Naar de inhoud

HUISMUJE'S TRIESTE JEUGD

IK HEB GEEN SPIJT VAN DE DINGEN DIE IK DEED!
ENKEL SPIJT VAN DE DINGEN DIE IK NALIET TE DOEN!
akke.beakke.be

Archief

VOORUITBLIK

Ik had geen vooruitzicht meer.
Al diegene die ooit te maken hebben gehad met liefdesverdriet, en wie heeft dat niet, zullen begrijpen wat ik bedoel.

In het home ging alles zijn gewone gangetje.
Waarschijnlijk om dat ik al bij de ‘ouderen’ behoorde mocht ik in het weekend uitgaan tot twaalf uur.
Behalve op zondag. Dan moesten we binnen zijn om 22u.
Maar uitgaan was aan mij niet echt besteed.
Ben een keertje mee op groep uitstap geweest, weekendje Brugge waar in dat weekend net “Klank en lLichtspel”  doorging.

We waren met tien meisjes, een opvoedster, en de directrice van het ‘home’ Juffrouw Beatrice.
Van die directrice werd beweerd dat ze lesbisch was, en een verhouding had met de toenmalige directrice van de jeugdgevangenis in Brugge, Juffrouw Maria.
Of dat werkelijk zo was kan ik niet bevestigen.
Feit is wel dat Jufrouw Beatrice oogde als en man.
Feit is ook dat die twee directrices heel close waren.

Ergens in die jeugdgevangenis hebben we toen gelogeerd.
Vraag mij niet waar, want dat weet ik niet meer.
De zombie, remember!
 Ik heb toch wel wat kunnen genieten van dat‘Klank en Lichtspel. Het was heel bijzonder
We vaarden met een bootje op de Reien en daarbij kon je  binnenkijken in de vele historische huizen.
In die huizen speelden zich dan historische taferelen af.
Overdag was er al een prachtige stoet door de straten getrokken.
Het is van toen af dat Brugge mijn hart een beetje heeft gestolen.

Ook kregen we een rondleiding in de jeugdgevangenis zelf.
We mochten er praten met de gedetineerden en konden luisteren naar hun verhaal.
Dat laatste zal wel bedoeld geweest zijn als afschrikmiddel.
Maar ik, die in St Margaretha van Cortona was geweest, zag een grote gelijkenis met dat internaat. Het enige verschil was dat er hier echte cellen waren.
Al bij al was dit het enige weekend dat mij is bijgebleven uit die periode van mijn liefdesverdriet.

Troost en bemoediging kreeg ik van de meisjes in het ‘home’
Ook de opvoedsters en de directrice zelf lieten zich niet onbetuigd.
Men ontzag mij een beetje.
Liet mij langer alleen op de slaapzaal dan in feite toegelaten was.
En wanneer ik het echt kwaad kreeg was er steeds iemand om een schouderklop te geven of om een arm van troost om mij te leggen.

Maar de echte hulp kwam uit onverwachte hoek. Die kwam van mijn pleegouders.
Zij vroegen toelating aan de jeugdrechter om mij op weekend te laten komen.
Iets dat mij zou toegelaten worden na drie maanden verblijf in het home.
Zo liet de jeugdrechtbank mij weten in een brief.
En daar leefde ik naar toe.
Dan kon ik misschien R zien?
Konden we alles uitpraten.
Kwam toch alles nog in orde.
Want mijn ganse doen en denken draaide nog om hem.
Dan zou de puzzel eindelijk in elkaar vallen voor mij.

En de puzzel viel ook in mekaar!
Maar heel wat maanden later dan ik dacht.
Want er stond mij eerst nog heel wat verbijstering te wachten.
Verbijstering, onbegrip en verdriet!
Maar goed dat ik niet kon vooruit blikken!

©Huismusje

LAM GESLAGEN VLEUGELS

Na drie maanden verblijf in het ‘home zou ik op weekend mogen naar mijn pleegouders.
Dat liet de jeugdrechter mij weten.
En ik telde de dagen af tot het zover zou zijn.
Als je jong bent gaan de uren en dagen zeer traag. Vooral als je sterk naar iets verlangd.

Ondertussen ging mijn leven zijn gewone gangetje.
Werken, slapen eten, met zo nu en dan een uitstapje als ontspanning.
Al was "mijn gangetje”, de levenswandel van mijn “gewone” vriendinnen in acht genomen, helemaal niet zo gewoon, .
Maar ik was het zo gewend. En ook al wist ik dat het anders en beter kon, ik had mij er al lang bij neergelegd dat het mij niet verging zoals anderen.
"Je moet geloven in de toekomst"  was mij al zo vaak gezegd. Dat probeerde ik dan ook met alle kracht die ik in me had.
Gelukkig had ik mijn fantasie die ik haalde uit romantische boekjes, want soms was de realiteit wel heel erg hard.
Tot er weer wat gebeurde.
Iets dat ik in de stoutste dromen niet had durven dromen.
Dan sloeg de wrede realiteit weer toe.
En lachte de fantasie mij keihard uit!

