ARBEID ADELT?
Anno 1969.
Bijna achttien jaar en nog steeds van mijn vrijheid berooft.
Onterecht berooft, zo meen ik, maar de kinderrechten lagen in die tijd
wel iets anders dan nu.
Ook onder het ouderlijke gezag werden de normen en waarden iets strenger gesteld
dan nu.
En wij kinderen van toen rebelleerden iets minder expliciet daarop.
Waarden zoals gehoorzaamheid, respect en beleefdheid naar volwassenen toe,
werd ons met de paplepel ingegeven.
En daar handelden wij ook naar.
Al was dat respect niet altijd wederkerig, zoals ik al zovele malen had moeten
ondervinden.
Mijn vrijheid werd iets verruimd door mij toe te staan de weekends
door te brengen bij mijn pleegouders.
Dit om de zes weken.
Het was een lange tussentijd, maar het was toch iets om naar uit te kijken.
Mijn eerste betrachting was om contact op te nemen met mijn eerste grote liefde
R.
Maar mijn zelfrespect weerhield mij daar uiteindelijk van.
Wel ging ik kijken naar ons “liefdenestje” zoals hij het zo graag noemde.
Maar al aan de buitenkant kon ik zien dat er ondertussen andere mensen
inwoonden.
Dit werd mij ook bevestigd door een toevallige voorbijgaande oude buur.
De ouders van R hadden de boel leeggehaald.
Zij hadden daarbij nog geen week gewacht.
Mijn spullen, gekregen van mijn vrienden of gekocht met mijn geld, hadden ze ook aangeslagen.
Zij meenden daar recht op te hebben zo lieten ze mij weten, twee jaar na datum
tijdens een toevallige ontmoeting op de wekelijkse markt.
En ik had geen zin om mij daar nog druk over te maken.
Gedane zaken nemen geen keer.
Tijdens die vrije weekends
verliep één en ander niet zoals het mij door de jeugdrechter was opgelegd.
Maar daarover later meer.
Ondertussen werd ik door de psychiater als “gehoorzaam en
volgzaam” bestempeld.
En omdat ik zo braaf en volgzaam was, zou ik worden beloond.
De beloning bestond eruit dat ik buitenhuis zou mogen gaan werken.
Waar en hoe bepaalden zij voor mij.
Ik had daarbij geen enkele inspraak. Tegenspraak evenwel zou ernstige gevolgen
hebben.
Wanneer ik niet akkoord zou gaan, dan zou ik niet meer op weekend mogen.
Dan zou ik geen bezoek meer mogen ontvangen.
Men kon mij het leven behoorlijk zuur maken en dat wilde ik ten allen koste vermijden.
Dus ik legde mij neer bij hun voorwaarden.
Die voorwaarden waren de volgende;
Ik zou te werk gesteld worden op de fabriek “Koffie Rombouts”.
Dit samen met nog drie andere meisjes van mijn afdeling.
Wij werden aan de poort van het internaat afgehaald door een taxi en werden
vervolgens afgezet voor de poort van de fabriek.
’s Avonds zelfde scenario in omgekeerde richting.
Het openbaar vervoer vond de nonnen geen geschikt transportmiddel voor ons.
We zouden teveel zien en horen vermoed ik.
En vooral zou men niet voldoende controle hebben gehad.
Wij kregen dagelijks een door de nonnen gemaakt lunchpakket mee, twee
sigaretten en vijf Belgische franken om een frisdrank te kopen.
Koffie kregen we gratis en zoveel we wilden op de fabriek tijdens de lunchpauze en ook zo om 10.u en om 15u.
We gebruikten die vijf frank dan ook meestal om een koek te kopen die men op de
fabriek tweemaal per dag te koop aanbood.
Ook konden we voor die vijf frank friet met mayonaise kopen in de gaarkeuken van de fabriek.
Of ook nog een grote kop soep.
Voor een volledige maaltijd, die men daar ook kon eten, was de vijf frank niet
toereikend.
Soms spaarden we die dagelijkse vijf frank ook op om een pakje sigaretten
te kopen, want rokers waren we vrijwel allemaal in die tijd.
We moesten die dan wel in ons kastje laten, want de non portierster
onderzocht je tas dagelijks bij het weerkeren 's avonds.
En al wat ze vond dat verboden was verdween voorgoed in haar kast.
En buiten je schort en je lege lunchdoos was vrijwel alles verboden.
Wat mijn uurloon was heb ik nooit geweten!
Elke veertien dagen kregen de werknemers hun loonzakje. In het midden van de maand een voorschot, en op het einde van de maand de rest.
We moesten dan aan de receptie gaan aanschuiven, je naam noemen,
papier tekenen, en dan kreeg je dat loonzakje met cash geld in je handen gestopt.
Als extraatje kreeg je van de baas ook een pak koffie mee.
Dat laatste was verbonden aan de jaren dienst.
Voor de nieuweling was er het ‘Groenmerk’, voor de oudgediende het ‘Goudmerk’.
Maar voor ons, "de meisjes van Cartouche" zoals we werden genoemd
op de fabriek, zat het enigszins anders.
Wij moesten ook aanschuiven aan de receptie.
Maar ons loonbriefje moeste we blind tekenen.
Dat wil zeggen, er werd een leeg blad papier overheen gelegd, en enkel de
plaats voor de handtekening kregen we te zien.
Ons loonzakje kregen we ook niet te zien. Dat werd
afgehaald door de non van dienst, inclusief het pakje koffie.
Zo heb ik nooit geweten wat mijn uurloon of maandloon was
tijdens mijn verblijf in het internaat.
Ik weet dat jaren na datum er een hele heisa is geweest met de directrice en de
staat.
Het ging om frauduleuze praktijken die zouden zijn gebeurt.
Geld dat er had moeten zijn, maar dat er niet was.
Ik heb er nooit het fijne van geweten, heb er mij ook nooit op toegelegd om het
te weten.
Feit is wel dat ik na die arbeid slechts -1200BF op mijn spaarboekje
had staan.
Een spaarboekje waar ik niet eerder aankon dan op mijn eenentwintigste en ook
nog eens de toelating van de jeugdrechter moest vragen.
Waarbij je met rode kaken voor de loketbediende stond omdat die je met een
scheve blik bekeek.
Tja, van vernedering weet ik alles!
Het was vernedering alom in de jaren van mijn jeugd.
©Huismusje







