Toen Jezus en de
leerlingen zich weer bij de mensenmassa voegden, kwam er iemand naar Hem toe
die voor Hem op zijn knieën viel en zei: ‘Heer, heb medelijden met mijn zoon,
want hij is maanziek en lijdt daar erg onder; hij valt dikwijls in het vuur of
in het water. Ik heb hem bij uw leerlingen gebracht, maar zij konden hem niet
genezen.’
Jezus antwoordde: ‘Wat zijn jullie toch een ongelovig en dwars volk, hoe lang
moet Ik nog bij jullie blijven? Hoe lang moet Ik jullie nog verdragen? Breng
hem bij me.’
Daarop sprak Jezus de demon op strenge toon toe. Deze ging uit de jongen weg,
en vanaf dat moment was hij genezen.
Later kwamen de leerlingen naar Jezus toe.
Eenmaal met Hem alleen vroegen ze: ‘Waarom konden wij die geest niet
uitdrijven?’
Hij antwoordde: ‘Vanwege jullie gebrek aan geloof. Ik verzeker jullie: als
jullie geloof hebben als een mosterdzaadje, dan zullen jullie tegen die berg
zeggen: “Verplaats je van hier naar daar!” en dan zal hij zich verplaatsen.
Niets zal voor jullie onmogelijk zijn.’
Gebrek aan
geloof maakt het de leerlingen onmogelijk om de zin te ontdekken van de
wonderen in Christus' zending. Zijn werken zijn niet enkel gebaseerd op
wonderen, maar vooral op de aanwezigheid van zijn Geest. Deze bewerkt het
geloof en doet alles zien met de ogen van God.
Twijfel is niet het tegendeel van geloof, maar een wezenlijk bestanddeel
ervan. Moest het geloof een zomaar vanzelfsprekende zaak zijn zou de mens niet
groeien. Juist doorheen twijfel maakt God ons sterk en volwassen, leert Hij ons
geloven, los van gevoelens, maar enkel gericht op Hem, vanuit zijn aanwezigheid
in ons.
Geloof is tegelijk een gave én een act van de mens.
Het is gave omdat de mens niet zou kunnen geloven zonder dat God zijn Geest in
ons hart heeft gelegd. Het is de Geest die ons naar God zal wenden, Hij zal ons
leren bidden, Hij zal dat in ons doen.
Maar geloof is ook een act van de mens. De mens moet kiezen om te geloven, hij
moet het willen, hij moet willen meewerken met de Geest. De mens kan namelijk
ook 'nee' zeggen, en dan zal God zich in de meeste gevallen ook nederig
afzijdig houden. Hij respecteert de vrijheid van de mens. Dat afzijdig houden
is echter geen passief gebeuren van God. In alle deemoed zal Hij in al zijn
liefde blijven aankloppen aan de deur van ons hart, tot we opendoen en Hem
welkom heten. Hij dorst naar ons.
Geloof is een houding van overgave. Ik 'geloof' is een beweging van de mens naar God toe,
nadat God een beweging heeft gedaan naar de mens toe. Het is op zijn
uitnodiging, zeg maar door de inwoning van de Geest, dat wij kunnen zeggen: 'Ik
geef mijn hart aan U'.
Wie dit nederig kan, in een diepe stille overgave, in een werkelijk bewustzijn
dat God hem in zich wilt opnemen, zal de genade van groei ontvangen. Het kan
gepaard gaan met een stille ervaring van 'alleluja', maar het kan evengoed
gepaard gaan met woestijn, met een zwijgen van de Heer, wat ons kan doen
twijfelen. Hier is God de liefdevolle opvoeder. Trouw en discipline zijn hier
de sleutelwoorden om deze tijd van woestijn in liefde te kunnen aanvaarden,
gelovend dat God met ons, de Kerk, de wereld, bezig is.
Laat ons niet ophouden dagelijks te bidden, ook al zegt het ons bij
momenten misschien weinig.