Het "waarom".
Het “waarom” dat wou ik horen.
Ik zocht de wind in de bomen
maar het antwoord lieve kind
was onvindbaar in de wind.
Ik ging op zoek naar de sterren.
Die konden mij misschien vertellen,
zij geven mij toch zoveel licht,
lag ’ t antwoord in mijn zicht?
Zij wisten met mijn vraag geen raad
en praten wat onder elkaar.
Naar wie moest ik mij richten.
Wie kon er mij berichten?
Ik wist niet meer, wat nog gedaan,
‘k zocht de wolken hier bovenaan
en vroeg hen of zij ’t wisten
van ’t leed, ik aangerichte.
Zij gleden langs mijn zicht voorbij
en schonken geen aandacht meer aan mij.
Toen verscheen dan Jan de maan
die lachte en ’t was gedaan.
Laat je zorgen dus voor morgen,
Zorgen zijn dan opgeborgen.
”Tijd brengt raad” het is wel waar.
Vragen als “waarom”….is stom.
Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht
Bejaarden.
Ze zijn zo mooi,
twee oudjes nog bij elkaar
op hun bankje,
iedere zomer weer, jaar na jaar.
Met de jaren mee
is de herfst gekomen.
Hij kijkt haar aan
met een blik vol dromen.
Zij neemt z’n hand en glimlacht,
samen sterk voor de winter
die hen wacht.
Ik weet niet eens wie ze zijn,
zomaar twee oudjes in de zon.
De tijd voor hen kopen
of stelen misschien,
Ik wou dat ik het kon.
Mijn moeder.
Mijn "mama" wordt nu stillekens oud.
De noorderwind waait door het najaarshout.
Wij waren al groot toen vader stierf.
Zij bleef alleen met een diep verdriet.
De jaren ontnamen haar menigen waan.
Wellicht heb ook ik haar leed gedaan.
Haar been wordt wat dik, zij gaat wat gebogen,
maar stil is haar stem en zacht zijn haar ogen.
Mijn moederken wordt nu stillekens oud
en 'k voel mij zo bang om haar verder behoud.
Wat ga ik, wat zal ik dan moeten beginnen
als zij mij niet langer zal mogen beminnen.
Hoe dieper wij zelf in het leven staan,
hoe meer behoef ik haar dapper bestaan.
Zij is als zon die schemeren gaat
en nog schoon maar weemoedig in goudglans staat
Stervende.
met zulk een blik vol leed
naar 't stukje blauwe verte, dat
bij ons de hemel heet,
naar ieder wolkje, dat daarin
een weidend schaapje leek.
Hij wrong zijn handen, noch kloeg
of weende, had geen pijn.
Hij dronk de lucht alsof zij was
een goede medicijn,
met open mond dronk hij de zon
als was ze louter wijn.
En vreemd was het te zien, hoe hij
zo rust en vredig lag
en vreemd hoe hij weemoedig keek
langs 't zonnig wandelpad
en vreemd te denken dat die man
nog zo'n eind te gaan had.
Hij lag als één die slaapt en droomt
in lief'lijk weideland.
Niemand waakt, er is geen tranenloop
't ging boven ons verstand
hoe iemand sterven moest
zonder groet, zonder leidend hand.
herinnering
en jij was zo onzeker van je gevoel.
In een paradijs dat in mist is gehuld
onderscheid je niet de witte orchidee.
Ooit verlangden we zo elkaar te kennen
dat we alleen maar vrienden wilden zijn.
Een goede draad op een kapot getouw,
daaruit kan geen stof worden geweven.
Een fundament voor liefde en vrienden
is wel een basis aan vertrouwen,
maar bij jou schoot dat niet te binnen
je wou enkel nieuwe lof bezingen.
Toen je wegging werd het lentegras groen,
nu je terugkomt ligt er sneeuw in het portaal.
Weet je, als je verlangend oud wordt,
groeien tussen je donkere haren witte.
Machteloos

| Doodmoe en machteloos voel ik me breken van hunkering en smart en droefenis wachtend op hem die ik waanzinnig mis, maar die helaas op mij lijkt uitgekeken.
