Vrijdag 28 maart 2008
De Xavante Indianen part 8

INHEEMSE WENSEN
Samen met Roberto loop ik door het dorp. Hij is klein van stuk, gedrongen, maar pezig. Het dorp 'Nossa Senhora Aparecida' bestaat uit 20 hutten, die een een halve circel, met de open zijde naar de rivier, gericht zijn. In het dorp leven 168 mannen, vrouwen en kinderen, natuurlijk buiten de dierlijke vrienden. Roberto verteld dat zich in het reservaat negen dorpen bevinden met als grootste 'Sao Marcos' waar 2.500 mensen leven. (In het jaar 2000 wordt het aantal Xavantes geschat op 13.500)
Als we langs andere hutten lopen zie ik de vrouwen me aanstaren. Er ligt iets droevigs over hun gelaatstrekken, een zekere gereserveerdheid.
Hier komen geen blanken, en wie ben ik dan wel? Een goudzoeker, bomenkapper, dokter, zwerver?
De oude mensen hebben veel slechte ervarinegn met blanken, grootgrondbezitters, houtkappers en goudzoekers. Terecht is hun opstelling, doch mijn eigen benadering tot het volk is belangrijk. Ik ben geen etnoloog of ontwikkeld antropoloog, maar wel geintreseerd in de cultuur van een volk dat 'mij' iets kan leren over het leven.
Natuurlijk worden we vergezeld van het bosvarken Ohü die knorrend naast me loopt en af en toe een sprint maakt, of met kleine kinderen speelt.
In het dorpsmidden is een net gespannen waar de jongeren volleybal spelen, een sport die de Xavantes aan het hart ligt, terwijl ik vernam dat zij géén slechte voetballers zijn. Ja, een cultuur kan rare draaien maken, het is maar hoe je het bekijkt.
Samen met Roberto zit ik op de veranda van het schoolgebouwtje. Het is een kleine ruimte waar les wordt gegeven aan de jongeren.
Hierop kom ik later terug. Ik spreek met Roberto over de problemen in het dorp en de mogelijke hulp, die ik kan bieden on vorm van een kleinschalig project.
"Het grootste probleem is het ziekenvervoer. Het snelst bereikbare ziekenhuis ligt op 150 kilometer in Barra,' zegt Roberto.
"Het is voorgekomen dat kinderen doodgingen aan griep, longonsteking of andere ziektes, doordat ze niet snel genoeg geholpen konden worden. Zie je, we hebben geen wagen hier... het dorp ligt geïsoleerd. Een soort jeep zou ons zeker helpen. Die kunnen we ook gebruiken op het land. Zie je die oude vrouw daar...' en hij wijst in de richting van de boskant waar een oude vrouw met een twee meter hoge lading sprokkelhout op haar rug uit het bos strompelt.
"Maar voor ziekenvervoer is dit belangrijk!'
'En de Funai?' vraag ik hem.
'De Funai had ons ooit een jeep beloofd. Ze hebben zelfs het geld ervoor ontvangen, maar dit werd onderling aan hun familie besteed. Verder ontbreekt het hier aan medicamenten. De ziektes komen hoofdzakelijk van blanken, ziektes die wij niet kenden, voorheen nooit voorkwamen. Daarvoor hebben we dringend medicamenten nodig."
Op een twintig minuten lopen van het dorp stroomt een riviertje, dit wordt gebruikt om te baden en de watervoorraad aan te vullen, die in jerrycans naar het dorp wordt gebracht. Het natuurlijke bad is iets waar de Indiaan niet zonder kan, een onderdeel van zijn ritme. Maar we praten ook over watertoevoer naar het dorp. Een wens van de Xavante.
'Zie je daar boven op die heuvel dat waterreservoir? Daar kan 10.000 liter water in. Het is vorig jaar gebouwd door de Funai, maar werd nooit in gebruik genomen. Zie je Antonio, we zouden graag enkel waterbakken in ons dorp hebben. We hebben een pomp nodig om het water vanuit de rivier naar de waterbakken in het dorp te krijgen. Zes kleine reservoirs zou genoeg zijn.'
Ik knik instemmend.*
Maar er is dan 2.000 meter pijpleiding nodig en generators. Ja, als er water in het dorp is dan hoeven ze niet meer na de rivier in het bos om te baden en watervoorraad te halen. Net als voor hun behoeftes.
Waarom is mijn gedachte naief?
De traditie van het baden is al oud, ze zijn altijd het bos ingegaan. Zou men nog wel naar de rivier gaan om een bad te nemen? Neen. Men neemt een douche in het dorp. Doch de Xavantes zijn veel in contact met de blanken en Roberto weet wat er te koop is in de blanke wereld. Hij heeft veel gezien. En waarom hebben de blanken wel water in hun huizen en de Indianen niet?
