GA TOT DE MIEREN
GA TOT DE MIEREN
De Spreukendichter zegt van de mieren dat ze in de zomer hun spijs bereiden (Spr. 30:25). Een prachtig voorbeeld hiervan zijn de zogenaamde graanverzamelende mieren die vooral in de landen om de Middellandse Zee voorkomen. In lange rijen trekken deze mieren er op uit. Nadat ze een heel eind gelopen hebben, verspreiden ze zich over een vlakte en gaan ze op zoek naar zaden. Allerlei zaden worden door hen meegedragen. Sommige zaden zijn zo groot, dat zij ze met moeite mee kunnen slepen. Soms vergissen ze zich en slepen ze een zandkorrel of een klein slakkenhuisje mee. In het nest wordt alles gesorteerd. Wat ze niet kunnen gebruiken, wordt naar buiten gewerkt. Ook ontkiemende zaden worden naar buiten getransporteerd om daar te drogen, terwijl de kiempjes eraf worden gebeten. In het nest heerst een ver doorgevoerde arbeidsverdeling. Soms gaan de mieren op rooftocht en plunderen ze de graankamers van een andere kolonie. Zo'n strijd tussen twee kolonies kan weken duren.
Een andere soort van mieren zijn de zogenaamde 'kwekers'. Zij komen voor in de tropische bossen van Zuid-Amerika. De 'arbeidsters' onder hen trekken er op uit, begeleid door 'soldaten'. Zij klimmen naar de kruinen van de bomen en verzamelen daar stukjes van de bladeren. Hun kaken zijn daar heel geschikt voor. Het stukje blad dat ze meenemen, is vaak wel viermaal zo groot als de mier zelf. Met veel moeite en volharding dragen zij hun blaadjes over alle hindernissen heen naar hun nest.
Hun nest bestaat uit een grote verzameling van holen. De meeste holen worden gevuld met bladmoes, dat een sponsachtige massa vormt. Op deze groene massa wordt een schimmelcultuur aangebracht. De schimmeldraden vinden een uitstekende voedingsbodem. Ze brengen witte knopjes voort, die het voedsel vormen voor de mieren. Alle onkruid wordt gewied. Na enige tijd verliest het bladmoes zijn voedingskracht. Het bruine stukje wordt dan vervangen door een vers blaadje. De 'werksters' zorgen er dan direct voor dat er nieuwe schimmeldraden in worden gestoken.
Een derde groep van interessante mieren zijn de zogenaamde 'veehouders'. Deze gele weidemier komt in ons land veel voor. Deze mieren schuwen het licht. Tussen het gras van de weiden maken zij een hoop aarde, die uit gangen en kamers bestaat. De wortels van het gras lopen erdoorheen. Op deze wortels leven allerlei soorten luizen. Die luizen kunnen als 'vee' voor deze mieren gezien worden. De sappen die door de luizen uit de wortels gezogen worden, gaan door hun lichaam en worden daarna als een zoete vloeistof aan de weidemieren afgegeven. Af en toe laten de luizen zich gewillig door de mieren naar een andere plaats brengen. Er is ook een soort mieren dat 'stallen' bouwt, die door overdekte gangen met elkaar verbonden zijn. Een 'stal' wordt als een kamer van aarde rondom de luizen gemaakt. Overal waar bladluizen zijn, kan men ook mieren vinden. Als er een stroom van mieren tegen een boom opklimt, zijn er vast en zeker in die boom ook luizen. Wie tot de mieren gaat, ontdekt de wijsheid van de Schepper.