Ik bid de dood, die 't mensdom doet verbleken
18-06-2005, 16:52 Geschreven door lelie | |
| 0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (3 Stemmen) | |
Vader
Vader, wij hebben nooit gesproken
Over het leven met elkaar,
Gij had het uwe, ik het mijne
En beiden wisten wij, ’t is zwaar
Te leven met een weerloos hart…
Zo hadden we ons toegesloten
En gingen zwijgend naast elkaar:
Ik heb de weg niet kunnen vinden,
Al lag uw hand steeds voor de mijne klaar.
En nu gij heen gegaan zijt naar dat vreemde
En voor geen levende bereikbaar land,
Nu breekt mijn vuist eerst hunkerend open
En zoekt vergeefs uw trouwe hand.
Ontwaken.
De vogels weten het; je kunt ze horen bij het opklaren van de schemering, tussen sluimeren en ontwaken. De morgen heeft voor de meeste mensen zijn poëzie verloren. De metaalklank van de wekker schudt hen door elkaar, ze gieten wat hete koffie door hun keel en de dag dreunt op hen af met z'n drukke zorgen en z'n holle lawaai. Wij ontwaken niet meer: we vallen in de automatische tredmolen, die ons belet te leven. We noemen leven 'bezig zijn' en hebben geen oog meer voor de lente. Tot je toch ééns toeschouwer wordt van jezelf.
Dan ontdekt je in wat voor een schijnwereld wij elke dag rondhollen. Dan zie je hoe de natuur héél anders leeft.
Langzamer, rustiger, naar de stille diepte van licht en donker, van geurende grond en openbloeiende knoppen. Alles neemt zijn tijd...in de steeds weerkerende cyclus van leven en sterven, met de kiemende kracht van het zaad, alles neemt zijn tijd, behalve de mens. Sinds de mens zichzelf verarmde tot spanbeton en plastic en alleen nog in cijfers denkt, is hij een kunstmatig kamwieltje geworden van een naamloze machine die hij 'beschaving' noemt. Toch wordt het lente. Ook dit jaar. Voel je het niet?
Einde van een idealist.
Dit is een verhaal van iemand die heel veel van de mensen heeft gehouden. Zijn ogen waren zacht en zijn mond sprak altijd woorden van vrede en begrip. Zijn handen gleden teer in de handen van andere mensen en zijn voeten brachten hem steeds naar de mensen die hem nodig hadden.
Zijn hart was zo groot als de wereld. Bij hem vonden de eenzamen een thuis en mochten de kinderen spelen. In de stille aandacht van zijn blik weenden en treurden de mensen die pijn hadden. Hij gaf brood aan hen die honger leden en gaf te drinken aan hen die steeds vroegen om 'meer'.
Hij wilde hun zwijgend antwoord zijn, als ze vroegen naar het 'waarom' van de mensen en de dingen.
Tot hij op een morgen wakker werd en zag dat er niets veranderd was. De eenzamen bleven alleen, de kinderen speelden gewoon verder mét of zónder hem, en wie pijn had, treurde en weende evenzeer als de dag te voren.
De mensen leden nog honger en hun dorst naar geluk brandde heet en onverzadigd. Ze bleven wanhopig zoeken naar het waarom en de wereld wentelde onverschillig voort om zijn koude as van bezitten en begeren.
Even wist de goede man niet wat hij zag. Hij begreep niet waarom hij van de mensen gehouden had, omdat ze in het geheel niet veranderd waren. Hij trachtte nog meer van hen te houden met een milde koorts die hem voortjoeg...tot hij uitgeput in de leegte greep.
Zijn hoop werd vertwijfeling en zijn mond beefde als hij sprak. Toen werden zijn handen langzaam harde vuisten en zijn stappen hamerslagen. Zijn ogen glansden nog, maar met een vreemd licht, als blauw glimmend staal in de middagzon.