Op een avond zat ik nog maar eens in een hoekje een  super romantische boek te lezen toen de directrice van het home mij bij zich riep..
”Morgen moet jij om tien uur bij de jeugdrechter komen”…
Ha, dacht ik, eindelijk!
Want mijn drie maanden waren om.
Dus ook de "tijdelijke regeling".
En ik ging die avond naar bed met mooie gedachten en dromen over mijn toekomst.

Een opvoedster ging met mij mee naar het ‘Justitiepaleis’.
Weer wachten in die sombere lange gang met zijn veel te weinig houten banken voor alle aanwezigen.
Ik zag meisjes en jongens passeren tussen rijkswachters, met of zonder handboeien aan.
Sommigen kwamen al lachend terug buiten en werden omhelsd door moeder en/of vader.
Anderen kwamen minder vrolijk buiten.
Er waren er zelfs die een advocaat aan hun zijde hadden en ik vroeg mij daarbij af wat die dan wel op hun kerfstok moesten hebben.
Mijn levensloop mocht dan niet lopen zoals het moest, met criminaliteit had ik nooit te maken gehad.

Ik keek rond om te zien of mijn pleegouders ook aanwezig waren, maar nee.
Toen ik daarover een vraag stelde aan de opvoedster kreeg ik geen antwoord.
Zij haalde haar schouders op en deed er verder het zwijgen toe.

De gang werd leger en lege en ik barstte ondertussen van de zenuwen.
Waarom moesten we hier zijn om tien uur?
Het was ondertussen weeral bijna middag!
Uiteindelijk riep de klerk mijn naam af en mochten we naar binnen.
Daar zaten weer de jeugdrechter met zijn bijzitters in vol ornaat.
En wie ook aanwezig was, maar die ik eerst niet opmerkte, was de assistente van mijn toeziende voogd.
Zij zat naast de deur zoals een waakhond.
Bekeek mij niet, maar verloor mij toch niet uit het oog.

Jeugdrechter Maes bekeek mij zoals hij alleen dat kon…..
 ...Zo een lange diepe blik die dwars door je heen scheen te gaan en waarbij je het gevoel kreeg dat je op een nest mieren zat.
Zijn blik ging van mij naar een lijvig dossier dat voor hem lag.
Zwijgend begon hij te bladeren.
Na wat een eeuwigheid leek sloeg hij het dossier met een klap dicht en keek mij weer lang aan. Eindelijk deed hij zijn mond open!
Ik kreeg eerst de hele rimram over zijn "hoedanigheden". Dan het verloop van mijn laatste maanden in "vrijheid" zoals hij het noemde, en vervolgens een samenvatting over mijn verblijf in het home.
Er viel op mijn gedrag niets aan te merken, zei hij.
Mijn gedrag in het home was voortreffelijk geweest, maar…..
En nu gaat het komen, dacht ik... en het kwam ook... maar niet zoals ik gedacht had!

Hij liet mij weten dat mijn verblijf in het home een noodoplossing was geweest.
Want een verblijf in het home moet betaald wegens privé.
Mijn moeder was onvermogend. (???...)
Mijn pleegouders waren evenmin in staat daartoe.
Derhalve zou ik in een staatsinstelling worden geplaatst tot mijn eenentwintigste jaar.
De staatsinstelling zou St Margaretha van Cortona worden.

De wereld verging op dat moment!
De bodem werd weggeslagen onder mijn voeten.
Ik begon hysterisch te huilen toen de woorden van de jeugdrechter weer tot mij door drogen.
Vluchten, hier weg, was alles wat ik nog kon denken.
Maar mijn benen wilden niet mee!

Al de rest ging als in een roes aan me voorbij.
Met de rijkswachter aan mijn ene zijde, en de assistente aan de andere, naar de catacomben van het Justitiepaleis.
Van daaruit naar een politiecombi….de zij-ingang van het internaat.... het wachten in de gang tot de directrice het dossier kon overnemen van de s.a…..de non die mij naar boven bracht…..die mij in de isoleercel plaatste... mij uitkleedde en de zware ijzeren deur achter mij op slot deed. Mij alleen liet met slechts  één gedachte.... waar is iedereen.
Waar zijn diegene waar ik van hou? Waar zijn diegene die van mij houden?
"Ik maak mij van kant…. Nu maak ik mij van kant"!

©Huismusje

TERUG IN DE HEL

Ik sta nog steeds een beetje versteld wanneer ik terug denk aan hoe vaak en gemakkelijk ik me kon aanpassen aan allerlei omstandigheden.
Het zal wel te wijten geweest zijn aan mijn jong zijn.
Want ik heb het daar nu heel wat moeilijker mee.
”Verandering van spijs doet eten” gaat niet op voor mij.
Ik ben honkvast, en hondstrouw.
Misschien ligt de basis daarvoor wel net in mijn jeugd.

Voor de tweede maal was ik in de hel beland. Genaamd, ‘St Margaretha van Cortona’.
Dit enkel omdat diegene die mij op de wereld hadden geschopt onkundig, maar vooral onwillig waren, om hun verantwoordelijkheid te dragen.
Daar was ik nogmaals de dupe van geworden.
(Net als zoveel anderen die ik in het gesticht ontmoet heb.)
Je kunt ‘St Margaretha van Cortona’ allerlei mooie namen geven, feit blijft dat het in casus positie een verbeteringsgesticht was. En ook als zodanig bekend stond bij de modale burger.

