MIJN OMA
...Of hoe ik aan de naam Lulu kom.
Tijdens mijn verblijf bij mijn moeder kwam het gesprek op mijn grootmoeder.
Ik had haar de vraag gesteld hoe het kwam dat zij een voorkeur had voor Franse
namen.
Ze vertelde me dat haar vader, mijn grootvader van Franse
origine was.
Verder wou ze niets kwijt over de man.
Wel liet ze me weten dat mijn grootmoeder gescheiden was van haar vader en dat zij ook een bar bezat in de stad, genaamd “Primavera” samen met haar tweede man.
”Waarom ga je haar niet eens bezoeken” zei ze me.
”Neem je zusje mee”.
Zo gezegd, zo gedaan!
In een zijstraat van het ‘De koninckplein had ze haar appartement en de bar lag daar schuin tegenover in een andere zijstraat.
Het was een typische bar.
Een raam met rode fluwelen gordijnen die wanneer opengeschoven waren werden
bijeengehouden met een gevlochten koord.
Aan beide zijden van het raam twee zetels in ‘Empire’ stijl en een klein rond
goudkleurig salontafeltje er tussenin. Pure kitsch dus.
Aan de buitenkant boven het raam de naam van de bar in knipperende blauwe neonletters.
En aan beide zijden van de glazen ingangsdeur een rode lantaarn.
Voor je het vertrek in kwam moest je ook door rode fluwelen
overgordijnen die met koperen ringen waren bevestigd aan een koperen staaf.
Het vertrek zelf was niet groter dan een toenmalige doorsnee
huiskamer.
En zo was het ook ingericht.
Tapijten op de vloer.
Aan de muren hier en daar een lampje met een rood kapje dat een diffuus
licht verspreidde.
Daar tussenin schilderijen met veel naakt.
In de éne hoek een rood lederen salon en een laag salontafeltje met wit
marmeren blad.
Recht tegenover het raam, een kleine ovalen toog van donker hout, bekleed met
rood fluweel aan de voorkant, het buffet met de vele flessen sterke drank bestond uit spiegelglas.
Achter die toog stond een kleine gezette vrouw, van een, voor mij althans,
respectabele leeftijd.
Pikzwarte haren, hoog opgestoken zoals toen de mode was.
Opzichtig geschminkt met veel zwart en op de lippen vuurrode lippenstift.
Een zwarte kanten blouse met diepe decolleté en een zwarte rok met hoge split
aan de voorkant.
Dat was mijn grootmoeder dus!
Zij stelde zich aan me voor als Ramona, wat haar werkelijke voornaam bleek te
zijn zoals ik later te weten komen.
In de zaak waren ook nog twee jonge vrouwen aanwezig die “haar meisjes” bleken
te zijn.
Mijn grootmoeder stelde mij aan hen voor.
”Dit is onze kleine Lulu, de oudste dochter van ons Loulou.”
Ik kreeg van elk een warme omhelzing.
Mijn grootmoeder deed alsof ik maar enkele weken afwezig was geweest en geen zeventien
jaar!
Het leek of het allemaal de normaalste zaak was….
dat ik effe binnen sprong om een goede dag te zeggen….?
En dat verwarde mij.
De verwelkoming was hartelijk, dat wel.
Maar er werd over het verleden met geen woord gerept.
Ik kreeg er de kans niet toe.
Dat die meisjes mijn moeder heel goed schenen te kennen vond
ik ook al raar.
Ze noemden haar dus Loulou, wat een afkorting was van haar werkelijke naam,
Marie-Louise.
En mij, alsof het altijd zo geweest was, Lulu.
Nu vond ik dat veel mooier klinken dan mijn werkelijke naam.
Temeer daar een niet Franstalige mijn naam veelal verschrikkelijk lelijk
uitspreekt.
Zo spraken mijn pleegouders hem uit als, Luchèn. En daar had ik een bloedhekel aan. (Mijn pleegbroer en pleegzuster spreken mijn naam trouwens nu nog zo uit.) Grrrr...ril ril ril. Vanaf toen noemde ik mezelf ook, Lulu.
Het is het enige positieve dat mijn moeder en grootmoeder
mij hebben bijgebracht.
Buiten dat ik éénmaal op mijn grootmoeders appartement ben geweest en daarna
werd getrakteerd op een ijsje in een chique ijssalon op de ‘Rooseveltplaats’,
heb ik nooit nog wat van haar vernomen.
Het bleef bij die twee ontmoetingen.
Ondertussen weet ik dat ze overleden is, zo ook de man waar ze toen samen mee
was en waarvan ik nooit de naam heb geweten.
In mijn gedachten zie ik hem als een grote struise man met hoed en bril.
Maar nu, zovele jaren later, vraag ik mij af of hij werkelijk zo groot en struis was.
Mijn grootmoeder echter staat op mijn netvlies gebrand.


















