“Zoals het water klinkt en het bruisen van de rivieren, zo treffen mij Uw beproevingen.” Psalmen 42:8 HTB
Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht
Psalmen 16:8 HTB
“Dag en nacht is de HERE de grootste in mijn leven; omdat Hij mij leidt, struikel ik niet.”
Uit het boek Spreuken
Uit het boek Spreuken
9, 1-6
Wijsheid heeft haar huis gebouwd, zeven zuilen heeft ze
uitgekapt. Ze heeft haar vee geslacht, haar wijn gemengd, haar tafel heeft ze
gedekt.
Haar dienaressen heeft zij de stad in gestuurd, zelf roept zij vanaf de hoogste
plaats: ‘Onnozele mensen, kom toch deze kant op.’
Wie geen verstand heeft roept ze toe: ‘Kom, eet het brood dat ik je geef,
drink de wijn die ik heb gemengd. Wees niet langer zo onnozel, leef, en betreed
de weg van het inzicht.’
Toen God door de Wijsheid zijn volk bezocht, was Hij het en niet de mensen, die het eerst het voedsel van inzicht en leven schonk. Toen Hij ons bezocht door zijn Zoon, heeft deze ons eigen lichaam en zijn eigen bloed als voedsel voor het eeuwig leven gegeven.
Uit het evangelie volgens Matteüs
Uit het evangelie volgens Matteüs
19, 3-12
Er kwamen enkele Farizeeën op Jezus af om Hem op de proef te
stellen. Ze vroegen: ‘Mag een man zijn vrouw om willekeurig welke reden
verstoten?’
Hij zei: ‘Hebt u niet gelezen dat de Schepper de mens bij het begin mannelijk
en vrouwelijk heeft gemaakt?’
En Hij vervolgde: ‘Daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten en zich
hechten aan zijn vrouw, en die twee zullen één worden; ze zijn dan niet langer
twee, maar één. Wat God heeft verbonden, mag een mens niet scheiden.’
Toen vroegen ze hem: ‘Waarom heeft Mozes dan voorgeschreven haar een
scheidingsbrief te geven en haar zo te verstoten?’
Hij antwoordde: ‘Omdat u harteloos en koppig bent, daarom heeft Mozes u
toegestaan uw vrouw te verstoten. Maar dat is niet vanaf het begin zo geweest.
Ik zeg u: wie zijn vrouw verstoot en met een ander trouwt, pleegt overspel,
tenzij er sprake was van een ongeoorloofde verbintenis.’
Hierop zeiden zijn leerlingen: ‘Als het met de verhouding tussen man en vrouw
zo gesteld is, kun je maar beter niet trouwen.’
Hij zei tegen hen: ‘Niet iedereen kan deze kwestie begrijpen, alleen degenen
aan wie het gegeven is: er zijn mannen die niet trouwen omdat ze onvruchtbaar
geboren werden, andere omdat ze door mensen onvruchtbaar gemaakt zijn, en er
zijn mannen die niet trouwen omdat ze zichzelf onvruchtbaar gemaakt hebben met
het oog op het Koninkrijk van de hemel. Laat wie bij machte is dit te begrijpen
het begrijpen!’
Het huwelijk is een onverbrekelijke band tussen man en vrouw. Zo heeft God het gewild. Het is geen eenvoudig kontrakt dat kan verbroken worden. God zelf was trouw tegenover zijn volk. Die trouw vraagt Hij ook van man en vrouw tegenover elkaar
Wanneer twee mensen verliefd worden kan het ervan komen dat ze kiezen om te trouwen. 'Zij ' kiezen, maar wat er gebeurt bij het altaar is niet van hen. God is daar werkzaam. Hij maakt deze twee mensen tot één. Zij doen dat niet zelf, het is iets dat aan hen gebeurt, puur gave. Dat is de kern van het sacrament van het huwelijk.
Bedoeling is dat de twee geliefden dagelijks putten uit dit sacrament. Het is zoals een doopsel, elk sacrament is een bron van levend water die niet ophoudt genade te schenken. Vandaar
het belang bij deze bron te blijven, in goede
en kwade dagen.
Dit laatste is niet vanzelfsprekend, een hele opdracht !
Liefde is gave, maar tevens een opgave, waar dagelijks aan gewerkt moet worden, waar veel in ver- en gedragen moet worden. Het is een weg waaraan getimmerd moet worden doorheen alle fases van het leven.
