Naar de inhoud

HUISMUJE'S TRIESTE JEUGD

IK HEB GEEN SPIJT VAN DE DINGEN DIE IK DEED!
ENKEL SPIJT VAN DE DINGEN DIE IK NALIET TE DOEN!
akke.beakke.be

Archief

HET GESPREK (1)

Het was de allereerste keer dat ik alcohol dronk, het was ook de eerste keer dat ik mijn moeder dronken zag.
Dat was nu iets dat ik niet gewend was, dronken mensen.
Bij mijn pleegouders werd enkel een glaasje gedronken met Kerst en Nieuwjaar.
Het werd dan even een vrolijke boel, maar dat was het dan.
Buiten oom D waren er geen dronkenlappen in die fam.
Bij mijn moeder echter stonden de flessen drank een ganse dag ter beschikking en werd er ook gretig gebruik van gemaakt.
Twee flessen wijn per avondmaal was eveneens een must.
Ik lust geen alcohol, al zal ik bij gelegenheid zeker mijn steentje bijdragen.
Feit is dat er iets in mijn lichaam tegen alcohol protesteert, en dat ik na enkele glazen zo ziek ben als een hond.
Dat ‘iets’ heeft mij alvast behoed om alcoholist te worden, moest ik daartoe dan al de neiging hebben gehad.
Het heeft mij eveneens behoed om grote stommiteiten te doen
Zo ook die nacht.

Vroeger op de avond had F mij laten weten dat we eens een gesprek moesten hebben.
Een gesprek over mijn toekomst en bijdrage in hun gezin.
De aanloop naar dat gesprek was al heel verwarrend voor mij.
En ondertussen was dit alleen maar erger geworden.
Maar uiteindelijk was het H die het gesprek begon.

“Hoe zie jij je toekomst” vroeg hij me?
“Ik ga ander werk zoeken, eender wat is goed” antwoordde ik.

“Wel, zei hij, je moeder en ik hebben andere plannen met je”.
”Je weet wat je moeder doet, je weet wat je grootmoeder doet, en ik wil dat jij bij één van hen gaat werken”.
”40% van je inkomsten zijn voor mij, van de 60% die overblijft betaal je hier je deel voor kost en inwoon”.
”Die 40% is redelijk want ik betaal je kapper en je kleding die je moeder voor je zal uitzoeken uit zal k in een chique winkel in Brussel. Dus niet het goedkope spul dat je nu draagt, ik wil niet dat je gekleed loopt met kleding uit de Sarma”
”Tevens is het geen doen dat jij hier op de zetel moet slapen en daarom kom op mijn appartement slapen.

“Wat betreft je vrijer betreft, dat moet uit zijn. Die jongen deugd niet voor je, is te oud voor je, en jij te jong voor een vaste relatie”.
”Je bent jong, en je moet het leven eerst nog leren kennen”.
”Je moeder en ik hebben dit reeds uitgebreid besproken en we hebben beide het beste met je voor”.
”Je moeder heeft spijt dat ze niet beter voor jou heeft gezorgd, maar dat brachten de omstandigheden nu eenmaal zo mee, maar zij wil het bij deze allemaal goedmaken”.
”Daarom dat wij niet willen dat jij je verdere leven gaat werken met opgestroopte mouwen”

Dat was dus, “Het gesprek”.
Ik zat als van de hand Gods geslagen, het drong allemaal in slow motion tot mij door.
Ik keek naar mijn moeder. Zij had tijdens het ganse gesprek geen woord gesproken en deed dat ook nu niet.
De kamer draaide als een tol en ik kon nog net op tijd tot aan de wc geraken.
Daar kotste ik de olijven, hapjes en glazen wijn in één keer uit…..

Wordt vervolgd....

©Huismusje

HET GESPREK (2)

...Ik kotste de drie glazen wijn uit.
Nu ik de rotzooi uit mijn maag kwijt was moest ik ook mijn lever nog zuiveren.
Want daar lag nog iets serieus te wringen.
Ik spoelde mijn mond, poetste mijn tanden, maar de slechte smaak in mijn mond bleef.
Vanuit de badkamer hoorde ik dat het binnen nog steeds een vrolijke boel was.
Er werd gelachen en gepraat, en f had zijn geliefkoosde Duitse marsmuziek opgezet.

Met de moed der wanhoop stapte ik terug de huiskamer in.
“Als je wil gaan slapen, zei F. ga dan maar gelijk naar hiernaast”.
Voor hem was het al een uitgemaakte zaak.
Toen ik weigerde werd hij vuurrood, zette met een klap de muziek af en sloeg met zijn vuist op tafel.

“Denk je echt dat je moeder voor jou gaat werken?”
”Zou dat zoveel gevraagd zijn na zeventien jaar” vroeg ik?
”En ik ben helemaal niet van plan om te luieriken, ik ga werk zoeken”.
”Ha, als fabrieksmeid zeker" zei F smalend. “Werken met opgestroopte mouwen, wat een eergevoel moet dat geven”?
Woorden waarmee ik mijn moeder onbewust moet hebben met gekwetst.
“Dat is eervoller dan te moeten werken met een afgestroopte broek!” antwoordde ik gevat.

