Naar de inhoud

HUISMUJE'S TRIESTE JEUGD

IK HEB GEEN SPIJT VAN DE DINGEN DIE IK DEED!
ENKEL SPIJT VAN DE DINGEN DIE IK NALIET TE DOEN!
akke.beakke.be

Archief

SNIT EN NAAD SCHOOL

Wederom is er een vakantie voorbij.
Eén waar ik enkel maar gespeeld heb bij meneer pastoor op "Het Pleintje".
Mijn pleegouders durven mij geen vakantiejob meer laten doen.
Dit heeft verscheidene redenen. Maar de belangrijkste reden is, dat nadat ik mijn paspoort ben gaan halen en eindelijk mijn echte familienaam ken, er ook een administratieve molen in werking is getreden .

Tweemaal is er reeds controle geweest van de Jeugdbrigade.
Mijn pleegmoeder praat steeds over mijn slechte inborst en ik verdedig mij al lang niet meer.
In feite kan het mij geen zier meer schelen wat men geloofd.
En de jeugdbrigade wordt een afschrikking in plaats van dat ze mij beschermen.

Ik heb op "Het Pleintje" een nieuwe vriendin gevonden.
Zij is weliswaar twee jaar ouder dan ik, maar ik ben in mijn hoofd ook véél ouder dus dat zit snor.
Ze vertelt me dat ze Snit & Naad volgt in een katholieke school, en dat wil ik ook doen.
De school is gelegen te Borgerhout op de "Te Boerlaerlei."
Recht tegenover de school staat een kerk.
Ik zit graag in het kapelletje in de zijbeuk van de kerk.
Het is er rustig en niemand stelt je vragen.

Ik vraag aan mijn pleegmoeder om mij in te schrijven.
Deze vertelt mij onomwonden dat ik mijn plan moet trekken...
...Dat het haar een zorg zal zijn of en waar ik naar school ga.
Ik ga nog maar eens te rade bij de pastoor want zonder wettelijke handtekening kom ik de school niet in.

Meneer pastoor komt met de nodige documenten bij ons thuis en mijn pleegmoeder durft niet anders dan ze te tekenen. Ik haal mijn slag thuis en ben in mijn nopjes. Ik kijk uit naar die nieuwe start op die nieuwe school.  Ik ben vol goede moed.
Maar het wordt hetzelfde liedje!
Geen boeken, geen gerief, geen lesmateriaal.

Wat ik nog het ergste vind is dat we een uniform moeten dragen.
Die wordt in de school gemaakt door de laatstejaars.
Mijn maat wordt genomen en de uniform wordt gemaakt.
Maar dan komt de kat op de koord!

Ik moet geld meebrengen, want de uniform moet betaald worden. Uiteraard!
En dat geld krijg ik niet. Ook uiteraard.
Ik begin weer te spijbelen.
Geen haan die er naar kraait of ik wel of niet in de school aanwezig ben.

Op een dag ben ik toevallig aanwezig en net op die dag worden de schoolfoto's genomen.
Ik zeg dat ik niet op de foto ga want ze zullen toch niet worden gekocht door mijn pleegouders.
Maar de lerares zegt dat ik toch mijn uniform moet aantrekken......

....Die dag staat ook weeral in mijn geheugen gegrift als een dag vol vernederingen.

Ten eerst moest ik naar de klas van de oudste leerlingen. Daar hing mijn uniform werkloos te blinken.
Ik droeg nog altijd het oud en vies ondergoed van mijn pleegmoeder want ik had er nog altijd geen van mezelf geen van mezelf.
Ik moest mij omkleden in het bijzijn van ongeveer 20 meisjes die mij aangaapten alsof ik iemand was uit een rariteitenkabinet.
Ik wist mij geen houding te geven en schaamde mij diep. Ik stond te kijk voor een ganse klas.
Weer was er dat nare gefluister achter mijn rug.

Maar de ergste klap kreeg ik van de juffrouw zelf.
Zij vroeg hardop, zodat iedereen het goed kon horen, of wij geen badkamer hadden? En of er bij ons thuis niet werd gewassen?
Ik antwoordde niet.
Ik kon niet begrijpen dat iemand die elke dag  naastenliefde predikte mij zo kon vernederen.
Ik was verdomme een kind van nog geen dertien jaar oud!

Een leerling ging met mij meelopen naar het lokaal waar de foto's werden genomen.
 Dat moest van de juffrouw want de uniform moest meteen weer uit nadat de foto genomen was. En zij moest er op toezien dat dit zo vlug mogelijk gebeurde.

Ik voelde mij mooi in die uniform en kreeg even de kans om mij in de spiegel te bekijken.
En toen zij diezelfde juf " Ijdel ben je wel, maar je verzorgen kun je niet"
Ik heb zwijgend het uniform uitgetrokken.

Telkens ik aan dat moment denk voel ik de tranen van woede en onmacht weer achter mijn ogen prikken.
Het zijn die momenten die ik niet achter mij kan laten.


Dat schooljaar was voor mij weeral verloren, al deed ik af en toe moeite en heb ik van de leerstof toch het een en ander kunnen opsteken. (Genoeg in elk geval om jaren later avondschool te gaan volgen in het volwassenonderwijs.)
Maar het was als een kaas met gaten.
Ik stond voor alles alleen. En ook al had ik een grote mond..... En ook al deed ik stoer....
Ik was dichtbij het punt om aan alles de brui te geven!

©Huismusje

MIJN LAATSTE SCHOOLJAREN (3)

Het was weer vakantie.
Het schooljaar in de katholieke school had mij weinig kunnen bijbrengen. Op het einde van het schooljaar was er steeds een mode defilé. Maar daar ben ik enkel heengegaan om mijn vriendin op de catwalk te zien lopen met haar creatie. Zelf had ik niets te tonen.
Het was een verloren jaar!

De vakantie was ook al niet veel soeps.
Op Het Pleintje zwaaide een nieuwe onderpastoor de plak. Ik moest hem niet.
Kwam bij dat ik dertien was. En dan val je er net tussenin. Dan ben je vis noch vlees.
Jongens hadden mij niets te bieden en ik hen niet. Het wantrouwen in mij had allang de bovenhand gehaald bij ieder die mijn pad kruiste.
Ik bracht veel tijd door met op m 'n ééntje langs de straten te slenteren.
Vooral 's avonds wanneer mijn vriendjes naar binnen moesten van hun ouders om te eten.
Ik moest nooit thuis zijn om te eten!