In de isoleercel, ontdaan van alle bovenkleding en met enkel een matras op de blote vloer, een vastgespijkerd tafeltje en dito stoel, had ik alle tijd om na te denken.
En het enige waar ik kon aan denken was sterven.
Allerlei scenario's  van zelfdoding liet ik de revue passeren.
Maar daar waren de nonnen zich maar al te goed van bewust. Want om de zoveel tijd kwamen ze kijken.
Er werd daarbij geen woord tegen je gesproken.

Weer dezelfde intake procedure.
De vernedering bij de dokter en het gesprek met een ongeïnteresseerde psychiater.
Enig verschil met vorig intiem onderzoek bij de dokter, ik was geen maagd meer.
De dokter stelde dit vast en de non schreef het in mijn dossier. Onder dwang moest ik twee rode pilletjes slikken.
Er werd goed opgelet dat ik ze ook degelijk doorslikte.
Als enige uitleg voor die pillen kreeg ik te horen dat ik binnen enkele ongesteld zou worden. En dat was zo.

Toen die procedure achter de rug was mocht ik naar het verdiep. Naar naar het tweede verdiep dit keer.
Het gerucht liep dat de meisjes op het tweede verdiep van een zwaarder crimineel gehalte waren dan die van het derde verdiep.
Maar dat was ofwel, een verzinsel verspreid door de fantasie van de meisjes zelf, of een afschrikmiddel van de nonnen.
Want de waarheid was dat op het tweede verdiep de oudere meisjes zaten, en vooral diegene die niet op korte termijn terug naar huis zouden keren.
M.a.w. meisjes die tot hun eenentwintigste geplaatst waren.

De regels op het tweede verdiep waren vrijwel hetzelfde dan die van het derde.
Met één enkele uitzondering dat wanneer je vertrouwbaar was, je buitenhuis "mocht" gaan werken. Zo werd dat geformuleerd.
Goed bekeken van de nonnen, want zo was je hen nog dankbaar op de koop toe, en fier dat je "mocht" gaan werken voor hen.
Maar zoals gezegd, ik paste mij vrij vlug aan aan het ritme en de discipline van elke dag.

Er kwam vrij vlug een brief van mijn pleegouders, waarin ze me lieten weten dat ze op bezoek zouden komen van zo gauw ze de toelating kregen van de jeugdrechter.
Maar ook de psychiater, de directrice en moeder-overste moesten daarvoor hun fiat geven.
Wat hun beoordeling 's normen waren heb ik nooit geweten, maar ik gaf hen alvast geen aanleiding om dit te weigeren.

Weer een periode van drie maanden observatie.
Dan een evaluatie.
Naar de jeugdrechter om het verdere verloop te horen te krijgen.
Je hoopte dan telkens dat je zou vrij komen.
Dat zal waarschijnlijk ook wel de bedoeling zijn geweest van die bezoeken aan de jeugdrechtbank, want zo hielden de meeste zich heel koest tijdens die periodes.
Enkel wanneer je terugkwam en te horen had gekregen dat je nog wat langer moest blijven, was er soms wat verzet.
Dan werd er wat gerevolteerd tegen de discipline, maar daar maakten de nonnen heel snel en kordaat komaf mee.
Een dag isoleercel of enkele dagen ziekenkamer, en je liep weer in het gareel.
Je kon trouwens toch geen kant op.

En zo gleed mijn jeugd door mijn vingers als water.
Zo was ik wars van alle buitengebeuren, want naar nieuwsberichten mochten we niet kijken.
Enkel door de nieuwkomers kregen we wat informatie van de nieuwe strekkingen en Kregen we een glimp van de nieuwste mode.
Het zou zes maanden duren voor ik opnieuw de straat zou zien.
Ik was toen zeventien jaar en acht maanden.

©Huismusje

ARBEID ADELT?

Anno 1969.
Bijna achttien jaar en nog steeds van mijn vrijheid berooft.
Onterecht berooft, zo meen ik, maar de kinderrechten lagen in die tijd wel iets anders dan nu.
Ook onder het ouderlijke gezag werden de normen en waarden iets strenger gesteld dan nu.
En wij kinderen van toen rebelleerden iets minder expliciet daarop.
Waarden zoals gehoorzaamheid, respect en beleefdheid naar volwassenen toe, werd ons met de paplepel ingegeven.
En daar handelden wij ook naar.
Al was dat respect niet altijd wederkerig, zoals ik al zovele malen had moeten ondervinden.

