Maandag 15 augustus 2005
Weemoed
Toen ik de oude foto
weer in m'n handen nam
zag ik, hoe 't lief gezichtje
opnieuw tot leven kwam.
't Was of om beide lippen
een flauwe glimlach hing.
In zijn ogen glansden tranen.
Weemoed? Herinnering?
En ook mijn eigen tranen
maakten m'n ogen nat
en ik kon wéér niet begrijpen
dat ik hem verloren had.
Zaterdag 13 augustus 2005
Eens zag ik de uit het zeevlak opgedoken zon 's morgens vroeg haar goudomrande schichten zo oogverblindend fel op de aarde richten dat alles…
Eens zag ik de uit het zeevlak opgedoken
zon 's morgens vroeg haar goudomrande schichten
zo oogverblindend fel op de aarde richten
dat alles door die vlammen werd ontstoken.
Ik zag hoe de ochtendgloed de pas ontloken
vochtige rozen zo scherp op deed lichten
dat 't uit de verte leek alsof in 't dichte
bottende doornhout brand was uitgebroken.
Ik zag in deze voorjaarszindering
hoe 't groen de grond uitkwam, bedekt met dauw,
en 't blad, zoals elk jaar, weer openging.
Ook zag ik een beeldschone knappe vrouw
die rozen plukte in 't gras bij de eerste zon
en door haar gratie alles overwon.
Donderdag 11 augustus 2005
De Kinderliefde Mijn vader is mijn beste vriend; Hij noemt mij steeds zijn lieve kind. 'k Ontzie hem, zonder bang te vrezen. En ga ik huppel…
De Kinderliefde
Mijn vader is mijn beste vriend;
Hij noemt mij steeds zijn lieve kind.
'k Ontzie hem, zonder bang te vrezen.
En ga ik huppelend aan zijn zij,
Ook dan vermaakt en leert hij mij;
Er kan geen beter vader wezen!
Ik ben ook somtijds wel eens stout,
Maar als mijn ondeugd mij berouwt,
Dan wordt zijn vaderhart bewogen;
Dan spreekt zijn liefde geen verwijt,
Ja zelfs, wanneer hij mij kastijdt,
Dan zie ik tranen in zijn ogen.
Zou ik, door ongehoorzaamheid,
Dan maken dat mijn vader schreit;
Zou ik hem zuchten doen en klagen;
Neen, als mijn jonkheid iets misdoet,
Dan val ik aanstonds hem te voet.
En zal aan God vergeving vragen.
Er was een man, ik zeg niet wie hij was, die hield van de natuur, althans dat dacht hij, want hij had gehoord dat daar zoveel te vinden was,…
Er was een man, ik zeg niet wie hij was,
die hield van de natuur, althans dat dacht hij,
want hij had gehoord dat daar zoveel te vinden was,
de stilte, vrijheid, blijheid en jezelf en zo.
Genoeg in elk geval om daar eens heen te gaan.
Hij ging en kwam behouden aan.
En toen hij zijn boterhammen op had?
Stilte. Wie stilte wil beschrijven moet zijn mond maar houden.
Wie niets hoort luistert niet en heeft niets te vertellen.
Vrijheid. Het zou een heel leuke boel worden als de vrijheid
eens een beetje doorzette, ja jezelf zijn,
eindelijk zou niemand ons begrijpen.
Maar wij begrijpen elkaar helaas uitstekend.
Ook in de meest luxueuze bittertaal van dichters spreekt alles vanzelf.
Blijheid. De blijheid waar wij naar verlangen is er gelukkig niet.
We zouden dodelijk getroffen worden door een herfstblad,
tegen de aarde gesmakt door de wiekslag van een duif,
verbrand door de zon.
Wie niet sterk is moet bedroefd zijn.
Nee, toen hij zijn boterhammen op had hoorde hij de regen
die zijn hele leven door gevallen was, rook hij het gras waar hij zijn hele leven koekhappend en zaklopend door heen gestrompeld was onder het gelach van grote mensen, hoorde de regen en de stem van moeder uil die in de olmen huilde en riep om hem.
Donderdag 4 augustus 2005
Omdat het geluk een herinnering is bestaat het geluk, omdat tevens het omgekeerde het geval is, ik bedoel dit: omdat het geluk ons herinnert…
Omdat het geluk een herinnering is
bestaat het geluk, omdat tevens
het omgekeerde het geval is,
ik bedoel dit: omdat het geluk ons
herinnert aan het geluk, achtervolgt het
ons en daarom ontvluchten wij het
en omgekeerd, ik bedoel dit: dat wij
het geluk zoeken omdat het zich
verbergt in onze herinnering en
omgekeerd: ik bedoel dit; het geluk
moet ergens en ooit zijn, omdat wij dit
ons herinneren en dit ons herinnert.