Op een dag werd er een nieuw bed geleverd!
Mijn zetel die al meermaals stuk was gegaan doordat hij in feite niet geschikt was om op te slapen, verdween naar de vuilnisbelt.
Het nieuwe bed werd in de voorkamer gezet.
Het  werd onder de ramen gezet. Dat van mijn pleegbroer tegen de muur dichtbij de kachel.
Aan de twee schuiframen zaten rolluiken. Doch de ramen waren gammel en sloten niet goed af, en de rolluiken gingen nooit helemaal tot beneden.
Ik was wel blij met het bed. Want nu zou ik tenminste uitgestrekt kunnen slapen. Iets wat mij in de kleine zetel al jaren niet meer lukte.
Dat ik in de winter alle koude tocht die door de kieren van de ramen naar binnen kwam op mij zou krijgen, nam ik er voor lief bij.
Maar ik kreeg al vlug weer een domper te verwerken.

Het zoontje van mijn pleeg-zus, die  twee jaar ouder was dan mijn pleegbroer, kwam logeren.
En telkens hij kwam logeren moest ik mijn bed afgeven.
Er werd dan een oude tapijt dubbel gelegd op de grond, daarover een laken en een deken, en dat was dan mijn slaapplaats. Net een hond!
Nu zou ik dat nog niet zo erg hebben gevonden, ware het niet dat ik altijd tegelijkertijd met hen naar bed moest.
Het lezen in bed was er dan niet meer bij want het licht moest uit. Ik lag dan urenlang klaarwakker, want ik was het ondertussen noodgedwongen gewoon geworden om 's nachts te leven.
Het getreiter van die twee was ook niet van de poes.
Zij wisten verdraait goed dat ik uiteindelijk toch de klos zou zijn.

Op een avond laat vonden beide niet beter dan te urineren op mij.
Het was door dat voorval dat ik een echte woede aanval kreeg.
Waarschijnlijk zat er al veel langere tijd een woede diep in mij maar werd die woede verdrongen door mijn verdriet.
Ook was ik een meester in het mij onverschillig tonen omdat ik wist dat het mijn pleegmoeder razend maakte. En haar razend maken was mijn liefhebberij geworden.
Maar die bewuste avond kon ik die woede niet bedwingen.
Ik haalde uit naar allebei met alle kracht die ik in me had.
Ik krabte en beet, sloeg en schopte, en noch "pa" noch"ma" konden mij in bedwang houden.
Er knapte iets in mij. Iets dat ik niet in de hand had.
Mijn pleegouders evenals mijn pleegbroer en zijn neef sloegen mij waar ze ne raken konden.
Ik voelde mijn tanden door mijn lip gaan en proefde het bloed in mijn mond.
Hun slagen veroorzaakte snerpende pijnen op mijn lichaam maar het deerde me niet. Ik denk dat ik op dat moment in staat was om te doden.

Natuurlijk moest ik de strijd opgeven want ik was niet sterker dan hun vier. Maar helemaal ongeschonden kwamen zij ook niet uit de strijd.
Uiteindelijk sloeg mijn pleegmoeder op mijn hoofd met de pook van de kachel en viel ik bewusteloos neer.
Toen ik weer bij bewustzijn kwam stond er politie naast mij.
De bovenbuurvrouw had die gebeld toen ze mijn geschreeuw hoorde.
Wederom moest ik naar het ziekenhuis. En wederom was er niemand die mij vroeg wat er gebeurd was.
En ik mocht na verzorging weer naar huis.

Daar aangekomen zag ik de ravage die ik in mijn razernij had aangericht en de schrik sloeg mij om het hart.
Dit zou pleeg-ma zomaar niet laten voorbij gaan.
Maar zij had mij nodig en dat was mijn redding.
Ik moest immers de boodschappen doen wanneer het geld op was, want daarvoor was zijzelf te laf.
En het geld was meestal op nog voor "pa" het had verdiend.
Ik wist dat, en zij wist dat ik het wist.

Maar het ging bergaf met mij.
Ik zocht niet meer het gezelschap van mijn vriendinnetjes op.
Ik sprak niet veel meer. Ee lethargie begon zich meer en meer meester van me te maken.
Sommige kinderen vroegen mij of ik wel kon lachen?
Maar ze leerden het al vlug af om mij te vervelen met hun vragen.
Mijn blik zei hun dat ze mij beter met rust konden laten.
Ik was alleen, maar ik was graag alleen.
Ik zonderde mij meer en meer af.
Volgens de wet moest ik nog één jaar naar school.
Maar de wet liet het hoe en waar helemaal aan mij over omdat op te lossen.
En zo ging ik naar mijn laatste schooljaar!
©Huismusje

DE HARMONIE.

Enkele deuren verder in onze straat zetelde een harmonie.
Iedere zaterdag en zondag kwamen zij op straat.
Al lang voor hun vertrek stond ik toe te kijken naar de majorettes in hun mooie uniformen.

Ze droegen een witte zijden blouse met op de voorkant acht gouden Twee op elke mouw aan de polsen, en op elke schouder nog twee goeden epauletten met gouden franjes.
Onder de blouse een korte spierwitte plooirok.
In die tijd was er van de minirok nog geen sprake dus dat oogde heel sexy.

Aan de voeten witte halfhoge laarsjes met een kleine hak en aan weerszijde een wit lederen kwastje dat bij elke stap vrolijk zwierde.
Op het hoofd een prachtige hoge witte "pelsenberenmuts" met een al even prachtige pluim cocarde.
Om het geheel af te maken droegen ze een dubbel gestoffeerde cape die tot net voorbij het middel viel.
De ene kant van de cape had eveneens een turquoise kleur, de andere kant was geel.

De cape werd zo gefrappeerd dat je beide kleuren zag.
Sneeuwwitte handschoenen en witte lederen manchetten die met een riempje rond de pols zaten maakte het mooie plaatje compleet.
Oeps, nu vergeet ik nog het belangrijkste attribuut, de majorettestok.
Geen twirling staaf zoals nu, maar een heuse  majoor-tamboer stok met gouden sierkoorden, gouden kwast en grote nikkelen bol bovenaan.

Het muziekkorps zelf hadden een simpel grijze tenue met gele bies op de zijkant van de broekspijpen en op de mouwen van hun vest, en een grijze pet.


