Openbaring 3.-20
Openbaring 3.-20
Ik sta voor de deur en klop aan. Als iemand mijn stem hoort en de deur opent, zal ik binnenkomen, en we zullen samen eten, ik met hem en hij met mij.
WAT JE AAN JEZUS GEEFT,BEN JE NIET KWIJT
Openbaring 3.-20Openbaring 3.-20
Ik sta voor de deur en klop aan. Als iemand mijn stem hoort en de deur opent, zal ik binnenkomen, en we zullen samen eten, ik met hem en hij met mij.
-- Hebreeen 13:5
Galaten 5.13-14Galaten 5.13-14
Het Boek
Broeders, God heeft u niet de vrijheid gegeven om te misbruiken en uw eigen zin te doen, maar om elkaar te dienen in een geest van liefde.
De hele wet is immers samengevat in dit ene gebod: "Houd net zoveel van uw medemens als van uzelf."
Johannes 6.41-51Johannes 6.41-51
De
Joden begonnen te protesteren omdat Jezus zei dat Hij het brood was dat uit de
hemel was neergedaald.
‘Dat is toch Jezus, de zoon van Jozef? We weten toch wie zijn vader en moeder
zijn? Hoe kan Hij dan zeggen dat Hij uit de hemel is neergedaald?’
Jezus zei: ‘Ik hoor u bezwaren maken. Toch kan niemand bij mij komen, tenzij de
Vader die mij gezonden heeft hem bij me brengt, en Ik zal hem op de laatste dag
tot leven wekken. Het staat geschreven in de Profeten: “Zij zullen allemaal
door God onderricht worden.” Iedereen die naar de Vader luistert en van Hem
leert komt bij mij. Niet dat iemand ooit de Vader gezien heeft – alleen hij die
van God komt, heeft Hem gezien. Waarachtig, Ik verzeker u: wie gelooft, heeft
eeuwig leven. Ik ben het brood dat leven geeft. Uw voorouders hebben in de
woestijn manna gegeten en toch zijn zij gestorven. Maar dit is het brood dat uit
de hemel is neergedaald; wie dit eet sterft niet. Ik ben het levende brood dat
uit de hemel is neergedaald; wanneer iemand dit brood eet zal hij eeuwig leven.
En het brood dat Ik zal geven voor het leven van de wereld, is mijn lichaam.
De eeuwige vraag omtrent Jezus luidt: staat Hij niet te dicht bij ons om van elders te komen? Is Hij niet te goed ingeburgerd op onze aarde om van God te komen? Nochtans door Christus trekt de Vader de mensen tot zich. Door Christus, gegeven als brood, schenkt de Vader aan de mensen het eeuwig leven.
Uit het evangelie volgens Matteüs17.14-20Toen Jezus en de
leerlingen zich weer bij de mensenmassa voegden, kwam er iemand naar Hem toe
die voor Hem op zijn knieën viel en zei: ‘Heer, heb medelijden met mijn zoon,
want hij is maanziek en lijdt daar erg onder; hij valt dikwijls in het vuur of
in het water. Ik heb hem bij uw leerlingen gebracht, maar zij konden hem niet
genezen.’
Jezus antwoordde: ‘Wat zijn jullie toch een ongelovig en dwars volk, hoe lang
moet Ik nog bij jullie blijven? Hoe lang moet Ik jullie nog verdragen? Breng
hem bij me.’
Daarop sprak Jezus de demon op strenge toon toe. Deze ging uit de jongen weg,
en vanaf dat moment was hij genezen.
Later kwamen de leerlingen naar Jezus toe.
Eenmaal met Hem alleen vroegen ze: ‘Waarom konden wij die geest niet
uitdrijven?’
Hij antwoordde: ‘Vanwege jullie gebrek aan geloof. Ik verzeker jullie: als
jullie geloof hebben als een mosterdzaadje, dan zullen jullie tegen die berg
zeggen: “Verplaats je van hier naar daar!” en dan zal hij zich verplaatsen.
Niets zal voor jullie onmogelijk zijn.’
Gebrek aan geloof maakt het de leerlingen onmogelijk om de zin te ontdekken van de wonderen in Christus' zending. Zijn werken zijn niet enkel gebaseerd op wonderen, maar vooral op de aanwezigheid van zijn Geest. Deze bewerkt het geloof en doet alles zien met de ogen van God.