F ging gelijk van een vuurrood gezicht naar een spierwit.
Nog even, dacht ik, en ook bij hem komt het schuim op zijn mond te staan, net zoals bij mijn pleegmoeder”.
”Dit gaat je zuur opbreken meisje”,zei hij, en hij vertrok met slaande deuren.
Mijn moeder zei het eerste ogenblik niets.
E lachte schaapachtig en ging achter zijn vader aan.
Toen zei mijn moeder ”nu heb je het verkorven, nu ben je te ver gegaan, nu kan ik je niet meer helpen”.
”Je hebt zonet je toekomst hier vergooid” zei ze mij nog voor ze achter beide mannen aan ging.
En al wat ik kon denken was, wie moet J. dan naar school brengen.

Ik bleef alleen achter met een bonzende hoofdpijn en een bonzend hart.
Voelde mij als een dier in het nauw.
Waar kon ik nu nog naar toe?
Het was ondertussen vijf uur in de morgen.
Plots kwam mijn moeder terug binnen, maakte J wakker en kleedde haar aan.
Ik vroeg waar ze naartoe ging, en of ze niet moest slapen?
”Ik ga mij ophangen”, was al wat ze zei.
In wat een fractie van een seconde leek was ze terug buiten…

Ondertussen werd het licht buiten en ik deed de overgordijnen open.
Net op tijd om hen in een taxi te zien stappen.
Ik was te suf om erover na te denken waar ze op dit uur naartoe gingen.
Eerst moest ik wat slapen.
Voelde mij nog steeds kotsmisselijk.
”Komt tijd, komt raad” dacht ik, en legde mij op de zetel om toch nog een beetje slaap te krijgen, en hoopte dat mijn dromen mooier zouden zijn dan de werkelijkheid.©Huismusje

OVERLEVEN

Toen ik na twee uurtjes onrustig slapen wakker werd, besloot ik maar op te staan.
Het was stil in het appartement. Al waar ik kon aan denken was, ik moet hier weg.
Maar waar naartoe?
Ik besloot om naar R te gaan.
Toen ik op de overloop stond te wachten op de lift, ging plots de deur van F zijn woonst open.
E sprak mij aan en vroeg of ik binnen wou komen.

Nee, dat wilde ik niet.
Hij zei me dat dit dom van me was en dat ik beter zou doen hetgeen ze me vroegen.

“Jij kent mijn vader nog niet goed”zei hij,” hij krijgt steeds wat hij wil, en je gaat nog kruipen voor hem”
Ik antwoordde niet, stapte in de lift, ging naar de bushalte en reed naar R .
Eens daar aangekomen gooide ik alle ellende in mij uit.

Al hortend en stotend deed ik het ganse relaas.
“Ik wist het,zei R heb ik het niet gezegd ma?”
Zowel zijn vader als zijn moeder zwegen.
Toen liet zijn moeder weten dat ik niet bij hen kon blijven…. Dat zij niet die verantwoordelijkheid kon nemen…. Dat ze geen woedende F aan haar deur wou…..en zo verder.
Maar R kwam met de oplossing!
Weet je wat, ik ga een appartement huren en dan gaan we samenwonen.
Na die woorden kreeg de moeder van R bijna een appelflauwte.
Wat...zijde gij zot ... zij is minderjarig hoor... en ga jij je toekomst vergooien voor haar... daar is geen sprake van... daar zal ik een stokje voor steken!...en de litanie ging nog een hele tijd verder.
De vader zei nog steeds niets, en R bleef ook zijn kalme zichzelf.
Rustig zei hij: “Of ze blijft hier, of ik huur een appartement, vandaag nog”.
Zijn moeder was een hartaanval nabij en ik wist niet wat doen of zeggen.
Ik had hulp nodig maar wou daarom geen tweedracht ontketenen tussen R en zijn ouders.
Ik wist hoe zielsveel zij van hem hielden en ik wist dat dit wederkerig was.
De vader van R. opperde dat ik ook in post zou kunnen gaan als kindermeisje of hulp in het huishouden.
Dan heeft ze een dak boven haar hoofd en al wat ze nodig heeft, en dan verdient ze nog wat ook.
Meteen voegde hij de daad bij het woord, en nam de krant van zaterdag.
(In die tijd stond de krant vol van zulke werk aanbiedingen.)

Nog diezelfde dag had ik een baan bij een dokters gezin.
Nu nog mijn kleren gaan halen bij mijn moeder.
Iets waar ik als een berg tegenop zag, maar het moest gebeuren.
R beloofde met mij mee te gaan. Hoewel hij er niet welkom was, stemde ik er deze keer toch in toe, want alleen zou niet ik op kunnen tegen F.
Daarenboven kon ik slechts maar aan één ding denken.
Hoe moet ik dit weer overleven?

©Huismusje

HET SCHAVOT

De bewuste dag volgend op het fameuze “gesprek” was een bewogen dag geweest.
Hoezeer ik er ook tegenop zag, en hoe graag ik ook op dat moment naar het einde van de wereld was gevlucht, ik moest de feiten onder ogen zien.
Ik zou met mijn moeder, en vooral met haar toenmalige souteneur (want dat was hij) wederom een confrontatie moeten aangaan.
Ik zag er tegenop als een berg, maar R. ging met mij mee als steun en toeverlaat.
Toch voelde het aan alsof ik op weg was naar het schavot.
Ik wist niet wat mij bij moeder te wachten stond.
En hoezeer ik mij ook trachtte voor te bereiden op allerlei scenario's, wat ik vond had ik nooit kunnen dromen.