Hebben ze niet dezelfde rechten? Velen antropologen en zogenaamde mensenkenners proberen hun te beschermen tegen de westerse invloeden, want de Indiaan dient zijn tradities te behouden.
Is het niet hypocriet?
Waarom mag de indiaan geen gebruik maken van faciliteiten die de blanke als normaal ervaart. Wie bepaalt dit alles?
Al deze vragen spelen door mijn hoofd. Het hoofd van deze 'gringo' waar de muggen ronddraaien als kleine kermisactracties.
In het dorp was nog geen electriciteit, dus, geen ijskasten, televisies, geluidsinstallaties, stofzuigers en fruitdrankmixers. Niets van dit alles wat de moderne mens als normaal ervaart.
Toch was daar al de butagasfles en gasfornuis, het plastiek speelgoed van de kinderen, de kleding van de blanken, polshorloges en Roberto had zelfs een spuitbus tegen muskieten. En... hij had veel interesse voor mijn kleine micro-cassette recorder. Want daarmee kon je stiekem de leugens die de blanke vertelde mee opnemen. Een probaat middel.
Het wordt steeds moeilijker voor inheemse mensen om hun tradities te behouden. Sommige zijn resoluut, anderen zoeken een middenweg. Ik vind, al leunend tegen de modernisering aan, dat zij hun tradities nooit mogen kwijtraken, het zou zijn als verliezen van licht.
Ik vraag Roberto of er voldoende aanplant is in het dorp.
'Ja, we planten voldoende om ons in leven te houden, maar alleen voor het dorp.'
'Wat planten jullie?'
'Groenten, bonen, maniok, rijst... sinas...'
'Dus er wordt niets verkocht?'
'Neen, hier niet. Er is te weinig aanplant. We hebben 'estrume' (mest) nodig, want de grond is niet erg vruchtbaar, het is een serieus probleem, want vee hebben we niet.'
Zijn stem klinkt droevig.
Een zestal kinderen spelen onder een afdak van het schooltje, en anderen staan geduldig voor me, en bekijken me weer aandachtig. Een kleine loopt rond met zijn pijl en boogje. Hij richt op een blad en steeds doorboord het pijltje het blad, dat zeker moet dienen als substituut voor een vis. Trots kijkt hij me aan en zijn kraaloogjes glimmen.
Schuin tegenover het schooltje staat een andere hut. Deze staat niet in de halve circelvorm, maar aan de tegenovergestelde richting. Het onderste gedeelte is van grijze rotsachtige stenen tot een hoogte van anderhalve meter, het bovenstuk is indentiek aan de hutten, bamboe en palmblaren.
Het is de kapel, gebouwd door een Salesianer, padre Mariano.
Bij het betreden worden we op de voet gevolgd door de steeds groter wordende groep kleine Xavantes. De kleine met pijl en boog blijft nog steeds zijn kunnen demonstreren en ik krijg de indruk dat hij een ander doelwit zoekt, als hij zijn gespannen boogje op mij richt.
In de stamtaal wordt hem duidelijk gemaakt dit achterwege te laten en gaat weer over op blaadjes schieten.
In de hoek van de hutkapel staat een klein altaar, een Mariabeeldje en wat kaarsjes. Ik zie een op hout bevestigde foto, die Jezus uitbeeld aan het kruis. Een klein Indiaans jongentje drukt zijn hoofd tegen de bebloedde knieën van Christus. Het moet een beeld zijn dat Jezus óók gestorven is voor de Indiaan, en dat zij hem moeten aanbidden.
Ik had me al de vraag gesteld, dat toen de Verlosser stierf, waar de Indiaan tóén was? Zeer zeker in deze contreien, waar zij hun eigen Goden hadden, met Mavutsinim als Vader.
wordt vervolgd...
(*Ik probeerde later dit jaar via een actie geld te vergaren, doch het werd een misslukking. Wie was Ik? Een 'nobody". En de Xavantes? Zelfs het jaar erop toen ik in Brasilia was en de Nederlandse ambassade bezocht voor een project, werd me erop gewezen dat het moeilijk was een dergelijk plan te starten. Ik woonde niet in Brasil en met de Xavantes hadden ze niet zo'n goeie ervaringen. Nou ja? Maar dat is wéér een ander verhaal.)
Xavante familie in de jaren '70 met typisch gevlochten mand (auwé)

Geschreven door Storyteller om 00:00
Reageer op dit bericht