De laatste woorden vóór hij zich van de mensen afkeerde, en zelf heel eenzaam werd, waren woorden die hij tot zichzelf sprak met een vlammend rauw verdriet:
"Mijn hart is voor altijd kil".
Een verhaal.
De oude vrouw zat in de zon,
met een gekleurde gerafelde sjaal over de knieën.
Ze keek naar de spelende kinderen.
Hun gejoel lachte naar de hemel.
De struiken hingen loom en zwaar in de zomer
en de boomkruinen bewogen niet meer.
De oude vrouw noemde me het getal van haar kleinkinderen
en achterkleinkinderen. Ik schudde ongelovig het hoofd
en haar zachte open ogen straalden van pret.
Je hebt van die oude mensen met eeuwig jonge ogen.
Ze kunnen blij en speels tintelen, zonder enige bitterheid.
Ik heb alles alleen gedaan, zei ze. Vader is al twintig jaar dood.
Ze knikte weemoedig met het grijze hoofd.
Toch is het goed geweest, ging ze verder, al mijn kinderen zijn
gelukkig.
In gedachten zag ik twee jonge mensen, de handen in elkaar,
meer dan een halve eeuw geleden.
Nu liep haar weg ten einde, en haar geliefde wachtte op het kruispunt. Daarin geloofde ze, even gemakkelijk als in het licht van de volgende morgen.
Ik heb haar hand lang gedrukt, toen we afscheid namen.
Ze wuifde me nog na bij de bocht van de weg.
En de zon dook onder in de broeiende warme heide.
Die vrouw komt nog vaak in mijn gedachte staan.
Dit moest een bezoek aan mijn moeder wezen.
Lange dag.
Het is een lange dag geweest, met veel zon en licht.
We hebben samen in de tuin gelegen, languit in het gras, tussen bloemen en de legpuzzels van de kinderen.
Nu is het nacht en de bomen achter het raam zijn sierlijke silhouetten met grillige armen en uitgestrekte vingers.
Ik sluimer tussen slaap en droom. Het is heel stil in het grote huis. Ons huis is oud, met grote ruimten en gangen.
De muren ademen geschiedenis. Het behangsel is goudgeel, met oudroze bloemen en groene blaadjes.
Als je door ons huis gaat, ben je nooit alleen. Het verleden gaat met je mee. Dan komen lieve mensen weer tot leven. En je weet dat ze bij je zijn. Geruisloos, als de zware gordijnen en de gebloemde zetels waarin ze zaten.
Ik denk aan deze dingen en rust.
Dan hoor ik de piano. Als vanzelfsprekend. De muziek is als wierook in een oude kerk. Ik open de deur en glimlach in het duister. Beethoven, Chopin. De klanken vullen het huis met schoonheid. Ik moet langzaam ingeslapen zijn. Met een dankbaar hart.
Waarachtige schoonheid kan een mens zó ontroeren dat alles eenvoudig wordt en zinvol. De harde dingen worden zachter, een innige rust neemt bezit van je gedachten, je wordt milder en je ontdekt hoe rijk een mens kan zijn als hij zich verzoent met zichzelf. Mensen die geen schoonheid kennen of er de tijd niet voor nemen zijn arme mensen. Je kunt ontroerd worden en gelukkig zijn om wolken in de hemel, om ruisende bomen.
Je kunt kinderen mooi vinden en oude mensen.
Je staat in verrukking voor kleuren of vormen. Er is zo oneindig veel..., als je leven wilt tot in de toppen van je vingers... zoals die nacht..., toen de piano het oude huis deed zingen en het mysterie van wat u en mij gelukkig maakt, héél dichtbij was.
De stad.
Maandag 29/08/2005
Elke stad heeft haar gebouwen: de dienst van de bevolking, officiële ziekenhuizen, burelen van de belastingen en noem maar op.
Er staat een portier bij de ingang, er zijn fietsrekken en parkeervakken. Zo ging de oude vrouw naar de dienst van de posterijen.
Ze keek angstig rond, met de hulpeloze blik van gewone mensen die verdwalen tussen loketten en kantoren.