In het huwelijk kan een koppel getuigen van Gods trouw aan de mens. Zij zijn als het ware beeld van deze trouw.
2 Corinthiër 7:1 HTB
“Vrienden, omdat God ons zulke geweldige beloften heeft gedaan, moeten wij ons afkeren van alles wat ons lichamelijk en geestelijk bevuilt. Wij moeten onszelf reinigen door ontzag voor God te hebben en ons volkomen aan Hem te geven.” 2 Corinthiër 7:1 HTB
eerste brief van Paulus aan de Korintiërs
eerste brief van Paulus aan de Korintiërs
15, 20-26
Broeders en zusters,
Christus is werkelijk uit de dood opgewekt, als de eerste van de gestorvenen.
Zoals de dood er is gekomen door een mens, zo is ook de opstanding uit de dood
er gekomen door een mens. Zoals wij door Adam allen sterven, zo zullen wij door
Christus allen levend worden gemaakt.
Maar ieder op de voor hem bepaalde tijd: Christus als eerste en daarna, wanneer
Hij komt, zij die Hem toebehoren.
En dan komt het einde en draagt Hij het koningschap over aan God, de Vader,
nadat Hij alle heerschappij en elke macht en kracht vernietigd heeft.
Want Hij moet koning zijn totdat ‘God alle vijanden aan zijn voeten heeft
gelegd’. De laatste vijand die vernietigd wordt is de dood
Als eerste en voornaamste Christus, vervolgens zij die Christus toebehoren.
Openbaring 3.-20
Openbaring 3.-20
Ik sta voor de deur en klop aan. Als iemand mijn stem hoort en de deur opent, zal ik binnenkomen, en we zullen samen eten, ik met hem en hij met mij.
-- Hebreeen 13:5
Galaten 5.13-14
Galaten 5.13-14
Het Boek
Broeders, God heeft u niet de vrijheid gegeven om te misbruiken en uw eigen zin te doen, maar om elkaar te dienen in een geest van liefde.
De hele wet is immers samengevat in dit ene gebod: "Houd net zoveel van uw medemens als van uzelf."
Johannes 6.41-51
Johannes 6.41-51
De
Joden begonnen te protesteren omdat Jezus zei dat Hij het brood was dat uit de
hemel was neergedaald.
‘Dat is toch Jezus, de zoon van Jozef? We weten toch wie zijn vader en moeder
zijn? Hoe kan Hij dan zeggen dat Hij uit de hemel is neergedaald?’
Jezus zei: ‘Ik hoor u bezwaren maken. Toch kan niemand bij mij komen, tenzij de
Vader die mij gezonden heeft hem bij me brengt, en Ik zal hem op de laatste dag
tot leven wekken. Het staat geschreven in de Profeten: “Zij zullen allemaal
door God onderricht worden.” Iedereen die naar de Vader luistert en van Hem
leert komt bij mij. Niet dat iemand ooit de Vader gezien heeft – alleen hij die
van God komt, heeft Hem gezien. Waarachtig, Ik verzeker u: wie gelooft, heeft
eeuwig leven. Ik ben het brood dat leven geeft. Uw voorouders hebben in de
woestijn manna gegeten en toch zijn zij gestorven. Maar dit is het brood dat uit
de hemel is neergedaald; wie dit eet sterft niet. Ik ben het levende brood dat
uit de hemel is neergedaald; wanneer iemand dit brood eet zal hij eeuwig leven.
En het brood dat Ik zal geven voor het leven van de wereld, is mijn lichaam.
De eeuwige vraag omtrent Jezus luidt: staat Hij niet te dicht bij ons om van elders te komen? Is Hij niet te goed ingeburgerd op onze aarde om van God te komen? Nochtans door Christus trekt de Vader de mensen tot zich. Door Christus, gegeven als brood, schenkt de Vader aan de mensen het eeuwig leven.
Uit het evangelie volgens Matteüs17.14-20
Toen Jezus en de
leerlingen zich weer bij de mensenmassa voegden, kwam er iemand naar Hem toe
die voor Hem op zijn knieën viel en zei: ‘Heer, heb medelijden met mijn zoon,
want hij is maanziek en lijdt daar erg onder; hij valt dikwijls in het vuur of
in het water. Ik heb hem bij uw leerlingen gebracht, maar zij konden hem niet
genezen.’
Jezus antwoordde: ‘Wat zijn jullie toch een ongelovig en dwars volk, hoe lang
moet Ik nog bij jullie blijven? Hoe lang moet Ik jullie nog verdragen? Breng
hem bij me.’
