INNERLIJKE PIJN
En waar ik voor gevreesd had werd waarheid.
Al wat ik te doen had was zoveel mogelijk geld binnenbrengen.
En dat deed ik dan ook maar zo goed als ik kon.
Op de koffie fabriek waren genoeg mogelijkheden om overuren te doen, dus deed ik er elke dag vier.
En gaf alle centen netjes af.
Moest daarbij m ’n eigen was en strijk doen, zoals vanouds.
Misschien dat er onder jullie lezers zijn die dit de dood normaalste zaak vinden. Ik vond dat niet. Al was het enkel maar omdat het allemaal gebeurde onder het motto: "Jij bent ons geld schuldig omdat wij jou ik huis hebben genomen." Liever had ik geien dat ze mij als baby aan de bevoegde instanties hadden toevertrouwd. Misschien was ik dan ergens terecht gekomen waar ik gewenst was. Misschien was mij dan heel veel ellende en verdriet bespaard gebleven.
Vaak moest ik die strijk nog doen voor ik naar het
werk vertrok, want ’s avonds was ik laat thuis wegens de overuren en stond de
kachel reeds op een laag vuur. (Strijken gebeurde toen nog met een ijzeren strijbout die verwarmd op de kachel.)
Dan maar mijn was doen ’s avonds, vaak tot laat in de nacht (wassen gebeurde toen nog allemaal op de hand) want het bleef
niet steeds bij mijn was alleen.
Zaterdagmorgen werkte ik ook op de fabriek.
En in de namiddag schuurde ik gang en
straat, ook als vanouds.
En dat was geen klein werkje want de deuren en de plinten moesten wekelijks
worden afgewassen, de rolluiken en de ramen aan de buitenkant.
De arduinen richel met blauwsel, en de kelder roosters met ammoniak.
Er restte mij dus geen tijd om zoals andere achttien- jarigen, naar de kapper te gaan of te gaan shoppen.
Mijn zakgeld was trouwens slechts twintig BF per week, iets dat in die tijd ook een aalmoes was.
Een cola kostte in die tijd -11BF.
Dus uitgaan moest ik ook al niet.
Gelukkig was er mijn moederke van het café die me gratis drankjes gaf.
Zodoende bracht ik de ganse zondag bij haar door.
Oom D. en nicht S waren daar dan ook steeds, en ’s avonds at ik bij hen.
Mijn pleegouders vonden dat goed geregeld zo... en ik ook.
Toen de baas eens opmerkte dat ik nu al wel een rijk meisje
zou zijn wegens de vele uren die ik werkte, schoten de tranen in m ’n ogen.
Verbaasd vroeg de goede man wat er aan de hand was? Hoe meer hij vroeg, hoe
harder ik begon te snotteren.
Met horten en stoten vertelde ik de ganse toedracht.
Meer dan twee uur heeft de man naar mijn relaas geluisterd,
Toenik zweeg bleef het heel lang stil.
Toen zei hij me dat hij mijn overuren apart zou uitbetalen.
”In het zwart” liet hij me weten, “maar vertel dit nooit aan je collega’s, want
ik doe dit enkel voor jou.”
”Zodoende kan je wat achterover drukken”….. En dat deed ik dan ook.
Echt goed voelde ik mij daarbij niet, maar het was haast een
kwestie van ‘overleven’.
Want heel vaak was er geen brood genoeg voor mij, en moest ik zonder
lunchpakket gaan werken.
Ik rookte, maar voor sigaretten moest ik steeds bij mijn pleegmoeder
bedelen. En als ze weer eens een slechte bui had, kreeg ik niets.
Wanneer er ’s avonds nog warm eten over was, had ik geluk, anders moest ik maar
wat bijeen zoeken.
Ongelooflijk, maar waar!
En zo ging er een halfjaar voorbij.
Zes maanden waarin ik een man leerde kennen.
Een relatie die al vlug weer afsprong omdat ik er niet klaar voor was.
Ik had geen liefde meer te geven.
Alles liet mij koud.
En zodoende wandelde ik het verkeerde pad op.
Een pad waarop ik enkel mezelf zou pijn doen.
Maar het leek wel alsof ik die pijn nodig had om te beseffen dat ik leefde!





