CONFRONTATIE


Jeugd slaapt overal en door alles heen.
Zo ook ik! Maar ik wist dat ik de confrontatie met F. en mijn moeder niet uit de weg zou kunnen gaan.
Ik was uiteindelijk op de zetel in slaap gevallen.
Tegen zes uur in de ochtend hoorde ik lawaai in de hal.
Toen ik ging kijken van waar het rumoer kwam, stonden mijn moeder en F met hun
onbruikbare sleutel in de hand.
Ze hadden reeds verwoede pogingen ondernomen om de deur van het appartement
open te maken, maar door het nieuwe slot dat ik had laten steken lukte hen dat
niet natuurlijk.
Ik opende de deur.
Dat had ik beter niet gedaan!
F. en mijn moeder stormden als twee gekken naar binnen en iepen van alles door mekaar.
Meer dan de helft van wat ze zegden ging aan mij voorbij, zo geschrokken was
ik.
Uiteindelijk kwam het er op neer dat wanneer ik daar wou blijven wonen, ik dan
de ganse huur maar moest betalen, alsook water, gas en licht.
Dat zou ik natuurlijk nooit kunnen.
Het appartement lag in een dure buurt en ik was pas zeventien, dus
minderjarig.
”Dan ga je vandaag nog buiten” zei F.
”Zo niet zal je beticht worden van diefstal”.
Ik stond nog steeds een beetje perplex. Diefstal?
”Jawel” zei F.
”Je moeder en ik zijn naar de politie geweest en het verdwijnen van onze
meubelen gaan aangeven. Als jij niet maakt dat je buiten bent wijzen we jou
aan als de dief.”
Ik geloofde mijn oren niet en stond doodsbang aan de grond genageld.
Het was pure bluf van hen want alle meubels stonden gewoon aan de overkant in
het appartement van F.
Maar dat wist ik toen natuurlijk niet.
En ik was doodsbang van de politie, gezien mijn slechte ervaring toen ze mij
naar het ‘home’ brachten.
Ik had daarbij in de cel gezeten in de catacomben van het ‘Justitiepaleis’ te
Antwerpen.
En ik had mij nog liever van kant gemaakt dan daar weer naartoe te moeten.
”En nu buiten” schreeuwde F.
Ik nam in paniek de vuilniszak met mijn kleren, en spurtte naar de deur.
”Hei, wacht eens” zei F, “kom eens terug”!
En weer had ik even de hoop dat het een spelletje was.
Dat om één of andere reden mijn moeder en F mij een lesje wilden leren.
En hoopvol ging ik terug naar binnen.
Maar mijn hoop was tevergeefs.
Mijn moeder had helemaal in het begin dat ik bij haar kwam
me twee gouden ringen gegeven.
Eén ring was van haar en er stond de letter L in gegraveerd.
De andere ring was van mijn grootmoeder geweest, en had een grote blauwe steen
gevat in draadgoud.
Hoewel ze iets te oud waren voor mij droeg ik ze elke dag.
Ik had nooit eender een ring of eender welk ander gouden juweel bezeten.
Ik was er dan ook apetrots op.
”Je sleutels afgeven” beet F me toe.
Toen ik die sleutels overhandigde viel zijn oog op beide ringen.
”En die ringen teruggeven”
”Nee”, zei mijn moeder.
”Die ringen heeft ze van mij en die blijven voor haar”.
Dat zijn de laatste woorden die ik van haar gehoord heb.
Buiten heel even, twee jaar later, was het de laatste maal dat ik mijn moeder
heb gezien of gehoord.