Wat wou ik graag deel uitmaken van de harmonie, maar het had geen zin om te dromen, want mijn pleegouders zouden nooit toestemming geven.

Wanneer het repetitie was draaide ik steeds rond in de nabijheid van het zaaltje.
De zaal was gelegen tussen twee huizen en een lange gang leidde het repetitielokaal achterin.
De voorzitster van de harmonie was de vrouw van de loodgieter en woonde eveneens in onze straat.
De zus van de voorzitster had aan de overkant van de straat een kapsalon, en daar ging pleeg-ma met mijn pleegbroer naar toe als zijn haar moest worden geknipt.


Mijn verlangen om ook bij de harmonie te gaan moet in het kapsalon ter sprake zijn gekomen want de voorzitster kwam aan de deur bellen om te vragen of ik lid wilde worden.  Vermoedelijk wist zij ook gedeeltelijk hoe de situatie in mekaar zat.
De dame genoot een zeker aanzien in de buurt. Mijn pleegmoeder durfde haar dan ook niet meteen tegenspreken en gaf, weliswaar dik tegen haar zin, uiteindelijk haar fiat.


De waarborgsom voor het uniform werd betaald.
De verwijten daaromtrent nam ik er graag bij.
Elke galon moest van en weer op de blouse worden bevestigt bij elke wasbeurt.
En ook dat nam "ma" voor haar rekening. Want het was allemaal delicaat materiaal, en bij beschadiging werd de borgsom ingehouden bij het retourneren van.

Toen ik voor de allereerst keer meedeed aan een parade was ik trots als een pauw.
Ik had dan ook in een mum van tijd alle oefeningen onder de knie gekregen.
Ik had het gevoel dat iedereen enkel naar mij keek en dat beviel mij uitzonderlijk goed.
De vriendschap en het samenhorigheidsgevoel van alle leden deed me heel goed.


Er waren regelmatig fuiven en bals.
Elke uitstap was een avontuur naar een voor mij onbekende stad of dorp.
Ik beleefde daar mijn eerste liefde en eveneens mijn eerste liefdesverdriet.


Het leek een sprookje.

Maar aan alle sprookjes komt een einde.

DE KAPPERSSCHOOL (1)

Wanneer je als ouder op zoek gaat naar een school voor je kroost dan zit je met een boel vragen.
Wat wil kindlief doen? Wat kan hij/zij aan? En welke school is voor haar/hem de beste.
Zo niet bij mij!
Ik mocht het allemaal alleen uitzoeken.
Zonder ook maar een flauw benul te hebben van wat of hoe mocht ik zelf op zoek gaan.
Mijn pleegouders vonden het verloren tijd om zich met mijn opleiding bezig te houden. Want van zo gauw ik de wettelijke leeftijd zou bereiken zou ik uit werken moeten gaan en zou het met studeren gedaan zijn. Dat had men mij al duidelijk gemaakt.
Dat werd mij elke dag klaar en duidelijk door de strot geduwd.

Zelf zag ik mij later het liefst op een kantoor zitten.
Ik leerde vrij vlot en het PMS adviseerde mij om handel te gaan volgen. Zij vonden mijn keuze zeker haalbaar.
Maar mijn pleegouders hebben nooit de moeite genomen om contact op te nemen met dat PMS.
Het interesseerde hen geen zier!

Dus ging ik maar voort op de vriendinnen van de straat.
En als er ééntje was die de moeite nam om met mij mee te gaan naar hun school dan liet ik mij daar inschrijven.
Meestal moest ik ook meermaals langs het secretariaat gaan omdat ik er geen flauw benul had van welke papieren ik nodig had.
Trouwens welk kind van 13 jaar heeft wel enig benul van administratie?
Welk kind van 13 jaar moet zich daar überhaupt mee bezig houden?
Ik dus!
Het liefst had mijn pleegmoeder mij tot mijn veertiende gewoon thuis gehouden.
Dan kon ik het huishouden doen.
Maar omdat de jeugdbrigade ondertussen ten tonele was verschenen kon zij dat niet maken.
Maar diezelfde lakse jeugdbrigade kon er haar niet toe dwingen ook maar enige moeite voor mij te doen.

In de 'harmonie' waren er enkele meisjes die naar de kappersschool gingen.
"Waarom kom je niet naar onze school?"  vroegen ze.
En ze schepten daar een idealistisch beeld over. v
Goh ja, waarom ook niet?
Naar mijn vorige school wou ik niet terug. Wat zou ik er trouwens kunnen gaan doen?
Ik had niet eens de moeite genomen om mijn eindrapport en getuigschrift te gaan ophalen.
Waarschijnlijk was het gewoon een blanco vel papier.
Wat kon men erop invullen? Leerling onbekend? Of leerling zonder boekentas?
Al had ik waarschijnlijk wel enkele punten bijeen gesprokkeld, want telkens we naar de kerk moesten op de laatste vrijdag v/d maand, was ik steeds aanwezig. En dat leverde goede punten op het ons rapport.

Dus koos ik voor de kappersschool!
In de eerste plaats omdat ik weer niet helemaal alleen zou staan, maar ook omdat het mij wel leuk leek.
Het werd ook allemaal zo mooi voorgesteld in hun folder.
Al bij de inschrijving reeds kreeg ik een lijst mee met benodigdheden die ik nodig had om de stiel onder de knie te krijgen.
Maar de lijst was oneindig lang en pleeg-ma legde hem smalend opzij.

Toch ging ik vol goede moed en met veel hoop naar de eerste schooldag van mijn kappersschool.
Het zou gauw een dramatische ervaring worden.
©Huismusje

DE KAPPERSSCHOOL (2)

Daar was ik dan in de kappersschool!
Er waren heel wat harde woorden gevallen,want mijn pleegmoeder had daar danig de pest over in. Toen ik haar vroeg wat dan een goede keuze zou zijn geweest, kreeg ik als antwoord "de fabriek". Ondertussen moest ze zich toch maar neerleggen bij mijn beslissing want ik was nog een half jaar leerplichtig.
Hoe ik in de school moest komen trokken mijn pleegouders zich ook al niet aan. Het enige wat men wel zei was dat ik niet moest rekenen op geld voor de bus.
"Jij hebt de school gekozen, zie dat je er geraakt" was wat ik te horen kreeg.
Via de buurvrouw kreeg ik dan toch nog een fiets, geen nieuwe maar toch nog een mooie. Dus dat was opgelost.