Boven aan het appartement aangekomen stak ik met een bang hart de sleutel in het slot en……mijn sleutel paste niet!
Even dacht ik dat ik de verkeerde sleutel had, maar nee.
Het lag niet aan de sleutel maar aan het slot.
Er was een nieuw slot op de deur gestoken. Ik werd buiten gesloten.
Ik belde aan bij het appartement van F. maar kreeg ook daar geen gehoor.
Vermits ik officieel stond ingeschreven op het bewuste adres opperde R dat ik een slotenmaker zou bellen.
Zo gezegd, zo gedaan, maar wel met een heel bang hart.

Ik had in mijn jonge leven al zo vaak voor een gesloten deur gestaan.
Had daarbij al zo vaak doelloos langs de straat moeten lopen, dag of nacht.
Iets in mij verzette zich daar nu tegen.
Voor mijn pleegouders was ik "een vreemde luis"
Maar toch niet mijn eigen moeder?
Voor haar kon ik toch geen vreemde zijn?
Het was iets dat ik niet begreep toen, dat ik niet kon vatten, waar ik geen vaste greep op kon krijgen.
Allerlei gebeurtenissen liep ik in gedachten door om een verklaring te vinden voor dat nieuwe slot.
Allemaal met de vrees dat er iets ergs gebeurd was met mijn moeder.
Geen enkel dat de ware toedracht benaderde.

Toen de slotenmaker arriveerde en mijn adres had geverifieerd maakte hij het slot open. Stak een nieuw slot en overhandigde mij de nieuwe sleutels.
Ik liet R uit angst voor wat ik zou vinden, eerst binnen gaan.
Want het scenario van mijn moeder in een plas bloed was voor mij niet ondenkbaar.
Ik had gezien hoe H mijn moeder had geslagen en hoe snel en berekend hij daarbij te werk ging.
Hoe opvliegend hij kon zijn van de éne seconde op de andere, zeker na enkele glazen boose.
Maar R stelde mij gerust en dus stapte ik ook naar binnen.

En ik stapte binnen in een leeg appartement!
Alle meubels waren verdwenen, tot het kleinste prul aan toe.
Enkel de zetel waar ik op sliep stond er nog.
Maar geen dekens.
En de gordijnen en overgordijnen hingen ook nog aan het raam.
Mijn kleding stond ingepakt in een vuilniszak naast de zetel.
Totaal aangeslagen namen R en ik plaats op de zetel. Ons afvragend hoe men op één dag een gans appartement kan leegmaken.
Daar hadden wij tenslotte geen ervaring mee.
Kwam bij dat er drie reuze aquariums hadden gestaan, en die nam je toch zo maar niet op.
Alle kamers waren leeggehaald, zo ook de kinderkamer van J.
"Die verhuizers moeten wij ook boeken" zei R. wat lacherig om de stilte te doorbreken. En ondanks alles moest ik lachen.

R stelde voor om met hem terug te gaan en te logeren bij zijn ouders.
Maar dat wilde ik niet en wou ook niet dat hij de ganse nacht bij me bleef.
Al wat ik wou was alleen zijn.
Er werd afgesproken dat hij mij ’s anderdaags zou komen ophalen om mij naar mijn nieuwe dienst te brengen.

Toen hij vertrok liep ik als een zombie door het lege appartement.
Hield mijn oren goed open om elk gerucht in de hal te kunnen waarnemen.
Want hoe bang ik ook was geweest voor de confrontatie met mijn moeder en f, nu keek ik er naar uit.
Nog steeds met de hoop dat er voor dit alles een plausibele verklaring zou komen.
Want in al mijn verwarring geloofde ik nog steeds dat alles goed zou komen.

©Huismusje

CONFRONTATIE

Jeugd slaapt overal en door alles heen.
Zo ook ik! Maar ik wist dat ik de confrontatie met F. en mijn moeder niet uit de weg zou kunnen gaan.

Ik was uiteindelijk op de zetel in slaap gevallen.
Tegen zes uur in de ochtend hoorde ik lawaai in de hal.
Toen ik ging kijken van waar het rumoer kwam, stonden mijn moeder en F met hun onbruikbare sleutel in de hand.
Ze hadden reeds verwoede pogingen ondernomen om de deur van het appartement open te maken, maar door het nieuwe slot dat ik had laten steken lukte hen dat niet natuurlijk.
Ik opende de deur.
Dat had ik beter niet gedaan!

F. en mijn moeder stormden als twee gekken naar binnen en iepen van alles door mekaar.
Meer dan de helft van wat ze zegden ging aan mij voorbij, zo geschrokken was ik.
Uiteindelijk kwam het er op neer dat wanneer ik daar wou blijven wonen, ik dan de ganse huur maar moest betalen, alsook water, gas en licht.
Dat zou ik natuurlijk nooit kunnen.
Het appartement lag in een dure buurt en ik was pas zeventien, dus minderjarig.
”Dan ga je vandaag nog buiten” zei F.
”Zo niet zal je beticht worden van diefstal”.
Ik stond nog steeds een beetje perplex. Diefstal?
”Jawel” zei F.
”Je moeder en ik zijn naar de politie geweest en het verdwijnen van onze meubelen gaan aangeven. Als jij niet maakt dat je buiten bent wijzen we jou aan als de dief.”