Mijn vrijheid werd iets verruimd door mij toe te staan de weekends door te brengen bij mijn pleegouders.
Dit om de zes weken.
Het was een lange tussentijd, maar het was toch iets om naar uit te kijken.
Mijn eerste betrachting was om contact op te nemen met mijn eerste grote liefde R.
Maar mijn zelfrespect weerhield mij daar uiteindelijk van.
Wel ging ik kijken naar ons “liefdenestje” zoals hij het zo graag noemde.
Maar al aan de buitenkant kon ik zien dat er ondertussen andere mensen inwoonden.
Dit werd mij ook bevestigd door een toevallige voorbijgaande oude buur.
De ouders van R hadden de boel leeggehaald.
Zij hadden daarbij nog geen week gewacht.
Mijn spullen, gekregen van mijn vrienden of gekocht met mijn geld, hadden ze ook aangeslagen.
Zij meenden daar recht op te hebben zo lieten ze mij weten, twee jaar na datum tijdens een toevallige ontmoeting op de wekelijkse markt.
En ik had geen zin om mij daar nog druk over te maken.
Gedane zaken nemen geen keer.

Tijdens die  vrije weekends verliep één en ander niet zoals het mij door de jeugdrechter was opgelegd.
Maar daarover later meer.

Ondertussen werd ik door de psychiater als “gehoorzaam en volgzaam” bestempeld.
En omdat ik zo braaf en volgzaam was, zou ik worden beloond.
De beloning bestond eruit dat ik buitenhuis zou mogen gaan werken.
Waar en hoe bepaalden zij voor mij.
Ik had daarbij geen enkele inspraak. Tegenspraak evenwel zou ernstige gevolgen hebben.
Wanneer ik niet akkoord zou gaan, dan zou ik niet meer op weekend mogen.
Dan zou ik geen bezoek meer mogen ontvangen.
Men kon mij het leven behoorlijk zuur maken en dat wilde ik ten allen koste vermijden.
Dus ik legde mij neer bij hun voorwaarden.
Die voorwaarden waren de volgende;

Ik zou te werk gesteld worden op de fabriek “Koffie Rombouts”.
Dit samen met nog drie andere meisjes van mijn afdeling.
Wij werden aan de poort van het internaat afgehaald door een taxi en werden vervolgens afgezet voor de poort van de fabriek.
’s Avonds zelfde scenario in omgekeerde richting.

Het openbaar vervoer vond de nonnen geen geschikt transportmiddel voor ons.
We zouden teveel zien en horen vermoed ik.
En vooral zou men niet voldoende controle hebben gehad.

Wij kregen dagelijks een door de nonnen gemaakt lunchpakket mee, twee sigaretten en vijf Belgische franken om een frisdrank te kopen.
Koffie kregen we gratis en zoveel we wilden op de fabriek tijdens de lunchpauze en ook zo om 10.u en om 15u.
We gebruikten die vijf frank dan ook meestal om een koek te kopen die men op de fabriek tweemaal per dag te koop aanbood.
Ook konden we voor die vijf frank friet met mayonaise kopen in de gaarkeuken van de fabriek.
Of ook nog een grote kop soep.
Voor een volledige maaltijd, die men daar ook kon eten, was de vijf frank niet toereikend.

Soms spaarden we die dagelijkse vijf frank ook op om een pakje sigaretten te kopen, want rokers waren we vrijwel allemaal in die tijd.
We moesten die dan wel in ons kastje laten, want de non portierster onderzocht je tas dagelijks bij het weerkeren 's avonds.
En al wat ze vond dat verboden was verdween voorgoed in haar kast.
En buiten je schort en je lege lunchdoos was vrijwel alles verboden.

Wat mijn uurloon was heb ik nooit geweten!
Elke veertien dagen kregen de werknemers hun loonzakje. In het midden van de maand een voorschot, en op het einde van de maand de rest.
We moesten dan aan de receptie gaan aanschuiven, je naam noemen, papier tekenen, en dan kreeg je dat loonzakje met cash geld in je handen gestopt.
Als extraatje kreeg je van de baas ook een pak koffie mee.
Dat laatste was verbonden aan de jaren dienst.
Voor de nieuweling was er het ‘Groenmerk’, voor de oudgediende het ‘Goudmerk’.
Maar voor ons, "de meisjes van Cartouche" zoals we werden genoemd op de fabriek, zat het enigszins anders.
Wij moesten ook aanschuiven aan de receptie.
Maar ons loonbriefje moeste we blind tekenen.
Dat wil zeggen, er werd een leeg blad papier overheen gelegd, en enkel de plaats voor de handtekening kregen we te zien.
Ons loonzakje kregen we ook niet te zien. Dat werd  afgehaald door de non van dienst, inclusief het pakje koffie.

Zo heb ik nooit geweten wat mijn uurloon of maandloon was tijdens mijn verblijf in het internaat.
Ik weet dat jaren na datum er een hele heisa is geweest met de directrice en de staat.
Het ging om frauduleuze praktijken die zouden zijn gebeurt.
Geld dat er had moeten zijn, maar dat er niet was.
Ik heb er nooit het fijne van geweten, heb er mij ook nooit op toegelegd om het te weten.

Feit is wel dat ik na die arbeid slechts -1200BF  op mijn spaarboekje had staan.
Een spaarboekje waar ik niet eerder aankon dan op mijn eenentwintigste en ook nog eens de toelating  van de jeugdrechter moest vragen.
Waarbij je met rode kaken voor de loketbediende stond omdat die je met een scheve blik bekeek.