De ontvangstruimte was kraakhelder, glanzend in kleuren van wit metaal en fel oranje. De rij beambten met gesteven boorden
was al even rechtlijnig opgezet als de etalagepoppen in een kledingmagazijn. De vrouw werd beleefd van A naar B verwezen en liep kreunend het hele alfabet af, ondertussen met het bewuste papiertje zwaaiend als met een witte vlag.
Toen moest ze een volgende glad betegelde ruimte door, waar heel achteraan een man wenkte vanachter stapels werkdocumenten. De witte vlag belandde op het bewuste bureel.
Maar deze man was anders. Hij stelde haar gerust, niet met een vaderlijke minachting om het 'oud sukkeltje', maar hartelijk en vol eerbied. Hij zette wat stempels en handtekeningen in de papieren jungle en praatte heel gemoedelijk, als zaten ze thuis bij een kop koffie. De vrouw drukte zijn hand en stapte glimlachend terug. Haar gezicht was ontspannen en dankbaar, dank zij deze ene mens.
Ik was even heel gelukkig.
Om deze man, die warmte en onthaal geboden had met heel eenvoudige gebaren. Hij had niet 'administratief gefunctioneerd'. Eens te meer zag ik de kracht en het wonder van kleine attenties en wat gewone menselijkheid.
Onze woestijn van nut en rendement is nog leefbaar zolang dit mogelijk blijft.
De dromer en de realist.
-Goede middag, zei de een.
-Ook zo, zei de ander.
-Wat doe je hier? vroeg de realist.
-Niets, glimlachte de dromer.
In het huidige bestel van een maatschappijkritisch opgebouwde samenleving klonk dat doodgewone 'niets' als een openbaar zedenschaal.
De realist omvatte zijn aktentas als een drenkeling de reddingsboei.
-Hoezo niets?
-Wel ja, grinnikte de dromer, is dat zo ongewoon?
-Mijnheer, ik voel me verplicht u erop te wijzen...
-Kijk eens wat een mooie stam, zijn schors scheurt van ouderdom. Hij is taai, zie je die kronkelende takken? Als je goed luistert, kraakt hij in de wind...
-Hou nou even op met je romantiek en kom a.u.b. met je twee voeten op de grond.
-Ik doe niets anders, lachte de dromer. Ik sta op lauwe zandgrond, op m'n blote voeten. Dan voelt je de zon in de aarde gloeien.
Met afgrijzen keek de realist naar de vuile tenen van de dromer.
Hij haalde zijn schouders op en betastte in een plotse opwelling zijn uurwerk.
-Ik ben te laat, jammerde hij.
-Te laat voor wat?
-Ik moet naar een colloquium over de psychotherapeutische waarde der natuurbeleving.
De dromer knikte beleefd.
-Wij wensen een nauwkeurige analyse te maken van de menselijke gevoelens bij een contact met de vrije natuur, en de reactie daarvan in de psychische onderbouw en het relatiepatroon.
-Dat belooft boeiend te worden, mijmerde de dromer.
-Maar wat sta ik hier te praten tegen een wereldvreemde zonderling! riep de realist uit. Ik moet dringend naar het faculteitsgebouw. Mijnheer, ik heb de eer u te groeten.
Zonder verdere uitleg zwaaide de realist de aktentas onder de arm en liet de dromer alleen.
Deze keek hem na, met een onbeholpen gebaar.
Toen was het drukke, belangrijke mensje achter de heuvel verdwenen. Naar de flatgebouwen en de vergaderzalen, naar de gedocumenteerde gesprektafels met de kopjes koffie en de plastic zakjes melkpoeder.
De dromer zuchtte lang en diep.
Hij zag het zonlicht in de boomkruinen, hij hoorde de wind en de krekels en voelde het warme zand onder zijn voeten.
Hoe was het ook weer?
Een colloquium over de psychotherapeutische waarde der natuurbeleving...
Hij ging op de droge dennenaalden liggen en rook de grond.
Een dikke vlieg trippelde over zijn linkervoet.
Hij sliep de slaap der aarde.
