NOODLOT (1)
Achttien jaar! Het leven moest in feite nog beginnen voor mij. Maar
ik had integendeel al een zware tijd achter de rug.
In de steek gelaten door moeder en vader.
Ondergebracht bij pleegouders, die naam onwaardig.
Verwaarloost, geslagen, uitgescholden en uitgespuugd.
Bepotelt door een perverse pleegoom….. opgesloten gezeten in home en gesticht….verkracht.
Ooit zou het tij keren, zo droomde ik, maar ik kon niet vermoeden dat ik er nog
jaren zou moeten op wachten. In feite wacht ik er al gans mijn leven op.
Want aan je noodlot kun je niet ontsnappen!
Het was de gewoonte om in het weekend met mijn Moederke na
sluitingstijd nog wat te gaan eten in de stad.
Zij was verlekkerd op kikkerbilletjes in looksaus, en die konden ze geweldig
klaarmaken in een restaurant nabij het De Coninckplein.
Enkele vaste klanten gingen dan gewoonlijk ook mee.
Omdat Moederke nog wat werk had voor ze kon afsluiten, werd er besloten dat ik met een van die vaste klanten vooruit zou rijden om plaats te gaan houden. (We waren altijd minstens met een man of tien.)
De bewuste chauffeur van die avond was vertegenwoordiger bij Morris Meubelen, en zijn achterbank lag dan ook
steeds stampvol.
Maar geen nood, want zijn auto had een bank uit een stuk voorin. Dus daar konden
we gemakkelijk met drie zitten.
Ik in het midden wegens de smalste. Dus wij vertrokken.
Aan het Ooststation, net voorbij het Erasmus ziekenhuis in Borgerhout, heeft
men nieuwe asfalt gelegd en verkeerslichten gezet.
Het licht springt net op groen voor ons en onze chauffeur rijd het kruispunt op.
Van rechts komt een auto met volle vaart door het rode licht gereden en ramt ons frontaal.
De klap was enorm.
Ik ben door de voorruit gekatapulteerd en de vrouw van de chauffeur werd door het portier
naar buiten geslingerd.
De chauffeur zelf had niets meer dan een verstuikte pols en bij zijn vrouw was haar schouder uit de kom
Bij mij echter was het andere koek.
Een jaap op mijn voorhoofd om u tegen de zeggen.
Mijn benen geschaafd waarbij het grint dat het nieuwe asfalt bedekte, diep in mijn wonden dringen
(Dat asfalt zit er trouwens nu nog, al zie je het een ietsje minder nu.)
Mijn jas en schoenen zijn aan flarden.
De tegenligger had als excuus dat zijn vrouw moest bevallen en daarom haast
had.
Ik moet enkele tijd het bewustzijn verloren hebben, want toen ik bijkwam had de
politie me op de vluchtheuvel gelegd.
Ik raak in paniek, want ik voel vochtigheid onder mijn benen doorlopen en ik denk dat
het mijn bloed is.
Maar het is benzine of water van eenn van de wagens.
Dan begint te regenen.
Een politieagent zet mij in de wagen van de chauffeur die ons heeft aangereden in afwachting tot de ambulance komt. Maar de hoogzwangere vrouw die op de achterbank ligt, begint als een gekkin te
krijsen wanneer ze mij ziet.
Gelukkig komen op dat moment de ziekenwagens aan.
Hoewel het Erasmus ziekenhuis vlakbij is, brengt men mij naar
het ‘Stuivenbergziekenhuis.’
Men naait de wonde dicht zonder verdoving, dat hoort zo als je gedronken hebt,
verklaart de dokter.
Ik zeg dat ik niet drink, ook nooit heb gedaan, maar hij is al begonnen, en werkt rustig
verder.
Ik verlies weer het bewustzijn.
Wanneer ik andermaal bijkom, lig ik op de gang op een bed.
Ik heb een schedelbreuk en een hersenschudding, zegt de non van dienst, maar er is geen plaats op de zaal.
(Later kom ik te weten dat er een oude vrouw op sterven ligt en dat men wacht
tot dat bed vrij is.)
Van die bewuste nacht en de daaropvolgende dag weet ik niet veel
meer.
Pas na twee dagen kan ik ietwat helder uit mijn ogen kijken.
Ik mag geen bezoek hebben. Iets wat een lachertje is want ik lig op een overbevolkte
ronde zaal en het scherm dat rond mijn bed staat houd het tumult niet tegen, net zo min als het plafondlicht dat pijnlijk is aan mijn ogen.
Ik klaag dat mijn benen pijn doen telkens ik ze beweeg.
Men komt tot de conclusie dat er nog glasscherven in mijn bed liggen
die uit mijn kleding waren gekomen.
Na vijf dagen mag ik uit bed en mag ik naar de badkamer.
Niemand heeft mij nachtkleding of toiletspullen gebracht, dus ik krijg die van
het ziekenhuis.
Ik kijk in de spiegel, en ken mezelf niet meer.
Mijn gezicht staat vol met bloedrode sneeën.
Een snee die dwars door mijn wenkbrauw loopt is genaaid. ook zo met een snee op mijn wang
De snede op mijn voorhoofd loop tot ver over mijn schedel en men heeft een deel van mijn
haren weggeschoren
De wonde loopt in een boog van het midden van mijn voorhoofd tot
aan mijn rechter wenkbrauw.
Wat niet rood ziet van het bloed, ziet zwart.
Ik had tot dan toe nog geen echt voedsel gekregen, enkel een soort pap. Ik zie nu waarom. Mijn tanden staan allemaal los.
Ik ga met de kam door mijn haren en ik zie ontsteld dat het met lange strengen in de kam blijft zitten.
Kapot gesneden door het glas van de autoruit.
Mijn mooie lange haren….. mijn tanden…..mijn gezicht...en de tranen barsten los.
Wordt vervolgt...
©Huismusje