Donderdag 4 augustus 2005
Er gebeuren dingen hier en ik ben de enige die weet welke, ik zal ze noemen en ook zeggen waarom, er staat een oude tuinbank onder de appelb…
Er gebeuren dingen hier en ik ben de enige die weet welke,
ik zal ze noemen en ook zeggen waarom,
er staat een oude tuinbank onder de appelboom, er ligt een oude
voetbal in het gras, er komen oude geluiden uit het huis, er is oud licht in de lucht, dit gebeurt hier: een tuin in de avond,
en wat je niet hoort en niet ziet, de plekken waar we kuilen groeven en die huilend dichtgooiden, ik vertel dit omdat ik niet alleen wil zijn voordat ik het ben.
Donderdag 4 augustus 2005
Vandaag zou ik een brief schrijven, een brief waarin ik iets wilde begrijpen maar ik deed dat niet, het ging te langzaam ik schreef en ik ke…
Vandaag zou ik een brief schrijven,
een brief waarin ik iets wilde begrijpen
maar ik deed dat niet, het ging te langzaam
ik schreef en ik keek naar mijn hand
hoe die hand langzaam woorden tekende
er ontstond in dat handschrift iets als
een huis, ik wilde weten waarin we woonden
om dat te begrijpen zou ik een brief schrijven,
maar ik zag alleen de voorzichtige woorden
die ik tekende voor ik ze begreep.
Donderdag 4 augustus 2005
Waar komen de grote mensen vandaan en waarom hebben die geen kinderen van die eeuwige vragen het gesprek is voorbij, ik had die eeuwige verh…
Waar komen de grote mensen vandaan
en waarom hebben die geen kinderen
van die eeuwige vragen
het gesprek is voorbij, ik had die eeuwige verhalen verteld, maar die waren niet goed zei ze.
Ik zoek nog steeds naar een ander verhaal dat goed is voor ons beiden, we waren gaan zitten en ik weet nog precies hoe we daar ergens zaten, hoe dichtbij haar huid rook, hoe jong dat rook en hoe verweg, en dat ik precies dezelfde vragen moest denken als zij.
Waar komen de grote mensen vandaan
en waarom hebben die geen kinderen
ik moest weer denken
mijn verhalen zijn voorbij, ik had haar verteld van wat ik wist van die dingen, maar die konden niet, vond ze
Ik denk nog steeds: wat is het dan wat kan voor ons beiden,
zo'n lente waarin ik nooit weet hoe het voelt; oud gras en van die bloempjes, daar stonden we bij onze poppenwagen dat heel kleine vrouwtje en die man
ik dacht: ze heeft gelijk en het geeft niet dat ik niet weet waarom.
Die nachtegaal, die zo vol tederheid treurt om zijn kroost of om zijn lieve gade, vult met zijn zoet gegorgel wijd en zijd de hemel en de ve…
Die nachtegaal, die zo vol tederheid
treurt om zijn kroost of om zijn lieve gade,
vult met zijn zoet gegorgel wijd en zijd
de hemel en de velden en de paden.
En als ik in de nacht hoor hoe hij schreit,
dan word ook ik met zorgen overladen,
en ik beklaag mezelf omdat ik lijd,
want ook mijn papa is door de dood verraden.
Hoe licht wordt wie zich sterk waant overrompeld!
Want wie had ooit gedacht dat zijn gelaat
zo snel tot aarde en stof zou zijn verschrompeld!
Ik zie nu, wijsgeworden door het kwaad
dat me in een stroom van tranen onderdompelt,
hoe aards geluk vergaat vóór het bestaat!
Ik had met je door de weiden willen gaan langs de sloten de bruine pluimen van het riet maar een dunne zon daalde al over boomkruinen en boe…
Ik had met je door de weiden willen gaan
langs de sloten de bruine pluimen van het riet
maar een dunne zon daalde al over boomkruinen
en boerderijen en ik wist dat ik niet kon
verdragen dat onze schaduwen lang en eenzaam
over de weiden zouden gaan.
Ik ben bang zei je.
Ik had met je door de dorpen willen gaan
door de verlaten middag in de tuinen de straten
naast een cafe waar de zon voor ons zou spelen
in de vitrage maar ik wist dat ik niet kon
verdragen dat de stilte lang en eenzaam
tussen ons mee zou gaan.
Ik ben bang zei je.
Ik had met je willen slapen, willen gaan
met mijn ogen mijn handen mijn mond als de zon
over het vreemde landschap van je lijf
maar ik wist dat ik niet kon verdragen
dat we een leven lang eenzaam
op zouden staan.
Ik ben bang zei je.
Wat onmeetbaar is je mee te delen,
Dat is een opgaaf die ik niet volbreng:
Dat ik, gestorven, nog in leven ben,
En ’t voor de mensen dage…
Wat onmeetbaar is je mee te delen,
Dat is een opgaaf die ik niet volbreng:
Dat ik, gestorven, nog in leven ben,
En ’t voor de mensen dagelijks moet verhelen.
