Uit het evangelie volgens Johannes
Uit het evangelie volgens Johannes
2, 13-25
13 Kort voor Pesach, het Joodse paasfeest, reisde Jezus naar Jeruzalem. 14 Daar trof hij op het tempelplein de handelaars in runderen, schapen en duiven aan, en de geldwisselaars die daar altijd zaten. 15 Hij maakte een zweep van touw en joeg ze allemaal de tempel uit, met hun schapen en runderen. Hij smeet het geld van de wisselaars op de grond, gooide hun tafels omver 16 en riep tegen de duivenverkopers: ‘Weg ermee! Jullie maken een markt van het huis van mijn Vader!’ 17 Zijn leerlingen dachten aan wat er geschreven staat: ‘De hartstocht voor uw huis zal mij verteren.’ 18 Maar de Joden vroegen: ‘Met welk teken kunt u bewijzen dat u dit mag doen?’ 19 Jezus antwoordde hun: ‘Breek deze tempel maar af, en ik zal hem in drie dagen weer opbouwen.’ 20 ‘Zesenveertig jaar heeft de bouw van deze tempel geduurd,’ zeiden de Joden, ‘en u wilt hem in drie dagen weer opbouwen?’ 21 Maar hij sprak over de tempel van zijn lichaam. 22 Na zijn opstanding uit de dood herinnerden zijn leerlingen zich dat hij dit gezegd had, en zij geloofden de Schrift en alles wat Jezus gezegd had.
In alle godsdiensten zoeken mensen naar zeer concrete plaatsen waar zij God kunnen ontmoeten. De vorige zondagen hoorden wij hoe het Oude Testament twee plaatsen voorstelde: de woestijn en de berg. Maar door de verdere geschiedenis van het Joodse volk was bij hen het besef gegroeid dat dé plaats waar zij God voorál konden ervaren, toch wel de tempel was, gebouwd op de Sionsberg binnenin Jeruzalem, de samenvatting en het toppunt van alle andere plekken van godsopenbaring.
Op vele generaties joden die de tempel van Jeruzalem bezochten moet die plek een geweldige indruk hebben gemaakt. Als de naderende pelgrims hem van op de omringende heuvels voor het eerst konden zien, dan schoot hun gemoed vol en begonnen ze psalmen te zingen: "Ik was verheugd toen ik het hoorde: "Wij gaan op weg naar het huis van de Heer." En nu staan wij voor uw poorten, op uw grond, Jeruzalem" (ps. 122). De tempel was de ruimte waar God onder zijn mensen aanwezig kwam. Daar konden zij tot Hem bidden en werden zij bewust van zijn grote gaven. "Uw genade beseffen wij, God, hier in het hart van uw tempelberg" (ps 48). Daar konden zij Jahweh hun dankbaarheid tonen. Zij droegen Hem daarom een offer op, een geslacht dier, ieder volgens zijn vermogen. Daarmee toonden zij Jahweh dat zij wilden leven naar zijn wetten. En in het heilige der heilige stond de Ark van het Verbond. Waarlijk, de tempel was gedurende eeuwen dé plek geworden van de "verbondenheid" tussen God en de mensen.
Nu heb ik het toch wel ideaal voorgesteld. Zo was zeker, de oorspronkelijke bedoeling geweest, maar in Jezus' tijd was de werkelijkheid toch wat anders. Toen was de tempel verworden tot een plaats van formalisme, geld en macht. De priesterkaste die baas was binnen de tempelomheining sloot er met haar eigen politiewacht iedereen buiten wie zij wilde. De prachtige psalmgebeden waren tot formules geworden die men afdreunde. En om de offerdieren te kopen - zo hadden de priesters beslist - mocht alleen het eigen joodse tempelgeld worden aanvaard, en niet de gangbare, romeinse munten, die iedereen gebruikte. Daardoor was op het voorplein van die tempel een winstgevende handel ontstaan van kooplui en geldwisselaars. Ook vandaag bestaat nog steeds het gevaar dat op bepaalde religieuze plekken het huis van de ontmoeting met God ontaardt tot een plaats waar priesters, handige kooplui en geld de macht in handen krijgen. Tegen die verwording van de tempel treedt Jezus op, in heftige verontwaardiging en Hij voorspelt de vernietiging van dat soort bouwwerken, die van toen en die van nu.
Frans Mistiaen, sj