Bezoek.
Naar een opendeurdag geweest in een psychiatrisch centrum.
Ik ben de lange gang doorgegaan. Zo iets behoor je eigenlijk te doen op pantoffels of op schoenen met rubberzolen. Mijn stappen galmden door de instelling. Ze kaatsten keihard tegen de helroze muren en de witte tegels van de vloer.
De gang is nauw - hij kanaliseert de patiënten trefzeker naar het centrum van dit huis. Hier en daar zie je uitstalkastjes aan de muur: werkjes met raffia, hout of plankjes met schreeuwende kleuren. 'Eigen werk der patiënten', kun je lezen, 'te koop aangeboden bij de portierster'. De ramen zijn groot en laag - je ziet uitgestrekte plantsoenen, golvende grasvelden en in de verte vermoed je waar mensen wonen.
Nu zit ik in de spreekkamer van de afdeling.
Buiten is nog wat slecht verzorgd groen - dan loopt je blik vast op een hoge draad, strak aan ijzeren palen gespannen.
Achter de draad ligt het volgende paviljoen, in roze baksteen : laag en rechtlijnig opgetrokken, efficiënt. Hier zijn de muren wit. Ze hebben buiten een oranje plastic stoeltje vergeten.
De lucht is gesloten grijs.
Dit huis telt honderden zieke mensen. Ze krijgen zangles en begeven zich aan gezelschapsspelen. Er is zwemles en bezigheidstherapie met klei en hout.
En je hebt ploegen voor de afwas en het onderhoud.
Je weet wel dat het allemaal zo hoort.
Je ziet verpleegmeisjes in 'maatschappelijk therapeutische bleu jeans' en mensen die zich aarzelend bewegen - de meeste zijn stil en hun blik dwaalt strak voorbij, als je hen aankijkt.
Soms klinken luidruchtige uitroepen. Dan galmen de gangen weer.
Je weet dat het zo hoort.
Mensen die het niet meer aankunnen moeten verzorgd worden. De tijd is nu eenmaal voorbij dat de zwaksten zichzelf liquideren. Nu worden ze opgenomen.
Je sterft vandaag tegen betaling, ook al leeft je lichaam toevallig nog enkele jaren verder.
De trein.
Ik vraag me af wat deze vrouw voelde tussen de zwarte huizenblokken, de grauwe industrie en de kale bekistingen die langs het raam voorbijflitsen.
Ging deze wereld niet te snel voor haar? Ze had nauwelijks de tijd om te zien hoe alles veranderd was en ze omknelde haar handtasje als een laatste stuk vertrouwd bezit.
Hoe staan wij tegenover oude mensen?
Natuurvolken, die door de 'zogenaamde beschaving' werden weggevaagd, lieten de grote beslissingen over aan de raad der oudsten.
Nu zijn ze dikwijls een zorg geworden voor de openbare onderstand en sterven ze in tehuizen.
Aan de manier waarop wij met oude mensen omgaan, kan je zien hoe wij leven. Zie in je eigen familie...en verontschuldig je niet zo vlug.
Op het perron keken we naar de gloednieuwe trein.
Naast de automatische klapdeuren lazen we: "Snelheid 140 km per uur".
Leven we net zo snel dat we geen oog meer kunnen hebben voor wat belangrijk is?
Het rode licht.
En op de achterruit las ik: "I love this car", gewoon gezegd: "Ik houd van deze wagen". Het leek me een griezelige combinatie;
het mooiste mensenwoord, misbruikt voor een glimmende hoop trots op wielen.
Je kunt tevreden zijn over je auto, je kunt hem nodig hebben...maar ervan houden?
Je moet durven zien, hoe vandaag de heiligste woorden worden ontkracht tot hun geldwaarde.
'Geluk' en 'geborgenheid', 'liefde',en 'intimiteit', de sfeer en de warmte van het gezin worden 'nuttig' en 'winstgevend'. Op een reclamebord las ik dat de intimiteit, de sfeer en de warmte van het gezin worden gegarandeerd dank zij centrale verwarming...