Het schoolgerief, en dan in het bijzonder het kappers gerief was andere koek.
Ik had veel nodig, heel veel zelfs. En ik had er eerlijk gezegd niet bij stilgestaan dat dit veel geld zou kosten.
De krulspelden, kammen, borstels, scharen... enfin alles dat je nodig had om kapster te kunnen worden, moest van een bepaald merk zijn.
We kregen dan ook het adres van de winkel waar we alle benodigdheden moesten kopen en waar de school een contract mee had. Zo kwamen we niet met prullen af maar met degelijk materiaal dat de ganse opleiding zou meegaan.
De prijslijst konden we afhalen op het secretariaat.


Had mijn pleegmoeder smalend de lijst met benodigdheden opzij gesmeten, bij het zien van de prijslijst begon ze te schaterlachen. Ze vroeg of ik ze alle vijf op een rijtje had? Geen haar op haar hoofd die eraan dacht om ook maar één van die artikelen te kopen.

En zo begon mijn kappersopleiding!
Ik nam de krulspelden mee van pleeg-ma en eveneens kam en borstel.
Nu kan ik er al een beetje mee lachen want waar zaten in godsnaam mijn gedachten bij dit alles!
Geloofde ik nou echt dat ik het met die enkele prullen zou redden!
Maar toen kon ik helemaal niet lachen!
Ik werd binnen de kortste tijd een outsider, de risee van de school. Ik werd gepest als nooit tevoren.
Mijn fiets lag bijna elke dag in de prak. Banden werden lek gestoken, licht kapot geslagen, bel weg enz...enz.

Ook mijn jas werd op een keer bewerkt met een gilletje.; ik zelf werd op een keer door een paar jongens hard aangepakt. Waarom, vroeg ik mij toen vaak af?  Nu weet ik het wel! Ik paste totaal niet op die school.
Het werd mij op elk moment onmogelijk gemaakt om ook maar één minuut te vergeten dat ik niets of niemand was. Ik had mijn medeleerlingen niets te bieden.
Met de lunchpauze gingen de meesten een broodje kopen. Ik had nog geen boterham om te eten. Iedereen was gekleed naar de laatste mode, ik droeg gekregen kleding.
Op gans mijn doen en laten en op gans mijn wezen stond in koeien van letters STRAATARM te lezen.
De vriendinnen van de harmonie negeerden mij binnen de school. Zij wilde met mij niet geassocieerd worden want dat zou afbreuk doen aan hun eigen imago.
Ook de leerkrachten konden het niet laten om snerende opmerkingen te maken. Zelfs de leraar godsdienst, die tevens haarbewerking gaf, liet mij steeds weer verstaan dat ik een verloren zaak was.
En weer kon ik mij niet verdedigen. Maar het einde was in zicht.
Want de school besliste in mijn plaats hoe het verder zou gaan.....

....Het was een openbare school, en daarom was de opleiding ook gratis. Of dat had het moeten zijn!
Toch, de school had er wat op gevonden om een centje extra in het laadje te krijgen.
Bij de les haartoi, mochten we shampoo, zalfjes, haarverf, droogkappen (föhn bestond toen nog niet) plastiek schorten e.d. van de school gebruiken.
De leerlingen van de laatste klas compenseerden deze gunst door het haar van bezoekers te kappen aan een goedkoper tarief dan in een kapsalon. Dat geld kwam de school ten goede.
De lagere klassen moesten lootjes, koekjes en dergelijke verkopen en waren verplicht een bepaald minimum bedrag bijeen krijgen. Kon je het aantal lootjes niet verkocht krijgen moest je ze zelf kopen. Zo ook ik!


Mijn pleegbroer volgde toen al les in het  Xaverius college en dat koste een flinke duit. Ook daar werden kalenders verkocht door de leerlingen voor het één of ander goed doel. Diegene die het meest verkocht had kreeg een prijs en een vermelding op het rapport.

Dus moest Luc zeker de hoogste verkoop halen en dus kocht pleeg-ma zich blauw aan kalenders. Die werden dan weggestoken voor “pa” en als hij ze toch vond, dan werd er beweerd dat die besteld en betaalt waren door anderen.


Toen ik dan ook thuis kwam met mijn loten, moest ik natuurlijk op niets rekenen. Maar ik had ook niets anders verwacht.

Ik had al jaren geen zelfvertrouwen meer, dus langs de straat gaan, of het aan kennissen vragen om er te kopen, durfde ik niet. In de harmonie waren mijn vriendinnen mij voor, want hun moeders waren natuurlijk ook lid, en mijn pleegmoeder hield zich verre van al wat ik graag deed.


Dus ik terug naar de school met nog een half boekje over.

De vernederende woorden die ik van de leerkrachten en directrice te horen kreeg zal ik jullie besparen. Maar de grootste vernedering zou nog komen.


Telkens wij les in haartooi kregen, werd onze klas in twee gedeeld.

De eerste twee uren ging je in de stoel zitten, en werd jouw haar gekapt door je medeleerling. Wanneer de leerkracht dan het resultaat van het kapsel had beoordeeld, werd er gewisseld en moest jij werken op het hoofd van je medeleerling.

Wegens het niet verkocht hebben van de loten, had men voor mij de volgende strafmaat getroffen.

Ik moest steeds in de stoel gaan zitten, en mocht niet meer werken op een levend hoofd.

Dan had ik ook geen warm water of shampoo nodig.

Wanneer mijn haar gekapt was, en de leerling had haar punten gekregen, kwam de leerkracht mijn haar nat maken met koud water. Kletsnat, zodat er ook maar geen enkele krul meer in mijn haar zou te zien zijn.
Wanneer ik een handdoek van mijzelf mee had kon ik mijn haren afdrogen. Ik mocht immers niet meer onder de droogkap.
Wanneer ik geen handdoek stiekem had kunnen buiten smokkelen, moest ik met kletsnatte haren naar huis.

Stelde men mij eerst nog vragen daarover, het leuke nieuwtje ging al gauw de ganse school rond.

Elke maandag en donderdag hetzelfde ritueel! En telkens moest ik met natte haren door de kou in de winter.

Soms plakten mijn haren bevroren tegen mijn hoofd.

Ik vraag mij nog steeds af of dit wel wettelijk was. Maar wat ging er wel wettelijk in mijn geval?

Wie maalde daarom?