Ik geloofde mijn oren niet en stond doodsbang aan de grond genageld.
Het was pure bluf van hen want alle meubels stonden gewoon aan de overkant in het appartement van F.
Maar dat wist ik toen natuurlijk niet.
En ik was doodsbang van de politie, gezien mijn slechte ervaring toen ze mij naar het ‘home’ brachten.
Ik had daarbij in de cel gezeten in de catacomben van het ‘Justitiepaleis’ te Antwerpen.
En ik had mij nog liever van kant gemaakt dan daar weer naartoe te moeten.
”En nu buiten” schreeuwde F.
Ik nam in paniek de vuilniszak met mijn kleren, en spurtte naar de deur.
”Hei, wacht eens” zei F, “kom eens terug”!
En weer had ik even de hoop dat het een spelletje was.
Dat om één of andere reden mijn moeder en F mij een lesje wilden leren.
En hoopvol ging ik terug naar binnen.
Maar mijn hoop was tevergeefs.

Mijn moeder had helemaal in het begin dat ik bij haar kwam me twee gouden ringen gegeven.
Eén ring was van haar en er stond de letter L in gegraveerd.
De andere ring was van mijn grootmoeder geweest, en had een grote blauwe steen gevat in draadgoud.
Hoewel ze iets te oud waren voor mij droeg ik ze elke dag.
Ik had nooit eender een ring of eender welk ander gouden juweel bezeten.
Ik was er dan ook apetrots op.
”Je sleutels afgeven” beet F me toe.
Toen ik die sleutels overhandigde viel zijn oog op beide ringen.
”En die ringen teruggeven”
”Nee”, zei mijn moeder.
”Die ringen heeft ze van mij en die blijven voor haar”.
Dat zijn de laatste woorden die ik van haar gehoord heb.
Buiten heel even, twee jaar later, was het de laatste maal dat ik mijn moeder heb gezien of gehoord.

©Huismusje

LICHTPUNTJE

Ik was in post bij een dokters gezin.
Buiten mijn wil en dik tegen mijn zin, maar ik had andermaal geen andere keuze. In die post werd het mij duidelijk dat ik moeilijk bevelen kon opvolgen.
De gebiedende toon zoals “doe dit” en “doe dat” begon meer en meer aversie bij me op te roepen.
Nu  ga je misschien zeggen dat ik moeilijk van  karakter was. Maar dat is heus niet zo.
Het enige waar ik met hart en ziel naar verlangde was vrijheid.
Verlost zijn van alle juk en druk die mij door gevoelloze mensen op mijn schouders werd gelegd.
Dat dit niet haalbaar was door mijn minderjarigheid was iets dat ik niet kon inzien.
Ik  wou eindelijk mijn leven in eigen handen nemen. Weg van iedereen die mij pijn deed, of zo vaak had gedaan.
En wie zou mij daarbij beter kunnen helpen dan mijn eerste grote liefde.

R was meerderjarig dus voor hem zou het makkelijk zijn om een woonst te huren.
Hij had die optie al eens vernoemd maar zijn ouders schreeuwden daarbij moord en brand.
De enige reden dat ze mij tolereerden was uit liefde voor R.
Maar in werkelijkheid zagen ze mij liever verdwijnen naar Timboektoe om nooit meer weerkeren.
Vanuit hun standpunt kan ik hen nu wel begrijpen.
Ik had geen rooie cent, had geen degelijke thuis en mijn background was ook niet om mee te stoeffen (pochen).
Ik kan dus nu wel begrijpen dat zij voor hun zoon  wat anders op het oog hadden, want zelf zaten ze goed in de slappe was.
Of ze nu gierig of gewoon zuinig waren, wil ik in het midden laten.
Ook zo met het feit of ze over beschermend of gewoon bemoeizuchtig waren tegenover hun zoon.
Maar feit was wel dat ze van hun meerderjarige zoon al zijn geld beheerden.
Voor elke uitgegeven cent moest hij verantwoording afleggen, elk extraatje moest hij vragen. Meestal kreeg hij dat wel zonder morren, maar toch.
Ook aan zijn spaargeld kon hij niet komen zonder de toelating van zijn ouders.

Op maandag en donderdag had ik mijn vrije dag.
Erg wettelijk was dit allemaal niet, maar zoals gezegd, ik had geen andere keuze dan te aanvaarden.
R werkte op weekdagen, dus we zagen elkaar amper, want ik moest ten laatste om 22u weer op dienst zijn.
Aan tijd om alleen te zijn ontbrak het ons ook, enkel tijdens de terugrit konden we vrijuit praten.
Het was tijdens zo'n rit dat R mij liet weten dat hij werk ging maken van die flat.
Dat zijn ouders hoog en laag mochten springen, maar dat aan deze situatie een einde moest komen.
Ik sprak hem niet tegen en was blij met zijn kordaatheid.

Op een dag kwam R mij ophalen.
Moest je niet werken, vroeg ik hem verwonderd?
Ik heb een dag verlof genomen, zei hij.
Jij en ik gaan naar ons appartement kijken.
Ik sprong een gat in de lucht.
Voor mij was het als een lichtpunt in de duisternis.
Eindelijk verlost! Eindelijk vrij!
Over de verantwoordelijkheid die dit alles zou meebrengen maakte ik mij geen zorgen.
Net als alle jonge verliefden waren we er rotsvast van overtuigd dat alles vanzelf zou lopen.
Liefde overwint immers alles!
En ik was verliefder dan ooit, dus geen probleem.

