Na het lezen van dit interview met twee bijna 100-jarigen kan je niet anders dan in de liefde geloven:
"Wij moeten in leven blijven, voor elkaar"

Het leven laat zich niet vangen in gemiddelden, maar Alfons (99,5) en Julia Leempoels (98) schuiven toch al door naar uiterst rechts op de doorsnee levenslijn. Bijna honderd, allebei, de gepensioneerde huisarts en zijn echtgenote. En toch leven alsof het niet kan ophouden. Hun laatste autoreis naar het zuiden dateert van zes maanden geleden. Hun aanpak?
Tussen de dood en de ander gaan staan. "Wij moeten in leven blijven, voor elkaar." Hij heeft twee hoorapparaatjes, maar aan zijn mond mankeert niks. Zij heeft de zachtste glimlach van Rotselaar. Zou net als haar man makkelijk twintig jaar kunnen liegen. Dat hij nog vaak het dorp in gaat, zegt hij, te voet. Patiënten van vroeger salueren hem dan.
Hoe dat dorp moet zijn veranderd in de eeuw die zij al leven. Geen Carrefour langs de steenweg. Geen betonnen parking onder de linden. Geen drie bankfilialen na elkaar. Geen kebabzaak naast de deur. Maar weilanden. Akkers. En de kerk, zowat het enige landschapselement dat nog overblijft, al zichtbaar van ver als hij tegen de wind in door de polders naar haar huis fietste.
De petroleumlamp op de commode is een erfstuk. "Het was de enige lamp in de boerderij van mijn moeder. Ik zat eronder te studeren, terwijl de anderen kaarten."
Alfons was de jongste in een gezin met negen kinderen, geboren op 1 januari 1917, midden de Eerste Wereldoorlog. "Mijn vader stierf toen ik twee was. We waren kleine landbouwers, toch al met drie koeien in plaats van de gebruikelijke twee. Ik mocht als enige gaan studeren, Grieks-Latijnse.
Ik reed met de fiets naar het college in Aarschot. En ik reed soms een auto voorbij. Niet dat ik de voorloper van Eddy Merckx was, maar de auto's van toen reden nog niet zo snel. Er waren er ook nog niet veel. Het was de enige auto die ik soms zag op weg naar school.
En mijn eerste auto ooit werd de auto van de vrederechter die ik met mijn zestienjarige velobenen inhaalde."Hij begon als jonge arts in die eerste oorlogsjaren in penibele omstandigheden. "Er was veel tbc door de ontbering. Maar er was niks om de mensen mee te genezen!" Julia: "Er bestond aspirine. En de Poeders Mann. Dat was alles."Alfons: "Het enige wat hielp was frisse lucht en rust voorschrijven in de bergen, maar dat was alleen voor de begoeden. Heel frustrerend.
Aan het einde van de oorlog kwam de penicilline. Plots konden we tóveren. De mensen hadden zelf nog geen thermometer in huis, meneer doktoor moest voor alles komen. Nu zijn er elf dokters in de gemeente, ik heb het 25 jaar alleen gedaan. In de winter had ik een gepensioneerde die met de auto reed, om tijd te winnen bij de huisbezoeken. Ge moet dat niet opschrijven, niemand gaat het geloven, maar ooit deed ik er 107 op één dag."
Eén keer heeft Alfons het écht rustiger aan moeten doen. "Ik ben in 1970 zelf ernstig ziek geworden. Mijn collega's dachten: nierkanker. Ik dacht het ook. Scans en puncties bestonden nog niet, maar alles wees op een kwaadaardig gezwel. Ik was bang. Maar... de collega's en ik hadden ons vergist. Het bleek niet kwaadaardig en er waren geen uitzaaiingen. Wat je dan voelt? De zevende hemel."

En dat grote geluk duurt voort tot vandaag. Voor allebei. "Gelukkig maar. Een dokter die zelf ziek is, dat wringt langs alle kanten."
Alfons is wel in januari opnieuw geopereerd, aan de dikke darm. "Maar opnieuw geen metastasen. Ik voel me opnieuw heel goed."