©Huismusje

MIJN LAATSTE SCHOOLDAGEN

Mijn schooldagen waren geteld!
Hoezeer ik ook probeerde, ik paste niet in het plaatje.
Mijn wanhopige pogingen, zo weet ik nu, waren zielig en lachwekkend tegelijk


Zo had ondertussen de minirok zijn intrede gedaan.
Rokken blouses en kleedjes in zwart/witte blokjes waren volop in de mode. Ik meen dat men het "Courreige" stijl noemde. Aan de voeten werden witte laarsjes gedragen. Net zoals die van Nancy Sinatra die een grote hit scoorde met "These Boots Are Made For Walking".
En ik wilde dat natuurlijk ook graag, maar ik moest niet hopen dat ik het van mijn pleegouders zou krijgen. Dus behielp ik mij met de middelen die ik had.

Mijn pleegmoeder had een rok met hanepoten, en dat leek wat op de stijl die mode was op dat moment. Althans, zo dacht ik dan!
Ik gapte die rok stiekem uit de kast en trok die onderweg naar school in het park aan.Die rok was mij natuurlijk te breed, maar vooral te lang om modieus te zijn. Ik rolde de rok dan maar op tot hij de gewenste lengte had. Daaronder droeg ik dan mijn witte laarsjes van de harmonie.
En net die laarsjes zouden mij nefast worden.
Ik moet er hopeloos belachelijk  hebben uitgezien  , maar creatief was ik toch wel, toch!

Het was volgens de regels van de harmonie ten strengste verboden om ook maar iets van onze uniform te dragen in onze vrije tijd.
Maar, zoals ik al zei, ik wou zo wanhopig graag bij de meerderheid horen.
Daarbij, het was het enige schoeisel dat ik had dat modern, warm, en bovendien mijn maat was.
Maar men ging mij verklikken in de harmonie en de gevolgen waren dat ik mijn uniform moest inleveren.
Ik had het aan mezelf te danken en was mij daar terdege van bewust. Maar dat belette niet dat ik in een diepe afgrond stortte.
Ik liet de school voor wat ze was en ik liet de harmonie voor wat ze was.
Ik voelde mij eens temeer onbegrepen. Maar vooral voelde ik mij verloren.
Ik werd er mij meer en meer van bewust dat het geen zin had om te vechten tegen de bierkaai.
Dat het geen zin had om te denken dat ik ooit gelukkig ging worden.
Ik gaf alle verzet op. Gaf mijn drang tot studeren op! En ik legde mij neer bij de eisen van mijn pleegouders, en ging werken op de fabriek.
Het maakte mij allemaal niets meer uit!
©Huismusje

DE FABRIEK (1)

Ik had de laatste twee schooljaren niks en veel geleerd!
Niks, omdat ik niets van de leerstof had meegekregen doordat ik geen schoolgerief had.
Bij mijn pleegouders thuis voerde men de slogan"eigen volk eerst" lang voor het V.B. ermee uitpakte.
Vermits men, in tegenstelling tot het lager onderwijs, zijn schriften en menige boek zelf moest kopen....En vermits ik ten huize van niet bij het 'eigen volk' behoorde, zat er weinig meer op voor mij dan te spijbelen. Kwestie van de vernederingen in de klas te ontlopen.
En veel, omdat ik een enorme levenswijsheid had opgebouwd.
Een volwassen aditute had jaren voor de eigenlijke volwassenheid zijn intrede gedaan.
Al kende ik veel volwassenen die vrolijker door het leven gingen dan ik.

Net voor de paasvakantie, waarin ik veertien jaar zou worden, gaf ik de strijd op!
Ik begon mijzelf te overtuigen dat studeren toch niet zo belangrijk was voor mij.
Dat ik het waarschijnlijk nooit in praktijk zou kunnen brengen. Ik begreep toen reeds dat je zonder wat ruggesteun toch niks kon verwezenlijken.
Kwam bij dat het mij zo ontzettend moeilijk was gemaakt in de kappersschool, dat zelfs een volwassene de pesterijen niet zou kunnen volhouden.
Ik was wel zo slim om te wachten tot het eind van de paasvakantie om mijn pleegouders te laten weten dat ik wou gaan werken.

Had "ma" een plopmuts gehad, ze zou van pure blijdschap menige keer de hoogte zijn ingegaan.
Nu verschenen er enkel een koppel dollartekens in haar ogen.
Het heugelijke nieuws deed in een mum van tijd de ronde, en nog voor "pa" zijn werktas kon neerzetten, kreeg hij de feiten te horen.
Zijn reakie was niet helemaal naar de zin van mijn pleegmoeder, want ik hoorde haar stem de hoogte inschieten. Waarschijnlijk had ze een rondedans voorzien, maar nu bleef het bij een schouderophalend knikje.

Meteen werd ik grandioos in de watten gelegd, want ik kreeg geld om de krant te gaan halen. De zaterdagkrant, want daar stonden de meeste werkaanbiedingen in.
Nu was er in die jaren werk in overvloed. Je ging je op zaterdag aanbieden, en maandag mocht je reeds beginnen.
Soliciteren was toen nog een uniek woord!
Zo ook ik, en dan nog wel net om de hoek van de straat waar ik woonde.
Ik kon er te voet naartoe gaan, en weer bracht ik vreugde in mijn pleeggezin!

Het was in feite een snoepwinkel.
Achter de winkelruimte lag het vertrek waar de snoepjes werden ingepakt in dozen.
Witte dozen voor de groothandel, en gouden dozen als geschenkverpakking.
De baas en de bazin waren nederlanders, en hun voornaamste handelwaar waren spekken en zachte fruitspekken.
Spekjes (spinnekes voor de antwerpenaren en omstreken) in alle maten, kleuren en modellen, en allemaal voorzien van een laag suiker.
Er werkten vier vrouwen. De bazin zelf stond meestal in de winkel, en de baas deed de leveringen. Zij hadden twee ettertjes van kinderen.
Het magazijn was in feite een omgebouwde garage. Daar stonden de grote vaten waar de spekken in bulck vanuit Nederland toekwamen.

