Naar de inhoud

HUISMUJE'S TRIESTE JEUGD

IK HEB GEEN SPIJT VAN DE DINGEN DIE IK DEED!
ENKEL SPIJT VAN DE DINGEN DIE IK NALIET TE DOEN!
akke.beakke.be

Archief

EEN RUSTPUNT

Al mijn vrije tijd bracht ik door in het café van mijn moederke.
Vaak kwam ik nachten niet naar huis, maar geen mens die vroeg waar ik uithing.
Ik bracht geld binnen, deed mijn taken in de huishouding, en voor de rest liet men me lopen waar ik goed voor was.
En dat beviel me best want zo was ik het ook gewend.

Om niet als een klaploper beschouwd te worden hielp ik vaak in het cafe.
Zo poetste ik op zondagmorgen en deed om 11.00h de zaak open.
Het is zo dat ik de horeca microbe te pakken kreeg.
Zorgen dat alles netjes was, dat de glazen blonken, om dan met een vriendelijke groet de klanten te bedienen.
Het ging me beter af dan het bandwerk in de fabriek.
Het voelde niet aan als werken en ik bekeek het ook zo niet.
Lachen met de klanten hun grapjes of hun verdriet deed me mijn eigen zorgen vergeten.
En de beloning was groot want ik werd graag gezien. Dat deed me deugd.

Met de aanwezige jeugd had ik weinig affiniteit en
verkoos het gezelschap van ouderen.
Veel keuze had ik niet. Aan al die dingen die jongeren deden kon ik niet mee doen.
Naar de bioscoop, zwemmen in het openluchtbad van het park, of naar fuiven of dancings gaan, daar had je centen voor nodig.
Maar het deerde me niet, ik had andere dingen in de plaats.

Jos was beroepsmilitair n het Engels kamp, te Emblem.
Die Engelsen met hun gezin waren allemaal gehuisvest in een straat die gelijk liep met de straat waar het café gevestigd was.
Het waren niet alleen Engelsen, maar ook Ieren, Schotten, en mensen uit de streek van Welsh
Die kwamen allemaal hun dorst lessen in ons café. En of die dorst hadden!
Hun vrouwen moesten ten andere niet onder doen voor hun mannen en het was dagelijks een vrolijke boel. Want als ze wat pinten op hadden dan werd er steevast gezongen en gedanst.
Zo haalde de één een doedelzak boven, de andere dan weer een typisch Iers instrument (waarvan ik de naam ben vergeten) of er werd gewoon muziek gemaakt met handen geklap en gefluit. Vaak begon men ook die typische danspasjes a la River Dance te dansen

Mijn Engels kon er mee door, maar wanneer die mannen onder mekaar hun streektaal spraken, dan moest ik toch passen
Ik zette dan mijn oren goed open en probeerde dan dat brabbel taaltje fonetisch weer te geven.
Maar ik sloeg al die dialecten door elkaar en dat vonden ze hilarisch.
Ja, het leven was goed zoals het was, meer had ik niet nodig om gelukkig te zijn.

©Huismusje

ALLEREERSTE VERJAARDAGSFEEST (1)

Schonken mijn pleegouders geen aandacht aan mijn verjaardag, mijn moederke deed het des te meer. Zij vond dat ik een feestje verdiende ook al was het ver na datum.
Toen ik op een zaterdagavond de zaak binnenkwam, was het café versierd met slingers en ballonnen.
Elke klant die binnenkwam kreeg twee gratis drankjes mits ze “Happy Birthday” voor me zongen en dat deden ze natuurlijk graag. Of wat had je gedacht!
Het moet haar een aardige duit hebben gekost want op vrijdagavond zat de zaak stampvol tot in de vroege uurtjes.
Het was nog in die tijd dat mensen elkaars gezelschap opzochten, en niet individueel voor een tv, of pc scherm zaten.
Gezelligheid troef dus.

Tussen de vele klanten zat ook een boer met de toepasselijke naam, Jef.
En het was een echte boer! Zo een boer die vlak na het bemesten van zijn veld een pint kwam pakken.
De geur van mest rondom hem en het vuil nog dik onder zijn nagels.
Half kaal, tanden bruingeel door het pruimen van tabak.
Een man die ik liever uit de weg ging, maar die ik als klant van de zaak toch vriendelijk te woord stond.
Toen ik ooit eens opmerkte dat hij nooit wat anders droeg dan zijn stinkende vuile overall, liet hij me weten dat hij geen mooi pak nodig had. Dat hij overal binnen mocht zoals hij was omdat hij geld bij had.
En de man had geld, was in feite stinkend rijk. Droeg de briefjes van duizend los in zijn broekzak. Iets waar hij graag mee uitpakte.