Twijfel is niet het tegendeel van geloof, maar een wezenlijk bestanddeel ervan. Moest het geloof een zomaar vanzelfsprekende zaak zijn zou de mens niet groeien. Juist doorheen twijfel maakt God ons sterk en volwassen, leert Hij ons geloven, los van gevoelens, maar enkel gericht op Hem, vanuit zijn aanwezigheid in ons.
Geloof is tegelijk een gave én een act van de mens.
Het is gave omdat de mens niet zou kunnen geloven zonder dat God zijn Geest in
ons hart heeft gelegd. Het is de Geest die ons naar God zal wenden, Hij zal ons
leren bidden, Hij zal dat in ons doen.
Maar geloof is ook een act van de mens. De mens moet kiezen om te geloven, hij
moet het willen, hij moet willen meewerken met de Geest. De mens kan namelijk
ook 'nee' zeggen, en dan zal God zich in de meeste gevallen ook nederig
afzijdig houden. Hij respecteert de vrijheid van de mens. Dat afzijdig houden
is echter geen passief gebeuren van God. In alle deemoed zal Hij in al zijn
liefde blijven aankloppen aan de deur van ons hart, tot we opendoen en Hem
welkom heten. Hij dorst naar ons.
Geloof is een houding van overgave. Ik 'geloof' is een beweging van de mens naar God toe,
nadat God een beweging heeft gedaan naar de mens toe. Het is op zijn
uitnodiging, zeg maar door de inwoning van de Geest, dat wij kunnen zeggen: 'Ik
geef mijn hart aan U'.
Wie dit nederig kan, in een diepe stille overgave, in een werkelijk bewustzijn
dat God hem in zich wilt opnemen, zal de genade van groei ontvangen. Het kan
gepaard gaan met een stille ervaring van 'alleluja', maar het kan evengoed
gepaard gaan met woestijn, met een zwijgen van de Heer, wat ons kan doen
twijfelen. Hier is God de liefdevolle opvoeder. Trouw en discipline zijn hier
de sleutelwoorden om deze tijd van woestijn in liefde te kunnen aanvaarden,
gelovend dat God met ons, de Kerk, de wereld, bezig is.
Laat ons niet ophouden dagelijks te bidden, ook al zegt het ons bij momenten misschien weinig.
Johannes 12.24Johannes 12.24
'Waarachtig Ik verzeker u: als een graankorrel niet
in de aarde valt en sterft, blijft het één graankorrel,
maar wanneer hij sterft draagt hij veel vrucht.'
miike mantel
mieke mantel
Romeinen 12.18Romeinen 12.18
Stel, voor zover het in uw macht ligt, alles in het
werk om met alle mensen in vrede te leven.
Johannes 15.9-13Johannes 15.9-13
'Ik heb jullie liefgehad, zoals de Vader mij heeft liefgehad.
Blijf in mijn liefde. Je blijft in mijn liefde als je je aan mijn
geboden houdt, zoals Ik me ook aan de geboden van mijn
Vader gehouden heb en in zijn liefde blijf.
Dit zeg Ik tegen jullie om je mijn vreugde te geven, dan zal
je vreugde volkomen zijn.
Mijn gebod is dat jullie elkaar liefhebben zoals Ik jullie heb
liefgehad. Er is geen grotere liefde dan je leven te geven voor
je vrienden.'
Uit het boek DaniëlUit
het boek Daniël
7, 9-10 + 13-14
In mijn visioen zag ik
dat er tronen werden neergezet en dat er een oude wijze plaatsnam. Zijn kleed
was wit als sneeuw, zijn hoofdhaar als zuivere wol. Zijn troon bestond uit
vuurvlammen, de wielen uit laaiend vuur. Een rivier van vuur welde op en
stroomde voor hem uit. Duizend maal duizenden dienden hem, tienduizend maal
tienduizenden stonden voor hem. Het hof nam plaats en de boeken werden geopend.
In mijn nachtelijke visioenen zag ik dat er met de wolken van de hemel iemand
kwam die eruitzag als een mens. Hij naderde de oude wijze en werd voor hem
geleid. Hem werden macht, eer en het koningschap verleend, en alle volken en
naties, welke taal zij ook spraken, dienden hem. Zijn heerschappij was een
eeuwige heerschappij die nooit ten einde zou komen, zijn koningschap zou nooit
te gronde gaan.
Zijn kleed was wit als sneeuw.