Daarop sprak Jezus de demon op strenge toon toe. Deze ging uit de jongen weg,
en vanaf dat moment was hij genezen.
Later kwamen de leerlingen naar Jezus toe.
Eenmaal met Hem alleen vroegen ze: ‘Waarom konden wij die geest niet
uitdrijven?’
Hij antwoordde: ‘Vanwege jullie gebrek aan geloof. Ik verzeker jullie: als
jullie geloof hebben als een mosterdzaadje, dan zullen jullie tegen die berg
zeggen: “Verplaats je van hier naar daar!” en dan zal hij zich verplaatsen.
Niets zal voor jullie onmogelijk zijn.’
Gebrek aan geloof maakt het de leerlingen onmogelijk om de zin te ontdekken van de wonderen in Christus' zending. Zijn werken zijn niet enkel gebaseerd op wonderen, maar vooral op de aanwezigheid van zijn Geest. Deze bewerkt het geloof en doet alles zien met de ogen van God.
Twijfel is niet het tegendeel van geloof, maar een wezenlijk bestanddeel ervan. Moest het geloof een zomaar vanzelfsprekende zaak zijn zou de mens niet groeien. Juist doorheen twijfel maakt God ons sterk en volwassen, leert Hij ons geloven, los van gevoelens, maar enkel gericht op Hem, vanuit zijn aanwezigheid in ons.
Geloof is tegelijk een gave én een act van de mens.
Het is gave omdat de mens niet zou kunnen geloven zonder dat God zijn Geest in
ons hart heeft gelegd. Het is de Geest die ons naar God zal wenden, Hij zal ons
leren bidden, Hij zal dat in ons doen.
Maar geloof is ook een act van de mens. De mens moet kiezen om te geloven, hij
moet het willen, hij moet willen meewerken met de Geest. De mens kan namelijk
ook 'nee' zeggen, en dan zal God zich in de meeste gevallen ook nederig
afzijdig houden. Hij respecteert de vrijheid van de mens. Dat afzijdig houden
is echter geen passief gebeuren van God. In alle deemoed zal Hij in al zijn
liefde blijven aankloppen aan de deur van ons hart, tot we opendoen en Hem
welkom heten. Hij dorst naar ons.
Geloof is een houding van overgave. Ik 'geloof' is een beweging van de mens naar God toe,
nadat God een beweging heeft gedaan naar de mens toe. Het is op zijn
uitnodiging, zeg maar door de inwoning van de Geest, dat wij kunnen zeggen: 'Ik
geef mijn hart aan U'.
Wie dit nederig kan, in een diepe stille overgave, in een werkelijk bewustzijn
dat God hem in zich wilt opnemen, zal de genade van groei ontvangen. Het kan
gepaard gaan met een stille ervaring van 'alleluja', maar het kan evengoed
gepaard gaan met woestijn, met een zwijgen van de Heer, wat ons kan doen
twijfelen. Hier is God de liefdevolle opvoeder. Trouw en discipline zijn hier
de sleutelwoorden om deze tijd van woestijn in liefde te kunnen aanvaarden,
gelovend dat God met ons, de Kerk, de wereld, bezig is.
Laat ons niet ophouden dagelijks te bidden, ook al zegt het ons bij momenten misschien weinig.
Johannes 12.24
Johannes 12.24
'Waarachtig Ik verzeker u: als een graankorrel niet
in de aarde valt en sterft, blijft het één graankorrel,
maar wanneer hij sterft draagt hij veel vrucht.'
miike mantel

mieke mantel
Romeinen 12.18
Romeinen 12.18
Stel, voor zover het in uw macht ligt, alles in het
werk om met alle mensen in vrede te leven.
Johannes 15.9-13
Johannes 15.9-13
'Ik heb jullie liefgehad, zoals de Vader mij heeft liefgehad.
Blijf in mijn liefde. Je blijft in mijn liefde als je je aan mijn
geboden houdt, zoals Ik me ook aan de geboden van mijn
Vader gehouden heb en in zijn liefde blijf.
Dit zeg Ik tegen jullie om je mijn vreugde te geven, dan zal
je vreugde volkomen zijn.
Mijn gebod is dat jullie elkaar liefhebben zoals Ik jullie heb
liefgehad. Er is geen grotere liefde dan je leven te geven voor
je vrienden.'