En die bewuste zaterdagavond gaf Jef een briefje van duizend aan me als verjaardagscadeau.
Maar ik wilde het niet aannemen. Hoewel ik kon dromen wat ik er allemaal mee zou kunnen doen.
Maar ik wist dat de man achter me aanzat. Hij werd zelfs opdringerig.
Steeds weer vroeg hij om een slow te dansen. Steeds weigerde ik met een smoes of een kwinkslag.
Dan lachte hij zijn vieze tanden bloot en zei: “ach meisje, het geeft niet, ik kan krijgen wie ik wil” en haalde dan demonstratief een dik pak geld uit zijn zak, en toonde het aan iedereen die het maar wou zien.
In feite verschilden we niet zoveel van elkaar, Jef en ik. Hij kocht vriendschap en aandacht door rondjes te geven, ik kocht mijn aandacht door te flirten.
Maar ik was kieskeurig en Jef hoorde niet tot mijn uitverkorenen.

Vermits ik mij beter voelde bij ietwat oudere personen, had ik in het café een vriendin die wel 15 jaar ouder was dan ik. Marina heette ze.
Marina was gescheiden en woonde daarom weer thuis in bij haar moeder en vrijgezellen broer.
Het toeval wil dat Marina een naaste buur is van Jef. En laat Jef nu de nieuwe eigenaar zijn van de boerderij, waar ik als kind tomaten ging plukken om een centje te verdienen.

Marina stelt op een keer voor om me op een etentje te trakteren in een Grieks restaurant voor mijn verjaardag.
Iets waar ik meteen enthousiast over was want ik was nog nooit in een echt restaurant geweest en al zeker geen Grieks.
”Maar”, zei Marina, “dan ga ik mij wel eerst omkleden thuis.”
Jef, die het gesprek gevolgd had, stelde voor om haar met de auto naar haar thuis te voeren.
Marina ging alleen akkoord als ik ook mee reed. Want Jef zat achter alle vrouwen aan en ze vertrouwde het  niet om alleen te zijn met hem.

Zonder verder nadenken stap ik mee in de auto.
Er wordt afgesproken dat mijn moederke nadat ze de zaak hebben gesloten ons in het restaurant komt vervoegen.
Wij zullen van bij Marina thuis met een taxi naar daar gaan.
Onderweg naar Marina thuis vertel ik aan Jef,  dat ik als kind vaak  op zijn boerderij ben geweest.
Dat de kinderen klasgenootjes waren en dat ik er in het seizoen, in de serres tomaten ging plukken.
”Goh”, zei Jef, “dan zal je de boerderij nu wel niet meer herkennen, ik heb het huis helemaal gerenoveerd.”
”Waarom kom je niet een kijkje nemen”, zei Jef.
”Wel ja”, zei Marna “ik kom je ophalen zodra ik klaar ben”.

In mijn euforie over het etentje hoorde ik geen belletje rinkelen, en dus ging ik argeloos mee met Jef.
Hij liet mij de kamers zien. Ze waren echt prachtig geworden moest ik toegeven.
”En de zolder heb ik ook helemaal omgetoverd”, zei hij, “kom maar mee”.
Op die zolder had hij zijn slaapkamer. En voor ik het goed en wel in de gaten had, stonden we voor zijn bed.
Jef wilde me kussen, maar dat liet ik niet toe en stapte richting deur.
Maar Jef had andere plannen. En Jef was beresterk.
”Als je niet wil dat ik je pijn doe, dan kan je beter een beetje meewerken” liet hij me weten.

Enige tijd later drukte Marina in vol ornaat haar vinger op de deurbel.
En ik lag halfnaakt op een vies bed en was door een viezerik verkracht.
”Wel”, zei Jef, “zo erg was het niet hè, geef maar toe dat je het ook leuk vond.”
”En als ik jou was, hield ik hierover mijn mond dicht.”
”Trouwens, niemand zou je geloven, je rotzooit zoveel.”

Jef belde voor ons een taxi.
Op weg naar het restaurant valt het Marina op dat ik stil ben, maar ik vertel haar niets.
Ik vertel het ook niet tijdens het etentje en het dancing bezoek erna.
Ik lach met hun grappen en grollen en doe alsof er niets gebeurt is. In het incasseren en verdoezelen was ik tenslotte een kei.
Mijn allereerste verjaardagsfeest was er één dat ik nooit zal vergeten!!!

©Huismusje

ALLEREERSTE VERJAARDAGSFEEST (2)

Toen het verjaardagsfeestje ten einde was, was het reeds vroeg in de morgen.
Ik was het doorgekomen zonder ook maar één woord te lossen over het gebeurde.
Ook was het feest grotendeels aan me voorbij gegaan en heb de indruk dat iedereen zich flink geamuseerd heeft, behalve ik.
Al wat ik wou was, wegkruipen... slapen... en vooral niet nadenken.