Maar dat was buiten de waard gerekend.
Mijn leven zou mijn leven niet zijn moest er weer geen donkere wolken boven mijn hoofd hangen.
De waard in dit geval waren de ouders van R.Ik sta nog steeds versteld hoe ver deze mensen zijn gegaan om hun slag thuis te halen.

©Huismusje

ONS FLATJE

R had alle tegenkanting van zijn ouders aan zijn laars gelapt, en tegen hun wil  een flat gehuurd.Het was een kleine flat gelegen op het eerste verdiep.
Het huis was gebouwd na de oorlog en was hoewel niet ultra modern, ook niet zo heel oud.
Het had alles wat we nodig hadden. Tenslotte hadden we nog weinig of geen huisraad.
Maar dat was het minste van onze zorgen.
Zoals alle jonge mensen zaten we boordevol plannen, en hadden we een rotsvast vertrouwen in ons zelf en onze toekomst.
Toen ik mijn pleegouders op de hoogte bracht van onze plannen, gaven die geen krimp.
Het enige dat mijn pleegmoeder zei was dat ze blij was dat ik de ware aard van mijn moeder had leren kennen en dat ze hoopte dat ik wist waar ik aan begon.
Voor de rest zou ze ons geen duimbreed in de weg leggen.
Zo niet echter met de ouders van R.Van de ene op de andere dag was ik niet meer welkom in hun huis.
Maar dat maakte niets uit want we zaten toch elk vrij moment op ons appartementje.
Toen we op een keertje bij R thuis wat schildergerei moesten ophalen, bleef ik netjes in de auto zitten.
De moeder van R kwam met hoog rood aangelopen gezicht naar me toe.
Ze liet mij weten dat ik niet moest denken dat ik al gewonnen had.
Dat ze het niet zou toelaten dat ik de toekomst van haar zoon zou verknoeien.
”Je zal wel zien meisje, je gaat nog bittere tranen wenen en je mag weten dat ik daar voor zal zorgen”.
Ik lachte het weg.
Voelde mij sterk staan en dacht dat er me niets meer kon gebeuren.

Wat zou ze trouwens kunnen doen?
R en ik hielden van elkaar.
We wilden samen een toekomst opbouwen.
Wie zou ons daarbij kunnen in de weg kunnen staan?

Het was één van de mooiste periodes van mijn leven.
Het kiezen van de kleuren voor verf en behang.
De kleine keuken spulletjes die ik kocht van mijn schamel loontje.
De tweedehands meubeltjes die we her en der op de kop tikten.
De oude keukenkast, met glas in lood raampjes, en die we op straat vonden. Die we wit schilderde en op de deurtjes kleefden we bloemen. Apetrots waren we op onze kast!
Van de beneden buur kregen we haar oude gordijnen en overgordijnen
Gaandeweg werd ons appartementje een paleis. In onze ogen dan toch. En we voelden ons superrijk.

Het enige struikelblok waren de grote meubelen.
De eetkamer, het salon, en heel belangrijk natuurlijk …..de slaapkamer.
Wij wilden eindelijk eens naast elkaar wakker worden in een zacht bed.
Ons eigen bed.

R had in zijn ouderlijk huis een spiksplinternieuwe slaapkamer, en hij was van het gedacht dat hij die, of zijn oude, wel zou meekrijgen.
Maar nada! Zijn ouders lagen op alle punten dwars.
”Dan maar mijn spaarcenten aanspreken” zei hij.
Maar ook dat feestje ging niet door want zijn ouders gaven geen toelating.
Maar waar een wil is, is een weg.
R liet weten dat hij zijn loon niet meer zou afgeven.
En met dat loon deden we een eerste aanbetaling voor onze mooie nieuwe slaapkamer.
De rest zouden we betalen in termijnen. Zijn ouders waren furieus en ik kreeg alle zonden van Israël over mij uitgestort.
Want het was natuurlijk allemaal mijn schuld!
Ik zette hun zoon aan tot die daden. Daden die hij anders nooit zou hebben uitgevoerd moest hij mij niet kennen.

Ergens kan ik hen nu wel begrijpen. Want ik had  geen nagel om aan mijn gat te krabben. Niettegenstaande ik toch al van mijn veertiende werkte.
En de ouders van R hadden gedaan wat elke ouder doet, zij hadden gespaard voor hun zoon.
Zij hadden ervoor gezorgd dat hij aan een toekomst kon beginnen zonder zorgen.
Alleen hadden ze daarbij een ander meisje in gedachten gehad en niet zo eentje als ik die uit een armoedig en lamentabel nest kwam.