Uit
het evangelie volgens Marcus
9, 2-10
Zes
dagen later nam Jezus Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee een hoge berg
op, waar ze helemaal alleen waren. Voor hun ogen veranderde Hij van gedaante,
zijn kleren gingen helder wit glanzen, zo wit als geen enkele wolwasser op
aarde voor elkaar zou kunnen krijgen.
Toen verscheen Elia aan hen, samen met Mozes, en ze spraken met Jezus.
Petrus nam het woord en zei tegen Jezus: ‘Rabbi, het is goed dat wij hier zijn;
laten we drie tenten opslaan, een voor U, een voor Mozes en een voor Elia.’ Hij
wist niet goed wat hij moest zeggen, want ze waren door schrik overweldigd.
Toen viel de schaduw van een wolk over hen, en uit de wolk klonk een stem: ‘Dit
is mijn geliefde Zoon, luister naar Hem!’
Ze keken om zich heen en zagen opeens niemand meer, behalve Jezus, die nog bij
hen stond.
Toen ze de berg afdaalden, zei Hij tegen hen dat ze aan niemand mochten
vertellen wat ze hadden gezien voordat de Mensenzoon uit de dood zou zijn
opgestaan.
Ze namen zijn woorden ter harte, maar vroegen zich onder elkaar wel
af wat hij bedoelde met deze opstanding uit de dood.
Jezus neemt drie van zijn leerlingen mee naar de berg Tabor. Zij mogen als het ware een blik vooruit werpen, Jezus als God ervaren en zien waar dit alles op zal eindigen: zijn verheerlijking.
Soms overvallen ons bepaalde gebeurtenissen waarvan wij slechts achteraf de diepe zin ontdekken. Zo hebben de drie uitverkoren leerlingen, Petrus, Jakobus en Johannes, het Tabor-gebeuren ervaren. De verblindende helderheid waarmee Jezus hen zijn waar gelaat van God laat zien overrompelt hen zo, dat zij dit mooie moment willen vasthouden. Zij voelen zich op hun bestemming. Waarom nog verder gaan? Zonder de pijn en het lijden van Goede Vrijdag zouden zij Pasen willen vieren. In deze voorafbeelding van zijn verrijzenis gunt Jezus ons een blik achter de schermen van onze eeuwige toekomst. Maar met Hem moeten wij ook de weg naar Jeruzalem gaan, de weg van een consequent geloof tot het uiterste.
Johannes 6.27Johannes 6.27
'U moet geen moeite doen voor voedsel dat vergaat,
maar voor voedsel dat niet vergaat en eeuwig leven geeft;
de Mensenzoon zal het u geven, want de Vader, God zelf,
heeft Hem die volmacht gegeven.'
miike mantel
mieke mantel
1 Samuël 16:7 HTB“Maar de HERE zei tegen hem: "Beoordeel een man niet op zijn uiterlijk of zijn lengte, want dit is niet de man die Ik bedoel. Ik beslis op andere gronden dan u! De mensen beoordelen iemand naar zijn uiterlijk, maar Ik kijk naar zijn gedachten en hoe hij innerlijk is.”
Jesaja 29.16Jesaja 29.16
Wat halen zij zich toch in het hoofd! Is Hij, de pottenbakker, niet veel belangrijker dan de potten die Hij maakt? Zult u tegen Hem zeggen: "Hij heeft ons niet gemaakt?"
Uit het evangelie volgens MatteüsUit het evangelie volgens Matteüs
13, 44-46
Het is met het koninkrijk van de hemel als met een schat die
verborgen lag in een akker. Iemand vond hem en verborg hem opnieuw, en in zijn
vreugde besloot hij alles te verkopen wat hij had en die akker te kopen.
Ook is het met het koninkrijk van de hemel als met een koopman die op zoek was
naar mooie parels. Toen hij een uitzonderlijk waardevolle parel vond, besloot
hij alles te verkopen wat hij had en die te kopen.'
De twee korte parabels die Mattheüs hier weergeeft, de parabel van de schat in de akker en de parabel van de parel, willen het gedrag van de gelovigen illustreren. In blijde hoop en niet uit vrees voor de straf moeten zij zich van alles ontdoen om het rijk te verwerven.
Het is met het koninkrijk van de hemel als met een schat die verborgen lag in een akker. Iemand vond hem en verborg hem opnieuw, en in zijn vreugde besloot hij alles te verkopen wat hij had en die akker te kopen.