Marina stelt voor om bij haar te logeren.
En ik neem dat voorstel gretig aan want bij Marina thuis hebben ze een badkamer met douche, een luxe die mijn pleegouders niet bezitten.
Er wordt met mijn moederke afgesproken dat ik ’s avonds om 18.00h bij hen ga avondmalen en daarna tot een  uur of tien de dienst van haar overneem.
Marina werkt trouwens ook in de horecasector en moet om 19.00h. aan haar dienst beginnen.

Wanneer ik onder de douche sta komt Marina mij handdoeken en een badjas brengen.
Ik zie haar ogen groot worden van verbazing.
”Wat is er met jou gebeurt? ” vraagt ze me.
Ik bekijk mezelf zo goed en kwaad ik kan en merk dat ik onder de schrammen en blauwe plekken zit.
Mijn hals, nek, armen, schouders, borsten, dijen, enfin, het lijkt alsof ik door een betonmolen ben gehaald.
”'k Weet niet” zeg ik ontwijkend, maar Marina laat zich niet afschepen.
Ze trekt in eerste instantie de verkeerde conclusie.
Ze denkt dat mijn pleegmoeder haar woede nog maar eens op mij gekoeld heeft.
Even overweeg ik om haar in haar gedacht te laten, maar ik kan niet liegen. Ze peutert beetje bij beetje het ware verhaal uit mijn neus.
”Ik wist het ”, roept ze boos uit, "die smeerlap is niet te vertrouwen."

Wonder boven wonder val ik meteen in slaap.
Maar als de wekker afloopt staat het gebeurde weer levensgroot voor me. Omdat mijn ganse lijf pijn doet.

Hoewel het een mooie lentedag is, leen ik van Marina een trui en broek die de meeste blauwe plekken verhullen. Maar ook mijn polsen vertonen blauwe plekken en zelfs mijn linkeroor ziet purper.

Ik vroeg Marina om over het gebeurde te zwijgen tegenover iedereen.
Wilde mijn schaamte en de vernedering met niemand delen
Maar aangekomen bij mijn moederke gooide ze er  alles uit toen ook zij mijn blauwe plekken opmerkte.
Toen ik opmerkte dat mijn enige angst was om hem weer te ontmoeten, iets dat zeker zou gebeuren vermits hij dagelijkse klant was, zei mijn moederke dat ik me daar geen zorgen moest om maken.

Toen ik die avond achter de toog stond en Jef binnenkwam en met een triomfantelijke blik een pint bestelde, kreeg ik niet de tijd om ook maar iets te doen of te zeggen.
Als een furie schoot Netje uit de keuken.
Herhalen wat ze hem allemaal naar het hoofd slingerde durf ik hier niet, maar het kwam erop neer dat hij niet meer welkom was in de zaak.

Het werd opeens doodstil in het café.
Jef ontkende niet eens wat er gebeurt was.
”Waarom ging ze mee naar binnen? ”, hoorde ik hem vragen.
Het was een vraag die ik mezelf al duizendmaal had gesteld.
Mijn antwoord vandaag zou zijn: Omdat je ondanks alles nog steeds vertrouwen had in de mensen, Lulu.

De Engelse klanten die van het geraas niets hadden verstaan, vroegen, en kregen uitleg van de Jos.
Toen gebeurde iets wat niemand had kunnen voorzien.
”Wat, met je vieze poten aan 'onze Lucy' gezeten”?
Jef werd tussen twee mannen naar buiten gesleurd. En in een donkere hoek van de tegenover gelegen kerk, kreeg hij het pak slaag van zijn leven.
Maar Jef zou het daar niet bij laten, en het verhaal zou nog een staartje krijgen.
Maar in de zaak is hij nooit meer binnen durven komen.

De eerste dagen liep ik ietwat angstig over straat, bang dat hij me zou staan opwachten. Maar dat is niet gebeurd.
Stilaan begon ik het ganse voorval uit mijn gedacht te zetten. Vergeten echter zal ik nooit.

Gelukkig heb ik er geen trauma aan overgehouden,
Maar het veranderde wel mijn gedrag.
Gedaan met de losbol uit te hangen, gedaan met vertrouwen te hebben in mannen.
Ik ging met een grote boog om hen heen.
Je zou kunnen zeggen dat ik op het kruispunt van mijn leven was aanbeland in een doodlopende straat.
Hoog tijd dus om omkeer te maken en nieuwe wegen te bewandelen.
Maar welk pad ik ook koos, het zou er een zijn met vele hindernissen.

©Huismusje

DE POLITIE UW VRIEND?

Mei 1970
Ik tracht het laffe misbruik van Jef zover mogelijk weg te drukken.
De eerste twee weken lijkt het of iedereen het aan me kan zien, of iedereen er over fluistert. Maar stilaan gaat dat gevoel ook voorbij.
Maar net wanneer ik het bijna een plaats kan geven, gebeurt er weer iets waardoor dat nare moment levensgroot voor m ’n ogen staat.