Ik zei mijn dienst op bij het dokters gezin en vond werk enkele straten van onze woonst in een confiserie.
Het was natuurlijk makkelijk in die tijd om van de éne dag op de andere werk te vinden.
We rekenden en berekenden en kwamen tot de slotsom dat we van mijn loon nog wel wat tweedehands spulletjes zouden kunnen kopen.
We zouden het heel zuinig aan moeten doen en uitgaan was er niet meer bij. Maar dat gaf niet.
We hadden elkaar. En we waren niet uit op grote luxe.
Tv hadden we niet, maar we hadden een radio en een platendraaier.
En we hadden een jong stel leren kennen die het ook niet breed hadden.
We gingen om de beurt bij elkaar op bezoek.
Soms werd er gekaart, soms gingen we wandelen in de nabij gelegen parken.
Of we praatten over onze toekomst bij onze favoriete muziek met een hapje en een drankje.

Enig min=puntje was toen ik naar de dokter stapte.
R en ik wilden nog geen kinderen, dus wilde ik de pil nemen.
Condooms vonden we jakkes en, om voor ‘het zingen de kerk uit te gaan, daarvoor waren we te onstuimig.
Maar toen ik bij de dokter mijn vraag stelde, bekeek die mij met een frons op zijn voorhoofd.
”Ik mag je die pil niet voorschrijven wegens minderjarig” zei hij.
Je moet toelating vragen aan je ouders.
Toen ik hem mijn situatie uitlegde, haalde hij zijn schouders op.
”Het spijt mij, het antwoord blijft nee”, liet hij mij weten.
Naar een andere dokter dan… en nog een andere… maar ik ving overal bot.
Tja, de tijden waren anders toen. En de moraal al helemaal.
Maar het zou al vlug blijken dat we ons daar geen zorgen moesten over maken.
Er hing een andere bijl boven mijn hoofd.

©Huismusje

VERSTOORDE YDILLE

Daar zaten we dan!
Knusjes op ons appartementje.

R ging nog regelmatig naar zijn ouderlijk huis slapen, kwestie van de kerk in het midden te houden.
Want met elke dag die voorbij ging werd de boosheid van zijn ouders groter.
Ik vergooide zijn toekomst volgens hen.
Welke toekomst zij voor ogen hadden weet ik niet. Tenslotte was R maar een gewone bouwvakker. Weliswaar gediplomeerd, maar toch.
Maar ik was gelukkig met de situatie.
Ik was onder de pannen en vooral onder alle juk vandaan.

Het werk op de confiserie was saai bandwerk.
De ganse dag hetzelfde... doosje openvouwen…. snoepgoed er in leggen…. doosje toevouwen...  op pallet zetten….doosje open vouwen……en dit acht uur lang
Maar ik verdiende er geld mee en ik had fijne collega’s.
Ik had besloten om avondschool te gaan volgen om zo alsnog mijn middelbaar te kunnen afmaken.
Het dreigement van R’s moeder "dat ik nog bittere tranen zou wenen" was ik al lang vergeten.
Maar ik zou er vlug aan herinnerrd worden.

Op een avond, ik was alleen thuis want R moest om 21.00H thuis zijn als hij daar ging slapen.
(Ongelooflijk voor een man van vijfentwintig, maar hij schikte zich zonder morren.)
Op een avond dus, ging de bel.
Politie!
“Wie woont hier, juffrouw?”
Vermits ik nog steeds bij mijn pleegouders stond opgeschreven, en de huur op R’s naam stond, antwoordde ik naar waarheid.
”En wie ben jij dan en wat doe jij hier?”
Ik vertelde hen dat af en toe bleef logeren.
Zij noteerden mijn naam en adres en gingen vriendelijk groeten weer naar buiten.
Ik vertelde het voorval aan R.
Maar hij reageerde er maar flauwtjes op, beetje ontwijkend, beetje afwezig.
Dat viel mij niet meteen op, pas later toen alle puzzelstukjes in elkaar vielen kwam dat beeld terug voor mijn geest.

Een zaterdagmorgen heel vroeg, weer de deurbel.
Wij lagen nog lekker in bed.
R sprong vlug in zijn broek en ging opendoen.
Groot was mijn verrassing toen R terug naar boven kwam met in zijn kielzog drie politieagenten en het hoofd van de Jeugdbrigade, Meneer Verkoeyen. Ik zal zijn naam nooit vergeten.

“Aankleden en meekomen” beet hij me toe.
Het leek net een scène uit een oorlogsfilm over de vervolging van de Joden.
”Waarom?” vroeg ik “en naar waar?"
”Nu,” snauwde hij me toe.
”Als je niet meteen gevolg geeft dan zullen deze heren je een handje helpen” en hij wees daarbij naar de politieagenten.
Trillend als een espenblad deed ik wat men van mij verlangde.
Huilend riep ik naar R “Doe iets”.
Maar die deed er de ganse tijd het zwijgen toe en zat wat apathisch op de zijkant van het bed.

Geflankeerd door de politie ging ik naar beneden.
Daar stond een politie combi op me te wachten, daarachter de politieauto van de jeugdbrigade.
(In die tijd poetsten mensen op zaterdagmorgen nog veelal de straat en Ik durfde niet op of om kijken, ik kon wel door de grond zinken van schaamte.)
De politie agenten duwden mij de combi in en vertrokken.
Het hoofd van de jeugdbrigade was achter gebleven bij R.

De politie reed met mij naar het centrum van Antwerpen en wat ik vreesde werd waarheid.
Men bracht mij voor een tweede keer naar het ‘Justitiepaleis’
Weer naar die enge cellen.
De celdeur viel achter mij in het slot.
En al wat ik kon doen was wachten.
Wachten en gissen.