Ik voelde mij heel onwennig, maar vooral voelde ik mij bekeken.
De dames die er werkten, en ook de bazin, leken zo uit een modeblad te zijn weggestapt.
Zelfs hun schort leek design in mijn ogen.
Hun haren naar de laatste mode kunstig hoog opgestoken en geen enkele lok die niet op zijn plaats zat.
Zij spraken onder mekaar over reizen die ze gingen doen, over supermeubelen die ze zich gingen aanschaffen, maar hetgeen mij het meeste imponeerde was dat ze met een auto naar het werk kwamen.
En daar stond ik dan weer!
Met mijn ouderwetse en goedkope schoenen.
Met een oude keukenschort van mijn pleegmoeder.
Met kleding die mij ofwel te groot, ofwel te klein was, maar nooit nieuw.

De dames wilde veel over mij weten, maar ik gaf geen antwoord op hun vragen.
Het vertrouwen in volwassenen was ik allang verloren, ik wist dat mijn antwoorden toch niet zouden geloofd worden.
Kwam bij dat ik niet wou dat iemand wist hoe mijn situatie was, omdat ik er steeds van overtuigd werd door mijn pleegouders dat het allemaal mijn eigen schuld was.
Ik liet ze al vlug merken dat ik met hen geen dikke maatjes wenstte te worden, en ze lieten mij dan ook vlug links liggen.
Het werk op zich was niet zo moeilijk en ik kende al vlug de knepen van het vak.
Ik werkte vlug, vlugger dan ik in feite moest werken, maar waarschijnlijk werkte ik zo mijn verdriet en frustraties weg.
Dat werd mij niet in dank afgenomen door de dames, want ik had steeds meer dozen gedaan dan zij. Ik begreep niet dat ik daar mee schade berokkende aan de werksfeer.
Wat wist ik in godsnaam van werken in groepsverband.
Het meest, en het liefst, was ik alleen.

Elke week werd het loon handje contantje uitbetaald, zonder veel poespas.
Een gewone witte briefomslag, met daarop de werkuren opgeschreven met een balpen.
Ik verdiende de, in mijn ogen, immense som van vijftien frank (€ 0,37) per uur. Een weekloon van 600BF (€14,87) per week.
Opslag voelde ik mij schatrijk, ik had nooit zoveel geld in mijn handen gehad.
Ik maakte plannen voor de dag van morgen.
Dan zou ik naar de stad gaan, en zou ik in één van de magazijnen een nieuwe outfit kopen.
Wat ik wou wist ik al, ik had immers het voorbeeld elke dag voor mij.
Maandag zou ik ook met mooie opgestoken haren komen werken!
Zou ik nieuwe schoenen aan mijn voeten hebben!
Want eigenlijk wou ik wel vriendjes worden met hen, maar ik moest er eerst voor zorgen dat op gelijke voet kwam.
De underdog was ik lang en vaak genoeg geweest. En ik besefte maar al te goed dat men beoordeeld werd naar zijn uiterlijk vertoon.
Ik had het beremoeilijk om mij aan te passen aan de arbeid, maar het was het waard
Met die dromen in mijn hoofd, en mijn geldzakje in mijn zak ging ik die vrijdagavond naar huis.

Ik wiste alle narigheid die achter mij lag uit mijn hoofd.
Vanaf nu zou alles anders, en vooral beter worden tussen mij en mijn peegouders!
Want eindelijk bracht ik het grote geld binnen,toch?
Endelijk zou ik worden aanvaard, en misschien zouden ze wel van mij beginnen houden.
Met die dromen ging ik naar huis.
En ook die dromen vielen als een zeepbel uit mekaar!

ZEEPBELLEN.

Waarom dromen, als dromen nooit uitkomen?
Dagdromen zijn een leuke bezigheid. Het helpt je vaak door nare situaties heen. Het helpt je vaak om je leven wat meer kleur te geven.
Maar wat als je die dromen nooit waar kan maken? Wat, als je keer op keer weer in de harde realiteit wordt gesmeten? Wat als de nachtmerrie blijft bestaan?
Zo was het bij mij!

Ik was zo fier als een gieter toen ik met mijn eerste loonzakje naar huis trok. Thuis gekomen haalde ik het uit mijn tas en legde het op tafel.
Ik voelde me heel wat!
Ik ging er eens goed voor zitten want nu zou er toch het een en ander moeten besproken worden.
Zo vond ik het niet meer dan normaal dat ik eindelijk zakgeld zou krijgen. Niet zomaar wat enkele centen maar een redelijk bedrag dat mijn zelfstandigheid zou doen toenemen.
Ook had ik de wens om eindelijk mijn eigen garderobe te bezitten. Te beginnen met de lingerie.
Dat alleen al zou mijn zelfvertrouwen een heel eind opkrikken. Dan hoefde ik niet meer door de grond te zakken van schaamte telkens ik mij moest omkleden in het bijzijn van mijn colega's.

Het was immers de gewoonte dat we op het werk onze bovenkleding in de kast hingen en onze schort direct over onze onderkleding droegen.
De steelse blikken en het fronsen van hun wenkbrauwen wierpen mij steeds terug naar de nare ervaringen die ik had meegemaakt in de school. Bij het sporten of bij een dokters controle voelde ik mij steeds als een voorwerp uit een rariteitenkabinet. En ook nu had ik weer datzelfde gevoel.

Ik rechte mijn rug om eens aan een duidelijk gesprek te beginnen met mijn pleegouders.
Om mijn eisen kenbaar te maken en hen mijn rechten te verklaren.
Mijn loonzakje lag als een doorslaand argument in het midden van de tafel tussen ons in .
Mijn pleegmoeder nam de enveloppe, scheurde ze open, en stak het geld zwijgend in haar portemonnee.
Ik had niet eens de tijd gehad om te tellen hoeveel  erin zat! En  zij nam niet eens de moeite om te gaan zitten maar ging meteen verder doen met wat ze bezig was geweest.
Geen proficiat. Geen "dank je wel" En vooral geen dialoog.

Maar zo gauw gaf ik het natuurlijk niet op. Ik liep achter haar de keuken in, nog steeds met dat euforische gevoel in mij, en gaf haar mijn wensen te kennen. “Morgenvroeg zou ik graag naar de kapper gaan en na de middag naar de stad om wat kleding te kopen” liet ik weten.
Heel gemeend vroeg ik of ze geen zin had om met mij mee te gaan? Zoals moeders met hun dochter doen.
Mijn pleegmoeder keek mij aan.
Het duurde even voor ze antwoordde. Dat gaf mij hoop. Want meestal kwamen de bitsige woorden als kogels uit haar mond geschoten.
Misschien dat ze mijn vraag niet eens zo onredelijk vond? Ik weet het niet.
Maar ze dacht niet lang na over mijn voorstel. Vermoedelijk stond ze te plannen wat ze met het geld ging kopen voor mijn pleegbroer.
Toen kwam haar antwoord!