Jef durft het niet meer riskeren om naar het café te komen.
En hoewel ik in het begin vrees dat hij me ergens zou staan opwachten, blijft  hij ver uit mijn buurt.
Waarschijnlijk bang om nog een pak slaag te krijgen
Maar de man liet het daar niet bij, en was klacht gaan neerleggen bij de politie voor slagen en verwondingen.

Aan mijn pleegouders had ik van het ganse voorval niets vertelt.
Omdat ik mij kon inbeelden hoe mijn pleegmoeder zou reageren.
Zij zou het mij verwijten en de fout bij mij leggen. En dat deed ik zelf al, dus haar commentaar kon ik best missen.
Maar op een avond kwam ik van mijn werk en liet ze mij weten dat de wijkagent aan de deur was geweest en dat ik naar het politiebureau moest komen.
Pleeg-ma had  aan de agent uitleg gevraagd maar die had niets los gelaten. Dus werden de vragen op mij afgevuurd.
Ik loog dat het ging om een café ruzie.
De schrik sloeg mij echter om het hart.
Het doembeeld van het internaat daagde voor mijn ogen op. Niet weer, dacht ik, a.u.b niet weer.

Op het politiebureau liet men me weten dat Jef klacht had neergelegd tegen mij.
Volgens hem had ik de mannen ertoe aangezet om hem in mekaar te slaan.
De politiecommissaris die mijn dossier voor hem had liggen, behandelde mij als vuil van de straat.
Groot machtsvertoon, dreigementen om mij achter de tralies te zetten als ik niet de waarheid zou zeggen... enz.
Telkens ik mijn verhaal wilde doen onderbrak hij mij met een snauw.
”Ik ken jouw soort wel” zei hij.
Ik kreeg geen kans om ook maar iets te verduidelijken. Uiteindelijk legde hij me een verklaring voor waar geen enkel woord instond van de ware toedracht.

“Hier tekenen” snauwde hij me toe, maar ik raapte al mijn moed bijeen en weigerde.
De man werd nog kwader en gooide er nog enkele dreigementen bovenop. Maar ik tekende niet.
Van het politiebureau liep ik als een haas regelrecht naar mijn Moederke en deed daar het relaas.
Jos aanhoorde alles en stapte ijlings naar het politiebureau met de woorden “Ik kan even hard brullen als hij en luisteren zal hij”!
En zo gebeurde het ook.
Mijn verklaring werd opgemaakt en ik ondertekende ze.

Weken hoorde ik niets en zat ik met een bang hart af te wachten wat er komen zou.
Toen kwam er weer een uitnodiging om naar het politiebureau te komen.
Jef zou zijn klacht laten vallen als ik mijn verklaring zou intrekken.
Maar dat wilde ik niet want  het zou teveel lijken of ik had gelogen over het ganse voorval.
De commissaris liet mij langs zijn neus weg weten dat de procureur de zaak heel waarschijnlijk toch zou seponeren.
Maar dat was mij om het even.

Uiteindelijk heb ik van de ganse zaak niets meer vernomen.
Er is inderdaad nooit een rechtszaak van gekomen.
En in feite was  ik daar blij om. Langs de andere kant vraag ik mij nog steeds af of men bij een meisje met een andere achtergrond dan ik... met ouders die voor haar zouden  zijn opgekomen... men dit ook zo maar terzijde zou gelegd hebben.
Ik geloof nog altijd van niet!

©Huismisje

NOODLOT (1)

Achttien jaar! Het leven moest in feite nog beginnen voor mij. Maar ik had integendeel al een zware tijd achter de rug.
In de steek gelaten door moeder en vader.
Ondergebracht bij pleegouders, die naam onwaardig.
Verwaarloost, geslagen, uitgescholden en uitgespuugd.
Bepotelt door een perverse pleegoom….. opgesloten gezeten in home en gesticht….verkracht.
Ooit zou het tij keren, zo droomde ik, maar ik kon niet vermoeden dat ik er nog jaren zou moeten op wachten. In feite wacht ik er al gans mijn leven op.
Want aan je noodlot kun je niet ontsnappen!

Het was de gewoonte om in het weekend met mijn Moederke na sluitingstijd nog wat te gaan eten in de stad.
Zij was verlekkerd op kikkerbilletjes in looksaus, en die konden ze geweldig klaarmaken in een restaurant nabij het De Coninckplein.
Enkele vaste klanten gingen dan gewoonlijk ook mee.
Omdat Moederke nog wat werk had voor ze kon afsluiten, werd er besloten dat ik  met een van die vaste klanten vooruit zou rijden om plaats te gaan houden. (We waren altijd minstens met een man of tien.)
De bewuste chauffeur van die avond was vertegenwoordiger bij Morris Meubelen, en zijn achterbank lag dan ook steeds stampvol.
Maar geen nood, want zijn auto had een bank uit een stuk voorin. Dus daar konden we gemakkelijk met drie zitten.
Ik in het midden wegens de smalste. Dus wij vertrokken.
Aan het Ooststation, net voorbij het Erasmus ziekenhuis in Borgerhout, heeft men nieuwe asfalt gelegd en  verkeerslichten gezet.
Het licht springt net op groen voor ons en onze chauffeur rijd het kruispunt op.
Van rechts komt een auto met volle vaart door het rode licht gereden en ramt ons frontaal.
De klap was enorm.
Ik ben door de voorruit gekatapulteerd en de vrouw van de chauffeur werd door het portier naar buiten geslingerd.
De chauffeur zelf had niets meer dan een verstuikte pols en bij zijn vrouw was haar schouder uit de kom