Tja, van vernedering weet ik alles!
Het was vernedering alom in de jaren van mijn jeugd.

©Huismusje

VINCENT EN ANTOINETTE

Een kennismaking met de mensen die mijn redding zijn geweest. Die me hun liefde gaven en me door dik en dun hebben gesteund vanaf het eerste moment dat ze me leerden kennen.

't Pleintje van Meneer pastoor werd gesponsord door notabelen en zakenmensen.
Zo waren er onder meer, Vincent en Antoinette.
Maar iedereen noemde hen Jos en ‘Netje’.
Jos was beroeps militair in het Engels kamp van Emblem en Netje zwaaide de plak in hun café, De Pax. Het echtpaar had drie kinderen, een dochter en twee zonen.
Hun jongste zoon was van dezelfde leeftijd als ik en hem kende ik dan ook het beste.

Jos en Netje, maakten deel uit van het bestuur dat was opgericht vanwege, De Blokhut.
Dat was een houten keet die op het terrein van 't Pleintje stond en waar fuiven werden gegeven voor de zestien-plussers.
De Blokhut was er gekomen door hun toedoen.
Ze zochten en vonden sponsors en hielden er toezicht op dat alles netjes verliep.
Jos en Netje zouden al gauw een belangrijke rol in mijn leven gaan spelen.

Door toedoen van de jongste zoon die mijn kameraad was kwam ik op mijn zeventiende (bijna achttien) al eens bij hen in het café.
Netje, nam mij al vlug onder haar vleugels na het horen van mijn situatie bij mijn pleegouders.
Ontelbare keren schoof zij mij een glas Cola toe  en gaf ze mij een pakje sigaretten dat ik niet hoefde te betalen
Zij kwam voor mij op wanneer iemand een opmerking maakte.
Zij verdedigde mij door dik en dun, zelfs wanneer ik fout was.
Dan vergoelijkte zij die fout met een kwinkslag.
Op elk moment, dag of nacht, was ik welkom bij hen.
Jos heeft zelfs een keer zijn vuisten gebruikt om mij te verdedigen, maar hoe dat in zijn haak zit, vertel ik later.
Overal waar zij gingen, ging ik met hen mee.
Na sluitingstijd nog een hapje eten... en hop, bibi mocht mee.
Naar de stad op hun vrije dag, of bij vrienden of familie op bezoek.... als het kon namen ze me mee.
Eindelijk had ik mensen om mij heen die van me hielden om wat ik was en wie ik was.
Mensen bij wie ik mij veilig voelde. Gaandeweg werden zij mijn surrogaat ouders.
Mijn pleegmoeder was met al die aandacht voor mij helemaal niet blij.
”Dat vuile café, die vieze mensen” kreeg ik dan steeds te horen.
Maar geen tien paarden konden mij van hen weg houden.

Netje, is zeer vroeg gestorven, op 57-jarige leeftijd reeds. Ik was toen vooraan in de twintig.
De oudste zoon en Jos zijn ondertussen ook al enige jaren dood.
De dochter en de jongste zoon zie ik sporadisch, en dat is steeds een blij weerzien.
Ik mis Netje nog elke dag.
Wat had ik graag haar oude dag opgesmukt. Uit dankbaarheid voor al de liefde zie ze mij heeft gegeven.

©Huismusje

ACHTTIEN JAAR

Achttien jaar!
Een verjaardag waar we halsreikend naar uitkeken.
Niet omdat we het dan voor het zeggen zouden hebben, zoals nu, maar met achttien jaar voelde je je toch al een beetje  een vrije mens.
Maar dat laatste ging niet op voor mij.

Aan verjaardagsfeestjes werd in St Margaretha van Cortona niet gedaan.
Enkel de katholieke feesten en sommige naamdagen werden uitgebreid gevierd met een extra lange kerkdienst.
Nu ja, dat laatste vond ik niet zo heel erg ten tijde dat ik nog elke morgen naar de kerkdienst ging. Het was een goede manier om nog een beetje te kunnen dutten.
Het was kiezen, of je deed klusjes en herstelwerk, of je ging naar de kerkdienst.
Dat eerste vertikte ik. We moesten al genoeg klusjes doen gedurende de dag en avond.
Niet enkel poetswerk, maar ook echt werken voor de één of andere fabriek. Onbetaald uiteraard!
Want heb er nooit één cent van gezien hoewel ik er heel veel uren ingestoken heb.
De kerkdiensten hielden op toen ik buiten het internaat op de fabriek ging werken.

Maar dus mijn achttiende verjaardag was er één in mineur.
De opsluiting, de harde discipline, de afgedwongen gehoorzaamheid, de vereenzaming, en nog veel meer van die nare gevoelens... het leek of ze op die bewuste dag allemaal tegelijk en loodzwaar op mijn schouders vielen.
Hoe harder ik mijn best deed om die dag zo goed mogelijk door te komen, hoe minder het mij scheen te lukken.