Wij moeten onze woorden weer hun eigen diepte geven, ze moeten weer zeggen en scheppen wat ze zelf zijn. Een mensenwoord draagt de ene mens naar de andere. Je plakt geen liefde op een ontvlekkingmiddel en geen 'geluk' op schoensmeer.
De glinsterende wagen die door zijn bestuurder zó bemind werd, dook onder het groene licht weg.
Achter mij toeterde een helse bende: ik had even nagedacht.
Vandaag mag je niet nadenken: je moet volgen, aansluiten en rijen vormen, rijen automaten die zielsveel houden van.....
hun auto's.
De natuur.
Ik dwaal door groene weiden heen en kijk naar bloempjes wit en rood en blauw en geel, naar lelies blank en roosjes op hun steel, die ik al zoekend één voor één vergelijk met het gezicht van hem die mij in 't rijk der liefde noodde en binnenliet: 't is hij, en hij alleen, aan wie ik wil behagen.
Als ik een bloempje ontdek waarvan ik echt meen te bespeuren dat het lijkt op hem, dan pluk en kus ik het, terwijl mijn stem er aldoor lieve woordjes tegen zegt en heel mijn hart zich ervoor openlegt. Zo krijg ik er steeds nieuwe bloempjes bij om sierlijk in mijn blonde haar te dragen.
Dezelfde vreugde die een bloempje wekt in 't oog der mensen, voelt mijn geest dan daar. 't Is net of ik de aanwezigheid ervaar van hem door wie ik de liefde heb ontdekt. En hoe die geur door heel mijn wezen trekt, kan ik niet uitleggen, zolang in mij zovele zuchten nog om antwoord vragen.
Zorgen.
Weer ben ik aan 't converseren
met, ik weet niet wie,
een geest, een engel,
de zon, de maan, een ster?
Ben ik jou, of jij mij,
of zijn we éénder?
Ik zie me wel een gezicht,
maar hoor geen stem,
nauwelijks een fluisteren,
maar ik voel wel tekens
wel leven
en een hartslag beven,
Wie ben jij dan wel?
Ik maak me zorgen om jou,
dat hoeft niet, zit je te zweren
maar ik,... ik weet wel beter
je zorgen wil je niet delen,
niemand moet je lasten dragen
is je redeneren
en toch binnenin weet je zeker
er is "iets" met dit leven.
Draag je lasten toch niet alleen
ik heb nog een onbezorgd leven,
waarom geef je me niet een beetje
van dat, van uw bezorgde leven?
Het oor.
ik ken hem toch goed
we zijn al zo lang samen
ik ken zijn voorhoofd
zijn bruine armen
buik
tot hij een keer
op een winteravond
bij me kwam zitten
en ik in het schemerlicht
dat van achteren viel
zijn roze oor aanschouwde
een grappig lapje huid
een schelp met van binnen
kloppend bloed
ik heb toen niets gezegd,
het zou goed zijn
een gedicht over zijn roze oor te schrijven
maar niet zo dat ze zeggen
ook een onderwerp om te kiezen
zij wil zeker origineel doen
zo dat niemand ook maar glimlacht
zo dat men begrijpt
dat ik een geheim onthul
ik heb toen niets gezegd
maar toen we die nacht
samen lagen
proefde ik voorzichtig
de exotische smaak
van zijn roze oor.
Rozen en doornen.
Sint-Ignatius, wit en vurig
liep langs een roos,
stortte zich op de struik
waarbij hij zich verwondde
met de klok van zijn zwarte pij
wenstte hij te overstemmen
de bekoring van de wereld
die als uit een wond
uit de aarde gutste,
en toen bij op de bodem lag
van deze wieg van doornen zag hij
dat het bloed uit zijn voorhoofd
op de wimpers stolde
in de vorm van een roos
en zijn blinde hand
die de doornen zocht
werd door de zoete aanraking van
bloemblaadjes doorboord,
de bedrogen heilige huilde
terwijl de bloemen hem bespotten
doornen en rozen,
we zoeken het geluk.