Bij mij echter was het andere koek.
Een jaap op mijn voorhoofd om u tegen de zeggen.
Mijn benen geschaafd waarbij het grint dat het nieuwe asfalt bedekte,  diep in mijn wonden dringen
(Dat asfalt zit er trouwens nu nog, al zie je het een ietsje minder nu.)
Mijn jas en schoenen zijn aan flarden.
De tegenligger had als excuus dat zijn vrouw moest bevallen en daarom haast had.
Ik moet enkele tijd het bewustzijn verloren hebben, want toen ik bijkwam had de politie me op de vluchtheuvel gelegd.
Ik raak in paniek, want ik voel vochtigheid onder mijn benen doorlopen en ik denk dat het mijn bloed is.
Maar het is benzine of water van eenn van de wagens.
Dan begint te regenen.
  Een politieagent zet mij in de wagen van de chauffeur die ons heeft aangereden in afwachting tot de ambulance komt. Maar de hoogzwangere vrouw die op de achterbank ligt, begint als een gekkin te krijsen wanneer ze mij ziet.
Gelukkig komen op dat moment de ziekenwagens aan.

Hoewel het Erasmus ziekenhuis vlakbij is, brengt men mij naar het ‘Stuivenbergziekenhuis.’
Men naait de wonde dicht zonder verdoving, dat hoort zo als je gedronken hebt, verklaart de dokter.
Ik zeg dat ik niet drink, ook nooit heb gedaan, maar hij is al begonnen, en werkt rustig verder.
Ik verlies weer het bewustzijn.
Wanneer ik andermaal bijkom, lig ik op de gang op een bed.
Ik heb een schedelbreuk en een hersenschudding, zegt de non van dienst, maar er is geen plaats op de zaal.
(Later kom ik te weten dat er een oude vrouw op sterven ligt en dat men wacht tot dat bed vrij is.)

Van die bewuste nacht en de daaropvolgende dag weet ik niet veel meer.
Pas na twee dagen kan ik ietwat helder uit mijn ogen kijken.
Ik mag geen bezoek hebben. Iets wat een lachertje is want ik lig op een overbevolkte ronde zaal en het scherm dat rond mijn bed staat houd het tumult niet tegen, net zo min als het plafondlicht dat pijnlijk is aan mijn ogen.
Ik klaag dat mijn benen pijn doen telkens ik ze beweeg.
Men komt tot de conclusie dat er nog glasscherven in mijn bed liggen die uit mijn kleding waren gekomen.

Na vijf dagen mag ik uit bed en mag ik naar de badkamer.
Niemand heeft mij nachtkleding of toiletspullen gebracht, dus ik krijg die van het ziekenhuis.
Ik kijk in de spiegel, en ken mezelf niet meer.
Mijn gezicht staat vol met bloedrode sneeën.
Een snee die  dwars door mijn wenkbrauw loopt is genaaid. ook zo met een snee op mijn wang

De snede op mijn voorhoofd loop tot ver over mijn schedel en men heeft een deel van mijn haren weggeschoren
De wonde loopt in een boog van het midden van mijn voorhoofd tot aan mijn rechter wenkbrauw.
Wat niet rood ziet van het bloed, ziet zwart.
Ik had tot dan toe nog geen echt voedsel gekregen, enkel een soort pap. Ik zie nu waarom. Mijn tanden staan allemaal los.
Ik ga met de kam door mijn haren en ik zie ontsteld dat het met lange strengen in de kam blijft zitten.
Kapot gesneden door het glas van de autoruit.
Mijn mooie lange haren….. mijn tanden…..mijn gezicht...en de tranen barsten los.

 Wordt vervolgt...

©Huismusje

NOODLOT (2)

...Pas na Vijf dagen in het ziekenhuis mag bezoek hebben.
Mijn Moederke is de eerste. Dan de chauffeur en zijn vrouw van het voertuig waar ik als passagier inzat.
Ze brengen me een krant mee waar staat het ongeluk in beschreven staat met foto erbij.
De chauffeur van het andere voertuig was dronken.
Onze chauffeur was bloed nuchter.
Dit zal later blijken want de zaak komt voor de correctionele rechtbank.
Onvrijwillige slagen en verwondingen luid het verdict enkele maanden later.
Ik heb de veroordeelde chauffeur nooit gezien.