Uit het boek Daniël
Uit
het boek Daniël
7, 9-10 + 13-14
In mijn visioen zag ik
dat er tronen werden neergezet en dat er een oude wijze plaatsnam. Zijn kleed
was wit als sneeuw, zijn hoofdhaar als zuivere wol. Zijn troon bestond uit
vuurvlammen, de wielen uit laaiend vuur. Een rivier van vuur welde op en
stroomde voor hem uit. Duizend maal duizenden dienden hem, tienduizend maal
tienduizenden stonden voor hem. Het hof nam plaats en de boeken werden geopend.
In mijn nachtelijke visioenen zag ik dat er met de wolken van de hemel iemand
kwam die eruitzag als een mens. Hij naderde de oude wijze en werd voor hem
geleid. Hem werden macht, eer en het koningschap verleend, en alle volken en
naties, welke taal zij ook spraken, dienden hem. Zijn heerschappij was een
eeuwige heerschappij die nooit ten einde zou komen, zijn koningschap zou nooit
te gronde gaan.
Zijn kleed was wit als sneeuw.
Uit
het evangelie volgens Marcus
9, 2-10
Zes
dagen later nam Jezus Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee een hoge berg
op, waar ze helemaal alleen waren. Voor hun ogen veranderde Hij van gedaante,
zijn kleren gingen helder wit glanzen, zo wit als geen enkele wolwasser op
aarde voor elkaar zou kunnen krijgen.
Toen verscheen Elia aan hen, samen met Mozes, en ze spraken met Jezus.
Petrus nam het woord en zei tegen Jezus: ‘Rabbi, het is goed dat wij hier zijn;
laten we drie tenten opslaan, een voor U, een voor Mozes en een voor Elia.’ Hij
wist niet goed wat hij moest zeggen, want ze waren door schrik overweldigd.
Toen viel de schaduw van een wolk over hen, en uit de wolk klonk een stem: ‘Dit
is mijn geliefde Zoon, luister naar Hem!’
Ze keken om zich heen en zagen opeens niemand meer, behalve Jezus, die nog bij
hen stond.
Toen ze de berg afdaalden, zei Hij tegen hen dat ze aan niemand mochten
vertellen wat ze hadden gezien voordat de Mensenzoon uit de dood zou zijn
opgestaan.
Ze namen zijn woorden ter harte, maar vroegen zich onder elkaar wel
af wat hij bedoelde met deze opstanding uit de dood.
Jezus neemt drie van zijn leerlingen mee naar de berg Tabor. Zij mogen als het ware een blik vooruit werpen, Jezus als God ervaren en zien waar dit alles op zal eindigen: zijn verheerlijking.
Soms overvallen ons bepaalde gebeurtenissen waarvan wij slechts achteraf de diepe zin ontdekken. Zo hebben de drie uitverkoren leerlingen, Petrus, Jakobus en Johannes, het Tabor-gebeuren ervaren. De verblindende helderheid waarmee Jezus hen zijn waar gelaat van God laat zien overrompelt hen zo, dat zij dit mooie moment willen vasthouden. Zij voelen zich op hun bestemming. Waarom nog verder gaan? Zonder de pijn en het lijden van Goede Vrijdag zouden zij Pasen willen vieren. In deze voorafbeelding van zijn verrijzenis gunt Jezus ons een blik achter de schermen van onze eeuwige toekomst. Maar met Hem moeten wij ook de weg naar Jeruzalem gaan, de weg van een consequent geloof tot het uiterste.
Johannes 6.27
Johannes 6.27
'U moet geen moeite doen voor voedsel dat vergaat,
maar voor voedsel dat niet vergaat en eeuwig leven geeft;
de Mensenzoon zal het u geven, want de Vader, God zelf,
heeft Hem die volmacht gegeven.'
miike mantel

mieke mantel
1 Samuël 16:7 HTB
“Maar de HERE zei tegen hem: "Beoordeel een man niet op zijn uiterlijk of zijn lengte, want dit is niet de man die Ik bedoel. Ik beslis op andere gronden dan u! De mensen beoordelen iemand naar zijn uiterlijk, maar Ik kijk naar zijn gedachten en hoe hij innerlijk is.”
Jesaja 29.16
Jesaja 29.16
Wat halen zij zich toch in het hoofd! Is Hij, de pottenbakker, niet veel belangrijker dan de potten die Hij maakt? Zult u tegen Hem zeggen: "Hij heeft ons niet gemaakt?"


