Uit het boek Daniël
Uit
het boek Daniël
7, 9-10 + 13-14
In mijn visioen zag ik
dat er tronen werden neergezet en dat er een oude wijze plaatsnam. Zijn kleed
was wit als sneeuw, zijn hoofdhaar als zuivere wol. Zijn troon bestond uit
vuurvlammen, de wielen uit laaiend vuur. Een rivier van vuur welde op en
stroomde voor hem uit. Duizend maal duizenden dienden hem, tienduizend maal
tienduizenden stonden voor hem. Het hof nam plaats en de boeken werden geopend.
In mijn nachtelijke visioenen zag ik dat er met de wolken van de hemel iemand
kwam die eruitzag als een mens. Hij naderde de oude wijze en werd voor hem
geleid. Hem werden macht, eer en het koningschap verleend, en alle volken en
naties, welke taal zij ook spraken, dienden hem. Zijn heerschappij was een
eeuwige heerschappij die nooit ten einde zou komen, zijn koningschap zou nooit
te gronde gaan.
Zijn kleed was wit als sneeuw.
Uit
het evangelie volgens Marcus
9, 2-10
Zes
dagen later nam Jezus Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee een hoge berg
op, waar ze helemaal alleen waren. Voor hun ogen veranderde Hij van gedaante,
zijn kleren gingen helder wit glanzen, zo wit als geen enkele wolwasser op
aarde voor elkaar zou kunnen krijgen.
Toen verscheen Elia aan hen, samen met Mozes, en ze spraken met Jezus.
Petrus nam het woord en zei tegen Jezus: ‘Rabbi, het is goed dat wij hier zijn;
laten we drie tenten opslaan, een voor U, een voor Mozes en een voor Elia.’ Hij
wist niet goed wat hij moest zeggen, want ze waren door schrik overweldigd.
Toen viel de schaduw van een wolk over hen, en uit de wolk klonk een stem: ‘Dit
is mijn geliefde Zoon, luister naar Hem!’
Ze keken om zich heen en zagen opeens niemand meer, behalve Jezus, die nog bij
hen stond.
Toen ze de berg afdaalden, zei Hij tegen hen dat ze aan niemand mochten
vertellen wat ze hadden gezien voordat de Mensenzoon uit de dood zou zijn
opgestaan.
Ze namen zijn woorden ter harte, maar vroegen zich onder elkaar wel
af wat hij bedoelde met deze opstanding uit de dood.
Jezus neemt drie van zijn leerlingen mee naar de berg Tabor. Zij mogen als het ware een blik vooruit werpen, Jezus als God ervaren en zien waar dit alles op zal eindigen: zijn verheerlijking.
Soms overvallen ons bepaalde gebeurtenissen waarvan wij slechts achteraf de diepe zin ontdekken. Zo hebben de drie uitverkoren leerlingen, Petrus, Jakobus en Johannes, het Tabor-gebeuren ervaren. De verblindende helderheid waarmee Jezus hen zijn waar gelaat van God laat zien overrompelt hen zo, dat zij dit mooie moment willen vasthouden. Zij voelen zich op hun bestemming. Waarom nog verder gaan? Zonder de pijn en het lijden van Goede Vrijdag zouden zij Pasen willen vieren. In deze voorafbeelding van zijn verrijzenis gunt Jezus ons een blik achter de schermen van onze eeuwige toekomst. Maar met Hem moeten wij ook de weg naar Jeruzalem gaan, de weg van een consequent geloof tot het uiterste.