’s Avonds komen mijn pleegouders en pleegbroer op bezoek.
Dat bezoek verloopt niet zo leuk.
Mijn pleegmoeder laat weten dat ik normaal twee weken in het ziekenhuis moet blijven maar dat dit niet zal gaan.
Ze kunnen dat niet betalen, ik blijk niet verzekerd.
”En je mag ook zes weken niet gaan werken!” bijt ze me toe. “Hoe denk je dat op te lossen?”
Vele vraagtekens bij mij. Want hoezo niet verzekerd? Ik werk toch!
En hoezo, geen geld voor de rekeningen? Ik heb net vorige vrijdag mijn loon af gegeven!
Mijn pleegouders zeggen me dat ik me op eigen risico moet laten ontslagen uit het ziekenhuis. Vandaag nog! En ze duwen me gelijk de papieren onder de neus.
***Pikant detail; beneden in het ziekenhuis is een winkeltje en daar kun je kranten, bloemen en knuffels kopen. Pleegbroer wil een stripverhaal en hij krijgt zonder morren het geld om het te gaan kopen. Voor mij hadden ze niets bij.***

Mijn pleegmoeder was al niet erg opgezet met het feit dat ik veel naar mijn Moederke trok.
Ze is niet blij met de bemoeienissen over de manier waarop ik door hen behandeld wordt.
En ze laat me dan ook weten dat het ongeluk mijn eigen schuld is, of de schuld is van Moederke.
”Gaan zij nu de rekeningen betalen?” sneert ze.
”Gaan zij je nu zes weken gratis eten geven?”
Ik ben te beduusd en voel me te ellendig om te antwoorden.

De dokter komt langs en ik geef hem de ontslag papieren.
Hij raad mij deze beslissing ten stelligste af, ik heb tenslotte een barst in mijn schedel en dat vraagt opvolging,  laat hij weten.
Maar ik kijk naar het verbeten gezicht van mijn pleegmoeder. Mijn pleegvader kijkt stoicijns naar de grond, en zegt niets, zoals altijd.
Ik heb geen andere keuze dan die papieren te tekenen, ik zie geen andere uitweg.
De dokter zegt met nadruk dat ik dan thuis moet platliggen in een rustige en verduisterde kamer, want anders kan die schedelbreuk nare gevolgen opleveren voor later.
Maar dat zal mijn pleegouders een zorg wezen……

©Huismusje

VERLOREN JAREN

...Ik denk niet dat veel 18-plussers, wanneer ze op hun jeugdjaren terugblikten, tot de conclusie kwamen dat het allemaal verloren jaren waren geweest.
Toen ik terugblikte op mijn jonge leven kon ik niet anders dan concluderen dat het in mijn geval wel zo was
Wanneer ik in de spiegel keek zag ik enkel doffe ellende.
Een jong gelaat met oude ogen. Met littekens die ik gans mijn leven zou meedragen.
Maar ook mijn innerlijk vertoonde al vele wonden.
Alleen zag niemand dat.

Hoop...je moet altijd blijven hopen.. maar op wat kon ik nog hopen?
Moed... je moet blijven vechten...maar je wordt het vechten zo beu.
Je kunt soms gewoonweg niet winnen... wat je ook doet... hoe hard je ook probeert. Je hebt eerder de neiging om je neer te leggen om te slapen en daarbij je hoopt dat je nooit meer hoeft wakker te worden. Omdat elk klein lichtpuntje toch altijd weer een fiasco wordt.
Alsof je een rugzak vol kasseien met je meesleept...te zwaar voor je frêle schouders...
te moeilijk om te vatten. Het grote waarom?

Neen er waren in mijn naaste omgeving niet veel 18- jarigen die zich die vragen hoefde te stellen.

Eerder zag ik hen onbezorgd door het leven gaan.
Ze studeerden af en begonnen aan een carrière. Ze  hadden mooie vooruitzichten en hoge verwachtingen.
Wat ze ook deden, ze deden het in het besef dat ze werden gesteund door diegene die hen lief had.
En dat maakten hen sterk. Zij hadden nog voldoende wilskracht in zich om te verlangen... te hopen... te vechten.
Ik niet meer.

Mijn kracht en levenslust was gebroken.
Die van hen maakte mij eerder somber...misschien ook afgunstig...maar vooral verdrietig...moedeloos.
Omdat ik mij ervan bewust was dat het anders kon...  anders had moeten zijn.