Zij vroeg mij of ik wist wat ik hen al die jaren had gekost? Hoelang ik zou moeten werken om dat alles terug te kunnen betalen?
Ze vertelde mij wat haar vriendin verdiende per maand en per kind als onthaalmoeder.
Of ik eens wilde uitrekenen hoeveel zij nog van mij tegoed had dan.
En of ik nu echt dacht dat alles gratis was?

Zij haalde een boel argumenten aan en ik een boel tegenargumenten. Maar het hielp geen zier. Even nog vroeg ik met een vleugje hoop of het dan van het volgende loonzakje zou kunnen? Maar het gesprek ging over in een hysterische scheldpartij.

Mijn pleegvader zat aan tafel zijn krant te lezen en deed er het zwijgen toe zoals altijd.
Toen ik aan hem vroeg of hij dit eerlijk vond, haalde hij zijn schouders op. Hij opperde dat ik misschien, net zoals hij, een weekend job erbij zou kunnen nemen en dat ik van dat geld dan wel wat zou kunnen krijgen. “Krijg ik dan helemaal niets?” vroeg ik heel ontdaan. "Ook geen zakgeld?" Weer haalde hij zijn schouders op...en zweeg.

Mijn pleegbroer zat ondertussen te spelen met zijn Meccano.
Hij had enkel nog een motor en een transformator nodig om het bouwwerk te laten werken.
Pleeg-ma zei dat ze morgen wel eens naar de speelgoedwinkel zouden kunnen gaan....!

©Huismusje

DE FABRIEK 2


Ik werkte al enkele weken op de suikerwerkfabriek.
Nog steeds gaf ik thuis mijn loonzakje volledig af en nog steeds had ik er niks van gekregen of mogen kopen.
Het gaan werken was op die manier zeer demotiverend!
Temeer omdat ik zag en hoorde wat mijn collega's met hun loon allemaal konden verwezenlijken.

Ik droeg nog steeds de afdankertjes van anderen en de antieke lingerie van mijn pleegmoeder.
Ik hield mij nog steeds van iedereen afzijdig om maar geen vragen te moeten beantwoorden.

Mijn vingers waren tot bloedens toe kapot.
Dat kwam door het werken met het suikergoed.
Mijn bazin had dat gezien en daarom werd ik verbannen naar het zwaardere werk.
Zo moest ik de bestelwagen in en uitladen.  Met volle paletten sjouwen van het atelier naar het het magazijn en omgekeerd. En vooral moest ik veel poetsen. Het magazijn, het atelier, de winkel en de straat.
In het magazijn stonden grote aluminium waar het suikerwerk in zat.  Met een grote schep moest ik dat suikerwerk uit die vaten halen en de inpaksters bevoorraden
Dat was voor mij steeds een ware hel want het krioelde er van de bijen en de wespen en daar had ik een hemelse schrik van, Nu nog trouwens.

Er werkten maar twee mannen op het kleine fabriekje. Dee baas zelf, en zijn (of haar?) vader.


Bompa, zoals hij werd genoemd, was volgens mijn jeugdige visie stokoud. Ik vond het een beetje een vieze man ook, maar dat is eigen aan de jeugd vermoed ik.
Hij was kalend en had van die bolle fletse ogen en dikke hangwangen en was behoorlijk dik. Bovendien  stonk hij naar ranzig zweet.
Nu had ik al meermaals opgemerkt dat ik, vooral voor oudere mannen, een lekker hapje scheen te zijn. En bij oud bedoel ik boven de vijftig. Mannen dus die mijn vader, of zelfs grootvader, hadden kunnen zijn.
Dat was in de harmonie ook al zo. Bij elke uitstap had ik wel enkele oude mannen achter mij aan.


En ja hoor, op een dag zat die oude viezerd met zijn kladden aan me!

Hij nam de gelegenheid te baat toen ik voorover gebukt stond bij één van de vaten. Klauwen tussen mijn benen, en klauwen rond mijn borsten!

Nadat ik van de schrik bekomen was zette ik het op een lopen. Rechtstreeks naar de bazin toe.

Er was net een klant in de winkel maar daar schonk ik geen aandacht aan, zo overstuur was ik.

Ik schreeuwde de bazin het gebeurde toe.

Ze duwde mij met een rotvaart de keuken in en gebood mij daar te blijven tot ze de klant had geholpen.

Het duurde vrij lang voor ze naar achter kwam.
 De andere inpaksters waren ook al een kijkje komen nemen.

 Zij hadden mij zien voorbij spurten en horen roepen.

Toen de bazin eindelijk naar achter kwam kreeg ik de volle laag.
 Of ik wel wist wat mijn plaats was? Of ik dacht dat zij mij geloofde? En waar ik het lef vandaan haalde om zoiets te durven beweren terwijl er klanten in de zaak stonden.

Na de schok en de woede kwamen de tranen.

Ik kon het niet vatten dat ze dacht dat ik over zoiets zou liegen.

Toen zei de bazin koudweg dat ik op staande voet ontslagen was.


Totaal versuft heb ik mijn spullen bijeen genomen.

Toen één van de vrouwen om uitleg vroeg gaf ik haar die.

Zij antwoordde toen dat “bompa” dit bij iedereen deed en dat dit allemaal heel onschuldig was. Dat iedereen daar mee lachte.
 Maar ik kon er helemaal niet mee lachen!

Ik zou zulke feiten nog meermaals meemaken!

Bijna overal waar ik werkte of waar ik kwam waren er mannen die graag met hun kladden aan mij zaten.

Het was net of er stond in het groot op mijn voorhoofd geschreven “bepotel mij a.u.b.”. En dat terwijl ik iedereen liefst zo ver mogelijk van mij vandaan hield!

Ik zocht nooit toenadering. Ging integendeel iedereen zoveel als mogelijk uit de weg.

Ook was ik nooit uitdagend gekleed en make-up bezat ik niet. Ik bezat beide niet.


Het maakte mij verward, verdrietig en boos tegelijk.
 Het gaf mijn weinig zelfvertrouwen er nog een flinke deuk bij.

Het maakte mijn jeugdjaren nog moeilijker dan ze reeds waren.

