Dat hij de liefste was
Dat hij de liefste was.
Hij noemde haar zijn druifje
Zij bood hem zure wijn.
Al voerde hij haar snoepjes
Toch piste zij azijn.
Hij wilde van haar houden
Zijn hele leven lang.
Maar zij kon enkel nemen.
Van geven was zij bang.
Toen zij hem had verlaten
Besefte zij zich pas.
Vernieuwing was niet beter.
Dat hij de liefste was.