Mijn kelk was leeg... het bittere goedje opgedronken tot de laatste druppel...dacht ik.
©Huismusje

IMPACT

Ik moest zes weken rusten na het auto-ongeval, maar na drie weken reeds ga ik terug aan het werk.
Niet erg bevorderlijk om met een half genezen schedelbreuk en hersenschudding tussen dreunende machines te moeten staan. Maar ik kan de verwijten en het gezeur van mijn pleegmoeder niet meer aan.
Het gevolg is migraine. (Gelukkig raak ik daar rond mijn vijfentwintigste vanaf dank zij goede medicatie)
Elke dag weer laat ze me weten dat ik haar geld kost en dat ik mijn moeder maar moet gaan vragen om eten. Het tot in den treure herhaald aloude liedje dus.
Het doet me zo’n pijn dit te horen! Want ze weet deksels goed dat ik niets liever zou doen. Maar die keuze heb ik niet.

Wanneer ik zo terugblik op al die sneren en op al die verwijten, dan kan ik enkel maar tot de bevinding komen dat ze mij uit de grond van haar hart heeft gehaat.
Maar waarom? Dat is nog steeds mijn grote vraag.
Ze had volgens mij een haat op al wat vrouw was.
Getuige de vele ruzies die ze had met haar moeder, zuster, schoonzusters en tantes.
Vriendinnen had ze niet, buiten dan het stel dat wekelijks kam kaarten. Maar ook die ontsnapte niet aan haar venijn, zij het achter haar rug.
Buren gingen haar liever uit de weg en waren bang van haar scherpe tong.
Ze duldde immers geen tegenspraak.

Toen ik later met mijn kinderen op bezoek ging, ze was toen al gedeeltelijk verlamd en leed aan dementie, moest ik haar goed in de gaten houden.
Mijn zoon kon niets mis doen in haar ogen, maar mijn dochter, die amper lopen kon, kreeg een klap als ze in haar nabijheid kwam.
Ook haar snoepjes nam ze haar af, om ze aan mijn zoon te geven.
Zag ze mij in haar?
Het zijn en blijven open vragen.

Terug naar mijn jeugd nu.
Ik zou niet lang meer onder hun dak blijven. Alles gebeurde tamelijk snel.
Op amper een halfjaar leerde ik de vader van mijn kinderen kennen.
Hij werd mijn toevluchtsoord.
Maar voor het zover was, zou ik nog het één en ander te weten komen dat mijn beslissing om uit huis te gaan bespoedigde.
Dingen die me zo boos maakten dat ik voor mezelf niet meer kon  instaan.
Een puzzel die in elkaar viel. Een plaatje dat af was.
Maar wat een lelijk plaatje!
Dat vertel ik jullie een andere keer.

Het is raar hoe al die emoties van vroeger nu nog zo’n impact kunnen hebben op mijn gemoed.
Niettegenstaande mijn pleegmoeder al jaren dood is zit ze verdorie nog steeds onder mijn huid.
Ik heb nooit de gelegenheid genomen om mijn hart te luchten tegen haar, zoals een psychiater mij ooit aanraadde.
Enkel uit respect, ze was al ziek, en ze zou het niet meer begrepen hebben.
Misschien had ik het beter wel gedaan.

©Huismusje

PUZZELSTUKJE 1

Ik krijg een aangetekende brief thuis gestuurd.
Postbodes namen het in die tijd niet zo nauw en zodoende tekende mijn pleegmoeder in mijn plaats af met mijn naam.
Het is een uitnodiging om naar een wetsdokter te komen. Ik begrijp het niet goed, maar ik krijg uitleg. Mijn pleegouders hebben hun Burgerlijke verzekeringspolis gebruikt om een schadevergoeding te vragen in voege met mijn auto-ongeval
Daarom moet een wetsdokter de schade aan mijn aangezicht bepalen.
Ook moet ik mij burgerlijke partij stellen.
Ik heb er niet veel zin in, maar ik doe het toch.

De wetsdokter vraagt mij wat ik wil doen.
Of ik graag de littekens met een schoonheidsoperatie wil laten verwijderen?
Ik zeg ja. Want ik lijdd erg onder die littekens in mijn gelaat.

Mijn pleegouders zijn woedend wanneer ik hen dat vertel. Want dat betekent dat er geen geld wordt gestort, maar dat enkel alle medische verzorging wordt vergoed.
Ze maken mij wijs dat wanneer ik een schadevergoeding aanvraag, in plaats van dat ik een operatie wens, ik dan toch de operatie kan laten uitvoeren en nog geld overhoud bovendien. Want men betaald veel meer uit aan een jonge vrouw.
Maar ik blijf bij mijn beslissing.
Uiteindelijk spelen ze het toch klaar dat mijn beslissing wordt herzien. Hun verzekeringsagent brengt dat voor hen in orde buiten mijn weten om.

Ondertussen vraagt mijn vriendin Marina, of ik geen zin heb om in het café komen te werken waar zij ook werkt.
Ik heb toch ervaring, beweerd ze. Maar die ervaring deed ik op in het café van mijn Moederke, en dat was als een thuismatch spelen.
Enkel maar de vrijdagavond, zegt ze me, dan kan ik de vrijdag vrijaf nemen. Zou je dat voor me willen doen?
Ik kan zo moeilijk nee zeggen he!, Iets waar ik nu nog mee worstel. En dus stem toe.Dat dit café in de beruchte Stationsbuurt van Antwerpen ligt, verzwijgt ze me wijselijk. Anders had ik me sito presto bedacht. Eens ik binnen ben is het te laat om nog te weigeren.

