HOOP DOET LEVEN
Zo werd ik voor een tweede keer opgesloten als een crimineel in een cel in de catacomben van het “Justitiepaleis”
te Antwerpen.
Al wat ik kon doen was bang afwachten, en elke minuut leek eeuwen te duren.
Lieve deugd wat was ik bang!
Iets voor de middag ging de celdeur open.
Twee rijkswachters kwamen me ophalen.
Naar boven, naar het kabinet van jeugdrechter Maes.
Die was helemaal niet blij dat hij op een zaterdag werd opgetrommeld.
Ook zijn “bijzitters”, zagen er niet vrolijk uit.
Maar dat kon je van mij ook niet zeggen.
Toen we boven gekomen waren moest ik plaats nemen in de
gang en wachten tot ik werd binnen geroepen.
De twee rijkswachters bleven naast mij rechtstaan
Ik keek rond.
Had verwacht, en vooral gehoopt, dat R ook aanwezig zou zijn.
Of mijn moeder… mijn pleegouders…eender wie! Maar er was niemand. Ik zou het alleen moeten klaren. Maar ik had geen idee waarom ik hier zat. Hoewel....
....Ik was minderjarig, zeventien, en dus mocht ik niet samenwonen.
In normale omstandigheden zou daar geen haan naar gekraaid hebben, maar mijn geval was een geval apart.
Ik stond onder toezicht door de afwezigheid van een moeder of vader in mijn leven.
De jeugdrechter keek mij minutenlang zwijgend aan.
Wat hij te zien kreeg was een klein hoopje ellende dat
bang zat af te wachten op wat komen zou.
Toen hij uiteindelijk zijn mond open deed klonk hij toch vriendelijk.
“Bon” zei hij. (Dat was zijn stopwoordje wist ik ondertussen)
“Er is de afgelopen maanden voldoende bewezen dat je pleegouders niet in staat
zijn om jou in het nodige te voorzien en in wat ik in mijn hoedanigheid hen had
opgelegd te doen”.
”Dit is niet jouw schuld of fout”.
“En dat ik daartegen maatregelen moet treffen, is een zeer spijtige zaak”.
”Maar ik kan niet toelaten dat jij zonder toezicht verder gaat zoals je
nu placht te doen.
”Het is tevens wettelijk ontoelaatbaar en er is dan ook bezwaar tegen deze
feiten aangetekend”.
Dat laatste snapte ik niet helemaal, maar ik zat dan ook
ietwat wezenloos te luisteren.
”Vermits het weekend is" ging de jeugdrechter verder "heb ik voor volgende
noodoplossing beslist”: “IK JEUGDRECHTER MAES, ZETELEND……BESLIS HIERBIJ DAT GENAAMDE
MINDERJARIGE LUCIENNNE……ONDER DE TIJDELIJKE HOEDE ZAL WORDEN GEPLAATST IN HET
HOME WINGERDBLOEI……EN DIT TOT ER EEN DEFINITIEVE OPLOSSING WORDT GEVONDEN”
“HEREN" sprak hij tot de rijkswachters I"K DRAAG U HIERBIJ
OP OM DEZE MINDERJARIGE TE BEGELEIDEN TOT BESTEMMING”
Ik verwachtte nog een klop met zijn hamertje, maar dat bleef achterwege.
Hij stond op en verdween door een zijdeur met zijn gevolg in
zijn kielzog.
Waarschijnlijk ging hij terug naar huis, naar zijn familie.
En ik, ik had niemand om naartoe te gaan. En er was niemand die naar mij
toekwam.
De rijkswachters namen mij bij de armen, gingen met me terug naar de
kelders en zetten mij terug in een cel.
Eén van beide liet mij weten dat men eerst nog begeleiding moest zoeken om mij weg te kunnen brengen, maar dat er momenteel niemand vrij was.
Men beloofde dat men dit zo snel mogelijk zou doen.
En men liet deze keer de celdeur helemaal open staan.
Vrees dat ik zou vluchten moesten ze niet hebben.
Ten eerste had ik daarvoor noch de moed, noch de fut toe. En ten tweede, de
cellen werden nauwlettend bewaakt.
Ten derde, ik wist waar ik naar toe zou gaan.
En het maakte mij iets minder bevreesd, omdat ik het ‘home’ reeds kende.
Ik wist nu ook dat ik niet zou terugkeren naar “ons liefdesnestje”, zoals
R het steeds noemde.
Maar ik had tegen beter weten in de hoop dat dit toch vlug weer zou kunnen, want
de jeugdrechter had gesproken van een “tijdelijke oplossing”.
R zou mij wel komen verlossen.
Misschien zag ik hem straks al. Dan zou het allemaal wel in orde komen. Nu was het enkel nog wachten tot men mij kon wegbrengen, en ik keek er al naar
uit.
Het kon niet vlug genoeg gaan voor mij.
©Huismusje