Wie werkelijk van God houdt wil ten volle leven voor Hem. Hij wil alles geven om Gods liefde te kunnen beantwoorden. Dit geven geeft vreugde; een vreugde die haar wortels vindt in God.
In wezen gaat het hier over
dezelfde vreugde van de wijzen toen zij in het oosten de ster ontdekten die hen
naar de koning der Joden bracht: "Op het zien van de ster werden zij
vervuld van overgrote vreugde”.
Het is de vreugde die het hart van Jeremia overstroomde: “Zodra uw woord mij
bereikte, Heer, verslond ik het, het was mijn vreugde, het maakte mij
zielsgelukkig."
Laten wij ook alles geven aan de Heer, ons hele hart, ons hele zijn. Het zal van ons vreugdevolle mensen maken in de diepe religieuze betekenis van het woord. We zullen immers dragers zijn van de vreugde, de vrede, de liefde van de Heer.
Herinneren we ons de woorden van Jezus uit het Johannes-evangelie: "Nu kom Ik naar u toe, en Ik zeg dit terwijl Ik nog in de wereld ben, opdat zij vervuld worden van mijn vreugde."
Laten we dragers worden van Gods vreugde door onze overgave aan Hem.
Johannes 1:12-13 HTBMaar allen die Hem wel aanvaard hebben, heeft Hij het recht gegeven kinderen van God te worden. Door geloof in Zijn naam worden zij opnieuw geboren, natuurlijk niet als mens, maar geestelijk uit God.”
Uit het evangelie volgens MatteüsUit
het evangelie volgens Matteüs
13, 31-35
Jezus hield de mensen
deze gelijkenis voor:
‘Het koninkrijk van de hemel lijkt op een zaadje van de mosterdplant dat iemand
meenam en in zijn akker zaaide. Het is weliswaar het kleinste van alle zaden,
maar het groeit uit tot de grootste onder de planten. Het wordt een struik, en
de vogels van de hemel komen nestelen in de takken.’
Hij vertelde hun een andere gelijkenis: ‘Het koninkrijk van de hemel lijkt op
zuurdesem die door een vrouw met drie zakken meel werd vermengd tot alle meel
doordesemd was.’
Al deze dingen zei Jezus in gelijkenissen tot de menigte; Hij sprak uitsluitend
in gelijkenissen tot hen. Zo ging in vervulling wat gezegd is door de profeet:
‘Ik zal het woord nemen en spreken in gelijkenissen; Ik zal bekendmaken wat
sinds de grondvesting van de wereld verborgen was.’
De parabels van het mosterdzaadje en van de gist duiden op het povere begin van het koninkrijk en op de grootse toekomst die het beloofd werd. Het groeit, langzaam maar zeer beslist. Het doordringt heel het leven als een gist.
God heeft ons in zijn goedheid geplant met de bedoeling een boom te worden met
uitgestrekte takken waar vele vogels in kunnen komen rusten.
De mens is zowel boom als vogel. We mogen boom zijn voor elkaar en we mogen ook
in elkaars takken komen rusten.
Vraag is: zijn we die boom ook werkelijk voor elkaar... Mag iedere medemens (niet enkel degene waarvoor we sympathie voelen maar ook degenen waarmee we het moeilijk hebben) in onze takken komen rusten... Of zeggen we: nee, enkel hij en zij, maar zeker niet die daar, of die ginder. Dit laatste kan een keuze zijn, maar het is niet echt evangelisch te noemen. Een christen opent zijn hart voor ieder, hoe menselijk de natuurlijke voorkeur ook is. Een christen zou dit in naam van Jezus moeten kunnen overstijgen en zijn hart openen voor ieder, ook voor hem of haar waar we niet zo van houden (om welke reden ook).
Hoe
lopen we over straat, hoe kijken we naar onze collega's, onze broeders of
zusters in de gemeenschap,... Kijken we naar hen met de ogen van Jezus, gaan we
hen beminnen met het hart van Hem, of gaan we weer die keuzes maken van die wel
en die niet.
Laten we elkaar ontmoeten met en in de liefde van de Heer; elkaar opnemend,
elkaar de vrede wensend, elkaar vergevend.