En ik werd ziek…..heel ziek!
Maar ik wist het niet.
Ik vermagerde zienderogen, kon niet meer eten, had ook geen hongergevoel meer.
(Dat mager worden vond ik niet erg, in die tijd was slank zijn ook al de mode.)
Maar ik werd futloos en stond heel slapjes op mijn benen.
Hondsmoe na een nacht slapen, want ook dat slapen lukte mij niet meer zo goed.
Verschillende keren per nacht werd ik wakker, badend in het zweet na nog maar eens een nachtmerrie.

Het begon de nonnen op te vallen.
Het begon de collega’s van het werk op te vallen.
Zelfs mijn pleegouders zeiden er wat van.
En mijn surrogaat-moederke, mijn Netje, die maakte zich kwaad.
Die vond dat het zo niet langer kon.
Zij ondernam actie.
Zij ging praten en raad vragen aan de hoofd-pastoor van de parochie en sprak met haar dokter.
Vermits zij mede in de bestuursraad zat van ‘’t Pleintje’, kende zij nogal wat notabelen.
Ze sprak ze dan ook één voor één aan.

Ondertussen sleepten de dagen zich voort.
De nonnen dwongen mij om allerlei pillen te slikken.
Maar wat ze ook gaven, het hielp geen zier.
En op een dag kon ik mijn bed niet meer uit .
Hoge koorts en overgeven. (Iets dat zeer pijnlijk was met een lege maag.)
Men bracht mij in de rolstoel van moeder-overste naar de ziekenkamer. ( Nu schiet mij plots ook weer de naam van die non te binnen, het mere Emmiliene en ze had MS, vandaar die rolstoel)
En ik bedenk mij nu eveneens dat dit misschien de enige keer was dat die kamer niet werd gebruikt als strafkamer voor ongehoorzame meisjes.
Achtentwintig dagen heb ik daar gelegen.
Dagen die volledig uit mijn geheugen zijn gewist.
Buiten dan de pap die ik moest slikken.
En de vernedering omdat men mij een plastieken luier aandeed omdat ik mijn blaas niet meer onder controle kon houden.

Maar het ziek worden had ook een goede kant.
Want voor mij bracht het de redding.
En ze kwam niet van God, zoals de nonnen mij graag wilden doen geloven, maar van de jeugdrechter!

©Huismusje

VRIJHEID, BLIJHEID.

Achttien jaar was ik net geworden.
En ik leefde als een veroordeelde zware crimineel.
Werd uiteindelijk doodziek van alle geleden ellende.
Ellende die al jaren voortsleepte en waar ik op dat moment bijlange na nog geen verandering zag in komen.
Maar de verandering kwam toch.

In volkomen lethargie zat ik op een ijzeren stoel, aan een kleine ijzeren tafel in de ziekenkamer (waar ik al weken verbleef) te turen door het kleine getraliede venster naar de met prikkeldraad en glasscherven bezaaide muur, toen een non binnenkwam met een brief.
De brief kwam van de jeugdrechter die liet weten dat hij mij in zijn kabinet verwachtte. Dat gebeurde om de drie of zes maanden.
Ik las het gelaten want ik verwachtte er niet veel goeds van.
Enkel de mededeling dat ik zou ‘vastzitten’ tot mijn eenentwintigste jaar.
Drie lange jaren waarin ik elk uur zou besteden aan het uitdokteren hoe ik me het best en het snelst van kant kon maken.
Want ik wilde niet meer leven. Dit leven had geen enkele zin meer voor mij.
Toekomstperspectieven had ik niet en zag ik ook niet meer.

Toen ik van de jeugdrechter te horen kreeg dat ik terug naar mijn pleegouders zou mogen gaan, geloofde ik dan ook mijn oren niet, en het duurde lang voor het goede nieuws tot mij doordrong.
Weliswaar zou de dokter van het internaat, en de psychiater mij eerst genezen moeten verklaren, maar dat zou een makkie worden, zo dacht ik.
Maar ik was zieker dan ik zelf vermoedde en men  mij de afgelopen weken vol medicatie gepompt. Medicatie die trouwens geen zier had geholpen, want voor diep ingeworteld verdriet bestaan pillen.
Fysiek was ik al wat aangesterkt door het niets anders doen dan liggen en zitten de laatste weken, maar ik was er ook mentaal onder doorgegaan, en dat was nog niet over.
Jarenlange verwaarlozing, mishandeling, zowel geestelijke als lichamelijke hadden uiteindelijk zijn tol geëist.

Maar ik was een vechter.
En met de gedachte aan mijn ‘vrijlating’ kwam die vechtlust weer, elke dag een beetje meer.
De dag kwam dat ik uit de ziekenkamer mocht.
Dat ik weer onder de meisjes kon zijn
Dat ik weer de strenge discipline aankon zonder de hartkloppingen die mij het gevoel gaven dat m’n hart uit mijn lijf ging springen.
De dag kwam dat ik weer kon gaan werken.

En zo kwam ook de dag dat de dokter vond dat het tijd was om mij vrij te laten. Dat ik het internaat en zijn machtsgeile nonnen achter me kon laten
Ditmaal zou ik het allemaal anders doen. Dat nam ik me stellig voor.
En ik deed het ook helemaal ander!                             

