PUZZELSTUKJE 2
Mijn pleegmoeder noemde mij in het
beste geval “die vreemde”, waarbij ze bedoelde dat ik niet bij hen hoorde, geen
deel uitmaakte van hun gezin.
Uiteindelijk miste die uitspraak zijn doel niet, want ik vervreemde totaal van
hen.
Verdeelde mijn vrije tijd tussen het café van mijn Moederke en het café waar ik
werkte op vrijdagavond. En natuurlijk mijn nieuwe liefde!
Wanneer Mon ( afkorting van Raymond) aan wal was, dan
was hij dit vaak voor enkele weken.
Mon is geboren in De Panne op18 maart 1944. Hij
heeft de zeevaarttscool van Oostende doorlopen. Op het moment dat ik hem
ontmoet is hij tweede luitenant ter zeevaart. Hij is acht jaar ouder dan ik.
Een bereisd en volwassen man, een beleerd man ook, hij schrijft en spreekt
vloeiend vijf talen.
Mon is het tweede kind, en enige zoon, in een gezin van vier.
Op hem rust dus de taak om de naam voort te zetten.
En daar werd heel veel belang aan gehecht. (Hoewel ik dat altijd iets of wat belachelijk heb
gevonden omdat van hun familienaam, bij wijze van spreken, er dertien in een
dozijn gaan.
Mijn kinderen zeggen nu nog dat zij veel liever mijn familienaam hadden
gedragen omdat hij zoveel mooier klinkt en niet kan worden verbasterd tot
iets belachelijks.
Zijn ouders hebben altijd in het
hotelwezen gezeten. Zijn moeder is kokkin.
Iets dat later tot veel strubbelingen tussen haar en mij zou leiden, want veel
meer dan aardappelen schillen en worteltjes schrapen kan ik niet.
Ik had nooit echt leren koken. Het interesseerde me ook niet. Want van alle
huishoudelijke taken is koken het enige dat ik niet graag doe.
Tot op heden zie ik het nog steeds als een noodzakelijk kwaad, al ben ik
ondertussen wel geëvolueerd in de kookkunst.
Wanneer hun kinderen het huis uit zijn, behalve het jongste zusje dat een
nakomertje is, verhuizen ze naar Antwerpen.
Mon woont niet meer bij hen in, hij huurt een kamer boven een restaurant
gelegen op, De Paardenmarkt.
Ik blijf daar dan ook vaak slapen.
Iets dat mijn pleegouders helemaal niet erg vinden. Minder last voor ons, moeten
ze hebben gedacht.
Enkele maanden later kent Mon
gans mijn levensverhaal, en maken we toekomstplannen alsof we zwemmen in een
stroomversnelling.
”Jij moet daar weg”, zegt hij keer op keer, “het wordt tijd dat iemand jou
begint te verwennen, dat iemand voor je zorgt zoals het hoort.
Ik spreek hem niet tegen. ik kijk geweldig naar hem op op, hij is mijn
toevluchtsoord en steunpilaar.
Maar of hij mijn grote liefde is…...daar twijfel ik op dat moment nog aan.
Geen holderdebolder gevoel. Geen dartele vlinders in mijn buik. Mijn hoofd tolt
niet.
Het lijkt wel of ik geen liefde meer te geven heb en bekijk alles heel
rationeel. Wik en weeg af.
Ben ik dan totaal ongevoelig geworden, vraag ik me af.
Wat is er met me gebeurt? Ik kan lief zijn, kan lieve woordjes fluisteren en
mezelf geven. Zonder daarbij ook mariets te voelen dat naar liefde smaakt?
Waarom, en vooral wanneer, ben ik die koude kikker geworden?
(Wordt vervolgt)
©Huismusje


