LAM GESLAGEN VLEUGELS
Na drie maanden verblijf in het ‘home zou ik op
weekend mogen naar mijn pleegouders.
Dat liet de jeugdrechter mij weten.
En ik telde de dagen af tot het zover zou zijn.
Als je jong bent gaan de uren en dagen zeer traag. Vooral als je sterk naar iets
verlangd.
Ondertussen ging mijn leven zijn gewone gangetje.
Werken, slapen eten, met zo nu en dan een uitstapje als ontspanning.
Al was "mijn gangetje”, de levenswandel van mijn “gewone”
vriendinnen in acht genomen, helemaal niet zo gewoon, .
Maar ik was het zo gewend. En ook al wist ik dat het anders en beter kon, ik had
mij er al lang bij neergelegd dat het mij niet verging zoals anderen.
"Je moet geloven in de toekomst" was mij al zo vaak gezegd. Dat probeerde ik dan ook met alle kracht die ik in me had.
Gelukkig had ik mijn fantasie die ik haalde uit romantische boekjes, want soms was de realiteit wel heel erg
hard.
Tot er weer wat gebeurde.
Iets dat ik in de stoutste dromen niet had durven dromen.
Dan sloeg de wrede realiteit weer toe.
En lachte de fantasie mij keihard uit!
Op een avond zat ik nog maar eens in een hoekje een super romantische boek te lezen toen de directrice van het home mij bij zich riep..
”Morgen moet jij om tien uur bij de jeugdrechter komen”…
Ha, dacht ik, eindelijk!
Want mijn drie maanden waren om.
Dus ook de "tijdelijke regeling".
En ik ging die avond naar bed met mooie gedachten en dromen over mijn toekomst.
Een opvoedster ging met mij mee naar het ‘Justitiepaleis’.
Weer wachten in die sombere lange gang met zijn veel te weinig houten banken
voor alle aanwezigen.
Ik zag meisjes en jongens passeren tussen rijkswachters, met of zonder
handboeien aan.
Sommigen kwamen al lachend terug buiten en werden omhelsd door moeder en/of vader.
Anderen kwamen minder vrolijk buiten.
Er waren er zelfs die een advocaat aan hun zijde hadden en ik vroeg mij
daarbij af wat die dan wel op hun kerfstok moesten hebben.
Mijn levensloop mocht dan niet lopen zoals het moest, met criminaliteit had ik
nooit te maken gehad.
Ik keek rond om te zien of mijn pleegouders ook aanwezig
waren, maar nee.
Toen ik daarover een vraag stelde aan de opvoedster kreeg ik geen antwoord.
Zij haalde haar schouders op en deed er verder het zwijgen toe.
De gang werd leger en lege en ik barstte
ondertussen van de zenuwen.
Waarom moesten we hier zijn om tien uur?
Het was ondertussen weeral bijna middag!
Uiteindelijk riep de klerk mijn naam af en mochten we naar binnen.
Daar zaten weer de jeugdrechter met zijn bijzitters in vol ornaat.
En wie ook aanwezig was, maar die ik eerst niet opmerkte, was de assistente
van mijn toeziende voogd.
Zij zat naast de deur zoals een waakhond.
Bekeek mij niet, maar verloor mij toch niet uit het oog.
Jeugdrechter Maes bekeek mij zoals hij alleen dat kon…..
...Zo een lange diepe blik die dwars door je heen scheen te gaan en waarbij je het
gevoel kreeg dat je op een nest mieren zat.
Zijn blik ging van mij naar een lijvig dossier dat voor hem lag.
Zwijgend begon hij te bladeren.
Na wat een eeuwigheid leek sloeg hij het dossier met een klap dicht en keek mij weer lang aan. Eindelijk deed hij zijn mond open!
Ik kreeg eerst de hele rimram over zijn "hoedanigheden". Dan het
verloop van mijn laatste maanden in "vrijheid" zoals hij het noemde, en
vervolgens een samenvatting over mijn verblijf in het home.
Er viel op mijn gedrag niets aan te merken, zei hij.
Mijn gedrag in het home was voortreffelijk geweest, maar…..
En nu gaat het komen, dacht ik... en het kwam ook... maar niet zoals ik gedacht
had!
Hij liet mij weten dat mijn verblijf in het home een noodoplossing was geweest.
Want een verblijf in het home moet betaald wegens privé.
Mijn moeder was onvermogend. (???...)
Mijn pleegouders waren evenmin in staat daartoe.
Derhalve zou ik in een staatsinstelling worden geplaatst tot mijn eenentwintigste
jaar.
De staatsinstelling zou St Margaretha van Cortona worden.
De wereld verging op dat moment!
De bodem werd weggeslagen onder mijn voeten.
Ik begon hysterisch te huilen toen de woorden van de jeugdrechter
weer tot mij door drogen.
Vluchten, hier weg, was alles wat ik nog kon denken.
Maar mijn benen wilden niet mee!
Al de rest ging als in een roes aan me voorbij.
Met de rijkswachter aan mijn ene zijde, en de assistente aan de andere, naar de
catacomben van het Justitiepaleis.
Van daaruit naar een politiecombi….de zij-ingang van het internaat.... het wachten in de gang tot de directrice het
dossier kon overnemen van de s.a…..de non die mij naar boven bracht…..die mij in de isoleercel plaatste... mij uitkleedde en de zware ijzeren deur achter mij op slot deed. Mij alleen liet met slechts één gedachte.... waar is iedereen.
Waar zijn diegene waar ik van hou? Waar zijn diegene die van mij houden?
"Ik maak mij van kant…. Nu maak ik mij van kant"!