©Huismusje

HOOP DOET LEVEN

Zo werd ik voor een tweede keer opgesloten als een crimineel in een cel in de catacomben van het “Justitiepaleis” te Antwerpen.
Al wat ik kon doen was bang afwachten, en elke minuut leek eeuwen te duren.
Lieve deugd wat was ik bang!

Iets voor de middag ging de celdeur open.
Twee rijkswachters kwamen me ophalen.
Naar boven, naar het kabinet van jeugdrechter Maes.
Die was helemaal niet blij dat hij op een zaterdag werd opgetrommeld.
Ook zijn “bijzitters”, zagen er niet vrolijk uit.
Maar dat kon je van mij ook niet zeggen.

Toen we boven gekomen waren moest ik plaats nemen in de gang en wachten tot ik werd binnen geroepen.
De twee rijkswachters bleven naast mij rechtstaan

Ik keek rond.
Had verwacht, en vooral gehoopt, dat R ook aanwezig zou zijn.
Of mijn moeder… mijn pleegouders…eender wie! Maar er was niemand. Ik zou het alleen moeten klaren. Maar ik had geen idee waarom ik hier zat. Hoewel....
....Ik was minderjarig, zeventien, en dus mocht ik niet samenwonen.
In normale omstandigheden zou daar geen haan naar gekraaid hebben, maar mijn geval was een geval apart.
Ik stond onder toezicht door de afwezigheid van een moeder of vader in mijn leven.

De jeugdrechter keek mij minutenlang zwijgend aan.
Wat hij te zien kreeg was een klein hoopje ellende dat bang zat af te wachten op wat komen zou.
Toen hij uiteindelijk zijn mond open deed klonk hij toch vriendelijk.
“Bon” zei hij. (Dat was zijn stopwoordje wist ik ondertussen)
“Er is de afgelopen maanden voldoende bewezen dat je pleegouders niet in staat zijn om jou in het nodige te voorzien en in wat ik in mijn hoedanigheid hen had opgelegd te doen”.
”Dit is niet jouw schuld of fout”.
“En dat ik daartegen maatregelen moet treffen, is een zeer spijtige zaak”.
”Maar ik kan niet toelaten dat jij zonder toezicht verder gaat zoals je nu placht te doen.
”Het is tevens wettelijk ontoelaatbaar en er is dan ook bezwaar tegen deze feiten aangetekend”.

Dat laatste snapte ik niet helemaal, maar ik zat dan ook ietwat wezenloos te luisteren.
”Vermits het weekend is" ging de jeugdrechter verder  "heb ik voor volgende noodoplossing beslist”: “IK JEUGDRECHTER MAES, ZETELEND……BESLIS HIERBIJ DAT GENAAMDE MINDERJARIGE LUCIENNNE……ONDER DE TIJDELIJKE HOEDE ZAL WORDEN GEPLAATST IN HET HOME WINGERDBLOEI……EN DIT TOT ER EEN DEFINITIEVE OPLOSSING WORDT GEVONDEN”

“HEREN" sprak hij tot de rijkswachters I"K DRAAG U HIERBIJ OP OM DEZE MINDERJARIGE TE BEGELEIDEN TOT BESTEMMING”
Ik verwachtte nog een klop met zijn hamertje, maar dat bleef achterwege.

Hij stond op en verdween door een zijdeur met zijn gevolg in zijn kielzog.
Waarschijnlijk ging hij terug naar huis, naar zijn familie.
En ik, ik had niemand om naartoe te gaan. En er was niemand die naar mij toekwam.

De rijkswachters namen mij bij de armen, gingen met me terug naar de kelders en zetten mij terug in een cel.
Eén van beide liet mij weten dat men eerst nog begeleiding moest zoeken om mij weg te kunnen brengen, maar dat er momenteel niemand vrij was.
Men beloofde dat men dit zo snel mogelijk zou doen.
En men liet deze keer de celdeur helemaal open staan.

Vrees dat ik zou vluchten moesten ze niet hebben.
Ten eerste had ik daarvoor noch de moed, noch de fut toe. En ten tweede, de cellen werden nauwlettend bewaakt.
Ten derde, ik wist waar ik naar toe zou gaan.
En het maakte mij iets minder bevreesd, omdat ik het ‘home’ reeds kende.
Ik wist nu ook dat ik niet zou terugkeren naar “ons liefdesnestje”, zoals R het steeds noemde.
Maar ik had tegen beter weten in de hoop dat dit toch vlug weer zou kunnen, want de jeugdrechter had gesproken van een “tijdelijke oplossing”.
R zou mij wel komen verlossen.
Misschien zag ik hem straks al. Dan zou het allemaal wel in orde komen. Nu was het enkel nog wachten tot men mij kon wegbrengen, en ik keek er al naar uit.
Het kon niet vlug genoeg gaan voor mij.

©Huismusje

HOOP DOET LEVEN (vervolg)

Eens de deur van het ‘home’ achter mij dicht was gevallen, hetzelfde scenario als voorheen.
Wachten in de hal tot de administratieve rompslomp afgehandeld was!
Eén ding was wel, ik was hier niet meer vreemd.
De opvoedsters waren nog dezelfde, alleen de stagiairs waren nieuw.
Zij waren nieuwer dan ik in feite.
Bewoonsters die er nog steeds waren van vorige keer kwamen mij gedag zeggen!
 Even stiekem met de hand wuiven en Hi zeggen,  want het was verboden om met een pas binnen gekomen meisje te praten.
Bang was ik ook niet, enkel ongerust.
Er was maar één ding waar ik kon aan denken, en dat was R.
Waar zat hij verdorie!

