Hij voerde zijn volk uit met blijdschap.
Hij voerde zijn volk uit met blijdschap.
Na de dood van Jozef werden de Israëlieten in Egypte zwaar verdrukt. Maar God zond Mozes om hen uit die slavernij te bevrijden. De bevrijding kwam nadat God de Egyptenaren met tien plagen had getroffen. Na de laatste plaag, de dood van alle eerstgeborenen van Egypte, liet Farao hen gaan. De eerstgeborenen van Israël bleven in leven, omdat ze schuilden achter het bloed van het Paaslam. Daarna voerde God zijn volk uit de slavernij. Het leger van Farao verdronk in de Schelfzee. Mozes zong samen het hele volk Israël Gods lof.
Toen begon de zware tocht door de woestijn, waarin God iedere dag (en dat veertig jaar lang!) voorzag in al het nodige. Na veertig jaar vervulde God zijn belofte en ging Israël - opnieuw jubelend - het beloofde land binnen.
Kent u de parallellen tussen onze redding en die van de Israëlieten? Ook ons Paaslam is geslacht: Jezus Christus. Zijn bloed reinigt ons van alle zonden: als we schuilen achter zijn bloed, zijn wij veilig voor het oordeel. We zijn geen slaven van de zonde meer: Hij heeft ons bevrijd uit die slavernij!
Ook wij zijn onderweg naar het Beloofde Land: Hij heeft Zelf daar voor ons een plaats bereid. We reizen niet zomaar op eigen kracht een eigen route: we gaan onder zijn leiding. Hijzelf heeft ons beloofd dat we eenmaal veilig zullen aankomen in het Vaderhuis.
Onderweg voorziet Hij in alles wat we nodig hebben. Zoals de Israëlieten gevoed werden met manna, brood uit de hemel, zo mogen wij ons voeden met het Woord van God. Het water uit de steenrots volgde hen als een brede rivier; zo geeft de Heilige Geest ons steeds weer nieuwe kracht. Daarbij verwijst de rots naar Christus: zoals Mozes de rots sloeg, is ook Christus Jezus, de Rots, voor ons geslagen.
De weg die we gaan, is niet zonder hindernissen. Maar in de strijd tegen de vijand mogen we het Woord van God als een zwaard gebruiken.
En ook wij kunnen zingen. We trekken verder, terwijl we onze Redder danken!




