ONS FLATJE
Het huis was gebouwd na de oorlog en was hoewel niet ultra modern, ook niet zo heel oud.
Het had alles wat we nodig hadden. Tenslotte hadden we nog weinig of geen huisraad.
Maar dat was het minste van onze zorgen.
Zoals alle jonge mensen zaten we boordevol plannen, en hadden we een rotsvast vertrouwen in ons zelf en onze toekomst.
Toen ik mijn pleegouders op de hoogte bracht van onze plannen, gaven die geen krimp.
Het enige dat mijn pleegmoeder zei was dat ze blij was dat ik de ware aard van mijn moeder had leren kennen en dat ze hoopte dat ik wist waar ik aan begon.
Voor de rest zou ze ons geen duimbreed in de weg leggen.
Zo niet echter met de ouders van R.Van de ene op de andere dag was ik niet meer welkom in hun huis.
Maar dat maakte niets uit want we zaten toch elk vrij moment op ons appartementje.
Toen we op een keertje bij R thuis wat schildergerei moesten ophalen, bleef ik netjes in de auto zitten.
De moeder van R kwam met hoog rood aangelopen gezicht naar me toe.
Ze liet mij weten dat ik niet moest denken dat ik al gewonnen had.
Dat ze het niet zou toelaten dat ik de toekomst van haar zoon zou verknoeien.
”Je zal wel zien meisje, je gaat nog bittere tranen wenen en je mag weten dat ik daar voor zal zorgen”.
Ik lachte het weg.
Voelde mij sterk staan en dacht dat er me niets meer kon gebeuren.
Wat zou ze trouwens kunnen doen?
R en ik hielden van elkaar.
We wilden samen een toekomst opbouwen.
Wie zou ons daarbij kunnen in de weg kunnen staan?
Het was één van de mooiste periodes van mijn leven.
Het kiezen van de kleuren voor verf en behang.
De kleine keuken spulletjes die ik kocht van mijn schamel loontje.
De tweedehands meubeltjes die we her en der op de kop tikten.
De oude keukenkast, met glas in lood raampjes, en die we op straat vonden. Die we wit
schilderde en op de deurtjes kleefden we bloemen. Apetrots waren we op onze kast!
Van de beneden buur kregen we haar oude gordijnen en overgordijnen
Gaandeweg werd ons appartementje een paleis. In onze ogen dan toch. En we voelden ons superrijk.
Het enige struikelblok waren de grote meubelen.
De eetkamer, het salon, en heel belangrijk natuurlijk …..de
slaapkamer.
Wij wilden eindelijk eens naast elkaar wakker worden in een zacht bed.
Ons eigen bed.
R had in zijn ouderlijk huis een spiksplinternieuwe
slaapkamer, en hij was van het gedacht dat hij die, of zijn oude, wel zou meekrijgen.
Maar nada! Zijn ouders lagen op alle punten dwars.
”Dan maar mijn spaarcenten aanspreken” zei hij.
Maar ook dat feestje ging niet door want zijn ouders gaven geen toelating.
Maar waar een wil is, is een weg.
R liet weten dat hij zijn loon niet meer zou afgeven.
En met dat loon deden we een eerste aanbetaling voor onze mooie nieuwe
slaapkamer.
De rest zouden we betalen in termijnen. Zijn ouders waren furieus en ik kreeg alle zonden van Israël
over mij uitgestort.
Want het was natuurlijk allemaal mijn schuld!
Ik zette hun zoon aan tot die daden. Daden die hij anders nooit zou hebben
uitgevoerd moest hij mij niet kennen.
Ergens kan ik hen nu wel begrijpen. Want ik had geen nagel om aan
mijn gat te krabben. Niettegenstaande ik toch al van mijn veertiende werkte.
En de ouders van R hadden gedaan wat elke ouder doet, zij hadden gespaard voor
hun zoon.
Zij hadden ervoor gezorgd dat hij aan een toekomst kon beginnen zonder zorgen.
Alleen hadden ze daarbij een ander meisje in gedachten gehad en niet zo eentje als
ik die uit een armoedig en lamentabel nest kwam.
Ik zei mijn dienst op bij het dokters gezin en vond werk
enkele straten van onze woonst in een confiserie.
Het was natuurlijk makkelijk in die tijd om van de éne dag op de andere werk te
vinden.
We rekenden en berekenden en kwamen tot de slotsom dat we van mijn loon nog wel
wat tweedehands spulletjes zouden kunnen kopen.
We zouden het heel zuinig aan moeten doen en uitgaan was er niet meer bij. Maar dat gaf niet.
We hadden elkaar. En we waren niet uit op grote luxe.
Tv hadden we niet, maar we hadden een radio en een platendraaier.
En we hadden een jong stel leren kennen die het ook niet breed hadden.
We gingen om de beurt bij elkaar op bezoek.
Soms werd er gekaart, soms gingen we wandelen in de nabij gelegen parken.
Of we praatten over onze toekomst bij onze favoriete muziek met een hapje en
een drankje.
R en ik wilden nog geen kinderen, dus wilde ik de pil nemen.
Condooms vonden we jakkes en, om voor ‘het zingen de kerk uit te gaan, daarvoor waren we te onstuimig.
Maar toen ik bij de dokter mijn vraag stelde, bekeek die mij met een frons op zijn voorhoofd.
”Ik mag je die pil niet voorschrijven wegens minderjarig” zei hij.
Je moet toelating vragen aan je ouders.
Toen ik hem mijn situatie uitlegde, haalde hij zijn schouders op.
”Het spijt mij, het antwoord blijft nee”, liet hij mij weten.
Naar een andere dokter dan… en nog een andere… maar ik ving overal bot.
Tja, de tijden waren anders toen. En de moraal al helemaal.
Maar het zou al vlug blijken dat we ons daar geen zorgen moesten over maken.
Er hing een andere bijl boven mijn hoofd.














