Uit
het evangelie volgens Matteüs
13, 31-35
Jezus hield de mensen
deze gelijkenis voor:
‘Het koninkrijk van de hemel lijkt op een zaadje van de mosterdplant dat iemand
meenam en in zijn akker zaaide. Het is weliswaar het kleinste van alle zaden,
maar het groeit uit tot de grootste onder de planten. Het wordt een struik, en
de vogels van de hemel komen nestelen in de takken.’
Hij vertelde hun een andere gelijkenis: ‘Het koninkrijk van de hemel lijkt op
zuurdesem die door een vrouw met drie zakken meel werd vermengd tot alle meel
doordesemd was.’
Al deze dingen zei Jezus in gelijkenissen tot de menigte; Hij sprak uitsluitend
in gelijkenissen tot hen. Zo ging in vervulling wat gezegd is door de profeet:
‘Ik zal het woord nemen en spreken in gelijkenissen; Ik zal bekendmaken wat
sinds de grondvesting van de wereld verborgen was.’
De parabels van het mosterdzaadje
en van de gist duiden op het povere begin van het koninkrijk en op de grootse
toekomst die het beloofd werd. Het groeit, langzaam maar zeer beslist. Het
doordringt heel het leven als een gist.
God heeft ons in zijn goedheid geplant met de bedoeling een boom te worden met
uitgestrekte takken waar vele vogels in kunnen komen rusten.
De mens is zowel boom als vogel. We mogen boom zijn voor elkaar en we mogen ook
in elkaars takken komen rusten.
Vraag
is: zijn we die boom ook werkelijk voor elkaar... Mag iedere medemens (niet
enkel degene waarvoor we sympathie voelen maar ook degenen waarmee we het
moeilijk hebben) in onze takken komen rusten... Of zeggen we: nee, enkel hij en
zij, maar zeker niet die daar, of die ginder. Dit laatste kan een keuze zijn,
maar het is niet echt evangelisch te noemen. Een christen opent zijn hart voor
ieder, hoe menselijk de natuurlijke voorkeur ook is. Een christen zou dit in
naam van Jezus moeten kunnen overstijgen en zijn hart openen voor ieder, ook
voor hem of haar waar we niet zo van houden (om welke reden ook).
Hoe
lopen we over straat, hoe kijken we naar onze collega's, onze broeders of
zusters in de gemeenschap,... Kijken we naar hen met de ogen van Jezus, gaan we
hen beminnen met het hart van Hem, of gaan we weer die keuzes maken van die wel
en die niet.
Laten we elkaar ontmoeten met en in de liefde van de Heer; elkaar opnemend,
elkaar de vrede wensend, elkaar vergevend.
Zovelen
in deze wereld verlangen naar dergelijke mensen. Velen zijn vogels die moe zijn
van het vliegen. Ze vinden geen boom waar ze kunnen tot rust komen, niemand die
hen echt wil. Ze moeten al naar bepaalde centra vliegen om wat warmte en
voedsel te krijgen.
Laten we als christenen toch bomen zijn voor elkaar, bijzonder voor hen die moe
zijn van het vliegen.
Laat
ons evangelie worden.