’t Is niet bijzonder. Ik ben één uit velen,
één die je nu toevallig beter kent:
en raak je aan mijn leegten niet gewend,
je doet je best die uit mij weg te strelen.
Maak je niet ongerust, het gaat voorbij;
Wanneer ik deze tijd mag overleven,
En jij blijft bij me, word ik wel weer vrij.
Mocht die vervulling ons niet zijn gegeven,
Dan maakt misschien, daar is het voor geschreven,
Dit vers, zo vaak het donker wordt, je blij.
Weet je wat verdriet is? Dikwijls, zó dicht bij je ogen dat ik je ziel haast zie, red ik een kleine bange vogel die fladderend in een vijver…
Weet je wat verdriet is? Dikwijls, zó dicht
bij je ogen dat ik je ziel haast zie,
red ik een kleine bange vogel die
fladderend in een vijver tranen ligt;
maar als ik hem een huis geef in mijn hand
en daarin warmte van vriendschap en brood
van zachte woorden, vind ik hem al dood
eer ik in mijn eigen ziel ben beland.
Als ik iets van je denk te hebben dat
misschien wel eens je eerlijkste ik verried,
is het over, ben je weg, mag het niet.
En als ik alleen maar zou weten wat
die vogels doet komen,- liefste, dan had
je mij nooit te vragen: heb je verdriet?
Als zij zich soms gedraagt vol ongeduld -wat je met vrouwen hebt van tijd tot tijd- in steeds dezelfde vale jurk gehuld, betracht dan eens e…
Als zij zich soms gedraagt vol ongeduld
-wat je met vrouwen hebt van tijd tot tijd-
in steeds dezelfde vale jurk gehuld,
betracht dan eens een beetje tederheid.
Misschien zijn haar gedachten wel vervuld
van dingen waar ze nooit mee wordt verblijd.
Zolang ze daar nog niet mee is verguld,
betracht dan maar een beetje tederheid.
Ook al gedraagt ze zich niet klagelijk,
toch zit ze liever ook niet altijd stalles
Een lief zacht woordje maakt het dragelijk.
Een compliment bezorgt je heus geen spijt.
Vrouwen zijn dankbaar: liefde is hun alles.
En 't kost niet veel, een beetje tederheid.
Dit witte blad is een uitgestoken hand die tergend langzaam wegvloeit in de nevel als je haar grijpen wil. Het is de lokroep van de wentel…
Dit witte blad is een uitgestoken hand die
tergend langzaam wegvloeit in de nevel
als je haar grijpen wil.
Het is de lokroep van de wentelende zee
bij valavond met ruisend zilveren golven
die het strand van je hart strelen
en telkens terugrollen naar een vreemde,
onbereikhare horizon.
Dit blad is een wuivende boom in de wind;
hij zingt een zorgeloos lied
en doet je vingers verstijven als je mee wil zingen.
Soms breekt de zon toch
door de takken in juichende stralen...
dan heb je alleen maar heimwee,
omdat je eigen zang
zo oneindig vals klinkt en ontoereikend.
Altijd opnieuw wil je dit blad bevruchten
met je rusteloze levensadem
en je weet dat je het niet kunt.
Want deze onbeholpen woorden
zijn slechts de verre echo van wat je écht hoort.
Toch laat het je nooit los...
en je wordt de hopeloze minaar
van steeds glimlachende ogen
die in je ziel kijken.
Is dit het mysterie van wat je doet leven?
Dit nooit aflatend verlangen naar een hemel
binnen het bereik van je handen?
Je beseft immers dat je nooit
gelukkig zult zijn wanneer dit blad
je geen vragen meer stelt.
Dit witte blad is een oproep
waarin je luistert naar je eigen pijn,
maar met een glimlach van hoop,
die je doet schrijven en
waarvoor je nooit de woorden zult vinden.
Het is een zang van vreugde
om wat je ziet door je tranen heen.
Mijn echtgenoot is op 22 mei de Mont Ventoux opgereden. Vandaar dat ik er een gedichtje bij schrijf ( niet van mij). Dichten is fietsen op …
Mijn echtgenoot is op 22 mei
de Mont Ventoux opgereden.
Vandaar dat ik er een gedichtje bij schrijf ( niet van mij).
Dichten is fietsen op de Mont Ventoux,
waar Tommy Simpson toen is overleden.
Onder zo tragische omstangidheden
werd hier de wereldkampioen doodmoe.
Op deze col zijn velen losgereden,
eerste categorie, sindsdien taboe.
Het ruikt naar dennegeur, Sunsilk Shampo,
die je wel nodig hebt, eenmaal beneden.