ONDERDRUKKING

Wat Vrijheid is besef je pas als je jaren achter slot en grendel hebt gezeten. Wanneer je vanonder het juk van de onderdrukking bent uitgekomen
Je zou dus rustig kunnen vermoeden dat ik overliep van blijdschap toen de grote houten poort achter me dichtviel.
Dat ik het van de daken schreeuwde en al huppelend de straat afliep.
Niets was minder waar.

Ik voelde helemaal geen blijdschap.
Eerder had ik een gevoel van losgeslagen te zijn.
Op drift als een klein bootje op een woeste zee.
Jawel, ik wist waar naar toe. Vermoedde hoe ik de volgende dagen en weken, zelfs maanden en jaren zou doorbrengen.
En dat besef maakte nu juist dat ik geen blijdschap kon voelen.
Want ik ruilde de ene opsluiting in voor een andere.
Nee, men zou geen deuren meer achter me op slot draaien, maar dat was dan ook het enige verschil.
Een gevangene zou ik blijven, want ik zat opgesloten in mezelf.

Tijdens mijn verblijf in het internaat, en vooral de weken tijdens mijn ziekte, was ik tot de slotsom gekomen dat er voor mij geen toekomst was.
Dat ik in deze gezinssituatie op geen mooie toekomst moest rekenen
Het plaatje zou er als volgt uitzien, werken, m ’n geld afgeven, dankbaar zijn voor elke kruimel die me toegeworpen werd, en voor de rest lopen voor wat je goed bent.
Waar en hoe je loopt interesseert ons geen zier.
Ik zou weer de heftige driftbuien van mijn pleegmoeder moeten ondergaan.
Driften die ze op mij zou botvieren.
Ik was haar uitlaatklep. En als het haar echt hoog zat, ook haar boksbal. Want mijn pleegvader had zich in de loop der jaren de kunst perfect eigengenaakt om op zulke momenten onzichtbaar te worden.

En ik, ik had geen keuze.
Het was mijn enige “thuis”.
Of toch iets dat het moest benaderden.
Het verzet, de woede daar tegen, speelde nog steeds bij mij. Maar ook het besef van onmacht.
Het was die onmacht die van mij een gevangene maakte.
Dat mij verhinderde om blijdschap te voelen.
Neen, ik huppelde niet blij door de straat...floot of zong geen liedje...  ik stapte in gedachten en met loden schoenen van de ene onderdrukking naar de andere toe..

©Huismusje

INNERLIJKE PIJN

Terug in het huis van mijn pleegouders.
En waar ik voor gevreesd had werd waarheid.
Al wat ik te doen had was zoveel mogelijk geld binnenbrengen.
En dat deed ik dan ook maar zo goed als ik kon.
Op de koffie fabriek waren genoeg mogelijkheden om overuren te doen, dus deed ik er elke dag vier.
En gaf alle centen netjes af.
Moest daarbij m ’n eigen was en strijk doen, zoals vanouds.
Misschien dat er onder jullie lezers zijn die dit de dood normaalste zaak vinden. Ik vond dat niet. Al was het enkel maar omdat het allemaal gebeurde onder het motto: "Jij bent ons geld schuldig omdat wij jou ik huis hebben genomen." Liever had ik geien dat ze mij als baby aan de bevoegde instanties hadden toevertrouwd. Misschien was ik dan ergens terecht gekomen waar ik gewenst was. Misschien was mij dan heel veel ellende en verdriet bespaard gebleven.

Vaak moest ik die strijk nog doen voor ik naar het werk vertrok, want ’s avonds was ik laat thuis wegens de overuren en stond de kachel reeds op een laag vuur. (Strijken gebeurde toen nog met een ijzeren strijbout die verwarmd op de kachel.)
Dan maar mijn was doen ’s avonds, vaak tot laat in de nacht (wassen gebeurde toen nog allemaal op de hand) want het bleef niet steeds bij mijn was alleen.
Zaterdagmorgen werkte ik ook op de fabriek.
En in de namiddag schuurde ik gang en straat, ook als vanouds.
En dat was geen klein werkje want de deuren en de plinten moesten wekelijks worden afgewassen, de rolluiken en de ramen aan de buitenkant.
De arduinen richel  met blauwsel, en de kelder roosters met ammoniak.

Er restte mij dus geen tijd om zoals andere achttien- jarigen,  naar de kapper te gaan of te gaan shoppen.
Mijn zakgeld was trouwens slechts twintig BF per week, iets dat in die tijd ook een aalmoes was.
Een cola kostte in die tijd -11BF.
Dus uitgaan moest ik ook al niet.

Gelukkig was er mijn moederke van het café  die me gratis drankjes gaf.
Zodoende bracht ik de ganse zondag bij haar door.
Oom D. en nicht S waren daar dan ook steeds, en ’s avonds at ik bij hen.
Mijn pleegouders vonden dat goed geregeld zo... en ik ook.