Een week ging voorbij, en nog een week kwam en ging.
Ondertussen had men mij nog maar eens een andere werkgever bezorgd.
Naar de confiserie mocht ik niet meer naartoe.
In plaats daarvan werd ik nu tewerkgesteld op een papierfabriek.
Het fabriekje heette: “Papyrus” en was gelegen in de Lamoniërestraat.
Er werden enveloppen gemaakt in alle, kleuren, maten en modellen

Jonge mensen zijn sterk!
Men kon aan ons uiterlijk niet zien dat we van binnen kapot gingen van ellende en verdriet.
We praatten en lachten net of er niets aan de hand was.
Maar in feite leefden we als robots.
Opstaan….eten…werken…eten….slapen.
En tussenin dachten we aan thuis maar lieten het niet merken.

Ik hoorde niets van R.
En dat maakte mij heel verward.
Ik had toch zoveel vragen…..
De directrice van het ‘home’ haalde bij elke vraag haar schouders op.
”Wacht nog even meisje... geduld meisje... je krijgt wel uitsluitsel... meisje”
Maar het duurde allemaal veel te lang voor mij.
Wachten op iemand van wie je houdt, niet weten wat er aan de hand is met je geliefde, dat maakt dat je kapot gaat van de zenuwen.
Dan ervaar je je omgeving niet bewust en sta je voor niets open.

Op een dag, daar was het dan….Een brief!
Een brief van R…. EINDELIJK!
Nu zou alles vlug in orde komen!

Ik zou vlug terug in ons “liefdesnestje” zijn.


Ik moest wachten tot na het avondeten voor ik de brief zou kunnen lezen.
Dan pas zou ik naar mijn chambretje mogen en wat privacy hebben.
Eindelijk was het moment daar!
Met trillende vingers van de zenuwen maakte ik de brief open.
En dit stond er in te lezen:

Mijn lieve blonde,

 Via de jeugdrechter kwam ik te weten dat je weer in het home bent  en dat vind ik vreselijk voor jou.
Maar misschien is het wel allemaal maar best zo.
Geloof mij wanneer ik dit met pijn in mijn hart aan je schrijf. Maar ik hoop op je begrip. Ik weet dat je daar verstandig en sterk genoeg voor bent.
Ik kan de druk van mijn ouders niet meer aan.
Dat is al langer zo, maar zolang ik je dicht bij mij had, had ik niet de moed om je dat te zeggen.
Zeg maar dat ik laf ben, je hebt gelijk, maar bedenk dat ik enkel heb gewacht tot nu om je dit te zeggen, omdat ik jou geen pijn kan doen en ook niet wil doen.
Ja, ik ben laf, want ik kan je tranen niet zien, maar wel vermoeden, maar weet dat ook ik dit in tranen aan je schrijf.
Het beste is dat je mij zo snel mogelijk vergeet, al zal ik jou nooit kunnen vergeten.
Maar het is het beste zo, voor jou en voor mij, voor iedereen.
Blondje, schrei niet om mij.
Er komt vast snel iemand die jou weer gelukkig zal maken, en ik weet vast dat jij hem gelukkig zal maken.
Dat geluk heb ik bijna twee jaar mogen ondervinden, spijtig dat ons sprookje op deze manier moet eindigen.
Nog maar eens, je zult het nu wel niet zo zien, maar het is het beste voor ons allebei.

Het ga je goed blondje, nog een laatste afscheidskus wil ik hierbij in doen.
R.

En dat was het!

Ik heb de brief toen wel tientallen keren gelezen en herlezen.
Het was een afscheidsbrief. Ik kon mijn ogen niet geloven.
Kon niet geloven dat hij dit meende.
Wat met ons appartementje, onze meubels, wat met onze liefde voor elkaar?
Het spatte allemaal uiteen als een zeepbel.
Het leek wel een kwade droom.
Urenlang heb ik op de rand van mijn bed gezeten, starend naar dat velletje papier.
Naar woorden die mijn wereld op zijn kop zette, die mij alle hoop ontnam.
Wat later zou de puzzel van dit alles in elkaar vallen, maar op dat moment begreep ik er totaal niets meer van.

Ik heb de brief hier voor mij liggen.
Heb mij er nooit kunnen toe brengen om hem weg te gooien.
Misschien dat ik het nu wel doe, nu dat ik het van mij af heb geschreven.
Trouwens hij valt bijna uiteen, en de letters zijn bijna vergaan door de vele tranen die er zijn opgevallen in die dagen..

Ik heb R nog slechts éénmaal weer gezien.
Met een vrouw aan zijn arm. Zijn vrouw?
Ik was toen aan de wandel met mijn dochter in haar kinderwagen.
R lachte naar me en stak zijn hand op.
En het gaf mij een steek in m’n hart.
Want het is werkelijk waar.
Je eerste liefde vergeet je nooit.
Benieuwd of dat voor hem ook zo is!

©Huismusje

Meer van HUISMUJE'S TRIESTE JEUGD

↑ Terug naar de berichten