VAN MIJN GELOOF GEVALLEN..
Het is 1960 en Sinterklaastijd. Het is overal
koud in huis: alleen in de woonkeuken brandt
de oude TEBO-kachel. Daar omheen staat een
rekje voor de natte was: Als de kachel roodgloei-
end is, zie je soms dat de damp uit de natte was
slaat. Zo heel breed hadden we het niet en onze
verlanglijstjes voor Sinterklaas bevatten dan ook
niet zulke hele dure wensen. Mijn ouders zeiden
altijd dat Sinterklaas het meest van tevreden
kinderen hield en dat we daarom maar niet te
dure dingen moesten vragen.
Maar goed, het was dus weer Sinterklaastijd. Na
het eten en de afwas kwam mijn moeder een
luier tekort voor het verschonen van de jongste
en ze vroeg mij om er eentje uit de slaapkamer
boven te halen.
Het was donker, de wind floot om het huis en
ik hoopte maar dat Sint en Piet niet op het dak
waren: mijn geweten voelde zich niet helemaal.
vrij en wie weet, moest ik mee naar Spanje. Met
een bonkend hart ging ik snel naar boven en
haalde de gevraagde spullen op. Toen ik bene-
den kwam, klopte er opeens iemand op de deur.
U raad het al, we kregen bezoek van de Sint en
zijn knecht.Wat mij opviel, was dat de jurk van Sinterklaas
veel leek op de beddensprei van mijn vader en
moeder, maar die kon het niet zijn, want ik was
zojuist nog op die kamer geweest. Ik moest dicht
bij de Sint komen, samen met mijn broer. Hem
was blijkbaar ook het één en ander opgevallen,
want hij bleef maar staren naar de schoenen
van Sint. Met een onschuldig stemmetje zei hij:
'Sinterklaas heeft buurmans schoenen aan.' Ja,
en toen wist ik het zeker. Het was waar wat ze
op school tegen mij hadden gezegd: 'Sinterklaas
bestaat niet.' Het waren echt de schoenen van
de buurman. Ik raadpleegde mijn moeder en ze
zei dat het zo was. Vanaf dat moment was ik dus
van mijn Sinterklaasgeloof gevallen. Het deed
best even pijn, dat gevoel dat zelfs je ouders je
zo voor de gek konden houden. Maar al gauw
deed ik mee met het spelletje, ik had per slot
van rekening nog vier jongere broers en zussen.
En het spelletje was best heel aardig.
Later in het leven leerde ik nog een ander geloof
kennen. Daarmee hebben mijn ouders me niet
bedrogen, ik ben nog nooit bedrogen uitgeko-
men tenminste. Ja, het liep wel eens anders dan
ik dacht, ook liet mijn geweten me wel eens niet
met rust en moest ik vaak om vergeving vragen.
Mijn geloof in Sinterklaas, die ik kon zien, ver-
dween omdat hij niet echt was gebleken. Mijn
geloof in de almachtige God, Die ik niet kon
zien, is gebleven. Hoe dat komt, weet ik niet,
maar ik ben ervan overtuigd dat Hij er Zelf voor
zorgt dat wij ons geborgen weten in het vertrou-
wen dat Hij alles eens nieuw zal maken. Per slot
van rekening is Hij de Schepper van hemel en
aarde, Die alle dingen draagt door het woord
van zijn kracht. Hij laat als het ware de aarde
draaien op de top van zijn pink.
Hij ziet volken als stofjes aan een weegschaal
... en toch heeft Hij ons lief. Van dat geloof wil
ik niet eens vallen, dat wordt me te gevaarlijk,
want wat moet ik zonder de wetenschap dat er
een Vader is die voor mij zorgt? Dan ben je toch
nergens meer?