Alles is onuitsprekelijk vermoeiend;
de Mont Ventoux opfietsen wel heel erg,
waarvoor ook geldt: bezint eer gij begint.
Toch haal ik, ook al is de hitte schroeiend,
de top van deze kaalgeslagen berg:
ijdelheid en het najagen van wind.
In heel kleine dingen heb ik u ontmoet; het groen van de bomen, vogelzang, adem en aarde, zonsondergang. In heel kleine schoonheid heb ik …
In heel kleine dingen heb ik u ontmoet;
het groen van de bomen, vogelzang,
adem en aarde, zonsondergang.
In heel kleine schoonheid heb ik u ontmoet:
een lelie op het water, een schelp op het strand,
bloemen op tafel, een ring aan je hand.
In heel kleine vreugde heb ik u ontmoet:
een heldere hemel, een warme wind,
een tedere moede, een trouwe vriend.
In heel kleine daden heb ik u ontmoet:
vragende ogen, een hand door je haar,
zoenende lippen, een zegenend gebaar.
In eenvoudige mensen heb ik u ontmoet:
spelende kinderen, jeugd die zich geeft,
een man die kan knielen, een vrouw die vergeeft.
In al deze gaven kwam ik u tegemoet.
Wees nu de brug waardoor ik anderen ontmoet.
Ik heb al zolang geschreven, alsof het licht buiten mij was en ik half in het donker zat maar voor me uit te praten, terwijl ik veel lange…
Ik heb al zolang geschreven,
alsof het licht buiten mij was
en ik half in het donker zat
maar voor me uit te praten,
terwijl ik veel langer al weet
( en dat ik dat niet wou toegeven doet minder terzake):
ik ben van binnenin het licht,
en ben het in de kleuren waarmee
het hier op adem komt
en het ogenblik dat ik zie
hoe het danst en golft en straalt
in niet meer wat of wie.
Ik lach. Het land wil feest gaan vieren.
het licht hangt gouden vlaggen uit.
Het leven zingt. Bloemen en dieren
komen hun diepste schuilp…
Ik lach. Het land wil feest gaan vieren.
het licht hangt gouden vlaggen uit.
Het leven zingt. Bloemen en dieren
komen hun diepste schuilplaats uit.
Het water, onder licht bedolven,
keert uit de nacht en weet zich vrij,
en danst met snelle, jonge golven
de groene oeverrand voorbij.
Daar zingen vogels onbevangen
liederen in een nieuwe taal,
en slaat, pril als het eerst verlangen
en onverwacht, de nachtegaal.
Nu gaat de hemel het land omarmen
in een ontzaggelijk gebaar
van stralend blauw en licht en warmte,
waarin God zelf zich openbaart.
Heel dit land zal nu feest gaan vieren
de dag is groter dan de nacht,
want rank tussen de bloemen en dieren,
sta ik daar stil, rek me, en lach.
Ik kwam thuis, het was
een uur of acht en zeldzaam
zacht voor de tijd van het jaar,
de tuinbank stond klaar
onder de appelboom
Ik gin…
Ik kwam thuis, het was
een uur of acht en zeldzaam
zacht voor de tijd van het jaar,
de tuinbank stond klaar
onder de appelboom
Ik ging zitten en ik zat
te kijken hoe de buurman
in zijn tuin nog aan het spitten
was, de nacht kwam uit de aarde
een blauwer wordend licht hing
in de appelboom
toen werd het langzaam weer te mooi
om waar te zijn, de dingen
van de dag verdwenen voor de geur
van hooi, er lag weer speelgoed
in het gras en verweg in het huis
lachten de kinderen in het bad
tot waar ik zat, tot
onder de appelboom
en later hoorde ik de vleugels
van ganzen in de hemel
hoorde ik hoe stil en leeg
het aan het worden was
gelukkig kwam er iemand naast mij
zitten, om precies te zijn jij
was het die naast mij kwam
onder de appelboom, zeldzaam
zacht en dichtbij
voor onze leeftijd.
Soms komt de zon in ’t oosten op in vale
Rossige nevels die haar glans bedekken.
En als de maan omfloerst is en vol vlekken,
Blijkt hij…
Soms komt de zon in ’t oosten op in vale
Rossige nevels die haar glans bedekken.
En als de maan omfloerst is en vol vlekken,
Blijkt hij veel minder klaarheid uit te stralen.
De sterren aan de hemeltrans verschralen
Als wolkenflarden hen aan ’t oog onttrekken.
En de olielampen die ons licht verstrekken
Zijn door een zuchtje wind al neer te halen.
Maar och, die stralende ogen, in wier kiemen
De liefdegod de pijlen smeedt die reeds
Zo lang dag in dag uit mijn hart doorpriemen,
Die voelen wind noch damp, maar blijven steeds
Twee ijle vlammetjes, die nooit verdwijnen
En sterker dan welk licht ook blijven schijnen.