Zovelen
in deze wereld verlangen naar dergelijke mensen. Velen zijn vogels die moe zijn
van het vliegen. Ze vinden geen boom waar ze kunnen tot rust komen, niemand die
hen echt wil. Ze moeten al naar bepaalde centra vliegen om wat warmte en
voedsel te krijgen.
Laten we als christenen toch bomen zijn voor elkaar, bijzonder voor hen die moe
zijn van het vliegen.
Laat ons evangelie worden.
Uit het evangelie volgens JohannesUit het tweede boek Koningen
4, 42-44
Op een keer
kwam iemand uit Baäl-Salisa Elisa opzoeken. Hij bracht twintig gerstebroden
voor de godsman mee, gebakken van meel uit de nieuwe oogst, en een zakje vers
graan.
Elisa droeg zijn bediende op dit als maal aan de profeten voor te zetten. Toen
de bediende protesteerde dat het beslist niet genoeg was voor honderd personen,
zei Elisa nogmaals: ‘Zet het de profeten voor, ze zullen er een maaltijd aan
hebben. Want dit zegt de Heer: Ze zullen ervan eten en nog overhouden ook.’
Toen zette zijn bediende het de profeten voor, en zij aten ervan en hielden nog
over, zoals de Heer had gezegd.
Het mirakel dat door Elia wordt verricht, heeft een drievoudige betekenis: God vertrouwt aan de mens zijn eigen meesterschap over de wereld toe; de armen moeten te eten krijgen; en wat de mens eigenmachtig voortbrengt is slechts een aankondiging van de overvloed van de eindtijd.
Uit het evangelie volgens Johannes
6, 1-15
Jezus ging
naar de overkant van het Meer van Galilea, bij Tiberias. Een grote menigte
mensen volgde Hem, omdat ze gezien hadden welke wondertekenen Hij bij zieken
deed.
Jezus ging de berg op, en ging daar met zijn leerlingen zitten. Het was kort
voor het Joodse pesachfeest. Toen Jezus om zich heen keek en zag dat die
menigte naar Hem toe kwam, vroeg Hij aan Filippus: ‘Waar kunnen we brood kopen
om deze mensen te eten te geven?’ Hij vroeg dat om Filippus op de proef te
stellen, want zelf wist Hij al wat hij zou gaan doen.
Filippus antwoordde: ‘Zelfs tweehonderd denarie zou niet voldoende zijn om
iedereen een klein stukje brood te geven.’
Een van de leerlingen, Andreas, de broer van Simon Petrus, zei: ‘Er is hier wel
een jongen met vijf gerstebroden en twee vissen – maar wat hebben we daaraan
voor zoveel mensen?’
Jezus zei: ‘Laat iedereen gaan zitten.’
Er was daar veel gras, en ze gingen zitten; er waren ongeveer vijfduizend
mannen. Jezus nam de broden, sprak het dankgebed uit en verdeelde het brood
onder de mensen die er zaten. Hij gaf hun ook vis, zoveel als ze wilden.
Toen iedereen volop gegeten had zei Hij tegen zijn leerlingen: ‘Verzamel nu de
overgebleven stukken brood, zodat er niets verloren gaat.’
Dat deden ze en ze vulden twaalf manden met wat overgebleven was van de vijf
gerstebroden die men had gegeten.
Toen de mensen het wonderteken dat Hij gedaan had zagen, zeiden ze: ‘Hij moet
wel de profeet zijn die in de wereld zou komen.’
Jezus begreep dat ze Hem wilden dwingen om mee te gaan en Hem dan tot koning
zouden uitroepen. Daarom trok Hij zich terug op de berg, alleen.
Zoals Mozes in de woestijn, en later de profeet Elisa, heeft ook Jezus
door een broodvermenigvuldiging kunnen zorgen voor het volk dat 'honger' had.
Hier in het
Johannesevangelie wordt de broodvermenigvuldiging ook verteld als een
voorafbeelding van de Eucharistie, waardoor de gelovigen met Gods genade in één
gemeenschap verbonden worden.
Uit het evangelie volgens MatteüsUit
het evangelie volgens Matteüs
13, 24-30
Jezus hield de menigte deze gelijkenis voor:
‘Het is met het koninkrijk van de hemel als met een mens die goed zaad op zijn
akker uitzaaide. Terwijl de mensen sliepen, kwam zijn vijand onkruid tussen het
graan zaaien en vertrok weer.
Toen het jonge gewas opschoot en vrucht begon te dragen, kwam ook het onkruid
te voorschijn.