Toen de baas eens opmerkte dat ik nu al wel een rijk meisje zou zijn wegens de vele uren die ik werkte, schoten de tranen in m ’n ogen.
Verbaasd vroeg de goede man wat er aan de hand was? Hoe meer hij vroeg, hoe harder ik begon te snotteren.
Met horten en stoten vertelde ik de ganse toedracht.
Meer dan twee uur heeft de man naar mijn relaas geluisterd,
Toenik zweeg bleef het heel lang stil.
Toen zei hij me dat hij mijn overuren apart zou uitbetalen.
”In het zwart” liet hij me weten, “maar vertel dit nooit aan je collega’s, want ik doe dit enkel voor jou.”
”Zodoende kan je wat achterover drukken”….. En dat deed ik dan ook.

Echt goed voelde ik mij daarbij niet, maar het was haast een kwestie van ‘overleven’.
Want heel vaak was er geen brood genoeg voor mij, en moest ik zonder lunchpakket gaan werken.
Ik rookte, maar voor  sigaretten moest ik steeds bij mijn pleegmoeder bedelen. En als ze weer eens een slechte bui had, kreeg ik niets.
Wanneer er ’s avonds nog warm eten over was, had ik geluk, anders moest ik maar wat bijeen zoeken.
Ongelooflijk, maar waar!

En zo ging er een halfjaar voorbij.
Zes maanden waarin ik een man leerde kennen.
Een relatie die al vlug weer afsprong omdat ik er niet klaar voor was.
Ik had geen liefde meer te geven.
Alles liet mij koud.
En zodoende wandelde ik het verkeerde pad op.
Een pad waarop ik enkel mezelf zou pijn doen.
Maar het leek wel alsof ik die pijn nodig had om te beseffen dat ik leefde!

©Huismusje

KRUISPUNT

Beeld jullie in dat je midden in een veld van metershoge mais op een kruispunt staat.  Welk pad zou je dan kiezen? Dat vroeg ik me ook af, welke richting kan ik uitgaan?
Op pad dat achter me ligt, ga ik alvast niet meer op.
Teveel tranen op gestort.
Links heeft een beetje een negatieve klank.
”Jij hebt twee linkse poten” hoor ik mijn pleegmoeder dan in gedachten zeggen, “jij deugd voor niks”!
Dus links is geen optie.
Het pad dat voor me ligt, kan ik niet op!
Te bang, te weinig zelfvertrouwen en niemand die je bij de hand neemt.
Niemand die je de weg wijst, je staat moederziel alleen.
Rechts dan maar, want als je van rechts komt, heb je voorrang.
Dan moet men voor je stoppen, dan moet men rekening houden met je.
Je staat voor een keuze, en je kiest.
Alleen besef je niet dat je de verkeerde keuze maakt.
Er is niemand die het je zegt, geen rood licht dat je waarschuwt.

Mijn luttele vrije tijd bracht ik door in het café.
Ik werd er aanvaard, en ik kon er mijn zorgen vergeten. Althans, ik kon ze wegdrukken voor even.

Zonder pochen mag ik zeggen dat ik er tamelijk goed uitzag. Ik was jong, slank en mijn lange blonde haren maakten het geheel af.  Of toch niet. Het was mijn vranke teut die het geheel afmaakte!
Op alles had ik een gevat antwoord klaar.
Ik grapte, ik lachte, en het was mijn vrolijkheid die aanstekelijk was.
Mannen zagen mij niet langer meer als een jong meisje, maar als een volwassen vrouw.
Eén die wist wat ze wou en vooral wat ze niet wou.
Wisten zij veel dat het allemaal maar façade was.
Dat ik heel diep van binnen huilde als een klein kind.
Elke dag weer.
En hoe meer pijn ik voelde, hoe harder ik lachte.
Want niemand zou ooit nog mijn tranen zien.
Niemand zou mij nog verdriet doen of kwetsen.

De hotpants waren in, en de minirok.
En al zeg ik het zelf, ik had een mooi stel benen.
En daar maakte ik dankbaar gebruik van.
Het maakte dat de mannen, jong en oud aan me kleefden als een vlieg aan een pot stroop.
Ik had maar te kiezen, en dat deed ik dan ook.
Het was iets waar ik goed in was, het spel van het verleiden en hen op het laatste moment de rug toekeren .
Het was mij om de macht te doen.
Ik lachte, ik danste en was een populaire jonge vrouw.
Maar van binnen ging ik kapot.
Wist verdomd goed waar het die mannen om te doen was. Zeker niet om mijn gevoelens.
Als er ooit structuur in mijn leven was geweest, gooide ik die nu met ware doodsverachting weg.
Met als enig doel voor ogen, als ik kapot moet gaan, zal ik mezelf wel kapot maken.
Ik kies, niet jullie!
Maar ik ga niet zonder stoot of slag.

Ik koos en wees hen meteen weer af.
Ik schepte er genoegen in.
Ik speelde gevaarlijk spel.
Een beetje zoals bij Russische roulette.
Maar ik hield tenminste zelf het pistool in handen.
Stak zelf de kogel in de lader.
Klik….Nee, niet vandaag…..morgen misschien?
Want ooit kom ik aan het einde aan de weg.
Dan kan ik geen kant meer op!

©Huismusje

Meer van HUISMUJE'S TRIESTE JEUGD

↑ Terug naar de berichten