdat men haar levenswerk dat na jarenlang zwoegen eindelijk af was, gestolen had. Men zou voor minder aan de drank gaan. Haar man is als overmaat van ramp dan nog eens van haar gescheiden en zij geraakte steeds verder de put in. Tot zelfmoord haar enige verlossing was.”

“Maar Conny je mag dat zo niet…”

“Zwijg Lowie ik ben nog niet uitgesproken. Ik heb alles gepland. Ik weet nu wat ik moet doen en jij moet mij daarin helpen. Mijn hele bezit, het huis, de gronden, mijn geld moet allemaal naar de ware erfgenaam gaan en de enige erfgenaam dat ben jij. Daarom wil ik het allemaal aan jou schenken. Ik ga terug naar mijn winkeltje in de stad. Daar is mijn plaats. Dat zijn mijn plannen en die zal ik uitvoeren ook.”

“En ik dan? Wat dacht je van mij? Moet ik soms met mijn schuldgevoelens blijven dwalen. Met een hoop geld als geschenk terwijl ik een verkrachter ben die zijn kind jaren heeft laten zitten? Ik wil ook mijn verantwoordelijkheid opnemen. Als jij toch geen aanklacht wilt doen bij de politie dan wil ik de vader zijn van mijn kind. Daarom wil ik uw rijkdom niet.”

Conny zette zich weer recht:

“Ik ga je niet aangeven, want jij hebt recht op dat geld en daar moet jij van kunnen genieten. Trouwens wat ik jou heb aangedaan is veel erger. Jij hebt leven gemaakt, ik heb leven verwoest en vermoord.”

“Conny, jij kunt doen wat je wilt maar als je mij één cent schenkt geef ik hem gewoon terug. Ik wil van jou geen geld. Jij hebt je hele leven opgeofferd voor het kind dat ik verwekt heb, dus jij hebt een leven gered. Het leven van mijn kind. Het enige wat wij kunnen doen is trouwen, zodat ik een vader kan zijn voor mijn kind en jij je geld kunt delen, geven aan de rechtmatige erfgenaam.”

“Lowie, dat is een schijnhuwelijk, ik hou niet van jou en jij bent homo.”

“We hoeven niet in hetzelfde bed te slapen, maar dat huwelijk had ik tweeëndertig jaar geleden moeten aangaan. In plaats daarvan ben ik gaan lopen zoals een lafaard. Nu wil ik rechtzetten wat mis is gelopen en jij krijgt ook de gelegenheid om boete te doen. Alleen al door bij mij te moeten blijven.”

            Een jaar later zaten ze allen aan het strand. Conny met haar echtgenoot Lowie. Karel met een nieuwe vriend Felix. Jef met zijn vrouwtje Linda en de tweeling. Maria had kennis  met een militair die vandaag toevallig dienst had. Conny haar kinderen hebben het één keer gewaagd om te vragen waarom hun moeder terug in een gewoon huis is gaan wonen. Het kort ontwijkende antwoord schrikte hen zo af dat ze verder geen vragen durfden te stellen. Het geld dat de verkoop van het kasteel opbracht had Conny integraal geschonken aan een liefdadigheidsinstelling voor ongetrouwde moeders. Het gezinnetje kwam niets tekort maar leefde ook niet meer in weelde. Conny haar nachtmerries werden langzaam minder tot ze helemaal verdwenen waren. Het was niet zo dat zij nooit meer aan vroeger dacht, maar Lowie was een steun voor haar. Lowie had zijn verantwoordelijkheid opgenomen en was nu een vader en trouwe echtgenoot geworden. Karel had zich snel herpakt, eigenlijk is hij zelf nooit echt kwaad geweest op zijn natuurlijke vader. Hij begreep dat, indien Lowie wist dat hij een kind verwekt had hij zijn kind nooit in de steek gelaten zou hebben. Van zijn moeder begreep hij steeds minder maar hij had het opgegeven om het verder uit te puzzelen. Toch vroeg hij:

“Mam nu dat jij terug getrouwd bent, wat zijn dan uw toekomstplannen?”

Conny keek even naar de wolken alsof het daar allemaal geschreven stond en dan keek ze voor haar uit de weidse vlakte in:

“Ik denk dat ik me nu voortaan maar weer Stanske zal laten noemen, die naam past beter bij mijn toekomst.”

 

 

 

 

 

EINDE

AUTEUR:

DAEMS BART.

 

 

 

 

 

09-03-2020 om 00:00 geschreven door Bart

0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
>> Reageer (0)


Inhoud blog
  • GEDICHTENBUNDEL
  • Dromen
  • Op naar mijn pensioen
  • Alles komt goed.
  • 7 Magere jaren
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    Archief per week
  • 15/02-21/02 2021
  • 02/11-08/11 2020
  • 26/10-01/11 2020
  • 28/09-04/10 2020
  • 21/09-27/09 2020
  • 14/09-20/09 2020
  • 17/08-23/08 2020
  • 03/08-09/08 2020
  • 27/07-02/08 2020
  • 20/07-26/07 2020
  • 13/07-19/07 2020
  • 25/05-31/05 2020
  • 18/05-24/05 2020
  • 11/05-17/05 2020
  • 04/05-10/05 2020
  • 27/04-03/05 2020
  • 20/04-26/04 2020
  • 13/04-19/04 2020
  • 06/04-12/04 2020
  • 30/03-05/04 2020
  • 16/03-22/03 2020
  • 09/03-15/03 2020

    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Blog als favoriet !


    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!