MIJN KLVERTJE VIER


Een maand woonde ik reeds bij mijn moeder.
Zoals gezegd, veel zag ik haar niet, want toen ik thuiskwam van het werk, stond
zij klaar om te vertrekken naar haar “werk”.
En dat werk was niet helemaal van het soort dat je verwacht van je moeder.
Mijn pleegouders kregen dus gelijk met hun bewering dat ik
"een hoerenjong" was. Want mijn moeder werkte inderdaad als prostituee.
Al vind ik nog steeds dat het onterecht was van hen om mij die benaming toe te
spelen, maar enfin.
Zij had haar eigen bordeel in Brussel en werkte samen met nog twee andere meisjes.
Maar dat nam niet weg dat dit feit een danige desillusie was voor mij.
Ik had er heel wat moeite mee om het te aanvaarden.
Het tweede feit waar ik moeite mee had was dat ik tegen
niemand mocht zeggen dat ik haar dochter was.
Zo moest ik voor haar op een keer een paar panty’s halen bij de kapster op de
hoek van de straat.
”Als Anita moest vragen wie je bent, dan moet je zeggen dat je mijn nichtje
bent, de dochter van mijn broer.”
Die broer heette Lucien, was mijn peetoom, en woonde in Duitsland.
Bij hem had mijn moeder vele jaren gewoond en
daar had ze ook haar huidige partner leren kennen, de vader van mijn halfzus
J.
Ik heb die peetoom van mij nooit gehoord of gezien.
Dus ik naar het kapsalon op de hoek. Ik ga binnen en wat blijkt! De dochter van de eigenares is een vroegere klasgenoot uit de lagere school.
Het was enerzijds een leuk weerzien, anderzijds moest ik uitkijken wat ik zei.
Toen ik vroeg naar de panty’s van Loulou, want zo noemde iedereen mijn moeder,
kwam natuurlijk de gevreesde vraag.
”Ha, is die familie van jou?” Jullie lijken wel wat op elkaar nu je het zegt!”
Ik had zo graag naar waarheid geantwoord, maar besloot om het toch maar niet te
doen.
Dus zei ik haar met een brok in mijn keel dat ik het nichtje was.
Op de weg naar huis van mijn laatste werkdag reed ik tegen het portier van een auto op.
Meestal lette ik dubbel zo goed op wanneer ik een auto zag parkeren, maar dit keer was ik met mijn gedachten bij het gesprek dat ik later op de avond zou moeten voeren met mijn moeder. En vooral met haar partner F.Want het was hij die de scepter zwaaide in huis en mijn moeder knikte ja of nee op zijn commando.
Gevolg, het voorwiel van de mini-fiets was verbogen en ik had schrammen op
handen, ellebogen en knieën.
Daar het regende hing ik ook vol slijk.
De man was al even erg geschrokken als ikzelf, en bood aan om mij naar huis te
voeren.
Aan de deur gekomen belde ik aan om mijn moeder niet al te erg te laten schrikken wanneer ze me zag
maar het was F. die naar beneden kwam.
Nou, die man kreeg er behoorlijk van langs.
Het resultaat was dat de man geld bood aan F die het uiteindelijk aannam toen
bleek dat de man niet meer zou geven.
Bovengekomen werd het verslag van alles aan mijn moeder doorgegeven.
”Wat ga je doen met het geld”, vroeg mijn moeder.
”Winnen bij het pokeren” zei f.
Na het avondeten vertrokken beide. De éne naar het werk, de andere naar de kroeg.
En daar zat ik dan.
Samen met mijn halfzusje J.
R. wist nog niks af van het gebeurde want ik mocht hem niet zien door de week.
Ik voelde mij beetje bij beetje meer verloren.
Alles was mij zo vreemd! En ik had het mij allemaal toch zo anders voorgesteld!
Misschien was ik niet realistisch genoeg op mijn zeventiende. Ik had op zo veel
meer gehoopt.
Al wat ik vroeg was liefde.
Graag gezien worden door diegene voor wie het vanzelfsprekend zou moeten zijn.
Maar van vanzelfsprekendheid is in mijn leven nooit sprake geweest.
Waar en wanneer zou ik mijn klavertje vier vinden?
©Huismusje



















