AFVALWATER.
AFVALWATER.
Doodstil staat hij voor zich uit te staren. Net nog op één poot, nu op twee. Gespannen kijk ik toe hoe hij aan voedsel probeert te komen. Hij... onze reiger! Al een paar dagen staat hij op hetzelfde plekje aan de sloot naast ons huis. En ik was blij. Want een reiger bij de sloot betekent dat er vis of kikkers te vinden zijn, betekent dat het water van die sloot schoon genoeg is om erin te leven. Vooral blij, dat het ook een beetje aan mij ligt dat het water schoon is. Want ik woon op het platteland en ben niet aangesloten op de riolering. Al mijn afwaswater, het douchewater, alle waswater komt rechtstreeks in die sloot. Ieder voorjaar opnieuw wacht ik met spanning of er weer kikkerdril zal zijn en of er weer stekelbaarsjes rondzwemmen. Volg ik de sierlijke bewegingen van de watertorren en de vliegjes er vlak boven. Telkens let ik nauwkeurig op bij het inkopen van afwas- en wasmiddelen. Er mag niets schadelijks in zitten. Als je zo boven op de natuur woont, word je er ook extra met je neus opgedrukt. Lijkt het ook meer zin te hebben om je best te doen voor die natuur. Maar dat is natuurlijk onzin. In de stad is het net zo belangrijk. Of misschien nog wel belangrijker. Daar wonen immers veel meer mensen met veel meer afvalwater. En wie wil er niet eens dromerig uitkijken over een schitterende rivier, terwijl de vissen ringen maken op de oppervlakte... Opeens zie ik hoe de reiger zijn snavel in het water steekt en er met een visje uitkomt. Even doet het me verdriet. Dat is dan één visje minder. Maar zo is de natuur. En dat is goed. Als er tenminste evenwicht is. Voldoende vissen voor voldoende reigers. Even later vliegt hij opeens op. Onze reiger. En opnieuw ben ik onder de indruk van die prachtige, grote vogel. In dat prachtige, weidse landschap. Op deze aarde. Een geschenk van God. 'Maak er wat van', zei God, toen Hij de aarde aan de mensen gaf. Ik doe mijn best, God, ook al is het weinig. Maar... alle beetjes helpen.