De knechten kwamen de heer des huizes vragen: “Heer, hebt u soms geen goed zaad
op uw akker gezaaid? Waar komt dat onkruid dan vandaan?”
Hij antwoordde: “Dat is het werk van een vijand.”
De knechten zeiden tegen hem: “Wilt u dat wij er het onkruid tussenuit wieden?”
Hij antwoordde: “Nee, want dan zouden jullie met het onkruid ook het graan
lostrekken. Laat beide samen opgroeien tot aan de oogst, dan zal ik, wanneer
het oogsttijd is, tegen de maaiers zeggen: ‘Wied eerst het onkruid, bind het in
bundels bij elkaar en verbrand het. Breng dan het graan bijeen in mijn
schuur.’”’
Wij zijn geneigd om er maar onmiddellijk de zeis erin te zetten wanneer wij rondom ons kwaad vaststellen. De Heer is zo niet. Hij laat het onkruid met de tarwe opgroeien tot de oogst. Wij riskeren door onze houding met het onkruid van het kwaad ook de tarwe uit te trekken. De Heer is geduldig en geeft nog een kans tot herstel.
Wanneer wij kwade mensen zouden verwijderen, verwijderen we heel die mens, ook het goede in die kwade mensen, dat tot dan toe misschien weinig kans kreeg om te ontplooien. Jezus' barmhartigheid bestaat er juist in elke mens altijd opnieuw kansen te geven om het kwade achter te laten opdat het goede ten volle tot bloei zou kunnen komen.
In zijn overgrote liefde geeft God ons de vrijheid om te kiezen tussen goed en kwaad. En laat ons eerlijk zijn: soms laten we ons leiden door kwaad, kiezen we er zelfs voor, soms heel subtiel, maar wel reëel. Moest God ons telkens verwijderen... wat zou de wereld dunbevolkt zijn.
Jezus kent de zwakheid van de mens, van ieder van ons. Hij kent onze neigingen tot zonde. In het hart van die neigingen wil Hij tot ons komen, ons ten diepste aanraken, om ons te genezen, te bevrijden, op te tillen in zijn licht.
Uit het evangelie volgens MatteüsUit het evangelie volgens Matteüs
13, 18-23
Jezus sprak tot zijn
leerlingen:
'Hoor en begrijp dan nu de gelijkenis van de zaaier:
bij ieder die het woord van het koninkrijk hoort maar het niet begrijpt, komt
hij die het kwaad zelf is en rooft wat hun in het hart is gezaaid; bij hen is
op de weg gezaaid.
Het zaad dat op rotsachtige grond is gezaaid, dat zijn zij die het woord horen
en het meteen met vreugde in zich opnemen. Het schiet echter geen wortel in
hen, oppervlakkig als ze zijn. Worden ze vanwege het woord beproefd of
vervolgd, dan houden ze geen ogenblik stand.
Het zaad dat tussen de distels is gezaaid, dat zijn zij die het woord horen,
maar bij wie de zorg om het dagelijkse bestaan en de verleiding van de rijkdom
het woord verstikken, zodat het zonder vrucht blijft.
Het zaad dat in goede grond is gezaaid, dat zijn zij die het woord horen en
begrijpen. Zij dragen dan ook rijkelijk vrucht, deels honderdvoudig, deels
zestigvoudig, deels dertigvoudig.
Jezus verklaart zijn leerlingen de parabel van de zaaier. Het gaat erom dat iedereen in zijn hart een stukje goede grond bereidt dat ontvankelijk is om het goede zaad, het woord van God, op te vangen. Tegelijk is het een uitnodiging voor ons om rotsachtige plekken en doornen te ontdekken en op te ruimen.
Laten we Gods Woord ontvangen als Gods
Woord.
Dat het diep mag doordringen in ons hart, dat het daar wortel mag schieten, en
tot groei en bloei mag komen.
Laten we niet enkel het Woord aanhoren, maar laten we ook dat Woord worden. Ja,
laten we worden wat we horen.
Kom, laten we niet moeilijk doen, God
niet plat redeneren.
Maar laat ons bidden, eenvoudig, onze handen en ons hart geopend.
Kijk naar Hem, Hij kijkt naar jou, zowel in tijden van vreugde als in tijden
van dorheid.
Geef je, laat je door Hem omhelzen.
Dan leef je, leef je in Hem, leeft Hij in jou.