Na de ervaring met Jef ga ik alle mannen zoveel mogelijk uit de weg. En in dit café zitten heel veel mannen
Ruwe mannen, dronken mannen, en mannen die denken dat met geld alles te koop is.

Op de hoek aan de toog zit een man in een zee-uniform.
Donkere ogen, donker haren en dito baard. Ook twee perfecte rijen met witte tanden laat hij zien wanneer hij naar me lacht.
Hij blijft mij verder zwijgend gadeslaan en merkt dat ik heel onwennig reageer wanneer er weer eens een dronken klant tegen me staat te lallen of naar me wil grijpen.
Plots staat hij op en neemt één van de dronken klanten bij zijn revers, en zegt hem dat hij zijn fikken van me af moet houden, of anders……

Die zeeman zou de vader van mijn kinderen worden, maar dat wist ik nog niet op dat moment.

©Huismusje

PUZZELSTUKJE 2

Mijn pleegmoeder noemde mij in het beste geval “die vreemde”, waarbij ze bedoelde dat ik niet bij hen hoorde, geen deel uitmaakte van hun gezin.
Uiteindelijk miste die uitspraak zijn doel niet, want ik vervreemde totaal van hen.
Verdeelde mijn vrije tijd tussen het café van mijn Moederke en het café waar ik werkte op vrijdagavond. En natuurlijk mijn nieuwe liefde!
Wanneer Mon ( afkorting van Raymond) aan wal was, dan was hij dit vaak voor enkele weken.

Mon is geboren in De Panne op18 maart 1944. Hij heeft de zeevaarttscool van Oostende doorlopen. Op het moment dat ik hem ontmoet is hij tweede luitenant ter zeevaart. Hij is acht jaar ouder dan ik.
Een bereisd en volwassen man, een beleerd man ook, hij schrijft en spreekt vloeiend vijf talen.
Mon is het tweede kind, en enige zoon, in een gezin van vier.
Op hem rust dus de taak om de naam voort te zetten.
En daar werd heel veel belang aan gehecht. (Hoewel ik dat altijd iets of wat belachelijk heb gevonden omdat van hun familienaam, bij wijze van spreken, er dertien in een dozijn gaan.
Mijn kinderen zeggen nu nog dat zij veel liever mijn familienaam hadden gedragen omdat hij zoveel mooier klinkt en niet kan worden verbasterd tot iets belachelijks.

Zijn ouders hebben altijd in het hotelwezen gezeten. Zijn moeder is kokkin.
Iets dat later tot veel strubbelingen tussen haar en mij zou leiden, want veel meer dan aardappelen schillen en worteltjes schrapen kan ik niet.
Ik had nooit echt leren koken. Het interesseerde me ook niet. Want van alle huishoudelijke taken is koken het enige dat ik niet graag doe.
Tot op heden zie ik het nog steeds als een noodzakelijk kwaad, al ben ik ondertussen wel geëvolueerd in de kookkunst.

Wanneer hun kinderen het huis uit zijn, behalve het jongste zusje dat een nakomertje is, verhuizen ze naar Antwerpen.
Mon woont niet meer bij hen in, hij huurt een kamer boven een restaurant gelegen op, De Paardenmarkt.
Ik blijf daar dan ook vaak slapen.
Iets dat mijn pleegouders helemaal niet erg vinden. Minder last voor ons, moeten ze hebben gedacht.

Enkele maanden later kent Mon gans mijn levensverhaal, en maken we toekomstplannen alsof we zwemmen in een stroomversnelling.
”Jij moet daar weg”, zegt hij keer op keer, “het wordt tijd dat iemand jou begint te verwennen, dat iemand voor je zorgt zoals het hoort.
Ik spreek hem niet tegen. ik kijk geweldig naar hem op op, hij is mijn toevluchtsoord en steunpilaar.
Maar of hij mijn grote liefde is…...daar twijfel ik op dat moment nog aan.
Geen holderdebolder gevoel. Geen dartele vlinders in mijn buik. Mijn hoofd tolt niet.
Het lijkt wel of ik geen liefde meer te geven heb en bekijk alles heel rationeel. Wik en weeg af.

Ben ik dan totaal ongevoelig geworden, vraag ik me af.
Wat is er met me gebeurt? Ik kan lief zijn, kan lieve woordjes fluisteren en mezelf geven. Zonder daarbij ook mariets te voelen dat naar liefde smaakt?
Waarom, en vooral wanneer, ben ik die koude kikker geworden?
(Wordt vervolgt)

©Huismusje

Meer van HUISMUJE'S TRIESTE JEUGD

↑ Terug naar de berichten