Julia: (kijkt me plots heel nadrukkelijk aan) "Maar weet u wat, mevrouw? Ik heb me in héél mijn leven niet zo ongelukkig gevoeld als die tien dagen in januari dat Fons in de kliniek was. Ik kon niet uit de voeten. Ik heb mijn vader, mijn broers en mijn moeder verloren. Maar (tot haar man) zo lang je weg was, Fons? Zo ongelukkig was ik nóóit."
We keren terug naar de woonkamer. Julia schenkt opnieuw koffie. Zonder te beven. Ze heeft het mooiste porseleinen servies laten uithalen door dochter Mieke, de oudste van hun vijf kinderen.
Dokter koos voor een basale preventieve stelregel: "Niet te veel suiker, niet te veel dierlijke vetten. Toen de eerste studies daarover binnenkwamen in de jaren 60, zijn wij gestopt met smeersel op onze boterham. Verder hebben wij allebei gewoon een goed lotje getrokken, denk ik."
Julia: "Ik zou wel een stuk van zijn geheugen willen."
Alfons: "En ik één oog van haar. Het zicht gaat toch achteruit." Ze zijn zelfs complementair in hun slijtage. Er wordt eens lieflijk gezucht. Ze gaan wat verzitten.
Dan komen de grote liefdesverklaringen.
Alfons: "Julia zat al zeven jaar in mijn kop voor ik haar durfde aan te spreken. Haar vader was de hoofdonderwijzer. Haar broer was mijn scoutsleider. Zo kwam ik bij hen thuis over de vloer."
Julia: "Zogezegd kenden we elkaar niet, maar ik had hem wel gezien!"
Alfons: "Maar ik heb gewacht tot ik dokter was om actie te ondernemen.
'Voor een gelukkig leven is je trouwdag de tweede bijzonderste dag van je leven, na je geboortedag'." En hij heeft gelijk. Het meest gelukkig in mijn leven ben ik over het feit dat ik met Julia ben getrouwd."
Alfons: (lacht) "De liefde, dat is voor ons: in de weer zijn met iets dat de ander gelukkig maakt. Ik sta 's morgens als eerste op en tegen dat zij naar beneden komt, staat het ontbijt al klaar. Naar beneden, ja. Trappen gaan nog vlot." "Je kunt kansen krijgen, maar dan nog moet je je hemel verdienen. Ik heb getracht goed te doen, dat geeft me troost. Maar ik ben vooral gezegend geweest met Julia en de offers die zij bracht.
'Madam van de doktoor', dat klonk beter dan het was. Zij werd afgesneden van een leven buitenshuis, met theater, cinema, bals en al die andere zaken, door met mij te trouwen. Julia was regentes wiskunde, maar heeft nooit een dag voor de klas gestaan. Want er moest altijd iemand thuis zijn en bij de telefoon. Er waren er genoeg die het daarmee moeilijk hadden, onder de vrouwen van collega's."
Julia: "Ik ben nooit jaloers geweest op zijn carrière. Ik maakte de hoestsiropen, zette de wachtzaal op orde. De dag dat Fons op zijn 75ste met pensioen is gegaan, op 1 januari 1992.
Alfons: "Ik heb niet het gevoel dat ik al zo oud bén. Op straat denk ik nog altijd, als ik een tachtiger zie: dáár loopt een oude mens. Omdat ik bezig blijf, denk ik. Ik heb met de auto gereden tot een half jaar geleden. Een paar jaar geleden nog tot in Bourgondië."
Julia: "We reisden ook nog naar Lourdes, met de TGV tot in Bordeaux. Nu niet meer, we zijn er te vaak geweest."
Alfons: "Wij mogen nog niet doodgaan. Niet voor de ander. Wij willen en moeten blijven leven. Voor elkaar. Op deze ouderdom heb je mekaar het meest nodig van alles. Valt Julia weg, dan moet ik naar het rusthuis, en andersom. Zeker weten. En dat willen wij niet. Wij willen blijven voor mekaar. Dat we samen zijn, maakt het grote verschil met mensen die zonder hun man of vrouw verder moeten. Dat grote geluk hebben wij."
Julia: (knikt) "Daar zijn we ons heel erg van bewust."
EEN LIEFDESVERHAAL