Ik vroeg mij bang af wat mij thuis te wachten stond.

Wist niet of ik het gebeurde moest vertellen of zwijgen.

Immers, het enige dat mijn pleegmoeder erg zou vinden was dat ik geen werk meer had.

©Huismusje

DILEMMA.

Ik was nog niet bekomen van de onaangename belevenis op de suikerwerkfabriek, of er stond mij al een andere te wachten.
Eén die mogelijk nog onaangenamer was om te beleven als veertienjarige!

Voor ik naar huis durfde had ik eerst een verdedigingsplan klaar gestoomd.
Ik zou niet meteen zeggen wat er werkelijk was gebeurd, maar ik zou beginnen met te zeggen dat ik ander werk ging zoeken.
En dan maar afwachten hoe mijn pleegmoeder zou reageren voor ik verder ging met de uitleg te geven.
Mezelf zo moed in sprekend ging ik naar huis.

Het was iets na de middag en men verwachtte mij nog lang niet terug.
Ik besloot de verrassing compleet te maken door de huissleutel te gebruiken in plaats van aan te bellen.
Meestal was de buurvrouw op dat uur op visite of anders wel de tante van pleeg-ma. En dat zou haar eventuele woede uitbarsting al een beetje binnen de perken houden.
Dus ik viel ik met de spreekwoordelijke deur in huis;
En toen kreeg ik de verrassing van mijn leven!

Er was niemand in de leefkamer.
Dat was al niet normaal want pleeg-ma ging vrijwel nooit uit huis.
Ik keek vlug even of ze niet op de wc was of in de tuin, maar ook daar geen teken van leven.
Tot de deur van de slaapkamer achter me openging en pleeg-ma met hoogrood aangezicht in de deuropening van de slaapkamer verscheen.
Maar de grote vergassing was dat oom D. die achter haar aankwam!
Beide probeerden in de rapte hun kleren te fatsoeneren.
Ik had geen optelsom nodig om te beseffen wat daar aan de hand was, maar ik stond wel perplex.
Ik kon geen woord uitbrengen en ook zij beiden zeiden niet meteen iets.
We stonden daar alle drie elkaar wat onnozel aan te gapen.

Uiteindelijk was het oom D. die het eerst in beweging kwam.
Hij nam zijn jas van de stoel en kwam naar me toe.
Hij kneep in mijn schouders en keek me boos aan.
Hij zei: "Als je ooit één woord durft zeggen over wat je hier hebt gezien, dan zal ik ervoor zorgen dat je nooit nog kan lachen in je leven."
En toen kreeg pleeg-ma ook de nodige moed om mij te vertellen dat ze mij zou afmaken wanneer ik zulks zou doen. "Desnoods maak ik je kapot in je slaap" liet ze er ook nog op volgen.
Oom D. vertrok en pleeg-ma begon een hoop onzin te verkopen.
"Dat het niet was wat ik dacht dat het was"! "Dat ik te stom was om de juiste conclusie te kunnen trekken uit hetgeen ik had gezien." Enzo. enz.

En hoe harder zij me van haar onschuld probeerde te overtuigen, hoe meer ik wist dat mijn conclusie wel degelijk de juiste was.
Zij rotzooide achter de rug van "pa" met zijn broer.
Diep in haar hart moet ze beseft hebben dat ik haar niet geloofde. Maar ze sprak er nooit nog een woord over. En ik ook niet.
Voor mij kwam het hele voorval op dat moment in feite goed van pas.
Mijn ontslag en de angst daaromtrent werden plots een bagatel.

Toen mijn pleegmoeder vroeg wat ik eigenlijk op dat uur thuis kwam doen, en ik haar vertelde dat ik was ontslagen, haalde ze gelaten haar schouders op.
Heel kalmpjes liet ze mij weten dat ik dan maar zo vlug mogelijk ander werk moest zoeken. En daarmee was de kous af voor haar.
Naar de reden van mijn ontslag heeft ze nooit gevraagd.

Ondertussen kwam mijn pleegbroer uit school en iets later kwam pleeg-pa van zijn werk.
Het leek haast of ik had alles gedroomd!
Er werd door pleeg-ma heel gewoon gedaan. alhoewel, naar mij toe was ze iets minder grof dan gewoonlijk.
Ik had daar blij moeten om zijn maar ik was het niet.
De schok was te groot vermoed ik.
En nog het ergste was het gevoel in mij dat oom D. me had bedrogen.
Ik meende dat hij van mij hield.
En nu bedreigde hij mij ook al.
Was er dan echt niemand te vertrouwen? Was er nu echt niemand die van me hield of een beetje om me gaf?
Wat zag oom D. in godsnaam in mijn pleegmoeder, vroeg ik mij af?
Die onverzorgde vuilbekkende vrouw met meer gaten dan tanden in haar mond, wat had zij te bieden?
En mijn moeder noemde ze een hoer! En ik was het hoerenjong!
En nu? Wat was zij dan?
Neen ik kon het niet vatten.
Het werd mij allemaal te veel.

Het ergste van al was dat ik het aan niemand kwijt kon.
Het was het grote geheim tussen haar en mij.
Al leek mijn pleegmoeder het voorval vlug vergeten te zijn, ik daarentegen kon het niet uit mijn hoofd zetten.
Tot op heden heb ik het, buiten aan mijn kinderen, nooit aan iemand vertelt.
Omdat ik er zeker van ben dat men mij toch niet zou geloven.
Toen niet , en nu nog niet.
Maar ook omdat ik weet dat mijn pleegvader ondanks zijn liefdeloze huwelijk, zielsveel van mijn pleegmoeder hield. En ik hem ondanks alles niet wil kwetsen.
Wie of wat zou ermee gebaat zijn als ik het hem alsnog zou zeggen?. Het zou overkomen als een wraakactie. Er is ook teveel tijd overheen gegaan
Mijn pleegmoeder zowel als oom D. zijn reeds jaren dood.
Mijn pleegvader wordt straks 92 jaar. Hij is onlangs geopereerd van keelkanker en leeft een Tracheo-stoma. Ja, ik heb er goed aan gedaan om het voor hem te verzwijgen.

Maar dat neemt niet weg dat dit feit al die jaren op mij heeft gedrukt. Dat het een levenslang dilemma geweest is voor mij.

©Huismusje

Meer van HUISMUJE'S TRIESTE JEUGD

↑ Terug naar de berichten