NIEUWE THUIS
Mijn pleegmoeder verzette zich tegen mijn verhuis naar mijn
moeder.
Even dacht ik dat het uit verdriet was, en ik zei haar dat ik haar niet zou
vergeten en nog vaak op bezoek zou komen.
Maar ze lachte en ze op venijnig toon dat ik een onnozel wicht was.
Ik ga de harde woordentwist tussen ons beide laten voor wat het was, voor nu
dan.
Later kom ik er nog op terug, want wat ze naar mijn hoofd slingerde was niet
eens zo absurd, al begreep ik pas later wat de werkelijke bedoeling ervan was.
Ik trok dus bij mijn moeder in.
En ik voelde mij de koning te rijk.
Ik was fier op alles.
Mijn moeder, mijn halfzus, zelfs op het appartement en zijn omgeving was ik
fier.
Fier dat ik er woonde.
Alleen met de partner van mijn moeder en zijn zoon wou het niet zo direct
klikken.
Wat het was kon ik niet uitleggen? Misschien was het intuïtie? Ik moest
hem niet.
En hoe vriendelijker beide tegen mij waren hoe meer ik afstand nam.
De partner zal ik voortaan F. noemen en zijn zoon E.
F. was minstens twintig jaar ouder dan mijn moeder.
Hij werkte niet want hij was oorlogsinvalide.
Hij had een kunstbeen ten gevolge van een opgelopen wonde in W.O.II
Hij had meegevochten met het Duitse leger tegen het Bolsjewisme
Her en der stond dan ook vlaggetjes met de Vlaamse leeuw erop afgebeeld.
Alles wat ik wist over de oorlog, wist ik uit de vertellingen van mijn pleegouders
en hun beste vrienden.
Beide mannen waren krijgsgevangene geweest en beide vrouwen waren hen achterna
gereisd.
Met z'n vieren waren ze kunnen vluchten, terug naar België, waar de mannen
waren gaan werken voor de Engelsen.
”Pa” moest zich meermaals gaan verstoppen voor de Gestapo.
Tijdens zijn werk voor de Engelsen werd hij gekwetst door een vliegende bom die viel aan "Het Schijnpoort".
Daarbij was ook hij zijn been kwijtgeraakt.
F. was een Brusselaar en sprak meestal Frans net als zijn
zoon. Al kenden beide heel goed het Nederlands.
F. was de ganse dag thuis en zat meestal te kijken naar de vissen in de
prachtige aquariums die tegen de muur van het appartement stonden.
In de spiegelende ruiten kon hij de ganse woonkamer overzien.
Elke dag speelde hij op pick-up Duitse
marsmuziek.
Ook hij vertelde vaak over de oorlog.
Toen ik hem het wedervaren van mijn pleegouders tijdens de oorlog vertelde,
verbood hij mij om nog over “die lafaards” te praten.
Daar schrok ik van en ik was ook danig geschrokken van zijn woede uitval.
Wat kon die man choleriek en fanatiek zijn als het over de oorlog ging!
Terwijl de verhalen van mijn pleegouders in feite voor mij één groot avontuur
leken en ik steeds geboeid zat te luisteren. Dat begon al niet goed!
Bijna elke avond, terwijl mijn moeder werken was, ging hij pokeren in café “De Leeuw van
Vlaanderen”
Een nogal berucht lokaal in Antwerpen.
Drinken deed hij ook in grote mate.
In feite had hij de ganse dag een glas Whisky bij de hand.
Daar mijn moeder ’s nachts werkte en overdag sliep zag ik hem meer dan haar.
Maar het was de manier waarop hij tegen mij sprak dat mij nog het meest
verwarde.
Zo wou hij niet dat R. elke dag of elk weekend kwam.
”Die jongen past niet bij jou” zei hij telkens.
”Jij bent veel te knap om met die kerel te lopen”
”En je bent nog zo jong”.
Dat, en meer, kreeg ik elke dag te horen van hem.
Ik dacht vaak bij mezelf, dat moesten ouders van R. eens weten. Want die waren reuze
blij dat ik bij mijn moeder was ingetrokken.
Natuurlijk wilde R. en ik mekaar zoveel mogelijk zien.
En als hij kon kwam hij mij ook van het werk halen, want ik woonde nu wel een
heel eind verder van de drukkerij
Dat zei ik dan ook tegen F.
En hij had al meteen de oplossing.
Er staat in de garage nog een mini fiets, die mag je gebruiken.
En als het slecht weer is kan je met de bus, of ik breng je weg en kom je
halen.
Ik durfde niet te weigeren of wou al niet meteen dwars gaan
liggen.
Dus gaf ik toe.
En het zou niet de laatste toegeving zijn die ik tegen mijn gevoelens in moest
doen.




















