DE POLITIE UW VRIEND?
Mei 1970
Ik tracht het laffe misbruik van Jef zover mogelijk weg te drukken.
De eerste twee weken lijkt het of iedereen het aan me kan zien, of iedereen er
over fluistert. Maar stilaan gaat dat gevoel ook voorbij.
Maar net wanneer ik het bijna een plaats kan geven, gebeurt er weer iets
waardoor dat nare moment levensgroot voor m ’n ogen staat.
Jef durft het niet meer riskeren om naar het café te komen.
En hoewel ik in het begin vrees dat hij me ergens zou staan opwachten,
blijft hij ver uit mijn buurt.
Waarschijnlijk bang om nog een pak slaag te krijgen
Maar de man liet het daar niet bij, en was klacht gaan neerleggen bij de politie voor slagen
en verwondingen.
Aan mijn pleegouders had ik van het ganse voorval niets
vertelt.
Omdat ik mij kon inbeelden hoe mijn pleegmoeder zou reageren.
Zij zou het mij verwijten en de fout bij mij leggen. En dat deed ik zelf al, dus
haar commentaar kon ik best missen.
Maar op een avond kwam ik van mijn werk en liet ze mij weten dat de
wijkagent aan de deur was geweest en dat ik naar het politiebureau moest
komen.
Pleeg-ma had aan de agent uitleg gevraagd maar die had niets los gelaten. Dus werden de vragen op mij afgevuurd.
Ik loog dat het ging om een café ruzie.
De schrik sloeg mij echter om het hart.
Het doembeeld van het internaat daagde voor mijn ogen op. Niet weer, dacht ik, a.u.b niet weer.
Op het politiebureau liet men me weten dat Jef klacht had
neergelegd tegen mij.
Volgens hem had ik de mannen ertoe aangezet om hem in mekaar te slaan.
De politiecommissaris die mijn dossier voor hem had liggen, behandelde mij als
vuil van de straat.
Groot machtsvertoon, dreigementen om mij achter de tralies te zetten als ik
niet de waarheid zou zeggen... enz.
Telkens ik mijn verhaal wilde doen onderbrak hij mij met een snauw.
”Ik ken jouw soort wel” zei hij.
Ik kreeg geen kans om ook maar iets te verduidelijken. Uiteindelijk legde hij me een verklaring
voor waar geen enkel woord instond van de ware toedracht.
“Hier tekenen” snauwde hij me toe, maar ik raapte al mijn
moed bijeen en weigerde.
De man werd nog kwader en gooide er nog enkele dreigementen bovenop. Maar ik tekende niet.
Van het politiebureau liep ik als een haas regelrecht naar mijn Moederke en
deed daar het relaas.
Jos aanhoorde alles en stapte ijlings naar het politiebureau met de woorden “Ik
kan even hard brullen als hij en luisteren zal hij”!
En zo gebeurde het ook.
Mijn verklaring werd opgemaakt en ik ondertekende ze.
Weken hoorde ik niets en zat ik met een bang hart af te
wachten wat er komen zou.
Toen kwam er weer een uitnodiging om naar het politiebureau te komen.
Jef zou zijn klacht laten vallen als ik mijn verklaring zou intrekken.
Maar dat wilde ik niet want het zou teveel lijken of ik had gelogen over het ganse
voorval.
De commissaris liet mij langs zijn neus weg weten dat de procureur de zaak heel waarschijnlijk toch zou seponeren.
Maar dat was mij om het even.
Uiteindelijk heb ik van de ganse zaak niets meer vernomen.
Er is inderdaad nooit een rechtszaak van gekomen.
En in feite was ik daar blij om. Langs de andere kant vraag ik mij nog steeds af of men bij een meisje met een andere
achtergrond dan ik... met ouders die voor haar zouden zijn opgekomen... men dit
ook zo maar terzijde zou gelegd hebben.
Ik geloof nog altijd van niet!



